"Laat ze ophouden!"
"Ge zijt een afvallige!"
"Goddeloos als Herodes en de zijnen!"
"Minder goddeloos dan gij!" antwoordde Antipas. "Mijn vader was het,
die uw tempel bouwde!"
Toen begonnen de Farizeërs, de zonen der bannelingen, aanhangers van
Matathias, den Viervorst te beschuldigen van de misdaden, door zijn
verwanten bedreven.
Ze hadden spitse schedels, een stekeligen baard, slappe en boosaardige
handen, of wel een plat gelaat, dog-achtig, met groote ronde oogen.
Een twaalftal schriftgeleerden en tempeldienaars, gevoed door den
afval der offeranden, sprongen op de estrade aan, en dreigden Antipas
met messen. Hij sprak hen toe, terwijl de Sadduceërs hem zwak
verdedigden. Hij zag Mannaeï wel, maar gaf hem een teeken liever maar
weer heen te gaan, daar Vitellius door zijn houding deed uitkomen, dat
de dingen hem niet aangingen.
De Farizeërs, die nog op hun ligbedden gebleven waren, raasden in
duivelsche woede, ze sloegen de schotels stuk die vóór hen stonden.
Men had hun Mecena's geliefkoosd gerecht opgediend, vleesch van den
woudezel, een onreine spijze.
Aulus dreef den spot over den ezelskop, dien zij, volgens de verhalen,
zouden vereeren, en verkocht ook geestigheden over hun weerzin tegen
varkens. Zeker was die haat ontstaan omdat dit vette beest hun Bacchus
gedood had, en daar men in den tempel een gouden wijnstok ontdekt had,
hielden ze zooveel van wijn!
De priesters begrepen zijn woorden niet. Phineas, een Galileër van
afkomst, wilde ze niet vertolken. Toen kende de toorn van Aulus geen
grenzen meer, te erger omdat de kleine Aziaat, door vrees bevangen
verdwenen was; en het maal stond hem niet aan, de spijzen waren te
alledaagsch, niet kunstig genoeg verwerkt! Hij kwam tot kalmte, toen
hij staarten van Syrische schapen zag opdragen, louter rollen van vet.
De aard der Joden leek Vitellius een gruwel. Moloch, wien hij langs
den weg altaren had zien opgericht, kon best hun god zijn; en het viel
hem te binnen, hoe ze den naam hadden kinderen ten offer te brengen.
Ook de geschiedenis van den man, dien ze op geheimzinnige wijze zouden
vetmesten, kwam hem in de gedachten. Hij, de Latijn, voelde zijn hart
walgen van hun onverdraagzaamheid, hun beelden-vernielende furie, hun
afstuitende ruwheid.
De Proconsul wilde heengaan. Aulus weigerde hem te vergezellen.
Hij lag achter een hoop etenswaren, te verzadigd om er nog van te
gebruiken, maar te koppig om ze in den steek te laten.
De opwinding van het volk werd steeds grooter. Ze gingen op in plannen
voor hun onafhankelijkheid. De herinnering aan Israëls glorie werd
opgeroepen. Alle veroveraars hadden ze afgeslagen: Antigonus, Crassus,
Varus...
"Ellendelingen!" zei de Proconsul. Want wel verstond hij de Syrische
taal: zijn tolk diende slechts om hem tijd tot antwoorden te laten.
Antipas trok haastig de medaille van den Keizer te voorschijn, en,
bevend hem bespiedend, hief hij haar op, den beeldenaar naar hem
toewendend.
Daar plotseling werden de vleugels der gouden galerij opengeworpen; en
in den luister der toortsen, tusschen haar slaven die festoenen van
anemonen droegen, trad Herodias te voorschijn,--een Assyrische
mijter stond, met een kinneband, op haar hoofd bevestigd; haar
spiraal-vormige lokken hingen over een scharlaken peplum, waaruit door
wijde armsgaten de mouwen plooiden. Twee steenen monsters, gelijk aan
die bij den schat der Atriden, stonden tegen de deurposten opgesteld,
en ze geleek op Cybele tusschen haar leeuwen. Hoog van de balustrade
boven Antipas' hoofd, de offerschaal op de handen, riep ze: "Dat Cesar
leve!"
Die hulde werd herhaald door Vitellius, Antipas en de priesters.
Maar uit de diepte der zaal drong een gemompel aan van verrassing en
bewondering. Een jong meisje was zooeven binnengekomen.
Onder een blauwachtigen sluier, die haar de borst en het
hoofd verhulde, onderscheidde men den boog harer oogen, de
chalcedoon-steenen in haar ooren, de blankheid harer huid. Een lap
van weerschijnende zijde bedekte haar schouders en was op de
heupen bevestigd door een fijn-gesmeden gouden gordel. Haar zwarte
beenbekleedsels waren met mandragoren bezaaid, en als voor evenveel
liet ze haar muiltjes van colibri-dons over den grond klapperen.
Op de estrade gekomen wierp ze haar sluier af: het scheen Herodias,
zooals die was in haar jeugd. Ze begon te dansen.
Haar voeten hieven zich, de een voor den ander, op het rhythme van een
fluit en een paar ratels. Haar gebogen armen riepen iemand, die altijd
weer vluchtte. Lichter dan een vlinder achtervolgde ze hem, als een
nieuwsgierige Psyche, als een zwervende geest, en ze scheen gereed om
weg te vliegen.
De rouwklanken van den gingras vervingen de ratels. Neerslachtigheid
had de hoop vervangen. Haar gebaren werden als verzuchtingen, en in
geheel haar wezen lag zulk een smachtend verlangen, dat men niet weten
kon of ze een god beweende of duizelde in een droom van liefde.
Met half-geloken wimpers boog ze en wiegde ze zich met deinende
golvingen, haar boezem trilde, haar gelaat bleef onbewogen en haar
voeten hielden niet stil. Vitellius vergeleek haar bij Mnester.
Aulus braakte nog altijd.
De Viervorst zat in een droom verloren en dacht niet meer aan
Herodias. Toen hij haar meende te zien, in de nabijheid der
Sadduceërs, verzwond zijn visioen.
Het was geen visioen.
Ver van Machaerous had ze Salome, haar dochter,--die de Viervorst
eenmaal lief moest hebben,--laten opvoeden. En het was een goede
toeleg geweest. Thans wist ze het zeker!
Nu werd het de vervoering der liefde die bevrediging zoekt. Ze danste
zooals de Indische priesteressen, gelijk de Nubische vrouwen die bij
de watervallen wonen, als de bacchanten van Lydië. Ze wierp zich naar
alle zijden om, gelijk een bloem, die door den storm wordt bewogen. De
schitter-steenen in haar ooren dansten mede, de glanzende kleuren der
zijden stoffe, die haar rug verhulde, wisselden; uit haar armen, haar
voeten, uit haar gewaad, sprongen onzichtbare vonken, die het hart
der mannen deden ontvlammen. Een harp zong; de menigte jubelde ze
na, ontsteld van bewondering, zoowel de nomaden, die aan versterving
gewoon waren, als de Romeinsche soldaten zoo deskundig in
uitspattingen, de gierige tollenaars en de oude priesters verbitterd
door 't levenslang redetwisten.
Zonder de knieën te buigen bukte ze zich zoo diep dat haar kin den
vloer raakte. Vervolgens wentelde ze om Antipas' tafel heen in dolle
vaart, wervelend als de draaischijf der tooverkollen, en met een stem,
door snikken van wellust onderbroken, riep hij haar toe:
"Kom! Kom!" Ze wendde en wentelde al voort; zoo luid klonken de
tympans alsof ze scheuren zouden, de menigte joelde. Maar nog luider
riep de Viervorst: "Kom! Kom! Capharnaüm zult ge hebben, de vlakte van
Tiberias! mijn burchten! de helft van mijn koninkrijk!" Ze wierp zich
op de handen, de hielen omhoog, liep zoo als een groote tor de estrade
over, en hield plotseling stil.
Haar nek en haar rug vormden een rechten hoek. De kleurige schachten
die haar beenen omsloten, rondden als regenbogen boven haar schouders
uit, en gingen, een armlengte hoog van den bodem, met haar gelaat in
ééne richting mede. Haar lippen waren gekleurd, haar wenkbrauwen zeer
zwart, haar oogen bijna verschrikkelijk, en de zweetparels op haar
gelaat schenen een dauw over wit marmer.
Ze sprak niet. Ze zagen elkaar aan.
Een vinger-klap klonk van de tribune. Ze klom daarheen, kwam weer te
voorschijn, en met eene wat lispelende stem zei ze kinderlijk:
"Ik wil, dat ge me op een schotel, het hoofd geeft van..." Ze was
den naam vergeten, maar met een glimlach hernam ze: "het hoofd van
Jaokanann!"
De Viervorst zakte ineen van ontzetting.
Zijn woord moest hij gestand doen, en het volk wachtte.
Maar zoo de dood, die voorspeld was, een ander werd aangedaan,--zou
de zijne dan niet afgewend worden?
Indien Jaokanann wezenlijk Elias was, kon hij zelf er zich aan
onttrekken, zoo niet dan beduidde de moord niet veel! Mannaeï stond
naast hem en begreep zijn bedoeling.
Vitellius riep hem terug om hem het wachtwoord te geven, daar er
soldaten bij het kerkerhol stonden opgesteld.
Het was een verademing: binnen een oogenblik zou alles gedaan zijn.
Maar het werk ging Mannaeï niet vlug van de hand.
Ontdaan kwam hij weer binnen.
Sinds veertig jaar oefende hij het beuls-bedrijf uit. Hij was het
die Aristobulos verdronken had, Alexander gewurgd, Matathias levend
verbrand, die Zosima, Pappus, Josephus en Antipater onthoofd had; en
Jaokanann durfde hij niet dooden! Hij klappertandde, en rilde over
zijn geheele lichaam.
Vóór den kerker-kuil had hij den grooten Engel der Samaritanen zien
staan geheel met oogen overdekt, zwaaiend met een reusachtig zwaard,
rood en gekarteld als een vuurvlam.
De twee wachten tot getuigen meegebracht, zouden het staven.
Ze hadden niets gezien, dan alleen een Joodschen legerhoofdman, die
zich op hen gestort had, en die thans niet meer tot de levenden
behoorde.
De toorn van Herodias barstte los in een stortvloed van platte en
bloeddorstige verwenschingen. Ze scheurde zich de nagels aan de
tralies der tribune, en de twee gebeeldhouwde leeuwen leken in haar
schouders te bijten en te brullen als zij.
Antipas schreeuwde, de priesters, de soldaten, de Farizeërs, allen
riepen ze om wraak en ook de anderen, verontwaardigd dat men hen op
dat nieuwe tijdverdrijf liet wachten.
Mannaeï ging heen met bedekt gelaat.
Den gasten viel de tijd nog langer dan eerst. Ze verveelden zich.
Eensklaps klonken er voetstappen op in de gangen. Het weeë ongeduld
werd onhoudbaar!
Het hoofd kwam.
Mannaeï hield het bij de haren aan zijn gestrekten arm, trotsch op het
gejubel.
Hij legde het op een schotel en bood het Salome aan.
Snel klom ze de tribune op. Na een lange pooze werd het hoofd
teruggebracht door de oude vrouw, die de Viervorst's morgens was
gewaar geworden op het platform van een huis, en straks in Herodias'
kamer.
Hij deinsde terug om het niet te zien. Vitellius wierp er een
onverschilligen blik op.
Mannaeï daalde van de estrade af, en toonde het aan de Romeinsche
hoofdlieden, die langs deze zijde aanzaten.
Ze bekeken het met onderzoekende blikken.
De scherpe snede van den bijl had het van boven naar beneden gekloofd,
en de kaak gespleten. Een stuiptrekking trok de mondhoeken neer.
Stollend bloed vlekte den baard. De gesloten oogleden waren bleek als
schelpen; rondom straalden de luchters. Het hoofd kwam bij de tafel
der priesters. Een Farizeër keerde het nieuwsgierig om en om, en
Mannaeï zette het weer stevig recht en plaatste het vóór Aulus, die
er door ontwaakte. Tusschen hun even open wimpers schenen de doode
oogappels en de verwaterde oogappels elkaar iets te zeggen.
Toen bood Mannaeï het Antipas aan. Tranen stroomden den Viervorst over
de wangen.
De toortsen smeulden uit. De gasten vertrokken, en niemand bleef er in
de zaal dan Antipas, die met de handen tegen de slapen staag naar
het afgehouwen hoofd zat te staren, terwijl Phanuel, halverwegen het
groote middenschip, met uitgestrekte armen gebeden stond te prevelen.
In het uur van zonsopgang, kwamen de twee mannen, die laatst door
Jaokanann uitgezonden waren, met het lang verhoopte antwoord.
Ze vertrouwden het Phanuel toe, die het in zielsvervoering aanhoorde.
Toen toonde hij hun het gruwelijk voorwerp op den schotel, tusschen de
resten van het feestmaal.
Een der mannen zeide:
"Troost u! Hij is nedergedaald tot de dooden, om Christus te
verkondigen!"
Thans begreep de Esseër de woorden: "Hij moet grooter, maar ik kleiner
worden!"
En het hoofd van Jaokanann met zich nemend, gingen ze met hun drieën
den kant van Galilea uit.
Daar het zeer zwaar was, droeg ieder het op zijn beurt.