Antipas viel achterover als door een stoot midden in het hart. De
Sadduceërs hadden zich op Jacob gestort. Eleazar begon een redevoering
om gehoor te krijgen.
Toen de stilte gezonken was, plooide hij zijn mantel terecht, en
stelde als een rechter zijn vragen:
"Daar de Profeet dood is..."
Gemompel onderbrak hem. Men geloofde dat Elias slechts tijdelijk ten
hemel opgenomen was.
Eleazar toornde tegen de menigte, en zette zijn ondervraging voort:
"Meent ge, dat hij verrezen is?
"Waarom niet?" zei Jacob.
De Sadduceërs haalden de schouders op. Jonathas sperde zijn oogjes
wijd open en deed moeite om als een nar te lachen:
"Niets dwazer dan de aanspraak van het lichaam op de
onsterfelijkheid;" en, voor den Proconsul, haalde hij een vers aan van
een toenmalig dichter:
Nec crescit, nec post mortem durare videtur.
Maar Aulus had zich over den rand van het ligbed heengebogen, het
zweet stond hem op het voorhoofd, zijn gelaat was groen, de vuisten
drukte hij tegen de maag.
De Sadduceërs veinsden groote ontroering; (den volgenden dag kregen
ze de offer-waardigheid terug), Antipas deed alsof hij wanhopig was;
Vitellius leek onbewogen. Toch doorstond hij groote angsten; met zijn
zoon immers zou hij zijn schoone kans verliezen. Nauwelijks had Aulus
met braken opgehouden, of hij wilde weer aan 't eten.
"Laat ze me raspsel van marmer geven, aardolie van Naxos, zeewater, of
wat dan ook! Als ik eens een bad nam?"
Hij kauwde sneeuw, weifelde voor een schotel rose merels, en nam ten
laatste honingpompoenen. De kleine Aziaat zag bewonderend naar hem op;
die zwelgers-aanleg verried een wonderbaar en bovenaardsch wezen.
Men diende stier-nieren op, marmotten, nachtegalen, gehakt vleesch in
wingerdbladeren; en de priesters redetwistten over de verrijzenis.
Ammonius, leerling van den Platonicus Philon, vond dat ze dwazen
waren, en zei het tot eenige Grieken die over de orakels lachten.
Marcellus en Jacob hadden elkaars gezelschap gezocht. De eerste
verhaalde aan den tweede over zijn geluk bij het doopsel van Mithra,
en Jacob ried hem Jezus te volgen.
Wijn uit palmsap en tamariskenschors getrokken, wijnen van Safet en
Byblos stroomden uit de amphoren in de mengvaten, uit de mengvaten in
de drinkschalen, uit de drinkschalen de kelen in.
Er werd druk gepraat, en de harten begonnen zich te openen.
Jacim was een Jood, maar hij hield het niet langer geheim dat hij de
sterren aanbad. Een koopman uit Aphaka verblufte de nomaden door
hun de wonderen van den tempel van Hiërapolis, in de kleinste
bijzonderheden, voor oogen te tooveren. Ze vroegen hem hoeveel een
beevaart daar heen zou kosten. Anderen hielden het bij den godsdienst
waarin ze geboren waren. Een bijna blinde Germaan zong een hymne ter
eere van dat Scandinavische voorgebergte, waar de goden verschijnen
omstraald door den glans van hun aangezicht, en lieden van Sichem aten
geen tortels uit eerbied voor de duif Azima. Verschillende gasten
stonden midden in de zaal te praten, en hun adem wademde, met den rook
der luchters, als een nevel in de ruimte. Phanuel kwam langs de muren
gegleden. Nogmaals had hij zooeven het uitspansel bestudeerd, maar
hij durfde den Viervorst niet naderen, bang voor olievlekken, die de
Esseërs als een groote smet beschouwden.
Er vielen slagen op de burchtpoort.
Men wist thans dat Jaokanann hier gevangen werd gehouden. Mannen met
flambouwen klommen het bergpad op, een zwarte menigte krioelde in het
ravijn, en van tijd tot tijd schreeuwden ze daar:
"Jaokanann! Jaokanann!"
"Alles brengt hij in de war!" zei Jonathas.
"Als hij doorgaat, krijgt het rijk geen geld meer!" voegden de
Farizeërs er aan toe.