Het gewichtig oogenblik was nabij. Jasper Jodocus vloog de zalen
in en uit, sprak even met den heer Quastman en zijn muzikaal
gevolg, en verdween. Tegelijkertijd scheen er eene paniek onder de
ordecommissarissen gekomen, die allen vol bedrijvigheid de deur
uitsnelden. De heer Quastman streek de hand door de valsche zwarte
krullen van zijne zwierige pruik, trok de groote geborduurde slippen van
zijne witte gala-das zoo wijd mogelijk uiteen, en poogde practisch te
staven, wat treffelijke theoriën van sierlijke houdingen er in zijn
dansmeestersbrein verscholen waren. Op eens geeft hij een teeken aan
zijn orkest:
„Nummer 1—Malbroek—heeren! As-je-blieft!”—En koddig heft de
strijkmuziek de eentonige wijze aan, weldra door het algemeen gezang der
gasten gesteund.
Bij den ingang van het salon verscheen de plechtstatige optocht.
Juist zooals Jasper Jodocus het aan Mlle de Tourzel had voorspeld.
Met een kalm, deftig gelaat opende hij zelf den trein. Twee meisjes,
de dochtertjes van Caspar, allerliefst in 't wit—jammer alleen, dat
de gele halzen en armen er wat onaangenaam tegen afstaken—volgden.
De feestvierende gastheer en gastvrouw traden als een sprekend
contrast langzaam naast elkander voort. Caspar met gebukten hoofde,
bot glimlachend, op het tapijt starend—mevrouw Van der Comme in eene
wolk van lichtgroene linten en een luid ruischende, splinternieuwe,
lichtgroene, zijden feestjapon, ieder vroolijk en druk een welkomstgroet
toewerpend. De jongeheer Jasper loopt lomp en onverschillig achter zijne
ouders. Hij dompelt de handen diep in de zakken van zijn witten broek en
kijkt ieder zeer vrijpostig en minachtend aan. De zes commissarissen
sluiten den trein.
De vijf coupletten van den eersten feestzang zijn afgezongen. De
koperen Bruidegom en Bruid zitten op de blauwe sofa, naast geraniums en
camelia's. Alle gasten houden het oog op hen gevestigd. Jasper Jodocus
neemt zijn neefje Jasper Jun, bij de hand, en plaatst hem voor de
canapé.
„Houd je goed, manneke!”—fluistert hij zachtjes aan 't oor van den
kwajongen—„morgen krijg je een gouden Willem van oom Jasper, hoor!”
De elfjarige knaap onttrekt zijn arm met drift aan oom Jasper's
vingeren, steekt zijne handen weer in den zak en schopt met zijne
nieuwe verlakte laarsjes naar de franjes van het karpetje voor de sofa.
Eensklaps ziet hij op, en gewaarwordend, dat ieder hem aanstaart, richt
hij zich met eene korte beweging van ongeduld in eene gedwongen,
stokstijve houding op, en vangt, luid en radsprekend dus aan:
„Beminde ouders! Vergunt uw oudsten zoon, hij UEd. met dezen lang
gewenschten dag mag feliciteeren en UEd. toewenschen UEd. nog lange
jaren van den dag van UEd. huwelijksfeest moogt profiteeren, en alsdat
UEd. nog veel vreugde en voorspoed van UEds. kinderen moogt beleven.
Wilt mijne eenvoudige, kinderlijke taal excuseeren en denken het alleen
op de intentie aankomt, waarvan UEd. ook een bewijs kan zien in het
arrivement van zooveel geëerde en toegenegen gasten.... van....
zooveel.... geëerde en.... en....”
Eensklaps ziet de redenaar om. Oom Jasper trekt hem aan de mouw en wil
hem het vervolg der aanspraak toefluisteren. Daar trekt een vuurroode
blos over 't aangezicht van den driesten knaap—hij aarzelt een
oogenblik—eindelijk rukt hij zich los en schielijk de kamer uitloopend,
schreeuwt hij:
„Weet je wat, Oom Jasper! ik dank je voor je gouden Willem, en ik geef
er de weerga van. Onthoud zelf je preken!”