Zòò schreide ze, dat mevrouw zei:--"Kom, kom! laat hem dan opzetten!"

Ze ging raad vragen aan den apotheker, die altijd goed was geweest

voor Loulou.

Hij schreef naar Havre. Een zekere Fellacher nam het werk op zich. Per

diligence raakten de pakgoederen soms kwijt, en daarom besloot ze haar

armen Loulou zelf tot Honfleur weg te brengen.

De appelboomen stonden bladerloos langs den weg. IJs dekte de

slooten. Honden blaften bij de hoeven; ze hield de handen onder haar

schoudermantel, en met haar zwarte klompjes en haar karbies, spoedde

ze zich voort, midden over de keien.

Ze ging dwars door het bosch, kwam Haut-Chêne voorbij, en bereikte

Saint-Gatien.

Achter haar kwam in een dichte stofwolk een postdiligence met dolle

vaart als een windhoos de helling afrollen. Toen hij daar een vrouw

gewaar werd, die rustig bleef loopen waar ze liep, bukte de conducteur

zich voorover uit de kap, en ook de postiljon schreeuwde, terwijl zijn

vier paarden, die hij niet kon inhouden, hun draf versnelden; de twee

voorste waren zoo nabij, dat ze haar raakten; met een schok van de

teugels rukte hij het vierspan den berm op, maar woedend hief hij den

arm, en uit alle macht striemde hij Félicité met zijn lange zweep zóó

fel langs borst en aangezicht, dat ze achterover viel.

Toen ze weer bijkwam, was het haar eerste werk, de mand te openen.

Gelukkig, Loulou was ongedeerd! Zij voelde een brandende pijn aan de

rechterwang; toen ze met de handen er langs streek, werden die rood.

Er liep bloed uit.

Ze ging op een kiezelhoop zitten, bette zich het gelaat met den

zakdoek, at toen een korst brood, die ze uit voorzorg in haar mand had

gestopt, en troostte zich over haar wonde door den vogel te bekijken.

Op den heuvel van Ecquemauville gekomen, zag ze de lichten van

Honfleur, die in den nacht tintelden, als even zooveel sterren; verder

nog schemerde het vage vlak der zee. Toen voelde ze zich wee

worden van uitputting. Ze moest stilstaan, en de ellende van haar

kinderjaren, de teleurstelling harer eerste liefde, het heengaan van

haar neefje, Virginie's dood, het kwam alles tegelijk weer op in haar

hart, zooals bij vloed de golven opkomen, het steeg haar naar de keel

en verstikte haar den adem.

Toen wilde ze den kapitein der boot spreken, en zonder te zeggen wat

er in de mand verpakt was, vroeg ze hem er vooral goed voor te zorgen.

Fellacher hield den papegaai lang. Hij beloofde hem telkens voor de

volgende week.

Na verloop van zes maanden berichtte hij, dat er een kist afgezonden

was; toen hoorde ze er verder niets van. Het scheen wel dat Loulou

nooit meer zou terugkomen. "Ze hebben hem gestolen!" dacht ze.

Eindelijk kwam hij,--prachtig, recht-zittend op een tak die in een

mahoniehouten voet stond geschroefd, één poot in de lucht, den kop

schuin, en knabbelend op een noot, door den vogelopzetter, uit

liefhebberij voor 't indrukwekkende, verguld!

Ze borg hem in haar kamer.

Dit plekje van het huis, waar ze bijna niemand toeliet, leek evenveel

op een kapelletje als op een bazaar, zooveel devotie-dingen en zooveel

rommel waren er bijeen.

De deur ging moeielijk open, omdat er een groote kast in den weg

stond. Tegenover het venster aan de tuinzijde was een zolderraampje

dat uitzag op de plaats vóór het huis. Op een tafel naast het veldbed

lagen, bij een lampetkan, twee kammen en een stuk blauwe zeep op

de scherf van een schoteltje. Tegen de muren hingen: rozenkransen,

medailles, verschillende Lieve-Vrouwtjes, een wijwaterbakje van een

kokosnoot; op de latafel als een altaar met een witten doek bedekt,

stond de schelpendoos die Victor haar had gegeven, en ook een gieter

en een bolle flesch; schrijfboeken lagen er, de aardrijkskundige

prenten, een paar schoenen, en aan den spijker van den spiegel, hing,

aan zijn linten, het pluchen hoedje! Zóó ver dreef Félicité deze soort

van vereering, dat ze zelfs een der pandjassen van mijnheer bewaarde.

Alle oude prullen waar mevrouw Aubain genoeg van had, nam ze mee voor

haar kamer. Zoo kwam het, dat er opgemaakte bloemen langs den rand der

latafel stonden, en dat het portret van den graaf van Artois er in de

nis van het zoldervenstertje hing.

Bij middel van een plankje werd Loulou tegen een uitspringende

schouwgang geplaatst. Iederen morgen bij haar ontwaken zag ze hem in

het licht van den aanbrekenden dag, en zonder hartzeer, heel rustig,

dacht ze dan aan de vervlogen jaren, en aan de onbeduidendste

voorvallen tot in hun minste bijzonderheden.

Daar ze met geen mensch meer gemeenschap kon hebben, leefde ze, als

een slaapwandelaarster, in een durende verdooving. De processies van

Sacramentsdag deden haar weer opleven. Ze ging bij de buren kaarsen

en matten vragen om er het rustaltaar mee te sieren, dat in de straat

werd opgericht.

In de kerk schouwde ze altijd naar de duif, die den Heiligen Geest

voorstelde, en vond dat ze wat geleek op haar papegaai. Die gelijkenis

scheen haar nog treffender op een plaat van Epinal, den doop Onzes

Heeren weergevend. Die duif met haar purperen vleugels en haar romp

van smaragd, ze leek wezenlijk het portret van Loulou.

Ze kocht die plaat en hing ze waar de graaf van Artois gehangen

had;--zoo zag ze hen in éénen oogopslag. In haar gedachten werden ze

één, de papegaai als gewijd door zijn overeenkomst met die duif. En ze

bad met de oogen naar de plaat, maar een klein weinigje wendde ze zich

nu-en-dan toch naar hààr vogel toe.

Ze wilde zich in de Maria-congregatie laten opnemen, doch mevrouw

Aubain praatte haar dit uit 't hoofd.

Ineens was er iets heel buitengewoons: het huwelijk van Paul.

Na eerst notarisklerk te zijn geweest, was hij achtereenvolgens in den

handel, bij de invoerrechten en bij de belastingen gegaan, en zelfs

had hij gepoogd bij de jacht en visscherij te komen, toen, zes en

dertig jaar oud, had hij ineens, als door een ingeving van den hemel,

zijn weg gevonden: de registratie! een zoo grooten aanleg toonde hij

ervoor, dat een verificateur hem zijn dochter ten huwelijk bood en hem

zijn protectie beloofde.

Paul, die 't nu ernstig meende, bracht haar bij zijn moeder. Ze

smaalde op de gewoonten van Pont-l'Évêque, speelde de prinses,

beleedigde Félicité. Het was mevrouw Aubain een heele verlichting toen

ze vertrok.

De week daarop kwam de tijding dat mijnheer Bourais in Neder-Bretagne

in een herberg was dood gebleven. Het gerucht van een zelfmoord werd

bevestigd; er rees twijfel aan zijn eerlijkheid. Mevrouw Aubain zag

nauwkeurig haar rekeningen na, en vond al spoedig een lange reeks

van ongerechtigheden, verduistering van achterstallige schulden,

verdonkermaande houtverkoopen, valsche kwitanties, enz.

Die schelmerijen deden haar veel verdriet. In Maart 1853 werd

ze aangetast door een longziekte; haar tong scheen bewasemd; de

bloedzuigers bedaarden de benauwdheid niet, en den negenden avond

stierf ze, juist twee en zeventig jaar oud.

Niemand had haar voor zóó bejaard aangezien, omdat ze nog niets grijs

was. Ze droeg het bruine haar in platte banden tegen het bleeke, door

de pokken geschonden gezicht. Ze liet niet veel vrinden na, die leed

hadden over haar heengaan. Ze had iets hooghartigs over zich, dat de

menschen op een afstand hield.

Félicité treurde over haar zooals geen dienstbaren over hun meesters

treuren. Dat mevrouw eerder stierf dan zij, bracht haar geest in de

war, scheen haar in te druischen tegen den gewonen loop der dingen,

het leek haar onaannemelijk en al te wreed.

Tien dagen later (juist de tijd die er noodig was voor de reis van

Besançon) kwamen ineens de erfgenamen. De schoondochter doorzocht de

laden, koos meubels uit, verkocht de overige, daarna keerden ze samen

naar Paul's registratie-bureau terug.

Mevrouws fauteuil, haar tafeltje, haar stoof, de acht stoelen waren

weg. De plaatsen waar de gravures hadden gehangen, teekenden zich

als vierkante gele plekken af midden op de wanden. Ze hadden de twee

ledikantjes meegenomen, ook de matrassen, en in de muurkast was niets

meer te vinden van Virginie's kleinooden! Félicité klom van de eene

verdieping naar de andere, buiten zich zelve van verdriet.

Den volgenden dag zat er een plakkaat op de deur; de apotheker

schreeuwde haar in 't oor, dat het huis te koop stond.

Ze wankelde en moest gaan zitten.

Het zolderkamertje te moeten verlaten, waar die arme Loulou zoo'n goed

plaatsje had, dit was wel haar grootste verdriet. Met een angstigen

blik op haar vogel, bad ze of de Heilige Geest hem wilde beschermen,

en zóó vernevelden haar zinnen, dat ze langzamerhand de afgodische

gewoonte aannam, haar gebeden te prevelen neergeknield voor den

papegaai. Soms raakte de zon, die door het zoldervenstertje viel,

juist zijn glazen oog, en deed er een grooten glanzenden lichtstraal

uitschieten, die haar in vervoering bracht.

Ze had een inkomen van driehonderdtachtig franken 's jaars, een legaat

van mevrouw. De tuin leverde haar groenten op. Kleeren had ze voor

levenslang genoeg, en door te gaan slapen, zoo gauw de avond viel,

spaarde ze het licht uit.

Ze zette nooit meer een voet op straat, om den uitdragerswinkel te

mijden, waar eenige van de oude meubels te koop stonden. Sinds haar

geest zoo begon te verzwakken, sleepte ze het ééne been, en omdat haar

krachten afnamen, kwam vrouw Simon, die in haar kruidenierszaakje

alles verloren had, iederen morgen haar hout klooven en water pompen.

Haar oogen werden steeds zwakker. De zonneblinden gingen niet meer

open. Veel jaren verliepen er. En er kwamen noch huurders, noch

koopers voor het huis.

Vreezende dat men haar zou aanzeggen het huis te verlaten, vroeg

Félicité om geen enkele reparatie. De binten van het dak waren aan

't rotten; een winterlang was haar peluw doortrokken van 't nat. Na

Paschen gaf ze bloed op. Toen ging vrouw Simon een dokter roepen.

Félicité wilde weten, wat haar scheelde. Maar ze was te doof om het

te kunnen verstaan, een enkel woord slechts drong tot haar door:

"Longontsteking." Ze kende dit woord, en zei zachtjes:--"O, juist als

mevrouw," ze vond het heel natuurlijk hetzelfde te hebben als haar

meesteres.

De dag van de rustaltaartjes naderde.

Het eerste stond altijd aan 't einde van den oeverwal, het tweede voor

de post, het derde zoowat halfweg de straat. Er ontstond een wedijver

over de plaats van dit laatste, en de vrouwen der parochie kozen ten

slotte de voorplaats van mevrouw Aubain.

De benauwdheden en de koorts namen toe. Félicité trok het zich erg

aan, niets te kunnen doen voor het altaartje. Kon ze er tenminste nog

iets op neerzetten! Ze dacht toen aan den pagegaai. Dat voegde

niet, wierpen de buurvrouwen tegen. Maar de pastoor gaf toch wel

toestemming. Ze was daar zoo gelukkig mee, dat ze hem vroeg Loulou van

haar te willen aannemen na haar dood, Loulou haar eenigen rijkdom.

Van Dinsdag tot Zaterdag vóór Sacramentsdag hoestte ze veel meer.

's Avonds was haar gezicht vertrokken, haar lippen kleefden aan het

tandvleesch, ze begon brakingen te krijgen, en den volgenden morgen,

in de vroegte, voelde ze zich heel minnetjes en liet een priester

roepen.

Drie buurvrouwen waren bij haar, toen ze het heilig oliesel ontving.

Daarop zei ze, noodig met Fabu te moeten spreken.

Hij kwam in z'n zondagsche kleeren, slecht op zijn gemak in al die

narigheid.

--"Vergeef me," zei ze met een poging om den arm uit te strekken, "ik

heb altijd gemeend, dat gij hem hadt dood gemaakt."

Wat was dat voor lasterpraat? Hem verdacht te hebben van een moord,

een man als hij! Hij maakte zich boos, begon te razen en te tieren.

--"Ge ziet toch wel, dat ze niet meer bij zinnen is!"

Nu en dan was Félicité met schimmen aan 't praten. De drie buurvrouwen

gingen heen. Vrouw Simon dronk koffie.

Een oogenblik later nam ze Loulou, en hem Félicité voorhoudend:

--"Kom! zeg hem vaarwel!"

De wormen knaagden aan hem, al was hij dan ook opgezet, een van zijn

vleugels hing gebroken, het vulsel puilde hem uit den buik. Maar ze

was nu blind, ze kuste hem op den kop en hield hem tegen haar wang.

Toen nam vrouw Simon hem weer terug, om hem op 't altaartje te zetten.

V

Uit de weien woei de zomergeur aan; vliegen gonsden; de zon

overglansde de rivier en blakerde de leien. Vrouw Simon was

teruggekomen en viel zachtjes in slaap.

Klokgelui maakte haar wakker; de vespers waren uit. Félicité kwam weer

bij. Ze dacht aan de processie en zag die voor haar oogen, alsof ze er

in meeging.

Alle schoolkinderen, de zangers en de brandweergasten liepen over

de stoepen, terwijl midden in de straat de hondenslager met zijn

hellebaard, de onderkoster met den kruisstaf voorttogen, ook de

onderwijzer, die een waakzaam oog hield op de schooljongens, en de

zuster vol zorg voor haar kleine meisjes; drie van de allerliefste,

met krullekopjes als engelen, wierpen rozeblaadjes in de lucht; de

diaken temperde, met uitgebreide armen, de muziek, en twee knapen

met wierookvaten keerden zich bij iedere schrede naar het Heilig

Sacrament, dat onder een hel-rooden troonhemel, dien vier kerkmeesters

torsten, gedragen werd door mijnheer Pastoor in zijn prachtige

kazuifel. Een stroom van menschen volgde, tusschen het witte doek, dat

de muur der huizen bedekte; en men kwam aan 't eind van den oeverwal.

Félicité's slapen waren klam van 't koude zweet. Vrouw Simon bette ze

met een stuk linnen, peinzend hoe ook zij eenmaal dit alles zou moeten

doorstaan.

Het gegons der menigte nam toe, was een oogenblik zeer luid, en

verwijderde zich.

Een losbarsting van geweerschoten deed de ruiten trillen. Het waren

de postiljons die het Allerheiligste groetten. Félicité rolde met de

oogen, en zei, zoo duidelijk ze vermocht, vol zorg voor den papegaai:

"Staat hij goed?"

Haar doodsstrijd begon. Een gereutel, dat steeds sneller werd,

deed haar zijden schokken, 't Schuim blies tot bellen op in haar

mondhoeken, en heel haar lichaam beefde.

Niet lang, of men hoorde het geschal der koperen bashoorns, de heldere

kinderstemmen, de zware stem der mannen. Bij tusschen-poozen was

alles stil, en het treden der voetstappen, gedempt door het

bloemen-strooisel, geleek op het geschuifel van een kudde, die

voorttrekt over het gras.

De schaar van priesters verscheen op de voorplaats. Vrouw Simon

klauterde op een stoel om bij het zolderraampje te komen, en zag zoo

vlak neer op het altaartje.

Groene guirlanden hingen er over en het was versierd met een strook

van Engelsche kant. Middenop stond een schilderijtje met relikwieën,

twee oranjeboompjes op de hoeken, en in het rond zilveren luchters en

porseleinen vazen, waaruit zonnebloemen oprankten, lelies, pioenen,

campanula's, bossen hortensia's. Dit kleurgewemel daalde schuin omlaag

van de eerste verdieping tot op het vloerkleed, dat tot ver over de

straatsteenen lag uitgespreid; en vreemdsoortige voorwerpen trokken

het oog. Een verguld zilveren suikerpot droeg een kroon van viooltjes,

hangers van Alençonschen steen schitterden op een laagje mos, twee

Chineesche horretjes stalden hun landschappen ten toon. Loulou stond

onder rozen verborgen, en van hem was niets te bespeuren dan

't bovenste van zijn blauwen kop, en dit blonk als een plakje

lazuursteen.

De kerkmeesters, de zangers, de kinderen schaarden zich aan de drie

zijden van de plaats. De priester besteeg langzaam de altaartreden, en

zette op de kanten dwale zijn monstrans, die straalde als een

groote gouden zon. Allen knielden. Er zonk een diepe stilte. En de

wierookvaten gleden in breeden uitzwaai op hun kettingen weg en weder.

Een azuren waas steeg naar de kamer van Félicité. Haar neusgaten

zetten zich uit terwijl ze den wierook inademde met een mystiek

welbehagen; dan sloot ze de oogen. Haar lippen glimlachten. De

bewegingen van haar hart vertraagden een voor een, telkens flauwer,

telkens zachter, zooals een fontein uitgeput neerruischt, zooals een

echo wegsterft; en terwijl ze den laatsten adem uitblies, waande ze

in de open hemelen een reusachtigen papegaai te zien, zwevend boven

haar hoofd.

Drie Vertellingen · 第 10 / 20 题