III

Hij toog heen, een zwerver, bedelend om zijn brood.

Hij hield de hand op voor de ruiters langs de wegen, naderde met een

knieval de oogstende landlieden, of bleef roerloos wachten voor het

hek van hun erf; zoo droef was zijn aangezicht, dat men hem nimmer een

aalmoes weigerde.

In vermorzeling des harten deed hij dan zijn levensverhaal, en allen

vluchtten ze heen en sloegen ze kruisteekens. In de dorpen, waar hij

reeds eenmaal doorgetogen was, wierp men de deuren toe, zoodra men hem

herkende, men riep hem bedreigingen na en gooide hem met steenen. Zij,

die het liefdadigst waren, zetten eene nap op het vensterkozijn, maar

sloten dan de luiken om hem niet te zien. Een verstooteling was hij

overal, en hij begon de menschen te schuwen; hij voedde zich met

wortels, met planten, met afgevallen vruchten, en met schelpdieren die

hij zocht langs den zee-oever.

Somwijlen zag hij van een heuvelkant ineens een stapeling van daken

onder zijn oogen, met steenen spitsen, met bruggen en torens, hars en

dwars doorkruist met zwarte straten, waaruit een aanhoudend gegons tot

hem opsteeg.

Een drang om met de anderen deel te hebben in het leven, deed hem naar

de stad afdalen.

Maar de dierlijke uitdrukking der gezichten, het geraas van het werk,

het leege gepraat, deden zijn hart verstarren. Op hoogtij-dagen, als

de groote klokken van de kathedraal, van zonsopgang af, het geheele

volk in feeststemming brachten, zag hij het aan, hoe de poorters uit

hun deur kwamen; stond als toeschouwer bij den dans op de pleinen,

liep te kijken naar de bier-fonteinen op den viersprong der straten,

naar de behangsels van zijden damast voor der vorsten woonsteden, en

als de avond gevallen was, gluurde hij door de ruitjes der onderhuizen

over de gezellige feesttafels heen, waar grootouders mede aanzaten met

kleine kinderen op hun knieën. Dan verstikte hij in zijn tranen, en

hij zwierf weer henen, naar buiten, de velden door.

In opwellingen van verteedering kon hij ineens stilstaan, om te kijken

naar veulens in een wei, naar vogels in hun nest, naar insecten op de

bloemen; alle vluchtten ze weg, wanneer hij nabij was: verborgen zich

angstig, of vlogen snel heen.

En weer zocht hij de eenzaamheid. Maar de wind kwam hem met

doodsgereutel langs de ooren kreunen; dauwdroppels die neervielen,

herinnerden hem aan andere droppels; die waren zwaarder. Iederen avond

deed de zon rood bloed vlieten door de wolken; iederen nacht herbegon

hij den oudermoord in zijn droomen.

Hij maakte zich een boetekleed met ijzeren stekels. Op zijn twee

knieën kroop hij tegen alle heuvels op, waar een bedehuis waakte

omhoog. Maar de onverbiddelijke gedachte verduisterde den glans der

tabernakels, en bleef hem kwellen door zijn boeten en zelf-kastijden

heen.

Hij toornde niet tegen God, die hem deze daad had opgelegd, maar was

radeloos ze bedreven te hebben.

Hij had zoo'n afschuw van zichzelf, dat hij, om er los van te worden,

zich in allerlei gevaren waagde. Hij redde verlamden uit huizen in

lichter laaie, en kinderen uit de diepte van den afgrond. De afgrond

wierp hem weer op, het vuur spaarde hem.

De tijd heelde zijn zielspijnen niet. Ze werden ondraaglijk. En hij

wilde den dood zoeken. Eens stond hij aan een vijverkant; en boog over

om de diepte van het water te peilen. Toen zag hij onder zijn oogen

het ingevallen gelaat van een grijsaard met witten baard, zoo droef

een gelaat, dat hij zijn tranen niet weerhouden kon. Ook de grijsaard

weende. Juliaan herkende zijn eigen spiegelbeeld niet. Maar er leefde

in hem een vage herinnering aan een gelaat, dat gelijkenis had met

dit. Hij schreeuwde het uit; zijn vader was het! Toen dacht hij er

niet meer over, zich den dood te doen.

Zoo doolde hij vele landen door, overal den last van het verledene

meesleepend; en hij kwam bij een rivier, wier overtocht gevaarlijk

was, door de onstuimigheid van den stroom en door het slib dat

de vlakke oevers bedekte. Sedert lang durfde niemand hier meer

oversteken.

Een oude bark, wier spiegel weggezonken zat in het slijk, hief haar

steven op uit het riet.

Bij nader onderzoek vond Juliaan een paar roeiriemen; en de gedachte

werd hem ingegeven zijn leven te wijden aan den dienst zijner

medemenschen. Hij begon met over den oever een soort weg aan te leggen

naar het vaarwater; en hij scheurde zich de nagels bij zijn pogingen

om reusachtige steenbrokken los te woelen; hij droeg die tegen zijn

lichaam gedrukt naar het pad, gleed uit in de slib, zonk er in weg, en

meer-dan-eens dreigde hij om te komen.

Toen kalfaatte hij de boot met stukken wrakhout, en bouwde zich een

hut van leem en boomstronken.

Weldra kwamen er reizigers, die van het veer gehoord hadden.

Met een vlag wenkten ze hem van den overkant. Juliaan sprong dan

haastig in zijn boot. Ze was heel log, en men stapelde ze overvol met

allerlei goederen en vrachten, zonder de lastdieren te rekenen, die

achteruittrapten van angst en de lading nog verzwaarden. Hij vroeg

niets voor zijn gezwoeg. Sommigen diepten overschot van eetwaren voor

hem uit hun reiszak, of gaven hem versleten kleeren, die ze zelve niet

meer wilden dragen. Er waren vlegels, die vloeken uitbraakten. Juliaan

vermaande hen zachtzinnig; ze hoonden en verguisden hem tot antwoord.

En zwijgend zegende hij hen.

Een kleine tafel, een bankje, een bed van dorre bladers en drie aarden

kroezen,--ziedaar heel zijn have. Twee gaten in den muur dienden

tot vensters. Aan de eene zijde strekten zich de eindelooze naakte

vlakten, met hier en daar neveling van bleeke plassen; en vóór hem

stuwde de groote stroom zijn groenige golven.

In het voorjaar sloeg er een vunze lucht van verrotting uit de

vochtige aarde. Daarna deden wervelwinden het zand in hoozen

omstuiven. Het drong overal door, verslijkte het water en kraakte

tusschen de tanden. Wat later zwermden er wolken muskieten om, dag

en nacht door, met gonzen en steken. Eindelijk kwam weer de bijtende

koude, die alles tot steen deed verstarren en een fellen honger wekte

naar vleeschspijze.

Maanden verliepen er, zonder dat Juliaan iemand zag. Dikwijls sloot

hij de oogen opdat de herinnering hem terug mocht voeren naar zijn

jeugd, en daar daagde het binnenhof van een kasteel. Hazewinden

lagen er te rusten op een bordes. Dienaren gingen af en aan door de

wapenzalen, en in de wingerddreef schreed een blonde knaap, tusschen

een in bont gehulden grijsaard en een edelvrouwe met groote huive;

eensklaps was daar niets meer, dan de twee lijken. Hij wierp zich plat

voorover op zijn leger, en bleef schreien:

"Ach! arme vader! arme, arme moeder!" tot hij insliep. Maar de

doodsvisioenen duurden.

In een nacht, toen hij zoo lag te slapen, meende hij iemand te hooren

roepen. Hij luisterde scherp, maar vernam niets meer dan het geloei

der golven. Maar dezelfde stem riep weer: "Juliaan!" Ze kwam van den

anderen oever, en dit bevreemdde hem te meer, daar de stroom zeer

breed was.

En ten derden male riep men: "Juliaan".

Het leek of er klokgelui doorklonk in die hooge stem.

Nadat Juliaan zijn lantaarn ontstoken had, trad hij buiten de hut. De

nacht was één woedende orkaan. Zwaar hingen de duisternissen neer,

hier en daar door de onstuimigheid der wilde golven in flarden

verscheurd.

Even weifelde Juliaan, toen knoopte hij het meertouw los. Dadelijk

werd het water rustig, de boot gleed er over en bereikte den anderen

oever. Daar wachtte een mensch.

Hij was gehuld in een verrafeld linnen kleed. Zijn gelaat leek een

pleisteren dooden-masker, zijn oogen rooder dan vurige kolen. Toen

Juliaan de lantaarn naar hem ophief, zag hij dat een afzichtelijke

melaatschheid hem overdekte; toch lag er in zijn houding iets van de

waardigheid eens konings. Zoodra hij in de boot trad, zonk deze neer,

zóó diep alsof ze bezweek onder zijn zwaarte; een schok wierp haar

weer op, en Juliaan begon te roeien.

Bij iederen slag met de riemen lichtte de branding den boeg omhoog.

Het inktzwarte water stuwde woest aan van beide oevers. Er groeven

zich afgronden, er stapelden zich bergen op. De sloep sprong er

overheen, en tuimelde dan weer weg in de diepten, waar ze, door den

storm gestuwd en gestooten, bleef omwervelen.

Juliaan boog voorover, strekte de armen, en met de voeten zich

schragend, wierp hij zijn wringend lijf achteruit om meer kracht te

hebben. De hagel striemde hem de handen, de regen stroomde over zijn

rug, de wilde storm verstikte hem, en hij hield in. Toen werd de sloep

meegesleept door den stroom. Maar Juliaan begreep, dat het ging om

iets zeer gewichtigs, om een gebod waaraan hij niet weerstaan mocht,

en hij greep weer naar de riemen. Toen werd de groote stem van den

storm onderbroken door het geklapper der roeipinnen. Daar vóór hem

brandde het lantaarntje. Rondfladderende vogels deden het bijwijlen

schuil gaan. Maar de oogen van den Melaatsche wendden zich niet van

hem af, en hij zag hem staan, hoog opgericht bij den achtersteven,

roerloos als een zuil.

En dit alles duurde zeer, zeer lang.

Toen ze in de hut gekomen waren, sloot Juliaan de deur, en hij zag den

Melaatsche op het bankje zitten. De lijkwa die hem omhuld had, was

neergezakt tot op de heupen; en zijn schouders, zijn borst, zijn

magere armen waren overdekt met roven en zweren. Ontzaglijke rimpels

doorgroefden zijn voorhoofd. Op de plaats van den neus was, als in een

bekkeneel, een zwarte holte, en van zijn blauwige lippen ademde een

zware wan-riekende walm.

"Ik heb honger", sprak hij.

Juliaan bood hem, wat hij bezat: een stuk ranzig spek en korsten

roggebrood.

Toen hij ze verorberd had, droegen tafel, nap, en het heft van zijn

mes, eendere plek-als zijn lichaam.

En hij sprak: "Ik heb dorst".

Juliaan haalde zijn kruik en toen hij ze opnam, steeg er een geur uit,

die zijn reuk en zijn hart streelde. Het was wijn; wat een vondst!

Maar de Melaatsche strekte den arm, en ledigde de kruik in één teug.

Drie Vertellingen · 第 13 / 20 题