IV

Hij heette Loulou. Zijn romp was groen, de punt van zijn vleugels

roset, zijn kop blauw en zijn borst goudkleurig.

Maar hij had de onhebbelijke gewoonte in zijn stok te bijten, trok

zich de veeren uit, maakte de kamer vuil, morste het water uit

zijn bad; hij verveelde mevrouw Aubain, en ze gaf hem voorgoed aan

Félicité.

Deze poogde hem praten te leeren; algauw zei hij haar na: "Lieve

jongen! Uw dienaar, mijnheer! Weesgegroet, Maria!" Hij stond dicht bij

de voordeur, en menigeen was verwonderd dat hij niet luisterde naar

den naam Jacquot, daar alle papegaaien toch Jacquot heeten. Men zei,

dat hij een gans was, een domkop; het waren evenveel dolksteken door

Félicité's hart! En die vreemde stijfhoofdigheid van Loulou, nooit te

willen praten, als iemand naar hem keek!

Toch hield hij van gezelligheid, want Zondags, als de dames

Rochefeuille, mijnheer de Houppeville er waren en nieuwe kennissen:

Onfroy, de apotheker, mijnheer Varin en kapitein Mathieu, om hun

partijtje kaart te spelen, vloog hij tegen de ruiten op, en ging met

zoo'n geweld te keer, dat men elkaar onmogelijk kon verstaan.

Het gelaat van Bourais leek hem zeker heel zot toe. Zoogauw hij hem

zag, begon hij uit alle macht te lachen. Het geschater van zijn stem

kaatste over de plaats, de echo herhaalde het, de buren kwamen aan

't venster en lachten ook. Om niet gezien te worden, sloop mijnheer

Bourais den muur langs, en zijn profiel verbergend achter zijn hoed,

ging hij tot bij de rivier, om dan door de tuindeur weer binnen te

komen, en de blikken die hij den papegaai toezond, waren allesbehalve

liefelijk.

Loulou had van den slagersknecht een knip voor den neus gekregen,

omdat hij zich veroorloofd had den kop in diens korf te steken; sedert

trachtte hij altijd hem te pikken door zijn hemdsmouwen heen. Fabu

dreigde hem den hals om te draaien, en toch was hij, ondanks zijn

getatoueerde armen en zijn groote bakkebaarden, niet wreed van aard.

Integendeel! hij mocht den papegaai wel, zoo zelfs, dat hij, in goede

luim, hem vloeken leerde zeggen. Félicité, wie zulke manieren niet

aanstonden, zette hem in de keuken. Zijn ketting werd weggenomen, en

hij zat het heele huis door.

Wanneer hij de trap af moest, stutte hij met de kromming van zijn

snavel op de treden, hief den rechterpoot op, dan den linker, en zij

was bang dat dergelijke gymnastische toeren hem duizelig zouden maken.

Hij werd ziek, kon niet meer praten of eten. Er zat hem een dikte

onder de tong, zooals kippen dit soms hebben. Ze genas hem door dat

vlies met haar nagels los te trekken. Mijnheer Paul was eens zoo

onvoorzichtig, hem den rook van z'n sigaar in den neus te blazen, een

anderen keer toen mevrouw Lormeau hem plaagde met den punt van haar

parasol, hapte hij er het ijzeren dopje af, en ten slotte vloog hij

kwijt.

Ze had hem op het gras gezet om hem een luchtje te laten scheppen, en

ging even weg; toen ze terugkwam, geen papegaai meer! Eerst zocht

ze hem in de struiken, aan den waterkant, op de daken, zonder te

luisteren naar mevrouw, die haar toeriep:--"Wees toch voorzichtig! ge

zijt dwaas!" Toen doorspeurde ze alle tuinen van Pont-l'Évêque, en ze

hield de voorbijgangers staande:--"Hebt u somwijlen toevallig

mijn papegaai gezien?" Wanneer ze hem niet kenden, gaf ze hun een

beschrijving van zijn uiterlijk. Ineens meende ze achter den molen,

laag tegen den wal iets groens te zien rondfladderen. Maar toen ze op

den kant kwam, was er niets! Een sjouwer beweerde, dat hij hem zooeven

gezien had te Saint-Melaine in den winkel van vrouw Simon. Ze liep er

heen. Men begreep daar niet wat ze bedoelde. Eindelijk kwam ze weer

thuis, uitgeput, de sloffen vol gaten, den dood in het hart; en, juist

zat ze midden op de bank, naast mevrouw, heel haar wedervaren te

vertellen, toen een lichte last haar op den schouder viel. Loulou! Wat

drommel had hij uitgevoerd? Misschien was hij een uitstapje gaan doen

in den omtrek.

Ze kon er moeilijk bovenop komen, of liever ze kwam er nooit meer

bovenop.

Ze had kou gevat en kreeg dientengevolge een keelontsteking; kort

daarna een oorziekte. Drie jaar later was ze doof, en ze sprak heel

luid, zelfs in de kerk. Hoewel haar zonden gerust zonder schande voor

haar, of zonder schade voor den evenmensch, naar alle kanten van het

bisdom mochten rondverteld, oordeelde mijnheer pastoor het gepast,

haar niet anders meer dan in de sacristie de biecht te hooren.

Een denkbeeldig, telkens weerkeerend gesuizel bracht haar voorgoed van

de wijs. 't Gebeurde meer dan eens, dat mevrouw zei:--"Mijn hemel!

wat ben je toch dom!" en dat zij daarop met een:--"Ja, mevrouw," iets

zoeken ging in de kamer.

Haar kleine gedachten-kring werd nog enger, en het gebeier der

klokken, het geloei der runderen zelfs, bestond niet meer voor haar.

Alle wezens bewogen zich als schimmen zoo stil. Slechts een enkel

gerucht nog drong tot haar door, de stem van den papegaai.

Als om haar wat afleiding te bezorgen, bootste hij het getiktak van

het braadspit na, den schellen roep van een vischventer, de zaag van

den schrijnwerker aan den overkant, en als 't belde, riep hij met

mevrouw Aubain's stem: "Félicité! open doen! open doen!"

Ze hielden samenspraken, hij tot vervelens toe de zinnen van zijn

repertoire herhalend, en zij er op antwoordend met woorden zonder veel

meer samenhang, maar waarin ze haar hart uitstortte. Loulou was haar,

in haar afzondering, bijna een zoon, een geliefde. Hij klom langs

haar vingers op, knabbelde op haar lippen, klauwde zich vast in haar

omslagdoek, en wanneer ze dan het bevend hoofd voorover boog, werden

de groote vleugels van de muts en de vleugels van den vogel door

eenzelfde trilling bewogen.

Wanneer de wolken zich opstapelden en de donder rommelde, begon hij te

krijschen, misschien zich de stortvlagen herinnerend van de bosschen

waar hij geboren werd. Het geruisch van het water maakte hem razend;

hij fladderde om, buiten zich zelf van angst, klampte zich tegen de

zoldering, gooide alles omver, en ging door het venster, in den tuin

rondploeteren; maar al gauw kwam hij weer op een der haardijzers

neergestreken, en heen-en-weer wippend om zijn veeren te laten drogen,

liet hij nu eens zijn staart, dan zijn bek zien.

Op een morgen in den strengen winter van 1837, toen ze hem wegens de

koude voor den schoorsteen had gezet, vond ze hem dood midden in zijn

kooi, de kop omlaag, de nagels in het ijzerdraad. Hij had zeker een

congestie gehad. Zij dacht aan een vergiftiging met peterselie, en

ondanks alle gebrek aan bewijs, vatte ze kwade vermoedens op tegen

Fabu.

Drie Vertellingen · 第 9 / 20 题