Hij heette Loulou. Zijn romp was groen, de punt van zijn vleugels
roset, zijn kop blauw en zijn borst goudkleurig.
Maar hij had de onhebbelijke gewoonte in zijn stok te bijten, trok
zich de veeren uit, maakte de kamer vuil, morste het water uit
zijn bad; hij verveelde mevrouw Aubain, en ze gaf hem voorgoed aan
Félicité.
Deze poogde hem praten te leeren; algauw zei hij haar na: "Lieve
jongen! Uw dienaar, mijnheer! Weesgegroet, Maria!" Hij stond dicht bij
de voordeur, en menigeen was verwonderd dat hij niet luisterde naar
den naam Jacquot, daar alle papegaaien toch Jacquot heeten. Men zei,
dat hij een gans was, een domkop; het waren evenveel dolksteken door
Félicité's hart! En die vreemde stijfhoofdigheid van Loulou, nooit te
willen praten, als iemand naar hem keek!
Toch hield hij van gezelligheid, want Zondags, als de dames
Rochefeuille, mijnheer de Houppeville er waren en nieuwe kennissen:
Onfroy, de apotheker, mijnheer Varin en kapitein Mathieu, om hun
partijtje kaart te spelen, vloog hij tegen de ruiten op, en ging met
zoo'n geweld te keer, dat men elkaar onmogelijk kon verstaan.
Het gelaat van Bourais leek hem zeker heel zot toe. Zoogauw hij hem
zag, begon hij uit alle macht te lachen. Het geschater van zijn stem
kaatste over de plaats, de echo herhaalde het, de buren kwamen aan
't venster en lachten ook. Om niet gezien te worden, sloop mijnheer
Bourais den muur langs, en zijn profiel verbergend achter zijn hoed,
ging hij tot bij de rivier, om dan door de tuindeur weer binnen te
komen, en de blikken die hij den papegaai toezond, waren allesbehalve
liefelijk.
Loulou had van den slagersknecht een knip voor den neus gekregen,
omdat hij zich veroorloofd had den kop in diens korf te steken; sedert
trachtte hij altijd hem te pikken door zijn hemdsmouwen heen. Fabu
dreigde hem den hals om te draaien, en toch was hij, ondanks zijn
getatoueerde armen en zijn groote bakkebaarden, niet wreed van aard.
Integendeel! hij mocht den papegaai wel, zoo zelfs, dat hij, in goede
luim, hem vloeken leerde zeggen. Félicité, wie zulke manieren niet
aanstonden, zette hem in de keuken. Zijn ketting werd weggenomen, en
hij zat het heele huis door.
Wanneer hij de trap af moest, stutte hij met de kromming van zijn
snavel op de treden, hief den rechterpoot op, dan den linker, en zij
was bang dat dergelijke gymnastische toeren hem duizelig zouden maken.
Hij werd ziek, kon niet meer praten of eten. Er zat hem een dikte
onder de tong, zooals kippen dit soms hebben. Ze genas hem door dat
vlies met haar nagels los te trekken. Mijnheer Paul was eens zoo
onvoorzichtig, hem den rook van z'n sigaar in den neus te blazen, een
anderen keer toen mevrouw Lormeau hem plaagde met den punt van haar
parasol, hapte hij er het ijzeren dopje af, en ten slotte vloog hij
kwijt.
Ze had hem op het gras gezet om hem een luchtje te laten scheppen, en
ging even weg; toen ze terugkwam, geen papegaai meer! Eerst zocht
ze hem in de struiken, aan den waterkant, op de daken, zonder te
luisteren naar mevrouw, die haar toeriep:--"Wees toch voorzichtig! ge
zijt dwaas!" Toen doorspeurde ze alle tuinen van Pont-l'Évêque, en ze
hield de voorbijgangers staande:--"Hebt u somwijlen toevallig
mijn papegaai gezien?" Wanneer ze hem niet kenden, gaf ze hun een
beschrijving van zijn uiterlijk. Ineens meende ze achter den molen,
laag tegen den wal iets groens te zien rondfladderen. Maar toen ze op
den kant kwam, was er niets! Een sjouwer beweerde, dat hij hem zooeven
gezien had te Saint-Melaine in den winkel van vrouw Simon. Ze liep er
heen. Men begreep daar niet wat ze bedoelde. Eindelijk kwam ze weer
thuis, uitgeput, de sloffen vol gaten, den dood in het hart; en, juist
zat ze midden op de bank, naast mevrouw, heel haar wedervaren te
vertellen, toen een lichte last haar op den schouder viel. Loulou! Wat
drommel had hij uitgevoerd? Misschien was hij een uitstapje gaan doen
in den omtrek.
Ze kon er moeilijk bovenop komen, of liever ze kwam er nooit meer
bovenop.
Ze had kou gevat en kreeg dientengevolge een keelontsteking; kort
daarna een oorziekte. Drie jaar later was ze doof, en ze sprak heel
luid, zelfs in de kerk. Hoewel haar zonden gerust zonder schande voor
haar, of zonder schade voor den evenmensch, naar alle kanten van het
bisdom mochten rondverteld, oordeelde mijnheer pastoor het gepast,
haar niet anders meer dan in de sacristie de biecht te hooren.
Een denkbeeldig, telkens weerkeerend gesuizel bracht haar voorgoed van
de wijs. 't Gebeurde meer dan eens, dat mevrouw zei:--"Mijn hemel!
wat ben je toch dom!" en dat zij daarop met een:--"Ja, mevrouw," iets
zoeken ging in de kamer.
Haar kleine gedachten-kring werd nog enger, en het gebeier der
klokken, het geloei der runderen zelfs, bestond niet meer voor haar.
Alle wezens bewogen zich als schimmen zoo stil. Slechts een enkel
gerucht nog drong tot haar door, de stem van den papegaai.
Als om haar wat afleiding te bezorgen, bootste hij het getiktak van
het braadspit na, den schellen roep van een vischventer, de zaag van
den schrijnwerker aan den overkant, en als 't belde, riep hij met
mevrouw Aubain's stem: "Félicité! open doen! open doen!"
Ze hielden samenspraken, hij tot vervelens toe de zinnen van zijn
repertoire herhalend, en zij er op antwoordend met woorden zonder veel
meer samenhang, maar waarin ze haar hart uitstortte. Loulou was haar,
in haar afzondering, bijna een zoon, een geliefde. Hij klom langs
haar vingers op, knabbelde op haar lippen, klauwde zich vast in haar
omslagdoek, en wanneer ze dan het bevend hoofd voorover boog, werden
de groote vleugels van de muts en de vleugels van den vogel door
eenzelfde trilling bewogen.
Wanneer de wolken zich opstapelden en de donder rommelde, begon hij te
krijschen, misschien zich de stortvlagen herinnerend van de bosschen
waar hij geboren werd. Het geruisch van het water maakte hem razend;
hij fladderde om, buiten zich zelf van angst, klampte zich tegen de
zoldering, gooide alles omver, en ging door het venster, in den tuin
rondploeteren; maar al gauw kwam hij weer op een der haardijzers
neergestreken, en heen-en-weer wippend om zijn veeren te laten drogen,
liet hij nu eens zijn staart, dan zijn bek zien.
Op een morgen in den strengen winter van 1837, toen ze hem wegens de
koude voor den schoorsteen had gezet, vond ze hem dood midden in zijn
kooi, de kop omlaag, de nagels in het ijzerdraad. Hij had zeker een
congestie gehad. Zij dacht aan een vergiftiging met peterselie, en
ondanks alle gebrek aan bewijs, vatte ze kwade vermoedens op tegen
Fabu.