Juliaan deed met zijn toorts, midden in de hut, een bos varens
aanvlammen.
De Melaatsche kwam er zich bij warmen; en zooals hij daar zat,
neergehurkt op de hielen, huiverde hij over al zijn leden en scheen
zwakker en zwakker te worden. Zijn oogen schitterden niet meer, zijn
wonden etterden, en met bijna klanklooze stem fluisterde hij; "Je
bed". Hij sleepte zich er heen, Juliaan hielp hem zacht, en spreidde
zelfs, om hem onder te dekken, het zeil van zijn bark over hem heen.
De Melaatsche steende. Zijn mondhoeken trokken weg en lieten de tanden
bloot. Een heftig gehijg schokte zijn borst, en bij iederen ademtocht
sloeg het onderlijf holler in, alsof het wegkromp naar de ruggegraat.
Toen sloot hij de oogen.
"Als ijs, als ijs zoo koud! Kom dichter bij me!"
En Juliaan schoof het zeil weg, en legde zich dicht naast hem op de
dorre bladers, zijde aan zijde.
De Melaatsche wendde het hoofd naar hem toe: "Ik wil de warmte van je
lichaam voelen,--trek je kleeren uit!"
Juliaan ontkleedde zich en legde zich zoo weer op het leger, hij
voelde de huid van den Melaatsche tegen de zijne, killer dan die van
een slang en ruw als een rasp.
Hij poogde hem moed in te spreken; en de andere antwoordde
hijgend:--"O, ik ga sterven! kom dan toch dichter bij me, verwarm
me dan toch. Neen, niet met je handen, met geheel je lichaam".--En
Juliaan legde zich lijdzaam neer, borst tegen borst met den
Melaatsche, aangezicht tegen aangezicht.
En dit was het oogenblik dat de Melaatsche hem in de armen sloot; dat
zijn oogen plotseling begonnen te lichten als starren, dat zijn haren
neergolfden als zonnestralen; en zijn adem kreeg een geur van rozen.
Een wierookwolk wademde op uit den haard, de golven zongen, en een
overmaat van geluk, een bovenaardsche zaligheid, daalde als een
overvloeiende zegening in Juliaans zwijmelende ziel, en degene wiens
armen hem omstrengelden, werd aldoor grooter en grooter, raakte
met hoofd en voeten de beide wanden der hut. Het dak verzwond. Het
uitspansel ontrolde zich als een tente; en Juliaan steeg de blauwe
ruimten in, borst tegen borst, aangezicht tegen aangezicht met Jezus
onzen Heer, Die hem ten hemel droeg.
En ziedaar de geschiedenis van Sint Juliaan den gastvrije, zooals men
ze vindt tennaastenbij op een kerkraam in mijn land.