Hij toog heen, een zwerver, bedelend om zijn brood.
Hij hield de hand op voor de ruiters langs de wegen, naderde met een
knieval de oogstende landlieden, of bleef roerloos wachten voor het
hek van hun erf; zoo droef was zijn aangezicht, dat men hem nimmer een
aalmoes weigerde.
In vermorzeling des harten deed hij dan zijn levensverhaal, en allen
vluchtten ze heen en sloegen ze kruisteekens. In de dorpen, waar hij
reeds eenmaal doorgetogen was, wierp men de deuren toe, zoodra men hem
herkende, men riep hem bedreigingen na en gooide hem met steenen. Zij,
die het liefdadigst waren, zetten eene nap op het vensterkozijn, maar
sloten dan de luiken om hem niet te zien. Een verstooteling was hij
overal, en hij begon de menschen te schuwen; hij voedde zich met
wortels, met planten, met afgevallen vruchten, en met schelpdieren die
hij zocht langs den zee-oever.
Somwijlen zag hij van een heuvelkant ineens een stapeling van daken
onder zijn oogen, met steenen spitsen, met bruggen en torens, hars en
dwars doorkruist met zwarte straten, waaruit een aanhoudend gegons tot
hem opsteeg.
Een drang om met de anderen deel te hebben in het leven, deed hem naar
de stad afdalen.
Maar de dierlijke uitdrukking der gezichten, het geraas van het werk,
het leege gepraat, deden zijn hart verstarren. Op hoogtij-dagen, als
de groote klokken van de kathedraal, van zonsopgang af, het geheele
volk in feeststemming brachten, zag hij het aan, hoe de poorters uit
hun deur kwamen; stond als toeschouwer bij den dans op de pleinen,
liep te kijken naar de bier-fonteinen op den viersprong der straten,
naar de behangsels van zijden damast voor der vorsten woonsteden, en
als de avond gevallen was, gluurde hij door de ruitjes der onderhuizen
over de gezellige feesttafels heen, waar grootouders mede aanzaten met
kleine kinderen op hun knieën. Dan verstikte hij in zijn tranen, en
hij zwierf weer henen, naar buiten, de velden door.
In opwellingen van verteedering kon hij ineens stilstaan, om te kijken
naar veulens in een wei, naar vogels in hun nest, naar insecten op de
bloemen; alle vluchtten ze weg, wanneer hij nabij was: verborgen zich
angstig, of vlogen snel heen.
En weer zocht hij de eenzaamheid. Maar de wind kwam hem met
doodsgereutel langs de ooren kreunen; dauwdroppels die neervielen,
herinnerden hem aan andere droppels; die waren zwaarder. Iederen avond
deed de zon rood bloed vlieten door de wolken; iederen nacht herbegon
hij den oudermoord in zijn droomen.
Hij maakte zich een boetekleed met ijzeren stekels. Op zijn twee
knieën kroop hij tegen alle heuvels op, waar een bedehuis waakte
omhoog. Maar de onverbiddelijke gedachte verduisterde den glans der
tabernakels, en bleef hem kwellen door zijn boeten en zelf-kastijden
heen.
Hij toornde niet tegen God, die hem deze daad had opgelegd, maar was
radeloos ze bedreven te hebben.
Hij had zoo'n afschuw van zichzelf, dat hij, om er los van te worden,
zich in allerlei gevaren waagde. Hij redde verlamden uit huizen in
lichter laaie, en kinderen uit de diepte van den afgrond. De afgrond
wierp hem weer op, het vuur spaarde hem.
De tijd heelde zijn zielspijnen niet. Ze werden ondraaglijk. En hij
wilde den dood zoeken. Eens stond hij aan een vijverkant; en boog over
om de diepte van het water te peilen. Toen zag hij onder zijn oogen
het ingevallen gelaat van een grijsaard met witten baard, zoo droef
een gelaat, dat hij zijn tranen niet weerhouden kon. Ook de grijsaard
weende. Juliaan herkende zijn eigen spiegelbeeld niet. Maar er leefde
in hem een vage herinnering aan een gelaat, dat gelijkenis had met
dit. Hij schreeuwde het uit; zijn vader was het! Toen dacht hij er
niet meer over, zich den dood te doen.
Zoo doolde hij vele landen door, overal den last van het verledene
meesleepend; en hij kwam bij een rivier, wier overtocht gevaarlijk
was, door de onstuimigheid van den stroom en door het slib dat
de vlakke oevers bedekte. Sedert lang durfde niemand hier meer
oversteken.
Een oude bark, wier spiegel weggezonken zat in het slijk, hief haar
steven op uit het riet.
Bij nader onderzoek vond Juliaan een paar roeiriemen; en de gedachte
werd hem ingegeven zijn leven te wijden aan den dienst zijner
medemenschen. Hij begon met over den oever een soort weg aan te leggen
naar het vaarwater; en hij scheurde zich de nagels bij zijn pogingen
om reusachtige steenbrokken los te woelen; hij droeg die tegen zijn
lichaam gedrukt naar het pad, gleed uit in de slib, zonk er in weg, en
meer-dan-eens dreigde hij om te komen.
Toen kalfaatte hij de boot met stukken wrakhout, en bouwde zich een
hut van leem en boomstronken.
Weldra kwamen er reizigers, die van het veer gehoord hadden.
Met een vlag wenkten ze hem van den overkant. Juliaan sprong dan
haastig in zijn boot. Ze was heel log, en men stapelde ze overvol met
allerlei goederen en vrachten, zonder de lastdieren te rekenen, die
achteruittrapten van angst en de lading nog verzwaarden. Hij vroeg
niets voor zijn gezwoeg. Sommigen diepten overschot van eetwaren voor
hem uit hun reiszak, of gaven hem versleten kleeren, die ze zelve niet
meer wilden dragen. Er waren vlegels, die vloeken uitbraakten. Juliaan
vermaande hen zachtzinnig; ze hoonden en verguisden hem tot antwoord.
En zwijgend zegende hij hen.
Een kleine tafel, een bankje, een bed van dorre bladers en drie aarden
kroezen,--ziedaar heel zijn have. Twee gaten in den muur dienden
tot vensters. Aan de eene zijde strekten zich de eindelooze naakte
vlakten, met hier en daar neveling van bleeke plassen; en vóór hem
stuwde de groote stroom zijn groenige golven.
In het voorjaar sloeg er een vunze lucht van verrotting uit de
vochtige aarde. Daarna deden wervelwinden het zand in hoozen
omstuiven. Het drong overal door, verslijkte het water en kraakte
tusschen de tanden. Wat later zwermden er wolken muskieten om, dag
en nacht door, met gonzen en steken. Eindelijk kwam weer de bijtende
koude, die alles tot steen deed verstarren en een fellen honger wekte
naar vleeschspijze.
Maanden verliepen er, zonder dat Juliaan iemand zag. Dikwijls sloot
hij de oogen opdat de herinnering hem terug mocht voeren naar zijn
jeugd, en daar daagde het binnenhof van een kasteel. Hazewinden
lagen er te rusten op een bordes. Dienaren gingen af en aan door de
wapenzalen, en in de wingerddreef schreed een blonde knaap, tusschen
een in bont gehulden grijsaard en een edelvrouwe met groote huive;
eensklaps was daar niets meer, dan de twee lijken. Hij wierp zich plat
voorover op zijn leger, en bleef schreien:
"Ach! arme vader! arme, arme moeder!" tot hij insliep. Maar de
doodsvisioenen duurden.
In een nacht, toen hij zoo lag te slapen, meende hij iemand te hooren
roepen. Hij luisterde scherp, maar vernam niets meer dan het geloei
der golven. Maar dezelfde stem riep weer: "Juliaan!" Ze kwam van den
anderen oever, en dit bevreemdde hem te meer, daar de stroom zeer
breed was.
En ten derden male riep men: "Juliaan".
Het leek of er klokgelui doorklonk in die hooge stem.
Nadat Juliaan zijn lantaarn ontstoken had, trad hij buiten de hut. De
nacht was één woedende orkaan. Zwaar hingen de duisternissen neer,
hier en daar door de onstuimigheid der wilde golven in flarden
verscheurd.
Even weifelde Juliaan, toen knoopte hij het meertouw los. Dadelijk
werd het water rustig, de boot gleed er over en bereikte den anderen
oever. Daar wachtte een mensch.
Hij was gehuld in een verrafeld linnen kleed. Zijn gelaat leek een
pleisteren dooden-masker, zijn oogen rooder dan vurige kolen. Toen
Juliaan de lantaarn naar hem ophief, zag hij dat een afzichtelijke
melaatschheid hem overdekte; toch lag er in zijn houding iets van de
waardigheid eens konings. Zoodra hij in de boot trad, zonk deze neer,
zóó diep alsof ze bezweek onder zijn zwaarte; een schok wierp haar
weer op, en Juliaan begon te roeien.
Bij iederen slag met de riemen lichtte de branding den boeg omhoog.
Het inktzwarte water stuwde woest aan van beide oevers. Er groeven
zich afgronden, er stapelden zich bergen op. De sloep sprong er
overheen, en tuimelde dan weer weg in de diepten, waar ze, door den
storm gestuwd en gestooten, bleef omwervelen.
Juliaan boog voorover, strekte de armen, en met de voeten zich
schragend, wierp hij zijn wringend lijf achteruit om meer kracht te
hebben. De hagel striemde hem de handen, de regen stroomde over zijn
rug, de wilde storm verstikte hem, en hij hield in. Toen werd de sloep
meegesleept door den stroom. Maar Juliaan begreep, dat het ging om
iets zeer gewichtigs, om een gebod waaraan hij niet weerstaan mocht,
en hij greep weer naar de riemen. Toen werd de groote stem van den
storm onderbroken door het geklapper der roeipinnen. Daar vóór hem
brandde het lantaarntje. Rondfladderende vogels deden het bijwijlen
schuil gaan. Maar de oogen van den Melaatsche wendden zich niet van
hem af, en hij zag hem staan, hoog opgericht bij den achtersteven,
roerloos als een zuil.
En dit alles duurde zeer, zeer lang.
Toen ze in de hut gekomen waren, sloot Juliaan de deur, en hij zag den
Melaatsche op het bankje zitten. De lijkwa die hem omhuld had, was
neergezakt tot op de heupen; en zijn schouders, zijn borst, zijn
magere armen waren overdekt met roven en zweren. Ontzaglijke rimpels
doorgroefden zijn voorhoofd. Op de plaats van den neus was, als in een
bekkeneel, een zwarte holte, en van zijn blauwige lippen ademde een
zware wan-riekende walm.
"Ik heb honger", sprak hij.
Juliaan bood hem, wat hij bezat: een stuk ranzig spek en korsten
roggebrood.
Toen hij ze verorberd had, droegen tafel, nap, en het heft van zijn
mes, eendere plek-als zijn lichaam.
En hij sprak: "Ik heb dorst".
Juliaan haalde zijn kruik en toen hij ze opnam, steeg er een geur uit,
die zijn reuk en zijn hart streelde. Het was wijn; wat een vondst!
Maar de Melaatsche strekte den arm, en ledigde de kruik in één teug.