II

De wallen wemelden van menschen, toen Vitellius op het binnenplein

kwam. Hij steunde op den arm van zijn tolk. Een groote roode

draagstoel, met pluimen en spiegels versierd, volgde hem. Hij droeg

de toga-laticlava en de sandalen der consuls en werd door bijldragers

omgeven. Ze zetten hun roeden-bundels tegen de poort, twaalf door

een riem saamgehouden staven, met een bijl in 't midden. En allen

sidderden voor de majesteit van het Romeinsche volk.

De draagstoel, die door acht mannen gehanteerd werd, stond stil. Een

zwaarlijvige jongeman steeg er uit, het gelaat vol puisten en de

vingers vol paarlen. Hem werd een drinkschaal met wijn en aroma's

aangeboden. Na ze geledigd te hebben, vroeg hij er nog eene.

De Viervorst had zich aan de knieën van den Proconsul neergeworpen,

bejammerend, naar hij zeide, niet vroeger de gunst van zijn komst te

hebben vernomen, anders zou hij zich beijverd hebben dat er op de

wegen alles geweest ware, wat een Vitellius toekwam! Het geslacht

Vitellius immers stamde af van de godin Vitellia. Een weg, die van den

Janiculus naar zee leidde, droeg nog hun naam. Ontelbare keeren

was aan de hunnen het quaestor-schap of het consulaat toevertrouwd

geweest; en wat Lucius aanging, die thans zijn gast was, hem was men

grooten dank verschuldigd als overwinnaar der Cliten, en als vader van

den jongen Aulus, die hier in zijn eigen rijk scheen terug te keeren:

want was het Oosten niet het vaderland der goden?

Deze hyperbolen werden in 't Latijn uitgesproken. Vitellius hoorde ze

onbewogen aan. Hij antwoordde dat Herodes de Groote volstond voor den

roem eener natie. Hem hadden de Atheners het oppertoezicht gegeven

over de Olympische spelen. Tempels had hij gebouwd, Augustus ter eere,

geduldig, vindingrijk en onverzettelijk was hij geweest, en altijd den

Cesar getrouw.

Tusschen de zuilen met koperen kapiteelen zag men Herodias te

voorschijn treden, fier als een keizerin, te midden harer vrouwen en

eunuchen, die op vergulde schotels brandende reukwerken droegen.

De Proconsul trad haar drie schreden te gemoet, en toen hij haar met

een hoofdbuiging begroet had, riep zij uit:

"Welk een geluk, dat het Agrippa, den vijand van Tiberius, voortaan

onmogelijk is, kwaad te stichten!"

Vitellius wist niets van het gebeurde, en het leek hem gevaarlijk.

Toen Antipas onder eeden begon te verzekeren, alles voor den Keizer

veil te hebben, voegde Vitellius er aan toe:

"Zelfs ten koste van anderen?" Hij, Vitellius, had eens losgeld geïnd

van den koning der Parthen, en de Keizer dacht er niet verder aan.

Maar Antipas, die met hem aan een zelfde vergadering deelnam, begon er

dadelijk ruchtbaarheid aan te geven. Vandaar een diepe wrok, en het

getalm met den bijstand.

De Viervorst stotterde iets. Maar Aulus kwam er lachend tusschen:

"Wees maar bedaard, ik zal je beschermen!"

De Proconsul deed, alsof hij 't niet hoorde.

Het welslagen des vaders hing af van de verdorvenheid van den zoon; en

die bloem van Capri's slijk gaf hem zulke aanzienlijke voordeelen, dat

hij haar met zorgen omringde, hoe hij haar overigens ook wantrouwde om

haar vergiftigheid.

Er ontstond gedruisch bij de poort. Men leidde een rij witte

muildieren binnen, waarop mannen zaten in priestergewaad. Het waren

Sadduceërs en Farizeërs, die door eenzelfde eerzucht naar Machaerous

gedreven werden, de eersten om de waardigheid van offerpriester te

erlangen, de anderen om die waardigheid te behouden. Hun gelaat stond

somber, vooral dat der Farizeërs, want ze waren Rome en den Viervorst

zeer vijandig gezind. De slippen van hun opperkleed hinderden hen

in het gedrang, en de tiara waggelde hun op het voorhoofd, boven de

perkamenten letterbanden.

Bijna tegelijkertijd kwamen de soldaten der voorhoede aanrukken. Ze

hadden hun schilden, om ze te beschutten tegen het stof, in hoezen

gehuld.

Achter hen volgde Marcellus, luitenant van den Proconsul, met

verschillende tollenaars die houten schrijftabula's onder den arm

droegen. Antipas noemde de voornaamsten zijner hofhouding: Tolmaï,

Kanthera, Sehon, Amonius van Alexandrië, die aardpek voor hem

aankocht, Naâman, hoofdman zijner lichte troepen, Jacim den

Babyloniër.

Vitellius had Mannaeï opgemerkt.

"Wie is die man?"

De Viervorst gaf door een gebaar te kennen, dat het de beul was.

Toen stelde hij de Sadduceërs voor.

Jonathas, klein van gestalte en los van beweging, smeekte den

meester, in 't Grieksch, hen in Jeruzalem met een bezoek te vereeren.

Waarschijnlijk zou Vitellius aan die bede gehoor geven.

Eleazar met zijn krommen neus en zijn langen baard, eischte voor de

Farizeërs den mantel van den Hoogepriester op, dien het burgerlijk

bestuur binnen den toren Antonia in beslag hield.

Vervolgens klaagden de Galileërs Pontius-Pilatus aan. Om wille van een

bezetene, die Davids gouden kannen zocht in een hol dicht bij Samaria,

had hij verscheidene landslieden gedood. Ze spraken allen gelijk,

Mannaeï nog heftiger dan de anderen. Vitellius verzekerde dat de

misdadigers zouden gestraft worden.

Er ging geschreeuw op bij een poortnis, waar de soldaten hun schilden

hadden opgehangen. De hoezen waren losgeraakt, en men zag op de

schildknoppen Cesars beeltenis.

Voor de Joden was dit afgoderij.

Antipas sprak hun toe. En, van zijn verhoogden zetel tusschen de

zuilen, zag Vitellius verwonderd hun gramstorigheid aan. Wel had

Tiberius gelijk gehad, vierhonderd van dezen naar Sardinië te

verbannen! Maar in hun eigen land waren ze machtig, en hij gaf bevel

de schilden weg te nemen.

Toen drongen ze om den Proconsul heen, rechtvaardiging afsmeekend,

privileges en giften. Dringend en duwend scheurden ze elkaar de

kleederen van 't lijf, en om ruimte te maken, stonden slaven met hun

stokken naar rechts en links te slaan. Zij, die het dichtst bij de

poort stonden, werden langs het voetpad teruggedrongen, anderen kwamen

dat pad opklimmen, en moesten wijken; twee stroomen stuwden tegen

elkaar in, en die ontzaglijke menschenmenigte saamgehoopt binnen de

omwalling, deinde als een woelige zee heen en weer.

Vitellius vroeg waarvandaan die toevloed van menschen.

Toen verklaarde Antipas hem de oorzaak: zijn geboortefeest. En hij

wees de lieden aan, een groot aantal van zijn dienaren, die, over de

borstwering heengebogen, reusachtige manden ophaalden, gevuld met

vruchten en groenten, met antilopen, reigers en groote azuurkleurige

visschen met druiven, meloenen en tot pyramiden opgetaste

granaatappels.

Aulus kon het niet lijdelijk meer aanzien. Hij haastte zich naar de

keukens, gedreven door die gulzigheid, waardoor hij eenmaal de wereld

zou verbazen.

Langs een der kelders gaande zag hij vleeschketels, die wel pantsers

geleken. Ook Vitellius kwam er naar kijken; en hij gebood, dat men hem

de krochten van het fort zou ontsluiten.

Ze waren hoog gewelfd in de rots uitgehouwen, en werden van afstand

tot afstand door pijlers geschraagd.

De eerste bevatte oude harnassen, maar de tweede was overvol van

speren, die dreigend haar punt uit een bos van pluimen opstaken. De

muren der derde schenen wel met rietmatten bedekt, zooveel pijlen

hingen er loodrecht naast elkaar. Lemmers van kromzwaarden verborgen

de wanden der vierde krocht. In het midden der vijfde leek een leger

van roode slangen te kruipen: het waren lange rijen helmen met kammen

van scharlaat.

In de zesde: niets dan pijlenkokers, in de zevende beenplaten, in de

achtste armstukken, in de vele die nog volgden: gaffels, enterhaken,

ladders en touwwerk, tot staken voor catapulten, tot rinkelbellen voor

het borsttuig der dromedarissen toe.

Wijl de berg naar zijn voet zich steeds verbreedde, en in zijn

binnenste uitgehold was als een bijenkorf, bevonden er zich onder deze

vertrekken weer andere, talrijker en nog dieper.

Vitellius, Phineus zijn tolk, en Sisenna hoofd der tollenaars,

doorschreden ze bij het licht der door eunuchen gedragen flambouwen.

Uit het duister doemden de afgrijselijkste dingen op die de barbaren

ooit uitvonden; knotsen met stekels van spijker-punten, werpschichten

die vergift in de wonden brachten, tangen gruwbaar als de muil van

krokodillen, kortom: de Viervorst bezat binnen Machaerous oorlogstuig

voor wel veertig-duizend manschappen.

Hij had dat verzameld met het oog op een verbond tusschen zijn

vijanden. Maar de Proconsul zou kunnen meenen, of zeggen, dat het

dienen moest om de Romeinen te bestrijden, en daarom zocht Antipas

verklaringen te geven:

Het behoorde hem niet toe; veel ervan diende tot verweer tegen de

rooverbenden; daarenboven was er zoo iets noodig tegen de Arabieren,

of wel: dit alles was het bezit geweest van zijn vader. En, in plaats

van achter den Consul aan te schrijden, ging hij hem met haastige

stappen voor. Toen bleef hij staan tegen een muur, wel zorgend ze te

bedekken met zijn toga, de ellebogen ver van 't lichaam af. Maar de

kroonlijst van een deur stak boven zijn hoofd uit. Vitellius werd dat

gewaar en wilde weten wat die deur verborg.

Alleen de Babyloniër kon haar openen.

"Roep den Babyloniër."

Men wachtte.

Zijn vader was zich, met vijfhonderd ruiters, van den oever van den

Euphraat, bij Herodes den Grooten komen aanbieden, om de oostergrenzen

te verdedigen. Na de verdeeling van het rijk was Jacim bij Philippus

gebleven, en thans diende hij Antipas, Hij trad voor met een boog over

den schouder, een zweep in de hand. Bonte koorden waren vast om zijn

verwrongen beenen gesnoerd. Zijn zware armen staken uit een overkleed

zonder mouwen, een muts van dierenpels overschaduwde zijn gelaat met

den in ringen gekrulden baard.

In 't begin veinsde hij den tolk niet te verstaan. Maar Vitellius

wierp een scherpen blik op Antipas, die het bevel onmiddellijk

herhaalde.

Toen duwde Jacim zijn beide handen tegen de deur, en ze gleed weg in

den muur.

Een warme wadem sloeg hun uit de duisternissen tegen.

Met breede bochten daalde daar een weg omlaag. Ze volgden dien en

kwamen op den drempel eener grot, die veel grooter was dan de andere

krochten.

Achter de boog-opening in de verste diepte lag de afgrond, die aan

deze zijde de citadel tot verdediging strekte. Een kamperfoeliestruik

die zich vasthechtte aan het gewelf liet zijn bloemen in het volle

licht neertrossen. Langs den grond liep een ijle water-ader, lichtend

en murmelend.

Witte paarden stonden daar. Het waren er wel honderd. Ze aten gerst

van een plank, die ter hoogte van hun bek was aangebracht. Hun manen

waren blauw geschilderd, en de hoeven staken in wanten van fijn

vlechtwerk. Tusschen de ooren bolde als een pruik een bos van hun

blesharen op. Met den zeer langen staart sloegen ze zich streelerig

langs de kniebogen.

De Proconsul was stil van bewondering.

Het waren wonderschoone dieren, lenig als slangen, licht als vogels.

Ze vlogen weg met de pijlen van hun berijder, wierpen den vijand omver

en beten hem in het onderlijf, vonden zonder struikelen een uitweg

tusschen de rotsblokken, sprongen over afgronden heen, en hielden heel

den dag hun dollen draf door de vlakten vol; één woord echter deed hen

stilstaan. Toen Jacim binnentrad kwamen ze naar hem toe, als schapen

naar hun herder; ze strekten den hals en zagen hem met hun kinderoogen

onrustig aan. Uit gewoonte stiet hij diep uit zijn keel een rauwen

schreeuw uit, die hen ineens opmonterde. Ze steigerden ongeduldig,

hunkerend naar ruimte, en smachtend om weg te rennen.

Alleen uit vrees dat Vitellius hem er van berooven zou, had Antipas ze

gevangen gezet in deze grot, die uitsluitend diende tot berging van

dieren in tijd van oorlog.

"'t Is een slechte stalling hier," zei de Proconsul, "en ge loopt

gevaar dat ze omkomen! Maak de schatting op, Sisenna".

De tollenaar haalde het schrijfplankje uit zijn gordel, telde de

paarden en schreef ze in.

Het was de gewoonte der belastinggaarders de landvoogden ertoe te

brengen hun gewesten uit te plunderen. Deze snuffelde overal met zijn

wezel-snuit, en zijn oogleden knipten.

Eindelijk steeg men weer terug naar het binnenplein.

Ronde bronzen platen midden in het plaveisel bedekten van afstand tot

afstand de putten. Sisenna bekeek een dezer deksels nauwlettender dan

de andere, het was grooter en gaf een doffen klank onder zijn

voeten. Nog eens ging hij de overige bekloppen één voor één, en toen

schreeuwde hij, trappelend van blijdschap:

"Gevonden! Hier zit hij, de schat van Herodes!"

Het zoeken naar dien schat was een dwaze hartstocht onder de Romeinen.

De Viervorst zwoer, dat er geen schatten bestonden.

"Ondertusschen, wat zit hier dan verborgen?"

"Niemendal! een man, een gevangene."

"Laat zien!" zei Vitellius.

De Viervorst gehoorzaamde niet. De Joden behoefden zijn geheim niet te

weten. Zijn weerzinnig gedraai om dat deksel te openen, deed Vitellius

ongeduldig worden.

"Sla het in!" riep hij den bijldragers toe.

Mannaeï had geraden waarover ze 't hadden. Toen hij een bijl zag,

meende hij dat ze Jaokanann gingen onthoofden; en hij weerhield den

lictor bij den eersten slag op de plaat, stak behoedzaam een soort van

haak tusschen haar rand en het plaveisel, en zijn lange magere armen

strammend lichtte hij haar langzaam op. Ze wentelde weg; allen

bewonderden de kracht van dien grijsaard.

Onder dat met hout betimmerd deksel was een valluik van gelijke

afmetingen. Een vuistslag deed het openklappen; toen zag men een

reusachtigen hollen koker, waarin zich een trap zonder leuning

wentelde. Zij, die zich over den rand heenbogen, onderscheidden in de

diepte iets vaags en verschrikkelijks.

Een menschelijk wezen lag op den grond uitgestrekt, geheel verborgen

in zijn eigen lang haar, dat zich warde in de harige dierenvacht die

zijn lenden dekte. Hij richtte zich op, en zijn voorhoofd stootte

tegen den rooster die daar plat lag ingemetseld. Van tijd tot tijd

verdween hij weer in de diepte van zijn hol.

De zon weerglansde in de punten der tiara's, in de gevesten der

zwaarden, en gloeide over de vloertegels. Van de dakranden vlogen

duiven op die dansten en duizelden boven het binnenplein, 't Was het

uur waarin Mannaeï gewoon was graankorrels voor haar te strooien. Hij

zat neergehurkt voor den Viervorst, die naast Vitellius stond. De

Galileërs, de priesters, de soldaten vormden een kring achter hen;

allen zwegen in angstige afwachting van wat komen zou.

Eerst was het een diepe zucht, door een holle stem uitgestooten.

Herodias hoorde dat zuchten aan het ander einde van het paleis.

Aangetrokken door een macht sterker dan zij-zelve, drong ze door de

menigte heen, en voorovergebogen, met de hand op Mannaeï's schouder,

luisterde ze toe.

De stem verhief zich:

"Vloek over u, Farizeërs en Sadduceërs, gij, adderengebroed, gezwollen

wijnzakken, holklinkende cymbalen!"

Men had Jaokanann herkend. Zijn naam ging van mond tot mond. Vele

anderen kwamen toeloopen.

"Vloek over U, o volk! en over de verraders van Judea, over de

dronkenen van Ephraïm, over hen die in het vette dal wonen en die

waggelen door den geest van den wijn! "Dat ze verspreid worden

als stroomend water, als de slak die smelt waar ze kruipt, als de

misgeboorte eener vrouw die geen daglicht ziet.

"Gij, Moab, ge zult u moeten verschuilen in de cypressen als de

trekvogels, als de springmuizen in de holen. Lichter dan notenschalen

zullen de poorten der sterkten verbrijzeld worden, de muren zullen

instorten, de steden in vlammen opgaan, en de geeselroede van den

Eeuwige zal niet ophouden. Als de wol in de kuip van den verver, zoo

zal Hij uwe ledematen spoelen in uw bloed. Als een nieuwe egge zal

Hij u verscheuren; over de bergen zal Hij de flarden van uw vleesch

uitstrooien!"

Van welken veroveraar sprak hij? Was het Vitellius? De Romeinen

alleen konden zulk eene verdelging aanrichten. Klachten werden

geslaakt:--"Genoeg! genoeg! doe hem ophouden!"

Maar nog luider ging hij voort:

"Naast het lijk hunner moeders zullen de kleine kinderen door de asch

kruipen. In den nacht zal men brood gaan zoeken tusschen de puinen,

zich blootgevend aan de dolken.

"Jakhalzen zullen elkaar de doodsknekels betwisten op de pleinen waar

de grijsaards saamkwamen tot den avondkout. Aan der vreemdelingen

gastmaal zullen uwe dochters op de luit spelen, en haar tranen

drinken. De kloeksten uwer zonen zullen den rug bukken, gekneusd onder

al te zware vrachten!"

Voor de oogen van het volk doemden de dagen der ballingschap weer op,

alle rampen hunner geschiedenis.

Het waren de woorden der oude Profeten. Jaokanann zond ze, het een na

het andere, over hen als harde slagen.

Maar de stem werd zachter, welluidender en zangerig. Hij boodschapte

een verlossing, glanzende verheerlijking aan het uitspansel, den

nieuw-geborene die een arm stak in het hol van den draak, goud voor

leem, de woestijn openbloeiend als een roos.

"En wat nu zestig sikkels waard is, zal geen obool meer kosten.

Melkbronnen zullen uit de rotsen vloeien; in de wijnpersen zal men

zich verzadigd te slapen leggen! Wanneer komt gij, gij die de hope

zijt van mijn hart? Reeds knielen alle volkeren, en uw heerschappij

duurt in eeuwigheid, Zoon van David!"

De Viervorst deinsde verschrikt terug, het bestaan van een Zoon

Davids bedreigde hem als een smaad. Jaokanann tastte hem aan in zijn

koningschap.

"Geen andere Koning bestaat er dan Hij, die eeuwig is! en met uw

tuinen, met uw standbeelden, met uw meubels van ivoor, zal het u

vergaan als den goddeloozen Achab!"

Antipas rukte het koord stuk van het zegel op zijn borst, en wierp het

in den put, zwijgen gebiedend.

De stem antwoordde:

"Als een beer zal ik roepen, als een woudezel, als een vrouw in

barensnood!

"Reeds treft de straffe uw bloedschande. God straft met

onvruchtbaarheid den bastaard."

Gelach ging er op, dat geleek op gekabbel van water tegen den

oeverrand.

Vitellius bleef halsstarrig staan. Onbewogen herhaalde de tolk, in de

taal der Romeinen, al de hoon-schreeuwen, die Jaokanann in zijn eigen

taal uitstootte. De Viervorst en Herodias waren genoodzaakt ze twee

keeren aan te hooren. Zijn borst zwoegde, terwijl zij staroogend bleef

neerzien naar de diepte van den put.

De verschrikkelijke man wierp het hoofd achterover, en de tralies

vastgrijpend, hief hij het vlakke gelaat tegen den rooster, het geleek

een warrige ruigte, waarin twee vurige kolen gloeiden.

"Ha! zijt gij het, Jezabel! Ge hebt zijn hart u toegeëigend met het

gekraak uwer schoenzolen. Als een merrie hebt ge gehinnikt. Uwe

legerstede spreidet ge op de bergen, om uw offeranden te volbrengen.

Afrukken zal de Heer u uwe oorhangers, uwe purperen gewaden, uw linnen

sluiers, de gouden banden uwer armen, de ringen uwer voeten, de kleine

gouden maansikkels die op uw voorhoofd trillen, uw zilveren spiegels,

uw waaiers van struisvederen, de parelmoeren zolen die uw gestalte

verhoogen, den pronk uwer edelsteenen, het reukwerk van uw haren,

de beschildering uwer nagels, al de kunstige verzinsels uwer

weelderigheid, en keien zullen er niet genoeg gevonden worden om de

echtbreukige te steenigen!"

Haar blik zocht-om naar hulpe. De Farizeërs sloegen huichelachtig de

oogen neer. De Sadduceërs, die vreesden den Pronconsul te beleedigen,

wendden het hoofd af. Antipas scheen den dood nabij. De stem werd

sterker, zette zich uit, bulderde als het geweld van den donder, en

door de echo der bergen weergalmd, deed ze Machaerous in haar telkens

herhaalde uitbarstingen op zijn grondvesten schudden.

"Strek u uit in het stof, dochter van Babylon! Laat koren tot meel

malen! Maak uw schoenen los, schort uw kleeren op, en doorwaad de

stroomen! uw smaad zal aan den dag komen! uw snikken zullen u de

tanden verbrijzelen. De Eeuwige verafschuwt de walg uwer misdaden!

Vervloekte! vervloekte! Kom om als een hond!"

Het luik viel toe, het deksel sloot zich. Manaeï zou Jaokanann willen

verworgen.

Herodias verdween. De Farizeërs waren geërgerd. In hun midden stond

Antipas zich te verdedigen.

"Ongetwijfeld", begon Cleazar, "men moet zijn broeders vrouw huwen,

maar Herodias was geen weduwe, en had daarenboven een kind,--daarin is

de schande!"

"Dwaling! dwaling!" wierp de Sadduceër Jonathas er tegen in. "De wet

veroordeelt dergelijke huwelijken, zonder ze met duidelijke termen te

verbieden."

"Het doet er niet toe! Men oordeelt over mij zeer onrechtvaardig," zei

Antipas.

Aulus die geslapen had, kwam op dit oogenblik ook naderschrijden. Toen

hij van de zaak op de hoogte was gesteld, viel hij den Viervorst bij.

Over dergelijke dwaasheden moest men geen drukte maken, en hij lachte

luid over den hoon der priesters en den toorn van Jaokanann.

Herodias, die midden op het terras stond, keerde zich tot hem.

"Ge hebt ongelijk, Heer! Hij gebiedt het volk de belasting te

weigeren!"

"Is dat waar?" vroeg toen de tollenaar dadelijk.

De antwoorden waren eenstemmig bevestigend. De Viervorst bekrachtigde

ze.

Vitellius meende, dat de gevangene wel eens kon ontsnappen; en daar

het gedrag van Antipas hem onbetrouwbaar toescheen, zette hij wachten

uit bij de poorten en langs de muren van het binnenplein.

Toen ging hij naar zijn vertrekken. De afgevaardigden der priesters

vergezelden hem, en zonder de vraag van de offer-waardigheid aan te

roeren, legde ieder zijn grieven bloot.

Ze verveelden hem allen te saam. Hij zond ze weg.

Toen Jonathas hem verliet, zag hij op de borstwering, tusschen twee

kanteelen door, Antipas in gesprek met een man, die het haar lang

droeg en in het wit gekleed ging, een Esseër, en hij had spijt den

Viervorst te hebben verdedigd.

De Viervorst had zich met de gedachte getroost, dat Jaokanann nu niet

meer van hém afhing: de Romeinen hadden zich met hem belast! wat een

verlichting!

Juist toen had hij Phanuel over den omgang der wallen zien drentelen.

Hij riep hem, en zeide, terwijl hij naar de soldaten wees:

"Zij daar hebben de macht, ik kan hem niet loslaten! 't Is mijn schuld

niet!"

Het binnenplein was ledig.

De slaven lagen te rusten. Tegen het avond-rood, dat de kim in vlammen

deed oplaaien, teekenden de kleinste rechtstandige voorwerpen zich

zwart af. Antipas onderscheidde de zoutpannen aan de overzijde der

Doode Zee, maar de tenten der Arabieren zag hij niet meer. Waren ze

wellicht heengetogen?

De maan ging op. Rust daalde in zijn hart.

Phanuel bleef neerslachtig staan, met de kin op de borst. Eindelijk

uitte hij, wat hem op het het hart lag:

Sinds het begin der maand bestudeerde hij, vóór den dageraad, het

uitspansel wijl het sterrenbeeld van Perseus het zenith had bereikt.

Agalah was nauwelijks te onderscheiden, Algol flikkerde zwakker,

Mira-Coeti was verdwenen; hieruit las hij den dood van een man van

beteekenis, dezen nacht nog, en binnen Machaerous.

"Wie zou dat kunnen zijn? Vitellius werd te goed bewaakt. Jaokanann

zou men niet ter dood brengen.

"Aldus ben ik het zelf!" dacht de Viervorst.

Zouden de Arabieren misschien weerkeeren? De Proconsul zou zijn

betrekkingen met de Parthen kunnen ontdekken! Of sluipmoordenaars

uit Jeruzalem waren wellicht met de priesters meegekomen; ze droegen

dolken onder hun kleeren; de Viervorst twijfelde niet aan Phanuels

kunde.

Het viel hem in zijn toevlucht te zoeken bij Herodias. Toch haatte hij

haar. Maar ze zou hem moed inspreken, en de tooverbanden waarin ze hem

vroeger verstrikt had waren nog niet alle gebroken! Myrrhe rookte er

in een kom van porfier toen hij haar kamer binnentrad, en poeders,

zalven, wolken van luchtige weefsels, ragfijne borduursels lichter dan

veeren, lagen er verspreid.

Hij zei niets van Phanuels voorzegging, noch van zijn vrees voor de

Joden of de Arabieren: een lafaard zou ze hem noemen!

Alleen over de Romeinen sprak hij; Vitellius had hem niets

toevertrouwd van zijn krijgs-plannen. Hij veronderstelde dat hij met

Cajus bevriend was, die op zijn beurt weer omgang had met Agrippa;

en hij, Antipas, zou in ballingschap worden gezonden, waar ze hem

misschien zouden verwurgen.

Herodias trachtte hem met kleinachtende welwillendheid gerust te

stellen. Eindelijk haalde ze uit een kistje een vreemdsoortige

medaille, die den beeldenaar van Tiberius droeg. Dat volstond om de

lictoren te doen verbleeken, en de aanklachten te smoren.

Ontroerd van dankbaarheid vroeg Antipas haar, hoe ze dien talisman

verworven had.

"Hij werd me gegeven!" hernam ze.

Onder een voorhang, vlak tegenover hen, strekte zich een arm uit, een

jeugdige arm, bekoorlijk en zoo schoon alsof Polycletus zelf hem uit

ivoor gerond had. Met een wat linksch maar toch bevallig gebaar,

wiekte die arm in de lucht, om een tunica te grijpen, welke op een

bankje was blijven liggen.

Een oude vrouw gaf ze zachtjes over, den voorhang terzijde schuivend.

De Viervorst had een vage herinnering, aan iets dat hij zich niet

omschrijven kon.

"Is dat eene van uw slavinnen?"

"Wat kan u dat schelen?" antwoordde Herodias.

Drie Vertellingen · 第 16 / 20 题