DE LEGENDE VAN SINT-JULIAAN DEN GASTVRIJE

I

De vader en de moeder van Juliaan bewoonden een kasteel midden in

bosschen op de helling van een heuvel.

De spitsen van de vier hoektorens waren met looden schubben bedekt,

en de voet der muren steunde op rotsen, die steil neerhelden naar de

grachtdiepte.

Het plaveisel van het binnenplein was gaaf als dat van een kerkvloer.

Draken met den gapenden muil nederwaarts, spuwden het regenwater uit

de dakgoten naar den put, en op ieder vensterkozijn, alle verdiepingen

langs, bloeide in een beschilderden aarden pot, een bos balsemkruid of

heliotroop.

Een tweede omheining van steenen palen omsloot vooreerst een boomgaard

en een tuin, waar de bloemen in bonte schikking naamletters teekenden

op de perken; verder een wijngaard met lustpriëelen, en een kolfbaan

voor de pages. Aan de andere zijde bevonden zich de hondenhokken en

de stallen, bakkerij en druivenpers, en de schuren. Het geheel was

omgeven door groene weiden, die op hare beurt omsloten werden door een

zware haag van meidoorns.

De vrede duurde reeds zooveel jaren door, dat de valpoort tot vaste

brug diende; de grachten waren vol water; de zwaluwen bouwden haar

nest in de kanteelen, en de boogschutter die den lieven langen dag

op den middenwal heen-en-weer moest wandelen, dook weg in het

wachttorentje, zoodra de zon te fel begon te branden, en lag er

met een gerust gemoed, uren lang ongestoord te slapen. Binnenshuis

schitterde het beslag van hengsels en sloten overal als zilver;

kostbare wandtapijten beschutten de kamers tegen de koude; de kasten

waren overvuld van het fijnste lijnwaad; in de kelders lagen de tonnen

met wijn hoog opgestapeld, en de eikenhouten koffers kraakten onder

het gewicht der geldzakken.

In de wapenzaal, waren tusschen ruitervanen en roofdierkoppen, wapenen

uit alle tijden en van alle volken te vinden: van de slingers der

Amalekieten en de werpspiesen der Garamantijnen, tot de kromzwaarden

der Saracenen en de maliënkolders der Normandiërs.

Aan het groote braadspit in de keuken kon wel een os geroosterd

worden. De huiskapel was weidsch en rijk als die van een koning. In

een achterafhoek van het kasteel was zelfs een romeinsch bad, maar de

burchtheer maakte er nooit gebruik van, wijl hij dit een heidensche

zede achtte.

In een pelsmantel van vossevel wandelde hij door zijn huis; hij sprak

recht onder zijn vazallen, en legde de twisten van zijn naburen bij.

's Winters keek hij naar de dwarrelende sneeuwvlokken, of hij liet

zich verhalen voorlezen. Maar zoodra het mooie weer begon, reed hij op

zijn muilezel langs de wegjes door het groene koren, praatte met de

dorpers en gaf hun goeden raad.

Na een zeer avontuurlijk leven had hij een jonkvrouw van hooge

geboorte tot gemalin genomen. Ze was zeer blank, en wat trotsch

en ernstig. De punten van haar huive raakten den bovenbalk der

deurposten; de plooien van haar lakensch gewaad sleepten drie schreden

achter haar aan. Haar huishouding was regelmatig als die in een

klooster; iederen morgen verdeelde ze het werk onder haar dienstboden;

ze hield het oog over den vruchten-inmaak en de zalven-bereiding; zat

achter het spinnewiel of borduurde dwalen voor het altaar. Op haar

aanhoudend bidden werd haar een zoon geboren.

Toen heerschte er groote vreugde, en er werd een feestmaal aangericht.

Dit duurde drie dagen en vier nachten bij toortslicht en harpspel, op

strooisel van lenteloovers. Men at er de zeldzaamste specerijen, en

hoenders zoo groot als schapen; ter opluistering kwam er een dwerg uit

een pastei. Toen er geen bekers genoeg meer waren, wijl de menigte der

gasten steeds aangroeide, was men genoodzaakt uit horens en helmen te

drinken.

De jonge moeder woonde deze feesten niet bij. Ze lag rustig op haar

legerstede. Toen, in een avonduur,--ze had gesluimerd en sloeg zacht

de oogen op,--zag ze in een manestraal, die door het venster gleed,

iets bewegen. Schaduw of schimme? Het was een grijsaard in haren pij,

een rozenkrans aan den gordel, den bedelzak op den schouder. Een

kluizenaar. Hij naderde het hoofdeinde van haar bed, en zei zonder de

lippen te ontsluiten: "Verheug u, o moeder! Uw zoon zal een heilige

worden!"

Bijna schreide ze het uit van schrik, maar de schimme gleed heen langs

den manestraal, steeg zachtjes omhoog en verdween in het ijle licht.

De zangen van het festijn klonken helderder op. Zij echter hoorde

engelenstemmen. Haar hoofd viel terug in het kussen, waarboven,

tegen den muur, een martelaarsreliek hing, gevat in een lijst van

karbonkels.

Den volgenden dag werd heel de dienaarschap ondervraagd. Allen

verklaarden eenstemmig, geen kluizenaar gezien te hebben. Maar--droom

of werkelijkheid--kon het anders dan een hemelboodschap zijn? De

burchtvrouw wachtte zich echter wel, die overtuiging uit te spreken.

Ze vreesde dat men haar van hoovaardij betichten zou.

De gasten vertrokken bij het krieken van den morgen. Toen Juliaans

vader den laatsten uitgeleide gedaan had, en eenzaam bij de

burchtpoort achterbleef, zag hij ineens in den nevel een bedelaar voor

zich staan. Het was een zigeuner. Hij droeg den baard gevlochten en

had zilveren ringen aan beide armen. Zijn oogen flonkerden. En, als

bij ingeving, mompelde hij deze onsamenhangende woorden:

"Welzoo! uw zoon!... veel bloed!... veel roem!... altijd gelukkig! in

de maagschap van een keizer!"

Hij bukte naar de hem toegeworpen aalmoes, en zonder een spoor achter

te laten, was hij tusschen het gras verdwenen.

De burchtheer keek naar links en rechts, riep zoo luid hij kon.

Niemand! De wind blies, de uchtendnevels verwoeien.

Hij weet dit droomgezicht aan de vermoeienis van zijn hoofd, na den

slapeloozen nacht.

"Wat zouden ze lachen, zoo ik er van gewaagde!"

En toch--hoe vaag de voorzegging ook scheen, en droom of

waarheid?--ondanks zijn twijfel bleef hij almaar uitturen in de

glanzende toekomst die zijn zoon beloofd was. Ze verblindde hem.

De vader en de moeder hielden ieder voor zich hun geheim in het hart

verborgen. Beiden droegen ze het kind een even groote liefde toe.

Ieder voor zich beschouwden ze het als een geroepene Gods. Ze hadden

er de vroomste zorgen voor. Zijn bedje was met het zachtste dons

gevuld. Een lamp in den vorm eener duif brandde voortdurend er boven,

drie voedsters moesten over hem waken. En zoo: vast in zijn doeken

gewikkeld, met zijn roze-blozend gezichtje en zijn blauwe oogen, met

zijn brokaten mantel en zijn kapertje vol parels, geleek hij wel

het kindje-Jezus zelve. Hij kreeg tanden zonder een enkelen keer te

schreien.

Toen hij zeven jaar was, leerde zijn moeder hem zingen.

Om hem dapper te maken tilde zijn vader hem op een groot paard. Het

kind glimlachte van voldoening, en het duurde niet lang, of hij wist

alles van ros en tuig.

Een zeer wijze, oude monnik onderrichtte hem in de heilige Schrift,

leerde hem de arabische cijfers en de latijnsche letters en liet hem

aardige miniaturen schilderen op perkament. Ze werkten samen hoog in

een toren, waar geen geluid hen kon hinderen. Na de les daalden ze

af in den hof, waar ze voet voor voet omwandelden en de bloemen

bestudeerden.

Het gebeurde soms dat men diep uit het dal een rij lastdieren zag

naderen, gedreven door een op oostersche wijze uitgedosten voetganger,

in wien de burchtheer een koopman herkende. Hij liet hem door een

dienaar ontbieden, en de vreemdeling richtte dan in goed vertrouwen

zijn schreden burchtwaarts. In de halle binnengeleid, haalde hij

stukken sameet en zijde uit zijn koffers, cantille-goud en reukwerken,

en allerlei andere vreemdsoortige zaken waarvan men het gebruik niet

kende. Ten laatste ging de man weer heen, met goede winst, en zonder

het minste geweld verduurd te hebben. Een andermaal klopte er een

troep pelgrims aan de poort. Hun natte kleeren dampten voor den haard.

Wanneer hun honger gestild was, begonnen ze te verhalen van hun

tochten, hoe ze op de schuimende zee hadden gezwalkt en te voet door

het brandende zand der woestijnen getogen waren. Ze hadden het over de

wreedheid der heidenen, over de Kribbe en het Heilig Graf, en gaven

den kleinen jonker schelpen van hun mantel.

Dikwijls onthaalde de burchtheer zijn oude wapenmakkers. En altijd

weer onder het drinken, kwamen ze los over hun oorlogen, over den

stormloop op de vestingen, als de werptuigen om hen henen raasden,

over hun wonden zonder weerga. En Juliaan, die niet moede werd te

luisteren, begon krijgskreten uit te stooten. School er niet een groot

veroveraar in dien knaap? Zijn vader was er van overtuigd. Maar 's

avonds, na de vespers, als Juliaan tusschen de eerbiedig nijgende

armelieden de kerk uitschreed, kon hij zoo deemoedig en met een gebaar

zoo edel in zijn gordelbeurs tasten, dat zijn moeder vast geloofde hem

mettertijd aartsbisschop te zien.

Zijn plaats in de kapel was tusschen zijn ouders in. De diensten

duurden soms lang, maar hij bleef geknield, de baret voor de bidbank

op den grond, de handen gevouwen.

Op zekeren dag, toen hij onder de Mis even opkeek, zag hij een wit

muisje uit een gat in den muur komen. Het trippelde over de eerste

altaar-trede, en na twee of drie malen over-en-weer wippen, vluchtte

het terug naar den kant vanwaar het geslopen kwam. Den volgenden

Zondag moest Juliaan onder het bidden telkens denken, dat het muisje

wel eens weerom kon komen. En waarlijk, het kwam.

Nu wachtte hij er voortaan iederen Zondag op. Het begon hem zelf te

vervelen. Hij vatte een haat op tegen het muisje en besloot er zich

van te ontdoen.

Op een Zondag-middag sloop hij alzoo alleen de kapel binnen, en na de

deur behoedzaam gesloten te hebben, strooide hij zoete kruimels op

de altaartreden, en stelde zich toen op voor het muizengat, met een

stokje in de hand.

Na heel lang wachten kwam er een roze snuitje te voorschijn, toen de

heele muis.

Hij raakte haar met een lichten slag, en bleef verstomd staan voor dat

kleine roerlooze lichaampje.

Een druppel bloed vlekte op den vloersteen. Hij wischte het schielijk

af met de mouw, wierp de muis weg, en sprak er met niemand over.

Korten tijd later bemerkte hij dat allerlei vogels de zaden uit den

tuin wegpikten. Toen zocht hij een hol riet, en stopte het vol erwten.

Wanneer hij nu voortaan piepen of kweelen hoorde in een boom, naderde

hij heel zoetjes, richtte zijn schietbuis, blies de wangen op, en de

diertjes regenden hem zoo overvloedig op de schouders, dat hij zich

niet weerhouden kon te lachen om zijn sluwheid.

Eens op een morgen, toen hij over den middenwal uit den hof terugkeerde,

zag hij op de kap der borstwering een groote duif zitten, die zich

borstte in de zon. Juliaan bleef staan om er naar te kijken. Er was een

bres in den wal op die plaats en vlak voor de hand vond hij een diggel

van het metselwerk. Hij hief den arm op, en de steen raakte den vogel,

die in de gracht neerviel. Hij haastte zich naar de diepte, scheurde

handen en kleeren in de struiken en snuffelde overal, rapper dan een

jonge hond.

De duif hing met gebroken vleugels te beven in de takken van een

haagheester.

Het ergerde den knaap, dat ze nog leefde. Hij neep haar de keel toe.

De stuiptrekkingen van zijn gewurgde prooi deden zijn hart bonzen, ze

riepen er een wilden en onstuimigen wellust wakker. Bij haar laatste

doodskramp stokte zijn adem.

Onder het avondeten beweerde zijn vader toevallig, dat een knaap op

zijn leeftijd moest leeren jagen, en hij ging een oud schrijfboek

halen, dat in vragen en antwoorden, de geheele uiteenzetting der

jacht bevatte. Een meester onderwees er zijn leerling in de kunst der

honden-dressuur en in het africhten van valken, hoe strikken te leggen

en hoe een hert aan zijn lucht, een vos aan zijn spoor, een wolf aan

zijn voetstap te onderkennen; het beste middel om hun gangen te

weten; op welke manier men ze moet opjagen; waar zich gewoonlijk hun

schuilplaatsen bevinden; welke de gunstigste wind is; met de opsomming

der verschillende geluiden en de regels der buitverdeeling.

Toen Juliaan al deze dingen uit het hoofd kon opzeggen, bracht zijn

vader een troep jachthonden voor hem samen.

Daar waren vooreerst vier-en-twintig barbarijsche hazewinden onder,

vlugger dan gazellen, soms niet te weerhouden; ook zeventien koppels

bretonsche honden, wit gevlekt op rosse huid, zeker van hun doel,

sterk van borst en sterke blaffers. Voor de wilde-zwijnenjacht en de

gevaarlijke achtervolging waren er veertig brakken, harig als beren.

Tartaarsche bulhonden, bijna zoo hoog als ezels, vuurkleurig, breed

gerugd en recht van knie, waren bestemd om den oeros te jagen. De

zwarte vacht der poedels glom als satijn. Op een afzonderlijke

binnenplaats gromden acht vlaamsche doggen, rukkend aan hun ketting

en met de oogen rollend, ontzaglijke dieren, die paard en ruiter

bespringen en voor een leeuw niet terugdeinzen.

Allen aten weitebrood, dronken uit steenen troggen en ieder droeg een

klinkenden naam. Zoo mogelijk was de valkerij nog volmaakter in haar

samenstelling dan dit leger van honden. Door geen kosten te ontzien

had de burchtheer zich kaukasische valken weten te verschaffen,

sacervalken uit Babylonië, duitsche valkgieren, en rotsvalken,

gevangen op de steile kusten aan verre koude zeeën; ze hadden hun

verblijf in een huis met strooien dak, en zaten in volgorde van hun

grootte naast elkaar op stok, met een graszode vóór zich, waarop ze nu

en dan werden neergezet, om ze lenig te houden.

Weitasschen, angels, klemmen, allerlei jachttuig werd er gereed

gemaakt.

* * * * *

Toen begon men de op vogelvangst afgerichte honden naar het veld te

brengen. Ze roken daar al spoedig buit en stonden stil.

Dan kwamen de jagermeesters voet voor voet nader, en spreidden over

hun onbeweeglijke lichamen een reusachtig net uit.

Een bevelend woord deed hen blaffen; de kwartels vlogen op; en de

edelvrouwen uit de omgeving, die met hun ridders waren uitgenoodigd,

de kinderen, de hofdames, allen vielen er op aan, en maakten ze

gemakkelijk buit.

Een andermaal sloeg men den roffel om de hazen uit hun leger op te

jagen; vossen vielen in hinderlagen, of wel een losspringende klemveer

vatte een wolf bij den poot.

Maar Juliaan minachtte die gemakkelijke kunstjes. Hij verkoos ver

buiten de menschen-wereld te jagen, alleen met zijn paard en zijn

valk. Het was bijna altijd een groote Scythische jachtvalk, zoo wit

als sneeuw. Zijn lederen kapje was met een pluim versierd, en gouden

belletjes rinkelden aan zijn blauwe pooten; hij zat stil en recht op

zijns meesters arm, terwijl het paard draafde, en de landschappen

wisselden.

Juliaan maakte dan zijn lussen los en liet hem ineens vrij; recht als

een pijl uit den boog steeg het stoutmoedige dier de lucht in, en

men zag dan twee ongelijke stippen wenden en wentelen, saamkomen en

verdwijnen in de diepten van het hemelblauw. De valk daalde weldra

neer, met een of anderen vogel tot prooi, en kwam zich opnieuw maar

met trillende vleugels, op den handschoen neerzetten. Juliaan maakte

zoo jacht op reiger en wouw, op kraaien en gieren. Hij hield er van,

in den horen te stooten en zijn honden te volgen, die de heuvels op

renden, over beken sprongen, van bosch naar bosch draafden; als het

hert begon te sterven onder de wreede beten, sloeg hij het behendig

neer. Dan was het hem een wellust toe te zien, hoe de woedende

buldoggen hun prooi verscheurden en bloed-rookend verslonden.

Op nevelachtige dagen ging hij diep het moeras in, en lag in lage naar

ganzen, otters en wilde eenden.

In den vroegsten uchtend reeds wachtten hem drie stalknechten aan

den voet van het bordes: en of de oude monnik zich ook-al uit zijn

torenvenster boog en gebaarde om hem terug te roepen, Juliaan zag niet

om. Hij ging dwars door de brandende zon, door regen en storm, dronk

bronwater uit de holle handen; deed voortdravend zijn maal aan wilde

appels, en als hij vermoeid was, legde hij zich onder een eik te

rusten. In 't midden van den nacht kwam hij thuis met bloed en slijk

bedekt, dorens in het haar en de kleeren doortrokken van de lucht

der wilde dieren. Hij werd aan hen gelijk. Wanneer zijn moeder hem

omhelsde, liet hij haar onverschillig begaan, alsof hij over verre en

diepzinnige dingen mijmerde.

Hij doodde beren met messteken, stieren met den bijl, everzwijnen

met de werpspies, en eenmaal zelfs heeft hij met een stok, zijn

laatstovergebleven wapen, een grooten troep wolven van zich

afgeslagen, die lijken verslonden aan den voet van een galg.

Zoo dan trok hij op zekeren wintermorgen uit. De dag was nog niet

aangebroken. Hij was goed toegerust, droeg den boog over den schouder,

den pijlenkoker aan den zadel-knop.

Zijn deensche hengst, gevolgd door twee dashonden, deed den grond

onder zijn gelijkmatigen draf opklinken.

IJzeldruppels kleefden aan zijn mantel; er woei een snerpende

Noordenwind.

Langzaam werd de oosterkimme lichter.

Toen zag Juliaan in den witten uchtend-schemer konijnen heen en weer

springen bij den rand van hun hol. De twee dassen stortten er

zich dadelijk op, beten in het wilde weg, en vermorzelden hun de

ruggegraat.

Weldra kwam hij dan in een bosch. Op het uiteinde van een tak sliep

een korhaan met den kop onder de vleugels, versteven van kou. Juliaan

sloeg hem met een zwaardslag de beide pooten af, en zonder hem op te

rapen, vervolgde hij zijn weg.

Drie uur later stond hij op een bergspits, zóó hoog, dat ze de wolken

raakte. Vóór hem, boven een afgrond, helde een rots neer, smal en

kantig als een uitspringende muur; op haar uiteinde bevonden zich twee

wilde bokken, die in de diepte tuurden.

Daar hij geen pijlen had (zijn paard was achtergebleven) besloot hij

na eenig bezinnen langs den rotskam af te dalen en hen zoo te naderen;

gedoken en blootsvoets kwam hij ten slotte bij den eersten der twee

bokken en stiet hem een dolk in de flanken. Opgejaagd door den schrik,

sprong de tweede de leege diepte in. Juliaan schoot toe om hem nog te

raken, maar zijn rechtervoet gleed uit, en hij viel voorover op het

lijk van den eersten, het gelaat boven den afgrond en de beide armen

wijd uit.

In de vlakte reed hij langs een rij wilgen, die een rivier bezoomde.

Van tijd tot tijd kwamen hem laag-vliegende kraanvogels boven het

hoofd gestreken. Juliaan sloeg ze alle dood met zijn zweep, en miste

er geen enkele.

Intusschen had de luwte den rijm doen dooien. Breede nevelsluiers

zweefden om, en de zon brak door. Heel in de verte zag hij het

loodkleurige vlak van een bevroren meer blinken. Midden op dat ijsveld

stond een dier, dat hij niet kende, een bever met zwarten snuit.

Ondanks den afstand velde de eerste pijl het neer. Juliaan had grooten

spijt de vacht niet te kunnen meenemen.

Toen kwam hij door een dreef van groote boomen, wier kruinen aan den

woud-ingang een eereboog leken te vormen.

Een ree sprong uit het kreupelhout, een damhert bleef staan op een

viersprong, een das kwam uit een hol, op een grasvlak pronkte een pauw

met zijn staart;--en toen hij ze alle gedood had, kwamen er andere

reeën, andere damherten, andere dassen, andere pauwen, merels en

meerkollen, bunzings, vossen, egels, lynxen, almaar-door nieuwe

dieren, ontelbaar en bij iedere schrede talrijker. Ze wendden en

keerden om hem heen en zagen hem aan met zachtaardigen, smeekenden

blik. Maar Juliaan werd het niet moe ze alle te dooden, nu eens zijn

boog spannend, dan zijn zwaard trekkend, of stekend met zijn knijf, en

hij had heugenis of nagedachte over niets ter wereld. Hij was op jacht

in een of ander land, sinds onbestemden tijd, en hij jaagde omdat

hij leefde, leefde omdat hij jaagde, alles voltrok zich zoo licht en

gemakkelijk als in een droom. Een buitengewoon schouwspel hield hem

echter staande. Een vallei, die den vorm had van een renperk, stond

vol herten; dicht saamgedrongen verwarmden ze elkaar met hun adem, die

men in den nevel zag om-wademen. Het vooruitzicht van zoo'n slachting

versmachtte hem van lust, oogenblikken lang. Toen sprong hij van zijn

paard, stroopte de mouwen op en begon aan te leggen. Bij het fluiten

van den eersten pijl wendden alle herten tegelijk hem den kop toe. Er

kwamen bressen in hun massa; klagende stemmen kermden, en een groote

beweging ontrustte de kudde.

De hellingen der vallei waren te hoog; ingesloten sprongen de dieren

om, en zochten een uitweg. Juliaan mikte en schoot, de pijlen vielen

als regenstralen bij een onweer. De getergde herten weerden zich,

steigerden, sprongen op elkander, en hun lichamen met hun verwarde

geweien vormden een breeden heuvel, die zich verplaatste en

ineenstortte. Ten laatste stierven ze, uitgestrekt op het zand, het

schuim op den bek en met uitpuilende ingewanden. Het zwoegen van hun

lichaam werd zwakker en zwakker. Toen was alles stil.

De nacht begon te duisteren, en achter het bosch, tusschen de takken

door, was de hemel rood als een bloed-doordrenkte dwale.

Juliaan leunde met den rug tegen een boom. Met wijd-gesperde oogen

stond hij naar het monsterachtige bloedbad te staren, niet begrijpend,

hoe hij het had kunnen aanrichten.

Aan de andere zijde van het dal, bij den boschrand, werd hij toen

ineens een ander hert gewaar, met een hinde en haar jong.

Het hert dat zwart was en reusachtig van gestalte, droeg zestien

takken in zijn gewei en een witte sik. De hinde, blondbruin zooals

dorre bladers zijn, graasde, en het gevlekte reebokje volgde zijn

moeder.

Toen snorde de boog nogmaals. Het reetje was dadelijk dood. De

moeder sloeg den blik omhoog en huilde met een diepe, menschelijke,

hartverscheurende stem. Dit tergde Juliaan, en hij velde haar met

een pijl in de borst. Het groote hert had dit gezien, het deed een

zijsprong, en Juliaan schoot zijn laatsten pijl er op af. Die raakte

het in 't voorhoofd, en bleef daar steken.

Het groote hert scheen dit niet te voelen; het stapte over de doode

hinde en het bokje heen en naderde hem steeds dichter met gebukt

gewei, om zich op hem te werpen en hem het lichaam open te rijten.

Door angst bevangen deinsde Juliaan terug. Het wonderbare dier stond

stil; en met vlammende oogen, plechtig als een patriarch en een

richter, herhaalde het tot driemaal toe, terwijl er een klok luidde in

de verte:

"Vervloekt! vervloekt! vervloekt! De dag zal komen, wreedaardig hart,

dat ge uw vader en moeder vermoorden zult."

Het boog de knieën, sloot zacht de oogen en stierf.

Juliaan was verstomd blijven staan; toen deed een plotselinge

vermoeienis hem ineen-zinken, en een weerzin, een eindelooze droefenis

overstelpten hem. Met het hoofd in de handen bleef hij schreien.

Hij was zijn paard verloren, zijn honden hadden hem verlaten, de

eenzaamheid die hem omgaf, voelde hij dreigen met onbestemde gevaren.

En eensklaps vluchtte hij verschrikt weg, dwars de velden door, over

het eerste het beste voetpad, en zonder te weten hoe, stond hij ineens

voor de burchtpoort.

's Nachts sliep hij niet. Bij het weifelig schijnsel der hanglamp zag

hij voortdurend het donkere reuzenhert, wiens vloek hem kwellen bleef.

Hij vocht er tegenin. "Neen! neen! neen! ik kan ze niet dooden, nooit

of nimmer!" maar even later: "En zoo ik er toch, ondanks alles, toe

komen zou?" Steeds grooter werd zijn angst, dat de Booze hem zou

aandrijven.

Drie maanden lang bad Juliaans moeder in doodsangst aan zijn sponde;

en zijn vader liep aanhoudend zuchtend heen en weer door de gangen.

De meest beroemde geneesmeesters liet hij komen. Ze schreven groote

hoeveelheden artsenijen voor en beweerden, dat Juliaans kwaal werd

veroorzaakt, of door een kwaden luchtstroom, of door een verlangen

naar liefde. Maar de jonker schudde op alle vragen het hoofd.

Eindelijk begon hij toch weer bij krachten te komen; en hij wandelde

nu op het binnenplein, tusschen den ouden monnik en den burchtheer in,

die hem ieder bij een arm ondersteunden.

Toen hij geheel hersteld was, wilde hij, in halsstarrig verzet, van

geen jagen meer hooren.

Zijn vader wilde hem een genoegen doen en schonk hem een groot

saraceensch zwaard. Het hing in een wapenrek, boven tegen een pijler.

Er moest een ladder gehaald worden. Juliaan klom er op. Het al te

zware zwaard viel hem uit de handen, en raakte in zijn val den

burchtheer zoo dicht, dat het zijn mantel openscheurde. Juliaan

meende, dat hij zijn vader had gedood en viel in onmacht.

Sedert had hij een afschrik van wapens. De aanblik van een blanke

kling deed hem bleek worden. Deze blooheid van Juliaan werd zijn

omgeving tot groot verdriet.

Ten laatste bezwoer de oude monnik hem, om Gods wil en der vaderen

eer, ridderspel en wapenhandel weer op te vatten.

De schildknapen vermaakten zich toen juist iederen dag met het

hanteeren van den werp-schicht. Juliaan muntte weldra uit in dat spel.

Hij mikte zijn schicht in den hals eener flesch en trof de hoogste

windwijzers, dat hun punten versplinterden. Op honderd passen afstand

raakte hij de nagelkoppen in de deuren.

Op een zomeravond, in het uur dat de schemer de dingen doet vervagen,

zag hij, terwijl hij in de wingerddreef aan 't wandelen was, heel

in de verte daar twee witte vleugels fladderen, ter hoogte van het

lat-werk. Hij meende niet anders, of 't was een ooievaar, en hij wierp

zijn schicht.

Een schelle kreet klonk op. Het was zijn moeder, wier breed geslipte

huive aan den muur bleef vastgespietst.

Juliaan vluchtte uit den burcht en keerde niet terug.

Drie Vertellingen · 第 11 / 20 题