II

Hij sloot zich aan bij een voorbijtrekkenden troep avonturiers.

Hij leerde honger en dorst kennen, koortsen en ongedierte. Hij werd

gewoon aan het geraas der vechtpartijen en den aanblik van den dood.

De wind taande zijn huid. Zijn leden hardden onder de wapenrusting,

en daar hij zeer sterk, moedig, matig en wakker was, stond hij reeds

spoedig zelf aan het hoofd van een troep.

Wanneer de slag zou beginnen, bezielde hij zijn soldaten door een

breeden zwaai met zijn zwaard.

Langs een knoopladder beklauterde hij 's nachts de fortmuren, terwijl

de storm hem heen-en-weer slingerde, terwijl de vonken van het

grieksch vuur aan zijn kuras kleefden, en ziedend hars en gesmolten

lood uit de schietgaten stroomden. Dikwijls werd zijn schild door een

steenworp verbrijzeld. Bruggen stortten in onder den al te zwaren

last zijner benden. Met één zwaai van zijn knots ontdeed hij zich van

veertien ruiters, en in het strijdperk versloeg hij allen, die zich

met hem dorsten meten. Meer dan twintig keer waande men hem dood. Dank

zij de Goddelijke genade ontkwam hij het telkens; want hij beschermde

de kerken, weduwen en weezen, en vooral de oude lieden.

Wanneer er een grijsaard voor hem uitging, riep hij hem aan, om zijn

gelaat te onderkennen, als in vreeze hem bij vergissing te dooden.

Weggeloopen slaven, muitende boeren, verraders zonder goede kans,

allerlei waaghalzen stroomden toe onder zijn vaandel, en hij vormde

een steeds aangroeiend leger. Hij werd befaamd. Men dong om zijn hulp.

Om beurten stond hij den Franschen dauphijn bij en den koning van

Engeland, de tempeliers van Jeruzalem, den surena der Parthen, den

negus van Abbessynië en den keizer van Calicuta. Hij streed tegen de

Scandinaviërs, die met vischschubben overdekt waren, tegen Negers

op rosse muildieren en met rondassen van nijlpaardenleer; tegen

koperkleurige Indianen, die boven hun veeren hoofdtooi breede

spiegelblanke klingen zwaaiden. Hij verwon holbewoners en

menschen-eters. Hij trok door zulke heete luchtstreken, dat de

zonnehitte het haar van zijn soldaten verschroeide en vlam deed vatten

als een fakkel. Elders heerschte zoo'n koude, dat de armen er van het

lichaam losvroren en op den grond vielen.

In andere landen hingen de nevels zoo dicht, dat zijn troepen om hem

heen verwaasden tot stoeten van schimmen.

Republieken, die in moeilijkheden waren, raadpleegden hem. Bij de

samenkomst der afgezanten verkreeg hij onverhoopte voorwaarden.

Wanneer een vorst zich misdroeg, verscheen hij ineens om hem te

vermanen. Hij vocht volken vrij. Hij verloste koninginnen uit de

torens, waar ze gekerkerd zaten. Hij, en niemand anders, doodde de

slang van Milaan en den draak van Ober-birbach.

Welnu dan: de keizer van Occitanië, die de Spaansche Muzelmannen

overwon, had de zuster van den kalief van Cordova getrouwd; ze schonk

den keizer een dochter, die hij in den Christelijken godsdienst

opvoedde. Maar de kalief wendde voor, dat hij zich bekeeren wilde en

kwam hem zoo, met talrijk geleide, een bezoek brengen. Hij

verdelgde toen de heele bezetting, en wierp den keizer zelf in een

onderaardschen kerker, waar hij hem zeer hardvochtig behandelde, om

schatten als losgeld te krijgen.

Juliaan snelde hem ter hulp, versloeg het leger van de verraders,

belegerde de stad, doodde den kalief, hieuw hem het hoofd af, en rolde

het als een bal over de wallen heen. Toen verloste hij den keizer uit

den kerker en plaatste hem weer op den troon, in tegenwoordigheid van

zijn geheele hof.

De keizer wilde hem, tot dank voor zulk een dienst, korven vol geld

geven. Juliaan begeerde het niet. Meenend dat hij meer verlangde, bood

de keizer hem toen drie-vierde-deel van zijn rijkdommen aan; nieuwe

weigering. Ten einde raad stelde de keizer hem voor het rijk met hem

te deelen, en nog bedankte Juliaan. Toen schreide de keizer van spijt

en wist niets meer. Maar plotseling sloeg hij zich voor het voorhoofd.

Hij fluisterde een hoveling iets toe; een wandtapijt werd opgelicht en

daar trad een jonkvrouw te voorschijn.

Haar groote zwarte oogen blonken als twee heel stille lampen. Een

lieve glimlach opende haar lippen. Heur lokken hechtten zich in de

edelsteenen van haar los gewaad; de jeugd van haar gestalte lijnde

teeder onder de luchte plooien van dat overkleed.

De liefde deed Juliaan duizelen, te eer hem, die immer zoo'n ingetogen

leven had geleid.

Zoo werd hem de dochter van den keizer ten huwelijk gegeven, met een

paleis van haar moeders erfdeel; en toen de bruiloft was afgeloopen,

nam men afscheid met einde-looze plichtplegingen van weerszijden. Het

was een wit-marmeren paleis, in moorschen stijl, op een voorgebergte

en midden in een bosch van oranjeboomen. Bloemterrassen daalden af

naar de kust van een zeegolf, waar rozige schelpen onder de voeten

kraakten.

Achter het paleis strekte zich een waaier-vormig woud uit. De hemel

was altijd blauw. De toppen der boomen wuifden zachtjes onder de

luchtige zeebries, of onder den zefier, die aanwoei uit de bergen aan

den horizon.

Het inlegwerk van de wanden scheen een lichtglans uit door de

schemerige zalen. Tengere zuiltjes, rank als riethalmen, droegen

het gewelf der koepels, die versierd waren met nagebootste

grotstalactieten.

Er waren springbronnen in de zalen, mozaïekvloeren op de

binnenpleinen. Er waren bebeeldhouwde beschotten met randen van

looverwerk, en duizenderlei andere verfijningen van bouwkunst, en een

zoo diepe stilte, dat het geritsel van een sjerp over de vloeren reeds

groot gerucht was; een zucht deed zijn echo ademen.

Juliaan voerde geen oorlog meer. Hij rustte, omgeven door een vredig

volk, dat dagelijks in stoeten aan hem voorbijtoog, met kniebuiging en

handkus naar Oostersche zede.

In purper gehuld lag Juliaan in een vensternis te leunen, terwijl zijn

gedachten aldoor bezig waren met zijn vroeger jagersleven. Het liefst

zou hij, dwars de woestijn door, gazellen en struisvogels vervolgd

hebben, of, tusschen het bamboe verborgen, luipaarden hebben belaagd,

de wouden vol neushoorns doorkruist, of voor de arendjacht de

moeilijkst bereikbare bergtoppen bestegen hebben, en in zee op

ijsschotsen met de witte beren zijn gaan vechten.

Somwijlen zag hij zichzelf in een droom midden tusschen alle dieren,

zooals Adam, onze vader, in het Paradijs. Met het strekken van zijn

hand deed hij ze sterven. Of wel ze trokken paarsgewijze voorbij,

volgens hun grootte, olifanten en leeuwen voorop, hermelijnen en

eenden achteraan, zooals ten dage toen ze de arke Noachs binnentogen.

Uit een grot, waar hij zich schuil hield, wierp hij naar hen met zijn

nimmer-missende schichten; andere dieren doken op; het nam geen einde

meer; en hij ontwaakte met woest-rollende oogen.

Bevriende vorsten noodigden hem ter jacht. Hij bedankte altijd, in de

hoop, door deze versterving zijn ongeluk nog te kunnen afwenden; want

het docht hem, dat van het al of niet vermoorden van dieren het lot

zijner ouders afhing. Hen niet te mogen weerzien, en ook het ander

verlangen, het werd hem ondragelijk.

Zijn vrouw deed goochelaars en danseressen komen, om hem wat

verstrooiing te geven.

Ze liet zich met hem in een open draagkoets door de velden omvoeren;

andere keeren lagen ze op de banken van een bark naar de visschen te

zien die door het zilverklare water doolden. Dikwijls wierp ze hem

spelend met bloemen in het gelaat en aan zijn voeten tokkelde zij

liedjes op een drie-snarige mandoline; maar altijd weer, haar gevouwen

handen op zijn schouder, vroeg ze ten laatste met bloode stem: "Wat

houdt u toch bezig, mijn lieve gemaal?"

Hij antwoordde niet, of wel hij barstte in snikken uit; op zekeren dag

echter bekende hij haar zijn afschuwelijke gedachte.

Ze streed er tegen, met drang van zeer goede redenen:

hoogstwaarschijnlijk immers waren zijn vader en moeder dood, en mocht

hij ze ook ooit weerzien bijgeval, hoe dan nog, door welk toeval, of

met welke bedoeling zou hij tot zulk een zoo heilig-schennende misdaad

kunnen komen? Zijn vrees was alzoo ongegrond, en hij moest maar gerust

weer gaan jagen.

Juliaan hoorde haar aan met een mijmerenden glimlach, maar hij kon

nimmer besluiten aan haar verlangen te voldoen.

Een avond in Augustus, toen ze op hun kamer waren--zij had zich juist

ter ruste gelegd, en hij knielde neer om te bidden--hoorde hij het

keffen van een vos, toen sluippassen onder het venster, en door het

duister zag hij schimmen van dieren bewegen.

De bekoring was hem te sterk. Hij nam den pijlenkoker van den wand.

Zijn vrouw scheen verrast.

"Eindelijk dan zal ik doen wat ge altijd verlangd hebt", sprak hij,

"bij zonsopgang ben ik terug."

Maar ze was bang, als voor dreigend kwaad.

Hij stelde haar gerust, en ging heen, verwonderd over haar

wisselvallige stemmingen.

Even later kwam een page haar kond doen, dat twee onbekenden, daar de

slotheer afwezig was, oorlof vroegen onmiddellijk tot de vrouwe te

worden toegelaten.

En weldra traden een oude man en een oude vrouw de kamer binnen, diep

gebogen, met stof bedekt, in linnen gekleed, en ieder steunend op een

stok.

Ze vatten moed, en zeiden dat ze Juliaan tijding van zijn ouders

kwamen brengen. De vrouwe neeg voorover om hen beter te verstaan.

De twee oudelieden wisselden een raadplegenden blik, en begonnen haar

toen te vragen of hij zijn ouders nog liefhad, of hij wel eens over

zijn ouders sprak.

"O, zeker!" was het antwoord. Toen konden zij zich niet langer

inhouden:

"We zijn het zelve, wij!".--en ze zonken in hun zetels, afgemat van

vermoeienis.

Wat evenwel kon de jonge vrouwe zekerheid geven, dat haar gemaal hun

zoon zou zijn?

Maar ze bewezen het, door de bijzondere teekenen te beschrijven, die

hij op de huid had. Toen stond ze op van haar legerstee, riep den

page, en liet hun een maal opdienen.

Hoewel ze grooten honger hadden, konden ze niet eten; en van terzijde

zag ze, hoe hun dorre handen beefden wanneer ze den beker opnamen. Ze

vroegen duizend uit over Juliaan. Ze beantwoordde al die vragen één

voor één, maar vermeed angstvallig over de doodsgedachte te spreken,

die hen zelve betrof.

Ze waren van hun kasteel weggetrokken, toen ze hem niet terug zagen

keeren en sedert vele jaren zwierven ze om, vage aanduidingen volgend,

maar zonder de hoop te verliezen. Ze hadden zooveel geld noodig

gehad aan veerpenningen bij de rivieren, aan verblijfkosten in de

logementen, aan schatting voor de landsvorsten en aan losprijs voor de

roovers, dat hun beurs tot op den bodem leeg was, zoodat ze nu moesten

bedelen. Maar wat hinderde dat, nu ze welhaast hun zoon aan het hart

konden drukken? En ze prezen hem gelukkig met een zoo aanminnige

vrouwe, werden niet moe haar aan te zien en te liefkoozen.

De weelde van het slaapvertrek verbaasde hen uitermate; en de oude

man, die zijn blik langs de wanden had laten weiden, vroeg waarom er

het blazoen des keizers van Occitanië was aangebracht. Juliaans vrouwe

antwoordde:

"Dat is mijn vader!"

Het deed den grijsaard huiveren van ontroering, want hij herinnerde

zich de voorspelling van den zigeuner; en de oude moeder mijmerde over

de woorden van den heremiet, overtuigd, dat deze aardsche glorie van

haar zoon slechts een opgang was naar eeuwige heerlijkheden; beiden

bleven ze star van verwondering daar zitten in den schijn van den

luchter, die de tafel verlichtte.

Ze moesten wel heel mooie menschen geweest zijn in hun jeugd. De

moeder had heur volle haar nog, ze droeg het in twee gladde strooken,

fijn en wit als bladen van sneeuw langs slapen en wangen; en de

vader, met zijn hooge gestalte en zijn langen baard geleek op een

heiligebeeld uit de kerk.

Juliaans vrouwe echter sprak, dat ze niet zoo wakend zijn thuiskomst

moesten verbeiden, en met lieven dwang deed zij hen in haar eigen

sponde slapen gaan; toen sloot ze het raam; ze sluimerden in. Het werd

zacht-aan morgen, en achter het vensterglas begonnen de vogels te

zingen.

Juliaan was dwars door het park gegaan; en hij liep met krachtigen

tred het bosch door, genietend van de milde lucht en van het dauwige

gras, koel en zacht onder zijn voeten.

De slagschaduwen der boomen lagen over het mos. Over de open plekken

deed de maan wel hier en daar blanke lichtglimpen glanzen; dan bleef

hij aarzelend talmen, in de meening dat er een vijverspiegel lag;

elders weer ging de kleur van een stil watervlak onmerkbaar over in

die van het gras der oeverranden. Er heerschte alom een diepe rust, en

hij vond nergens een der dieren, die voor eenige oogenblikken nog het

kasteel omdwaalden.

Het bosch werd dichter, de duisternis steeds dieper. Warme

windzwoelten woeien om, loom en zwaar van geuren. Zijn voeten zonken

weg in lagen dorre bladers, en hij ging tegen een eikestam leunen om

wat te verademen.

Eensklaps sprong er achter hem een logge schaduw op, duisterder uit

het duister, een everzwijn. Juliaan had den tijd niet zijn boog te

grijpen, en hij bejammerde dit als een ongeluk.

Kort daarna, toen hij buiten het bosch was gekomen, zag hij een wolf

langs een hegge sluipen.

Juliaan schoot een pijl op hem af. De wolf stond stil, wendde het

hoofd even om en liep toen door. Hij draafde voort, maar bleef altijd

op denzelfden afstand, hield van tijd tot tijd in, en zoogauw Juliaan

op hem aanlegde, vluchtte hij weer verder.

Juliaan liep op deze wijze een eindelooze vlakte door, kwam toen over

lage zandheuvels en ten laatste stond hij op een hoogte, die uitzag

over een wijde landstreek. Platte zerksteenen lagen hierboven

verstrooid tusschen bouwvallige gewelven; men struikelde er over

doodsbeenderen; vermolmde graf-kruisen hingen klaaglijk omgevallen.

Maar er bewogen gedaanten in de onwezenlijke schaduw tusschen de

graven, en hyena's kwamen er uit opgedoken, rillend van angst. Hun

nagels schraafden over de zerken, nu ze snuffelend op hem afkwamen met

een grijns, die hun tandvleesch ontblootte. Hij trok zijn zwaard. Ze

stoven ineens uit elkaar, naar alle windstreken heen, almaar voort

in overijlden en struikeligen draf, tot ze ver-weg in een stofwolk

verdwenen.

Een uur later vond hij in een ravijn een dollen stier, die, met

dreigende horens, den hoef in het zand schraapte. Juliaan wierp hem de

speer in de halskwab. De speer versplinterde, alsof het dier van brons

was. Juliaan sloot de oogen, en wachtte op den dood. Toen hij weer

opzag was de stier verdwenen.

Zijn ziel verkromp van schaamte. Een bovennatuurlijke wil verwoestte

zijn kracht; en hij ging terug door het bosch om zich thuis te

verschuilen.

De boschwegen waren overward door slingerplanten; en toen hij zich

met zijn zwaard een doortocht baande, kwam er ineens een steenmarter

tusschen zijn beenen doorglijden; een panter sprong hem over den

schouder, een slang kronkelde zich om een esschestam. In het loover

zat een monsterachtige kraai naar Juliaan te staroogen; en hier

en daar flonkerden er groote vonken tusschen de takken, alsof het

uitspansel al zijn sterren in het bosch had laten neerregenen. Het

waren dieren-oogen, oogen van boschkatten, van eekhorens en uilen, van

papegaaien en apen.

Juliaan schoot almaar pijlen; de pijlen bleven met hun veders als

witte vlinders tusschen de bladeren zitten. Hij wierp met steenen; de

steenen vielen neer zonder iets te raken; hij verwenschte zich zelven,

en had zich wel willen geeselen, hij brieschte vervloekingen en

verstikte in zijn razernij.

En alle dieren, die hij vervolgd had, daagden weer op en kwamen hem in

een nauwen kring omsluiten. Sommige zaten neergehurkt, andere stonden

recht. Hij bleef in het midden, verstard van angst en onbekwaam tot de

minste beweging. Door uiterste wilsinspanning verzette hij een voet;

die in de boomen openden hun vleugels, die langs den grond deden een

schrede, en alle vergezelden ze hem. De hyena's voor hem uit; de

wolf en het everzwijn achter hem aan. De stier aan zijn rechterzijde

schudde den kop; links kronkelde de slang door het boschkruid, terwijl

de panter met opgezetten rug voorging, met wijde fluweel-zachte

gluip-passen. Juliaan liep zoo langzaam mogelijk om ze niet op te

hitsen; en hij zag uit de diepten van het kreupelhout egels opduiken,

vossen, adders, jakhalzen en beren. Juliaan begon hard te loopen, alle

liepen ze hard. De slang sijfelde, de viervoeters kwijlden, de ever

schraafde hem de hielen met zijn slagtanden; de wolf wreef zijn

snorharen in den palm van zijn handen. Grimmend en grijnzend kwamen de

apen hem knijpen; de egel rolde over zijn voeten; een beer sloeg

hem de muts af met een zwaai van zijn poot; en de panter liet voor

evenveel een pijl neervallen, dien hij meedroeg in zijn bek.

Er gluurde spotzucht achter hun heimelijk doen. En terwijl ze hem uit

hun ooghoeken bespiedden, leken ze wraakplannen te overwegen. Juliaan

liep voort met uitgebreide armen, de oogleden neer als een blinde,

verdoofd door het gegons der insecten, gezweept door de staartpennen

van de vogels, verstikt door al die adems, zonder zelfs de kracht te

hebben om "genade" te roepen.

Het gekraai van een haan schrilde door de lucht. Andere hanen gaven

daar antwoord op; het was de morgen, en achter de oranje-boomen

daagden de tinnen van zijn paleis.

Maar voortschrijdend hier langs den akker-kant zag hij op drie

schreden afstand roode patrijzen fladderen in de stoppels. Hij gespte

zijn mantel los en wierp dien op de vogels als een net.

Toen hij naar zijn buit tastte, vond hij slechts één enkelen patrijs,

die daar sedert langen tijd moest dood gelegen hebben, een rottend

aas.

Deze teleurstelling verbitterde hem nog meer dan alle overige. Zijn

bloeddorst werd hem meester, zóó zelfs dat hij menschen zou gemoord

hebben, als er geen dieren meer waren. Hij klom de drie terrassen op,

beukte de deur open met een vuistslag; maar aan den voet van de trap

deed de gedachte aan zijn geliefde vrouw hem het hart week worden. Ze

sliep nu zeker en ze zou verrast ontwaken. Nadat hij zich van zijn

sandalen had ontdaan, draaide hij zachtjes het slot open en schreed

binnen.

De met lood dooraderde vensters verduisterden den bleeken uchtend.

Juliaans voeten verwarden zich in kleeren, die over den grond lagen;

wat verder stootte hij tegen een credens-tafel vol vaatwerk. "Ze

zal zeker gegeten hebben," dacht hij, en trad op het bed toe, dat

verschaduwd stond in de kamerdiepte.

Toen hij den spondekant genaderd was, boog hij zich, om zijn vrouwe

te omhelzen, over de peluw neer, waar de twee hoofden rustten dicht

nevens een. Daar raakten zijn lippen de ruwheid van een baard. Hij

week ontzet terug, en geloofde waanzinnig te zijn; maar hij wendde

zich opnieuw naar het bed, en zijn tastende vingers nu raakten de zeer

lange haren. Om zich te overtuigen, dat hij ijlde, streek hij langzaam

met de hand de peluw over. En het was wel wezenlijk een baard, dien

hij voelde ditmaal, en een man! een man met zijn vrouw!...

Uitbarstend in matelooze woede stortte hij zich met dolksteken op hen;

en hij trapte en brieschte, brullend als een wild dier. Toen hield

hij in. De dooden, die recht in het hart getroffen waren, hadden zich

zelfs niet meer verroerd. Hij luisterde oplettend naar hun beider

bijna gelijkmatig doodsgereutel, en naar gelang dit zwakker en

zwakker werd, begon een ander gekreun meer hoorbaar te worden. Het

lang-aanhoudende geluid van die klaaglijke stem, onduidelijk eerst,

kwam nader en nader, zette zich uit, werd hard en wreed, en ontzet

herkende Juliaan den schreeuw van het groote zwarte hert.

En toen hij zich omwendde om te weten, meende hij in het open deurvak

de schaduw van zijn vrouwe te zien, die daar stond met een licht in

de hand. Het geraas van den moord had haar doen naderen. Met één blik

begreep ze alles. In afgrijzen vluchtte ze weg, en liet de toorts

vallen. Hij raapte die op.

Zijn vader en zijn moeder lagen daar voor hem, recht uitgestrekt, met

een gapende wonde in de borst, en hun beider aangezicht geleek in

verheven zachtmoedigheid een eeuwig geheim te zwijgen. Droppels en

sprenkels bloed lagen over hun blanke huid gespat, over de lakens en

het bed, over den grond, en langs het ivoren kruisbeeld dat in

de bedstede hing. De vuurroode weerschijn der zon-doorstraalde

vensterruiten kwam die bloedige sprenkels nu verlichten en wierp er

zelve steeds nog meerdere door geheel het vertrek. En Juliaan liep

weer op de twee dooden toe, meenend en zich diets makend, dat het een

onmogelijkheid was, dat hij verkeerd had gezien, dat er somwijlen

onverklaarbare gelijkenissen zijn. Ten laatste boog hij angstvallig

voorover om den grijsaard van nabij te beschouwen; en hij zag,

tusschen die halfopen wimpers, een uitgedoofden oogappel, die hem als

vuur pijnde. Toen wendde hij zich naar den anderen spondekant, waar

het tweede lichaam lag; de witte haren verborgen gedeeltelijk het

gelaat. Juliaan streek die lokken weg en lichtte dat hoofd op; en hij

staarde haar aan, ze steunend met zijn krampachtig gestrekten arm,

terwijl hij in de andere hand de toorts hield om zich bij te lichten.

Bloeddruppels sijpelden van de matras en vielen één voor één op den

vloer neer.

Aan den avond van dien dag stond hij voor zijn vrouwe, en met een

stem, die zijn eigene niet was, gebood hij haar vooreerst hem niet te

antwoorden, hem niet te naderen, en zelfs hem niet meer aan te zien,

en dat ze, onder straffe van eeuwige verdoemenis, al zijn bevelen had

uit te voeren, die onherroepelijk waren.

De begrafenis moest geregeld worden naar voorschriften die hij op een

bidstoel in de dooden-kamer had achtergelaten. Hij stond zijn vrouwe

het paleis af, zijn vazallen, al zijn have en goed, zonder zelfs zijns

lijfs-kleeren te behouden, noch zijn sandalen; men zou die boven op

de trappen weervinden. Zij was het werktuig geweest van Gods wil,

onschuldige oorzaak van zijn misdaad, en ze had te bidden voor zijn

ziel, want voortaan bestond hij niet meer.

De dooden werden met groote praal begraven in de kerk van een

klooster, dat op drie dagreizen afstand lag van het kasteel. Een

monnik met neergeslagen boetekap volgde den stoet, afgescheiden van

alle overigen en zonder dat iemand hem dorst aanspreken.

Gedurende de Mis bleef hij midden voor de poort plat-uitgestrekt ter

aarde liggen, de armen gekruist en het voorhoofd in het stof. Na de

begrafenis zag men hem den weg inslaan naar de bergen. Hij wendde zich

herhaaldelijk om, en verdween ten laatste.

Drie Vertellingen · 第 12 / 20 题