Hij sloot zich aan bij een voorbijtrekkenden troep avonturiers.
Hij leerde honger en dorst kennen, koortsen en ongedierte. Hij werd
gewoon aan het geraas der vechtpartijen en den aanblik van den dood.
De wind taande zijn huid. Zijn leden hardden onder de wapenrusting,
en daar hij zeer sterk, moedig, matig en wakker was, stond hij reeds
spoedig zelf aan het hoofd van een troep.
Wanneer de slag zou beginnen, bezielde hij zijn soldaten door een
breeden zwaai met zijn zwaard.
Langs een knoopladder beklauterde hij 's nachts de fortmuren, terwijl
de storm hem heen-en-weer slingerde, terwijl de vonken van het
grieksch vuur aan zijn kuras kleefden, en ziedend hars en gesmolten
lood uit de schietgaten stroomden. Dikwijls werd zijn schild door een
steenworp verbrijzeld. Bruggen stortten in onder den al te zwaren
last zijner benden. Met één zwaai van zijn knots ontdeed hij zich van
veertien ruiters, en in het strijdperk versloeg hij allen, die zich
met hem dorsten meten. Meer dan twintig keer waande men hem dood. Dank
zij de Goddelijke genade ontkwam hij het telkens; want hij beschermde
de kerken, weduwen en weezen, en vooral de oude lieden.
Wanneer er een grijsaard voor hem uitging, riep hij hem aan, om zijn
gelaat te onderkennen, als in vreeze hem bij vergissing te dooden.
Weggeloopen slaven, muitende boeren, verraders zonder goede kans,
allerlei waaghalzen stroomden toe onder zijn vaandel, en hij vormde
een steeds aangroeiend leger. Hij werd befaamd. Men dong om zijn hulp.
Om beurten stond hij den Franschen dauphijn bij en den koning van
Engeland, de tempeliers van Jeruzalem, den surena der Parthen, den
negus van Abbessynië en den keizer van Calicuta. Hij streed tegen de
Scandinaviërs, die met vischschubben overdekt waren, tegen Negers
op rosse muildieren en met rondassen van nijlpaardenleer; tegen
koperkleurige Indianen, die boven hun veeren hoofdtooi breede
spiegelblanke klingen zwaaiden. Hij verwon holbewoners en
menschen-eters. Hij trok door zulke heete luchtstreken, dat de
zonnehitte het haar van zijn soldaten verschroeide en vlam deed vatten
als een fakkel. Elders heerschte zoo'n koude, dat de armen er van het
lichaam losvroren en op den grond vielen.
In andere landen hingen de nevels zoo dicht, dat zijn troepen om hem
heen verwaasden tot stoeten van schimmen.
Republieken, die in moeilijkheden waren, raadpleegden hem. Bij de
samenkomst der afgezanten verkreeg hij onverhoopte voorwaarden.
Wanneer een vorst zich misdroeg, verscheen hij ineens om hem te
vermanen. Hij vocht volken vrij. Hij verloste koninginnen uit de
torens, waar ze gekerkerd zaten. Hij, en niemand anders, doodde de
slang van Milaan en den draak van Ober-birbach.
Welnu dan: de keizer van Occitanië, die de Spaansche Muzelmannen
overwon, had de zuster van den kalief van Cordova getrouwd; ze schonk
den keizer een dochter, die hij in den Christelijken godsdienst
opvoedde. Maar de kalief wendde voor, dat hij zich bekeeren wilde en
kwam hem zoo, met talrijk geleide, een bezoek brengen. Hij
verdelgde toen de heele bezetting, en wierp den keizer zelf in een
onderaardschen kerker, waar hij hem zeer hardvochtig behandelde, om
schatten als losgeld te krijgen.
Juliaan snelde hem ter hulp, versloeg het leger van de verraders,
belegerde de stad, doodde den kalief, hieuw hem het hoofd af, en rolde
het als een bal over de wallen heen. Toen verloste hij den keizer uit
den kerker en plaatste hem weer op den troon, in tegenwoordigheid van
zijn geheele hof.
De keizer wilde hem, tot dank voor zulk een dienst, korven vol geld
geven. Juliaan begeerde het niet. Meenend dat hij meer verlangde, bood
de keizer hem toen drie-vierde-deel van zijn rijkdommen aan; nieuwe
weigering. Ten einde raad stelde de keizer hem voor het rijk met hem
te deelen, en nog bedankte Juliaan. Toen schreide de keizer van spijt
en wist niets meer. Maar plotseling sloeg hij zich voor het voorhoofd.
Hij fluisterde een hoveling iets toe; een wandtapijt werd opgelicht en
daar trad een jonkvrouw te voorschijn.
Haar groote zwarte oogen blonken als twee heel stille lampen. Een
lieve glimlach opende haar lippen. Heur lokken hechtten zich in de
edelsteenen van haar los gewaad; de jeugd van haar gestalte lijnde
teeder onder de luchte plooien van dat overkleed.
De liefde deed Juliaan duizelen, te eer hem, die immer zoo'n ingetogen
leven had geleid.
Zoo werd hem de dochter van den keizer ten huwelijk gegeven, met een
paleis van haar moeders erfdeel; en toen de bruiloft was afgeloopen,
nam men afscheid met einde-looze plichtplegingen van weerszijden. Het
was een wit-marmeren paleis, in moorschen stijl, op een voorgebergte
en midden in een bosch van oranjeboomen. Bloemterrassen daalden af
naar de kust van een zeegolf, waar rozige schelpen onder de voeten
kraakten.
Achter het paleis strekte zich een waaier-vormig woud uit. De hemel
was altijd blauw. De toppen der boomen wuifden zachtjes onder de
luchtige zeebries, of onder den zefier, die aanwoei uit de bergen aan
den horizon.
Het inlegwerk van de wanden scheen een lichtglans uit door de
schemerige zalen. Tengere zuiltjes, rank als riethalmen, droegen
het gewelf der koepels, die versierd waren met nagebootste
grotstalactieten.
Er waren springbronnen in de zalen, mozaïekvloeren op de
binnenpleinen. Er waren bebeeldhouwde beschotten met randen van
looverwerk, en duizenderlei andere verfijningen van bouwkunst, en een
zoo diepe stilte, dat het geritsel van een sjerp over de vloeren reeds
groot gerucht was; een zucht deed zijn echo ademen.
Juliaan voerde geen oorlog meer. Hij rustte, omgeven door een vredig
volk, dat dagelijks in stoeten aan hem voorbijtoog, met kniebuiging en
handkus naar Oostersche zede.
In purper gehuld lag Juliaan in een vensternis te leunen, terwijl zijn
gedachten aldoor bezig waren met zijn vroeger jagersleven. Het liefst
zou hij, dwars de woestijn door, gazellen en struisvogels vervolgd
hebben, of, tusschen het bamboe verborgen, luipaarden hebben belaagd,
de wouden vol neushoorns doorkruist, of voor de arendjacht de
moeilijkst bereikbare bergtoppen bestegen hebben, en in zee op
ijsschotsen met de witte beren zijn gaan vechten.
Somwijlen zag hij zichzelf in een droom midden tusschen alle dieren,
zooals Adam, onze vader, in het Paradijs. Met het strekken van zijn
hand deed hij ze sterven. Of wel ze trokken paarsgewijze voorbij,
volgens hun grootte, olifanten en leeuwen voorop, hermelijnen en
eenden achteraan, zooals ten dage toen ze de arke Noachs binnentogen.
Uit een grot, waar hij zich schuil hield, wierp hij naar hen met zijn
nimmer-missende schichten; andere dieren doken op; het nam geen einde
meer; en hij ontwaakte met woest-rollende oogen.
Bevriende vorsten noodigden hem ter jacht. Hij bedankte altijd, in de
hoop, door deze versterving zijn ongeluk nog te kunnen afwenden; want
het docht hem, dat van het al of niet vermoorden van dieren het lot
zijner ouders afhing. Hen niet te mogen weerzien, en ook het ander
verlangen, het werd hem ondragelijk.
Zijn vrouw deed goochelaars en danseressen komen, om hem wat
verstrooiing te geven.
Ze liet zich met hem in een open draagkoets door de velden omvoeren;
andere keeren lagen ze op de banken van een bark naar de visschen te
zien die door het zilverklare water doolden. Dikwijls wierp ze hem
spelend met bloemen in het gelaat en aan zijn voeten tokkelde zij
liedjes op een drie-snarige mandoline; maar altijd weer, haar gevouwen
handen op zijn schouder, vroeg ze ten laatste met bloode stem: "Wat
houdt u toch bezig, mijn lieve gemaal?"
Hij antwoordde niet, of wel hij barstte in snikken uit; op zekeren dag
echter bekende hij haar zijn afschuwelijke gedachte.
Ze streed er tegen, met drang van zeer goede redenen:
hoogstwaarschijnlijk immers waren zijn vader en moeder dood, en mocht
hij ze ook ooit weerzien bijgeval, hoe dan nog, door welk toeval, of
met welke bedoeling zou hij tot zulk een zoo heilig-schennende misdaad
kunnen komen? Zijn vrees was alzoo ongegrond, en hij moest maar gerust
weer gaan jagen.
Juliaan hoorde haar aan met een mijmerenden glimlach, maar hij kon
nimmer besluiten aan haar verlangen te voldoen.
Een avond in Augustus, toen ze op hun kamer waren--zij had zich juist
ter ruste gelegd, en hij knielde neer om te bidden--hoorde hij het
keffen van een vos, toen sluippassen onder het venster, en door het
duister zag hij schimmen van dieren bewegen.
De bekoring was hem te sterk. Hij nam den pijlenkoker van den wand.
Zijn vrouw scheen verrast.
"Eindelijk dan zal ik doen wat ge altijd verlangd hebt", sprak hij,
"bij zonsopgang ben ik terug."
Maar ze was bang, als voor dreigend kwaad.
Hij stelde haar gerust, en ging heen, verwonderd over haar
wisselvallige stemmingen.
Even later kwam een page haar kond doen, dat twee onbekenden, daar de
slotheer afwezig was, oorlof vroegen onmiddellijk tot de vrouwe te
worden toegelaten.
En weldra traden een oude man en een oude vrouw de kamer binnen, diep
gebogen, met stof bedekt, in linnen gekleed, en ieder steunend op een
stok.
Ze vatten moed, en zeiden dat ze Juliaan tijding van zijn ouders
kwamen brengen. De vrouwe neeg voorover om hen beter te verstaan.
De twee oudelieden wisselden een raadplegenden blik, en begonnen haar
toen te vragen of hij zijn ouders nog liefhad, of hij wel eens over
zijn ouders sprak.
"O, zeker!" was het antwoord. Toen konden zij zich niet langer
inhouden:
"We zijn het zelve, wij!".--en ze zonken in hun zetels, afgemat van
vermoeienis.
Wat evenwel kon de jonge vrouwe zekerheid geven, dat haar gemaal hun
zoon zou zijn?
Maar ze bewezen het, door de bijzondere teekenen te beschrijven, die
hij op de huid had. Toen stond ze op van haar legerstee, riep den
page, en liet hun een maal opdienen.
Hoewel ze grooten honger hadden, konden ze niet eten; en van terzijde
zag ze, hoe hun dorre handen beefden wanneer ze den beker opnamen. Ze
vroegen duizend uit over Juliaan. Ze beantwoordde al die vragen één
voor één, maar vermeed angstvallig over de doodsgedachte te spreken,
die hen zelve betrof.
Ze waren van hun kasteel weggetrokken, toen ze hem niet terug zagen
keeren en sedert vele jaren zwierven ze om, vage aanduidingen volgend,
maar zonder de hoop te verliezen. Ze hadden zooveel geld noodig
gehad aan veerpenningen bij de rivieren, aan verblijfkosten in de
logementen, aan schatting voor de landsvorsten en aan losprijs voor de
roovers, dat hun beurs tot op den bodem leeg was, zoodat ze nu moesten
bedelen. Maar wat hinderde dat, nu ze welhaast hun zoon aan het hart
konden drukken? En ze prezen hem gelukkig met een zoo aanminnige
vrouwe, werden niet moe haar aan te zien en te liefkoozen.
De weelde van het slaapvertrek verbaasde hen uitermate; en de oude
man, die zijn blik langs de wanden had laten weiden, vroeg waarom er
het blazoen des keizers van Occitanië was aangebracht. Juliaans vrouwe
antwoordde:
"Dat is mijn vader!"
Het deed den grijsaard huiveren van ontroering, want hij herinnerde
zich de voorspelling van den zigeuner; en de oude moeder mijmerde over
de woorden van den heremiet, overtuigd, dat deze aardsche glorie van
haar zoon slechts een opgang was naar eeuwige heerlijkheden; beiden
bleven ze star van verwondering daar zitten in den schijn van den
luchter, die de tafel verlichtte.
Ze moesten wel heel mooie menschen geweest zijn in hun jeugd. De
moeder had heur volle haar nog, ze droeg het in twee gladde strooken,
fijn en wit als bladen van sneeuw langs slapen en wangen; en de
vader, met zijn hooge gestalte en zijn langen baard geleek op een
heiligebeeld uit de kerk.
Juliaans vrouwe echter sprak, dat ze niet zoo wakend zijn thuiskomst
moesten verbeiden, en met lieven dwang deed zij hen in haar eigen
sponde slapen gaan; toen sloot ze het raam; ze sluimerden in. Het werd
zacht-aan morgen, en achter het vensterglas begonnen de vogels te
zingen.
Juliaan was dwars door het park gegaan; en hij liep met krachtigen
tred het bosch door, genietend van de milde lucht en van het dauwige
gras, koel en zacht onder zijn voeten.
De slagschaduwen der boomen lagen over het mos. Over de open plekken
deed de maan wel hier en daar blanke lichtglimpen glanzen; dan bleef
hij aarzelend talmen, in de meening dat er een vijverspiegel lag;
elders weer ging de kleur van een stil watervlak onmerkbaar over in
die van het gras der oeverranden. Er heerschte alom een diepe rust, en
hij vond nergens een der dieren, die voor eenige oogenblikken nog het
kasteel omdwaalden.
Het bosch werd dichter, de duisternis steeds dieper. Warme
windzwoelten woeien om, loom en zwaar van geuren. Zijn voeten zonken
weg in lagen dorre bladers, en hij ging tegen een eikestam leunen om
wat te verademen.
Eensklaps sprong er achter hem een logge schaduw op, duisterder uit
het duister, een everzwijn. Juliaan had den tijd niet zijn boog te
grijpen, en hij bejammerde dit als een ongeluk.
Kort daarna, toen hij buiten het bosch was gekomen, zag hij een wolf
langs een hegge sluipen.
Juliaan schoot een pijl op hem af. De wolf stond stil, wendde het
hoofd even om en liep toen door. Hij draafde voort, maar bleef altijd
op denzelfden afstand, hield van tijd tot tijd in, en zoogauw Juliaan
op hem aanlegde, vluchtte hij weer verder.
Juliaan liep op deze wijze een eindelooze vlakte door, kwam toen over
lage zandheuvels en ten laatste stond hij op een hoogte, die uitzag
over een wijde landstreek. Platte zerksteenen lagen hierboven
verstrooid tusschen bouwvallige gewelven; men struikelde er over
doodsbeenderen; vermolmde graf-kruisen hingen klaaglijk omgevallen.
Maar er bewogen gedaanten in de onwezenlijke schaduw tusschen de
graven, en hyena's kwamen er uit opgedoken, rillend van angst. Hun
nagels schraafden over de zerken, nu ze snuffelend op hem afkwamen met
een grijns, die hun tandvleesch ontblootte. Hij trok zijn zwaard. Ze
stoven ineens uit elkaar, naar alle windstreken heen, almaar voort
in overijlden en struikeligen draf, tot ze ver-weg in een stofwolk
verdwenen.
Een uur later vond hij in een ravijn een dollen stier, die, met
dreigende horens, den hoef in het zand schraapte. Juliaan wierp hem de
speer in de halskwab. De speer versplinterde, alsof het dier van brons
was. Juliaan sloot de oogen, en wachtte op den dood. Toen hij weer
opzag was de stier verdwenen.
Zijn ziel verkromp van schaamte. Een bovennatuurlijke wil verwoestte
zijn kracht; en hij ging terug door het bosch om zich thuis te
verschuilen.
De boschwegen waren overward door slingerplanten; en toen hij zich
met zijn zwaard een doortocht baande, kwam er ineens een steenmarter
tusschen zijn beenen doorglijden; een panter sprong hem over den
schouder, een slang kronkelde zich om een esschestam. In het loover
zat een monsterachtige kraai naar Juliaan te staroogen; en hier
en daar flonkerden er groote vonken tusschen de takken, alsof het
uitspansel al zijn sterren in het bosch had laten neerregenen. Het
waren dieren-oogen, oogen van boschkatten, van eekhorens en uilen, van
papegaaien en apen.
Juliaan schoot almaar pijlen; de pijlen bleven met hun veders als
witte vlinders tusschen de bladeren zitten. Hij wierp met steenen; de
steenen vielen neer zonder iets te raken; hij verwenschte zich zelven,
en had zich wel willen geeselen, hij brieschte vervloekingen en
verstikte in zijn razernij.
En alle dieren, die hij vervolgd had, daagden weer op en kwamen hem in
een nauwen kring omsluiten. Sommige zaten neergehurkt, andere stonden
recht. Hij bleef in het midden, verstard van angst en onbekwaam tot de
minste beweging. Door uiterste wilsinspanning verzette hij een voet;
die in de boomen openden hun vleugels, die langs den grond deden een
schrede, en alle vergezelden ze hem. De hyena's voor hem uit; de
wolf en het everzwijn achter hem aan. De stier aan zijn rechterzijde
schudde den kop; links kronkelde de slang door het boschkruid, terwijl
de panter met opgezetten rug voorging, met wijde fluweel-zachte
gluip-passen. Juliaan liep zoo langzaam mogelijk om ze niet op te
hitsen; en hij zag uit de diepten van het kreupelhout egels opduiken,
vossen, adders, jakhalzen en beren. Juliaan begon hard te loopen, alle
liepen ze hard. De slang sijfelde, de viervoeters kwijlden, de ever
schraafde hem de hielen met zijn slagtanden; de wolf wreef zijn
snorharen in den palm van zijn handen. Grimmend en grijnzend kwamen de
apen hem knijpen; de egel rolde over zijn voeten; een beer sloeg
hem de muts af met een zwaai van zijn poot; en de panter liet voor
evenveel een pijl neervallen, dien hij meedroeg in zijn bek.
Er gluurde spotzucht achter hun heimelijk doen. En terwijl ze hem uit
hun ooghoeken bespiedden, leken ze wraakplannen te overwegen. Juliaan
liep voort met uitgebreide armen, de oogleden neer als een blinde,
verdoofd door het gegons der insecten, gezweept door de staartpennen
van de vogels, verstikt door al die adems, zonder zelfs de kracht te
hebben om "genade" te roepen.
Het gekraai van een haan schrilde door de lucht. Andere hanen gaven
daar antwoord op; het was de morgen, en achter de oranje-boomen
daagden de tinnen van zijn paleis.
Maar voortschrijdend hier langs den akker-kant zag hij op drie
schreden afstand roode patrijzen fladderen in de stoppels. Hij gespte
zijn mantel los en wierp dien op de vogels als een net.
Toen hij naar zijn buit tastte, vond hij slechts één enkelen patrijs,
die daar sedert langen tijd moest dood gelegen hebben, een rottend
aas.
Deze teleurstelling verbitterde hem nog meer dan alle overige. Zijn
bloeddorst werd hem meester, zóó zelfs dat hij menschen zou gemoord
hebben, als er geen dieren meer waren. Hij klom de drie terrassen op,
beukte de deur open met een vuistslag; maar aan den voet van de trap
deed de gedachte aan zijn geliefde vrouw hem het hart week worden. Ze
sliep nu zeker en ze zou verrast ontwaken. Nadat hij zich van zijn
sandalen had ontdaan, draaide hij zachtjes het slot open en schreed
binnen.
De met lood dooraderde vensters verduisterden den bleeken uchtend.
Juliaans voeten verwarden zich in kleeren, die over den grond lagen;
wat verder stootte hij tegen een credens-tafel vol vaatwerk. "Ze
zal zeker gegeten hebben," dacht hij, en trad op het bed toe, dat
verschaduwd stond in de kamerdiepte.
Toen hij den spondekant genaderd was, boog hij zich, om zijn vrouwe
te omhelzen, over de peluw neer, waar de twee hoofden rustten dicht
nevens een. Daar raakten zijn lippen de ruwheid van een baard. Hij
week ontzet terug, en geloofde waanzinnig te zijn; maar hij wendde
zich opnieuw naar het bed, en zijn tastende vingers nu raakten de zeer
lange haren. Om zich te overtuigen, dat hij ijlde, streek hij langzaam
met de hand de peluw over. En het was wel wezenlijk een baard, dien
hij voelde ditmaal, en een man! een man met zijn vrouw!...
Uitbarstend in matelooze woede stortte hij zich met dolksteken op hen;
en hij trapte en brieschte, brullend als een wild dier. Toen hield
hij in. De dooden, die recht in het hart getroffen waren, hadden zich
zelfs niet meer verroerd. Hij luisterde oplettend naar hun beider
bijna gelijkmatig doodsgereutel, en naar gelang dit zwakker en
zwakker werd, begon een ander gekreun meer hoorbaar te worden. Het
lang-aanhoudende geluid van die klaaglijke stem, onduidelijk eerst,
kwam nader en nader, zette zich uit, werd hard en wreed, en ontzet
herkende Juliaan den schreeuw van het groote zwarte hert.
En toen hij zich omwendde om te weten, meende hij in het open deurvak
de schaduw van zijn vrouwe te zien, die daar stond met een licht in
de hand. Het geraas van den moord had haar doen naderen. Met één blik
begreep ze alles. In afgrijzen vluchtte ze weg, en liet de toorts
vallen. Hij raapte die op.
Zijn vader en zijn moeder lagen daar voor hem, recht uitgestrekt, met
een gapende wonde in de borst, en hun beider aangezicht geleek in
verheven zachtmoedigheid een eeuwig geheim te zwijgen. Droppels en
sprenkels bloed lagen over hun blanke huid gespat, over de lakens en
het bed, over den grond, en langs het ivoren kruisbeeld dat in
de bedstede hing. De vuurroode weerschijn der zon-doorstraalde
vensterruiten kwam die bloedige sprenkels nu verlichten en wierp er
zelve steeds nog meerdere door geheel het vertrek. En Juliaan liep
weer op de twee dooden toe, meenend en zich diets makend, dat het een
onmogelijkheid was, dat hij verkeerd had gezien, dat er somwijlen
onverklaarbare gelijkenissen zijn. Ten laatste boog hij angstvallig
voorover om den grijsaard van nabij te beschouwen; en hij zag,
tusschen die halfopen wimpers, een uitgedoofden oogappel, die hem als
vuur pijnde. Toen wendde hij zich naar den anderen spondekant, waar
het tweede lichaam lag; de witte haren verborgen gedeeltelijk het
gelaat. Juliaan streek die lokken weg en lichtte dat hoofd op; en hij
staarde haar aan, ze steunend met zijn krampachtig gestrekten arm,
terwijl hij in de andere hand de toorts hield om zich bij te lichten.
Bloeddruppels sijpelden van de matras en vielen één voor één op den
vloer neer.
Aan den avond van dien dag stond hij voor zijn vrouwe, en met een
stem, die zijn eigene niet was, gebood hij haar vooreerst hem niet te
antwoorden, hem niet te naderen, en zelfs hem niet meer aan te zien,
en dat ze, onder straffe van eeuwige verdoemenis, al zijn bevelen had
uit te voeren, die onherroepelijk waren.
De begrafenis moest geregeld worden naar voorschriften die hij op een
bidstoel in de dooden-kamer had achtergelaten. Hij stond zijn vrouwe
het paleis af, zijn vazallen, al zijn have en goed, zonder zelfs zijns
lijfs-kleeren te behouden, noch zijn sandalen; men zou die boven op
de trappen weervinden. Zij was het werktuig geweest van Gods wil,
onschuldige oorzaak van zijn misdaad, en ze had te bidden voor zijn
ziel, want voortaan bestond hij niet meer.
De dooden werden met groote praal begraven in de kerk van een
klooster, dat op drie dagreizen afstand lag van het kasteel. Een
monnik met neergeslagen boetekap volgde den stoet, afgescheiden van
alle overigen en zonder dat iemand hem dorst aanspreken.
Gedurende de Mis bleef hij midden voor de poort plat-uitgestrekt ter
aarde liggen, de armen gekruist en het voorhoofd in het stof. Na de
begrafenis zag men hem den weg inslaan naar de bergen. Hij wendde zich
herhaaldelijk om, en verdween ten laatste.