III

De gasten vulden de feestzaal.

Ze had, als een basiliek, drie beuken die door zuilen van algumimhout

met gebeeldhouwde bronzen kapiteelen gescheiden werden. Ze schraagden

twee open galerijen, en een derde van gouden filigraan rondde

zich achter in de zaal-diepte, recht tegenover een reusachtige

wulfsel-poort, open in den voorwand.

Op de tafels, die door de geheele lengte van het middenschip stonden

aaneengerijd, brandden de luchters als kleine bosschen van vuur,

midden tusschen de beschilderde aarden schalen en de koperen schotels,

de sneeuw-blokken en de opgetaste druiven. Maar onder het hooge gewelf

zweemde die roode klaarte langzaam in schemers weg, en lichtpunten

tintelden daar, als des nachts de sterren door takken heen. Door den

boog van het wijd-open poortvak kon men de toortsen zien vlammen op de

huis-terrassen,--want Antipas onthaalde zijn volk, en allen die zich

aangemeld hadden. Slaven, geschoeid met vilten sandalen, liepen rap

als honden om, en droegen de schotels.

De tafel van den Proconsul stond onder de vergulde galerij, op een

verhevenheid van sycomore-planken, Babylonische tapijten omsloten haar

als met een tente.

Vitellius, diens zoon en Antipas namen de drie ivoren ligbedden in,

die daar opgesteld stonden, één recht in 't midden, met de twee andere

terzijde; de Proconsul lag links, dicht bij de deur, Aulus aan den

rechterkant, de Viervorst op het middelste.

Hij was gehuld in een zwaren zwarten mantel, welks weefsel geheel

schuil ging onder kleurige ophechtsels. Hij droeg den baard

waaiervormig, had blanketsel op de kaken, en azuurpoeder in het haar,

dat omsloten werd door een diadeem van edelsteenen. Vitellius had

den purperen bandelier niet afgelegd, die schuin over de linnen toga

plooide.

Aulus had de mouwen van zijn paars-zijden met zilverdraad doorweven

opperkleed op den rug laten vastknoopen. Zijn tot rollen gekamde

haren waren trapsgewijze op zijn hoofd getast, en een halssnoer van

saffieren glinsterde op zijn borst, rond en blank als die eener vrouw.

Dicht naast hem zat een heel mooi knaapje neergehurkt op een mat. Het

glimlachte aldoor. Aulus die het straks in de keukens voor 't eerst

had gezien, kon niet meer buiten hem, en daar hij moeielijk zijn

Chaldeeuwschen naam kon onthouden, noemde hij hem eenvoudig-weg "den

Aziaat". Van tijd tot tijd strekte Aulus zich in zijn volle lengte uit

op het triclinium. Dan zagen de mede-aanliggenden tegen zijn naakte

voetzolen op.

Aan dat tafeleinde waren de priesters en Antipas' officieren

geplaatst, de oppersten uit de Grieksche steden; aan des Proconsuls

zijde: Marcellus met de tollenaars, vrienden van den Viervorst,

aanzienlijke lieden uit Cana, uit Ptolemaïde en Jericho, dan in bonte

rijen: bergbewoners van den Libanon en de oude soldaten van Herodes:

twaalf Thraciërs, een Galliër, twee Germanen, gazellen-jagers,

Idumeesche herders, de sultan van Palmyra, zeelieden van Eziongaber.

Ieder had een weeken deeg-koek vóór zich om de vingers af te wisschen,

en de armen, die zich als gieren-halzen rekten, namen olijven,

pistaches en amandelen. Aller aangezicht glansde blij onder een krans

van bloemen.

De Farizeërs hadden hun kransen weggestooten als een Romeinsche

onbetamelijkheid. En ze huiverden wanneer men ook hen met galbanum

en rosmarijn besproeide, een mengsel dat uitsluitend gebruikt mocht

worden in den Tempel.

Aulus wreef er zich de oksels mede, en Antipas beloofde hem er een

heele lading van, met drie zakken vol van dien onvervalschten balsem,

die Cleopatra's begeerte naar het bezit van Palestina had opgewekt.

Een hoofdman van zijn Tiberiaansch garnizoen, kwam tot achter zijn

ligbed getreden, om hem over buitengewone gebeurtenissen te spreken.

Maar zijn aandacht werd verdeeld tusschen den Proconsul en de

gesprekken aan de nabije tafels.

Men praatte daar over Jaokanann en lieden van zijn soort; Simon van

Gittoï louterde de zondaars met vuur. Een zekere Jezus...

"De ergste van allen," riep Eleazar uit "wat een lage goochelaar!"

Achter den Viervorst richtte een man zich op, bleek als de rand van

zijn chlamys. Hij daalde van de estrade, den Farizeërs toeroepend:

"Leugens! Jezus doet wonderen!"

Antipas zou er willen zien.

"Ge had hem mede moeten brengen! Vertel ons eens alles over hem!"

Toen verhaalde hij, dat hij-zelf, Jacob, zich naar Capharnaüm begeven

had toen zijn dochtertje ziek lag, om den Meester te vragen haar te

genezen.

De Meester had geantwoord: "Keer terug naar uwe woning, uw dochtertje

is genezen!" En hij had haar op den drempel gevonden, opgestaan

van haar sponde, toen de zonne-wijzer van het paleis het derde uur

aanwees, het eigen oogenblik, waarop hij Jezus had aangesproken.

"Natuurlijk," wierpen de Farizeërs hem tegen, "er bestaan zekere

praktijken en geneeskrachtige kruiden. Hier op de eigen plek, te

Machaerous, vond men wel de baäras, die onkwetsbaar maakt. Maar

genezen zonder zien of aanraken, was een onmogelijkheid, zoo Jezus ten

minste niet de booze geesten tot handlangers had.

En de vrienden van Antipas, de oppersten van Galilea, herhaalden

hoofdschuddend:

"De booze geesten,--dat is klaarblijkelijk!"

Jacob, die tusschen hun tafels en die der priesters stond, bleef

hooghartig maar zachtmoedig zwijgen. Ze vorderden hem tot spreken op:

"Rechtvaardig zijn macht!"

Hij boog zich wat voorover en met gedempte stem begon hij langzaam als

verschrikt door zijn eigen woorden:

"Weet ge dan niet, dat hij de Messias is?" Alle priesters blikten

elkaar aan, en Vitellius vroeg uitleg van het woord. Zijn tolk draalde

een wijle met antwoorden.

Ze noemden zoo een verlosser, die het volle bezit van alle goed en de

onderwerping van alle volkeren zou brengen. Eenigen zelfs beweerden

dat men op twee zulken moest rekenen. De eerste zou door Gog en Magog,

de booze geesten van het Noorden, overwonnen worden; maar de tweede

zou den vorst van het kwade verdelgen; en sinds eeuwen wachtten zij

hem ieder oogenblik.

Toen de priesters beraadslaagd hadden, nam Eleazar het woord.

Vooreerst zou de Messias de zoon van David zijn, en niet die van een

timmerman; hij zou de wet bevestigen. Die Nazarener schond ze. En wat

nog sterker bewijs was, de komst van Elias moest aan hem voorafgaan.

Drie Vertellingen · 第 17 / 20 题