III

Nadat ze bij de deur een kniebuiging had gemaakt, ging ze door de

middenbeuk tusschen de dubbele rij stoelen door, opende mevrouw

Aubains bank, ging daar zitten, en liet den blik rondwaren.

De jongens zaten rechts, de meisjes links in de kanunnikenbanken. De

pastoor bleef staan bij den koorlezenaar; in een venster van de absis

zweefde de Heilige Geest boven de Maagd Maria; een ander toonde haar

geknield voor het kindje Jezus, en achter het tabernakel stelde

een houten groep Sint Michaël voor die den draak verslaat. Eerst

behandelde de priester in 't kort de bijbelsche geschiedenis. Ze

waande het paradijs te zien, den zondvloed, den toren van Babel,

steden die in vlammen opgingen, stervende volken, omgestorte

afgodsbeelden; het ontzag voor den Allerhoogste bleef haar bij uit

deze zinsbegoocheling, de vreeze voor Zijn gramschap. Daarna zat ze

te schreien, luisterend naar het lijdensverhaal. Waarom hadden ze

Hem gekruisigd, Hem, die de kinderen liefhad, de scharen voedde, de

blinden genas en die uit ootmoedigheid wilde geboren worden, tusschen

de armelieden, op het meststroo van een stal? De zaaitijd, de oogst,

de wijnpersen, al die welbekende dingen, waarover het Evangelie

spreekt, waren in haar leven ook; langs hen schrijdend had God ze

geheiligd; en ze hield met meer verteedering van de lammeren uit

liefde tot het Lam, van de duiven om den Heiligen Geest.

Het kostte haar moeite zich Zijn wezen voor te stellen; want niet

alleen was Hij een vogel, maar ook een vuur, en soms de voorbijgaande

wind. Misschien is het Zijn licht dat 's nachts dwaalt langs de oevers

der moerassen, Zijn adem die de wolken voortdrijft, Zijn stem die de

klokken welluidend maakt, en ze bleef in aanbidding, genietend van de

koelte der muren en de stilte der kerk.

Van de leerstellingen begreep ze niets, deed er zelfs geen moeite toe

te begrijpen. De pastoor sprak, de kinderen zeiden hun les op. Zij

viel ten laatste in slaap, en werd eensklaps wakker, als, bij het

uitgaan der leering, de klompen over de vloersteenen klapperden.

Zoo, door almaar toe te luisteren, leerde ze den catechismus, dien

ze niet kende, omdat in haar jeugd haar godsdienstige opvoeding

verwaarloosd was, en van toen-af deed ze Virginie in alle vrome

gewoonten na, vastte als zij, biechtte wanneer zij biechtte. Op

Sacramentsdag maakten ze samen een rustaltaartje.

De eerste communie gaf haar van te voren veel zorg. Ze maakte zich

druk over de schoentjes, den rozenkrans, het kerkboek, over de

handschoenen. Met wat een ontroering hielp ze de moeder het kind

kleeden!

Heel de mis door voelde ze een beklemming van angst. Aan de ééne zijde

benam mijnheer Bourais haar het gezicht op het altaar, maar recht

tegenover haar scheen de groep der bruidjes, die witte kransen droegen

op de neergeslagen sluiers, een sneeuwveld te vormen; en ze herkende

van ver haar kleine lieveling aan haar fijner halsje en haar ingetogen

houding. De bel klonk. De hoofden bogen; het werd stil. Bij 't galmen

van het orgel zetten de koorzangers en het volk het Agnus Dei in; toen

begonnen de jongens in rijen naar de communiebank te gaan, en na hen

stonden de meisjes op. Met langzame schreden, de handen gevouwen,

gingen ze naar het altaar, dat in licht baadde, knielden op de eerste

trede, ontvingen een voor een de hostie, en keerden in dezelfde

volgorde naar haar bidbank terug. Toen het Virginie's beurt was,

boog Félicité zich voorover om haar te kunnen zien; en door de

verbeeldingskracht die echte liefde ons geeft, waande ze zelf dat kind

te zijn, het gelaat van het kind werd het hare, dat communiekleedje

droeg zij, het hart van het kind klopte haar in den boezem, en

toen het kind den mond moest openen, look zij de oogen en was een

bezwijming nabij.

Den volgenden morgen vroeg meldde ze zich in de sacristie aan, opdat

mijnheer pastoor haar de communie zou uitreiken. Godvruchtig ontving

ze die, maar niet met dezelfde zielsvervoering.

Mevrouw Aubain wilde van haar dochter een echte dame maken, en daar

Guyot haar noch Engelsch, noch muziek kon leeren, besloot ze haar op

kostschool te doen bij de Ursulinen van Honfleur.

Het kind had er niets op tegen.

Félicité zuchtte over mevrouws ongevoelig hart.

Maar ze bedacht, dat haar meesteres misschien gelijk kon hebben. Die

dingen gingen haar verstand te boven.

Eindelijk reed er op zekeren dag een oud tentwagentje voor, en er

stapte een kloosterzuster uit, die de jongejuffrouw kwam halen.

Félicité zette het reisgoed op de imperiaal, drukte den koetsier op

het hart goed voor alles te zorgen, en borg zes potten gelei onder de

rijtuigbank, ook een dozijn peren en een tuiltje viooltjes.

Een diepe snik benam Virginie op 't laatste oogenblik den adem;

ze omhelsde haar moeder, die haar op 't voorhoofd kuste, telkens

zeggend:--"Komaan, moed houden, moed houden!" De tree werd opgeslagen,

het rijtuig reed weg.

Toen kreeg mevrouw Aubain een flauwte, en 's avonds kwamen al haar

vrinden, de Lormeau's, mevrouw Lechaptois, de dames Rochefeuille,

mijnheer de Houppeville en Bourais, om haar te troosten.

In 't begin viel haar 't gemis van haar dochtertje heel smartelijk.

Doch driemaal per week kreeg ze een brief, de andere dagen schreef zij

zelf; ze wandelde in den tuin, las wat, en vulde zoo de leege uren.

Iederen morgen ging Félicité oudergewoonte Virginie's kamer binnen, en

staarde er naar de muren. Het verdroot haar, dat ze het kind niet meer

de haren kon kammen, haar niet meer de schoenen kon dichtrijgen, haar

niet meer warm kon toestoppen 's avonds, dat ze niet meer voortdurend

haar lief gezichtje kon zien, dat ze niet meer met het kind aan een

hand kon uitgaan. Daar ze van dit alles niets meer te doen had,

trachtte ze zich op kantwerken toe te leggen. Haar grove vingers

braken de draden; ze had oor naar niets, sliep niet meer, en was,

zooals ze 't noemde "ondermijnd".

"Om haar zinnen wat te verzetten", vroeg ze, of haar neef Victor nu en

dan eens op bezoek mocht komen.

Sinds kwam hij Zondags na de mis, met rozen op de wangen, de borst

bloot, en om hem heen de geur nog der velden waardoor zijn weg hem

geleid had. Dadelijk zette ze een bord voor hem bij. Als ze dan samen

ontbeten, zaten ze tegenover elkaar, en terwijl ze zelf zoo min

mogelijk at om de onkosten weer uit te sparen, stopte ze hem zóó vol

dat hij ten slotte in slaap viel. Bij 't eerste luiden der vesperklok

maakte ze hem wakker, borstelde zijn broek af, strikte zijn das en

ging kerkwaarts, met moederlijken trots op zijn arm leunend.

Hij moest, op aansporing van zijn ouders, elken keer probeeren

iets van haar los te krijgen, hetzij een buil bruine suiker, zeep,

brandewijn, soms zelfs geld. Hij bracht zijn goed mee om te doen

verstellen, en ze nam dit werk op zich, blij dat er een reden was die

hem tot terugkomen noopte.

In Augustus nam zijn vader hem mee op de kustvaart.

't Was vacantietijd. De komst van de kinderen troostte haar. Maar Paul

kreeg nukken, en Virginie was over den leeftijd heen dat ze met "je en

jou" mocht aangesproken worden, dit kwam hun omgang bemoeilijken, werd

een hinderpaal tusschen haar beiden.

Victor voer achtereenvolgens naar Morlaix. naar Duinkerken en naar

Brighton, en kwam haar na iedere reis een geschenk brengen. Den

eersten keer was 't een schelpendoos; toen een koffiekop; den derden

keer een groote peperkoekenman. De jongen knapte op, was welgebouwd,

er kwam wat dons op z'n bovenlip, hij had een goedigen, vranken

oogopslag, en droeg een leeren hoedje, achterover geschoven als dat

van een loods. Ze had altijd plezier in zijn vertelsels doorspekt met

zeemanstermen.

Op een Maandag, 14 Juli 1819 (ze vergat dien datum niet), kwam Victor

haar zeggen, dat hij voor de groote vaart was aangemonsterd, en dat de

paketboot hem overmorgen-nacht van Honfleur tot bij den schoener zou

brengen, die binnenkort van Havre uitzeilde. Misschien zou hij twee

jaar wegblijven.

Het vooruitzicht van een zoo lange afwezigheid was een groot verdriet

voor Félicité; en om hem nog eens vaarwel te zeggen, trok ze,

Woensdag-avond, toen mevrouw gegeten had, haar klompschoenen aan, en

legde ze in minder dan geen tijd, de vier mijlen af die Pont-l'Évêque

van Honfleur scheiden.

Toen ze bij den Calvarieberg kwam, sloeg ze, in plaats van links,

rechts af, verdwaalde tusschen de scheepswerven, liep terug; de

menschen, die ze aanklampte, zeiden dat ze zich moest haasten. Ze

liep de heele havenkom langs, die vol schepen lag, struikelde over de

trossen; dan helde het terrein laag af, de lichten stonden schots en

scheef door elkaar, en ze meende van de wijs te zijn, toen ze paarden

zag in de lucht.

Langs den kaderand stonden er andere te hinniken, verschrikt door de

zee. Een takel hief hen op en liet ze neer op een boot, waar reizigers

zich verdrongen tusschen de ciderfusten, de kaasmanden, de zakken

met graan; men hoorde kippen kakelen; de kapitein vloekte, en een

scheepsjongen stond, onverschillig voor dit alles, met de ellebogen

op den ankerbalk te leunen. Félicité, die hem eerst niet herkend

had, riep: "Victor!", hij zag op, ze wilde op hem toesnellen, toen

eensklaps de treeplank werd ingehaald.

Vrouwen trokken al zingend de paketboot de haven uit. De spanten

kraakten, zware golven sloegen tegen den voorsteven. Het zeil was

gekeerd, men zag niemand meer;--en op de zee in den zilverschijn der

maan, was ze een zwarte vlek, die aldoor bleeker werd, wegdook en

verdween.

Toen Félicité langs den Calvarieberg terugging, wilde ze wat haar 't

liefste was God aanbevelen, en ze bad langen tijd, recht staande,

het gezicht nat van tranen, de oogen naar de wolken. De stad sliep,

douanen wandelden op en neer, en zonder ophouden viel het water,

ruischend als een stortvloed, door de sluisgaten. 't Sloeg twee uur.

Vóór het dag was, zou ze in het klooster niet terecht kunnen, 't Zou

zeker erg lastig voor mevrouw zijn, wanneer ze te laat thuiskwam, en

ondanks haar verlangen het andere kind aan 't hart te drukken, liet ze

Honfleur achter zich. De meiden van het logement werden juist wakker,

toen ze Pont-l'Évêque inkwam.

De arme jongen zou dus maandenlang over de golven moeten zwalken!

Zijn vorige reizen hadden haar niet ongerust gemaakt. Van Engeland en

Bretagne kwam men weer terug; maar Amerika, de koloniën, de eilanden,

dat lag verloren ergens in een geheimzinnige hemelstreek aan 't ander

einde der wereld.

Van toen af dacht Félicité uitsluitend aan haar neef. Op dagen dat de

zon scheen, maakte ze zich bezorgd over den dorst, bij onweer was ze

bang, dat de bliksem hem zou treffen. Als ze den wind hoorde die in

den schoorsteen loeide en de leien van het dak rukte, zag ze hem door

dien zelfden storm aangegrepen, zich vastklampend aan den top van een

verbrijzelden mast, achterover uitgestrekt onder een wade van schuim,

of wel,--herinneringen aan de aardrijkskundige prenten,--hij was

opgegeten door de wilden, in een bosch door apen meegenomen, of liep

te verhongeren langs een onbewoonde kust. En nooit sprak ze van haar

angsten.

Mevrouw Aubain had er andere over haar dochter.

De zusters vonden haar heel lief, maar al te teer. De minste

aandoening maakte haar zenuwachtig. Met de piano moest ze ophouden.

Haar moeder wilde, dat er van 't klooster uit geregeld zou geschreven

worden. Op een morgen toen de besteller niet was gekomen, had ze geen

rust, en ze liep in de zaal op en neer, van haar leunstoel naar het

venster. 't Was werkelijk iets ongewoons! in vier dagen geen tijding!

Om ze te troosten door háár voorbeeld, zei Félicité:--"En ik mevrouw,

ik hoorde in geen zes maanden iets!"

--"Van wie dan toch?"

De meid antwoordde zachtjes:

--"Maar... van mijn neef!"

--"O! je neef!" En schouderophalend begon mevrouw Aubain weer op

en neer te wandelen, wat beteekende: "Dáár dacht ik niet aan!--en

daarenboven, 't kan me niemendal schelen! een scheepsjongen, een

schooier, de moeite waard!... en dat terwijl mijn dochter... Verbeeld

je toch!"...

Hoewel met slaag en grove woorden grootgebracht, was Félicité

verontwaardigd over mevrouws doen, doch ze vergat spoedig.

Ze kon immers best begrijpen, dat men 't hoofd kwijt raakte, nu het

zoo met het kleine meisje stond.

De twee kinderen hadden evenveel te beduiden; ze waren één voor haar

hart, en hun beider lot zou hetzelfde zijn.

De apotheker vertelde haar, dat Victors schip te Havanna was

aangekomen. Hij had de tijding in een krant gelezen.

Ze verbeeldde zich, door de sigaren, dat Havanna een land was, waar

men niets deed dan rooken, en Victor wandelde onder de negers in

tabakswolken gehuld. Zou men, zoo noodig, ook over land daar vandaan

kunnen terugkeeren? Hoe ver was 't van Pont-l'Évêque? Om er beter van

op de hoogte te komen, sprak ze mijnheer Bourais aan.

Hij zocht en vond zijn atlas, begon te praten over lengte- en

breedtecirkels, en glimlachte echt schoolmeesterachtig bij Félicité's

verbouwereerdheid.

Op 't laatst wees hij haar met zijn potloodhouder tusschen de

insnijdingen van een ovale vlek een bijna onzichtbare zwarte stip aan,

er bijvoegend: "Ziehier". Ze boog zich over de kaart, het net van

gekleurde lijnen vermoeide haar de oogen, zonder dat ze er wijzer door

werd; en daar mijnheer Bourais haar aanmoedigde te vragen, wat ze op

't hart had, verzocht ze hem haar het huis te wijzen waar Victor woonde.

Bourais sloeg de armen in de lucht, hij nieste, hij schaterde het uit,

en had dolle pret over een zoo groote onnoozelheid. Félicité begreep

niet waarover hij zich zoo vroolijk maakte,--zij, die misschien

verwachtte alles te zien van haar neef, tot het portret toe. Zoo eng

van begrip was ze!

Veertien dagen later kwam Liébard, zooals naar gewoonte op het

marktuur, de keuken binnen, en stelde haar een brief van haar zwager

ter hand. Daar ze geen van beiden lezen konden, riep ze de hulp in van

mevrouw.

Mevrouw Aubain, die de steken van een breiwerk zat te tellen,

legde dit naast zich neer, brak den brief open, ontstelde, en zei

fluisterend, met een diepen blik:

--"'t Is een ongeluk... dat ze je berichten. Je neef..."

Hij was dood. Er stond verder niets.

Félicité viel op een stoel neer, het hoofd tegen het muurbeschot, en

sloot de oogleden die ineens rood werden. Toen, met gebukt hoofd en

neerhangende handen, herhaalde ze bij tusschenpoozen, en star voor

zich uit blikkend:

"Arm ventje! arm ventje!"

Liébard stond al zuchtend naar haar te kijken. Mevrouw Aubain beefde

wat.

Ze stelde Félicité voor, haar zuster in Trouville eens te gaan

opzoeken. Félicité antwoordde, met een handbeweging,

dat ze daar geen behoefte aan had.

Er volgde een stilte. De goede Liébard vond het gepast zich terug te

trekken.

Toen zei ze:

--"Ze geven er niets om, die!"

Haar hoofd zonk weer neer, en bijwijlen lichtte haar hand,

werktuiglijk, van het werktafeltje de lange breinaalden op.

Langs de voorplaats gingen vrouwen met een berrie vol druipend

waschgoed.

Ze zag het door de ruiten, en dacht aan haar eigen wasch, die ze

gisteren had ingezet en vandaag moest spoelen. Toen ging ze de

kamer uit. Haar kuip en haar waschplank stonden aan den rand van de

Toucques. Ze wierp een hoop hemden op den steilen kant, stroopte de

mouwen op, nam den stamper, en zóó hard stampte ze, dat het in de

aangrenzende tuinen te hooren was. De weien waren leeg, de wind

rimpelde de rivier; ginder hing er lang gras over neer, als 't haar

van drijvende lijken. Tot 's avonds bedwong ze zich heel moedig, maar

eenmaal in haar kamer, wierp ze zich plat voorover met het gezicht

in het kussen, de vuisten tegen de slapen, en liet ze haar smart den

vrijen loop.

Heel lang naderhand, hoorde ze van Victors kapitein zelf de

bijzonderheden over zijn dood. Men had hem, tegen de gele koorts, een

te groote aderlating gegeven. Vier dokters tegelijk hielden hem vast.

Hij was dadelijk dood, en de gezagvoerder had gezegd:

--"Mooi zoo! alweer een!"

Zijn ouders hadden hem altijd barbaarsch behandeld. Ze wilde die

liever niet meer zien; zij zelf deden geen enkele toenadering, door

verzuim, of door harteloosheid, verstompt als ze waren door hun

ellende.

Virginie werd almaar zwakker.

Benauwdheden, een hoest, aanhoudende koorts, 't blauwachtig blosje

op haar koonen, verrieden een of andere ernstige ziekte-aandoening.

Mijnheer Poupart had een verblijf in Provence aangeraden. Mevrouw

Aubain wilde er wel toe overgaan, en als de lucht van Pont-l'Évêque

beter was geweest, zou ze haar dochtertje dadelijk hebben

thuisgehaald. Ze maakte beding met een rijtuigverhuurder, die haar

voortaan iederen Dinsdag naar het klooster bracht. In den kloostertuin

is een terras, vanwaar men de Seine kan zien. Steunend op haar moeders

arm wandelde

Virginie er over de afgevallen wingerdbladeren. Als ze uitzag naar de

zeilen in de verte, of de heele kim, vanaf het kasteel van Tancarville

tot de vuurtorens van Havre, met haar blik omvatte, deed de

doorbrekende zon haar soms met de oogen knippen. Moe gewandeld gingen

ze rusten in het priëel. Haar moeder had een klein fust malaga-wijn

aangeschaft, en lachend dat ze misschien dronken zou worden, nam

Virginie er twee teugjes van, meer niet.

Ze kwam weer wat op krachten. De herfst vlood vreedzaam heen. Félicité

stelde mevrouw Aubain gerust. Maar op een avond, na een boodschap in

de buurt, zag ze de sjees van mijnheer Poupart voor de deur, hij zelf

stond in de vestibuul. Mevrouw Aubain strikte haar hoed vast.

--"Geef me mijn stoof, mijn beurs, mijn handschoenen; wat gauwer,

toe!" Virginie had een bezetting op de borst; misschien was het

hopeloos.

--"Nog niet!" zei de dokter, en ze stegen beiden in het rijtuig,

terwijl de sneeuwvlokken om hen heen dwarrelden, 't Begon nacht te

worden. Het was heel koud.

Félicité spoedde zich de kerk in, om een kaars aan te steken. Toen

liep ze de sjees na, die ze een uur later inhaalde, wipte er achter

op, en hield zich aan de riemen vast. Maar ineens schoot haar de

gedachte door het hoofd: "De plaats is niet gesloten! als er eens

dieven binnenkwamen!" En ze sprong weer op den grond.

Toen het den volgenden ochtend evenmaar begon te schemeren, meldde

ze zich bij den dokter aan. Hij was wel teruggekomen, maar opnieuw

uitgereden naar buiten. Toen bleef ze in het logement talmen, meenend

dat vreemde menschen een brief zouden brengen. Eindelijk, bij 't

eerste licht van den dag, nam ze de diligence naar Lisieux.

Het klooster lag aan 't eind van een steil straatje. Halverwegen dit

straatje gekomen hoorde ze een vreemd geluid, het geklep van een

doodsklok, "'t Is voor iemand anders," dacht ze, en hard liet ze den

klopper neervallen.

Na verloop van meerdere minuten, kwam er iemand aansloffen, de deur

week op een kier. Het was een der zusters. Het nonnetje zei met een

godzaligen blik, dat "het kind juist overleden was." Meteen begon de

doodsklok der Sint-Leonarduskerk met dubbele kracht te luiden.

Félicité kwam eindelijk op de tweede verdieping.

Reeds toen ze over den kamerdrempel trad, zag ze Virginie liggen,

uitgestrekt op den rug, de handen gevouwen, den mond open, en het

hoofd achterover onder een zwart kruis, dat tot haar overgebogen hing

tusschen de roerlooze gordijnen, minder bleek dan haar gelaat. Mevrouw

Aubain zat aan 't voeteneind van het bedje, dat ze met haar armen

omklemde. Ze snikte als een zieltogende. Rechts stond de overste.

Drie luchters brandden op de latafel, de kaarsevlammen schenen roode

vlekken, wit wolkte de nevel voor de vensters. Een paar zusters

voerden mevrouw Aubain weg.

Twee nachten lang verliet Félicité de doode niet. Ze herhaalde aldoor

dezelfde gebeden, sprenkelde wijwater op de lakens, ging weer zitten,

en schouwde naar haar. Op 't eind der eerste nachtwake bemerkte ze,

dat het gelaat geel was geworden, de lippen werden blauw, de neus

scherp, de oogen zonken in. Ze kuste die nog en weer, en groot zou

haar verbazing niet geweest zijn, als Virginie weer had opgezien; voor

dergelijke zielen is het bovennatuurlijke iets gewoons. Ze legde het

kind af, hulde het in de lijkwa, kistte het, zette haar het kransje

op het hoofd, en spreidde de haren breed uit. Deze waren blond en

bijzonder lang voor zoo'n jong meisje. Félicité knipte er een lok

af, waarvan ze de helft op haar hart verborg, vast besloten er nooit

afstand van te doen.

Het lijk werd naar Pont-l'Évéque overgebracht, op verlangen van

mevrouw Aubain, die den rouwwagen volgde in een gesloten koets.

Na de mis waren er nog drie kwartier noodig om het kerkhof te

bereiken. Paul liep aan 't hoofd van den stoet en snikte. Hem volgde

mijnheer Bourais, dan de voornaamste ingezetenen, de vrouwen, in

zwarte mantels, en Félicité. Ze dacht aan haar neef, en hoe ze hem

deze laatste eer niet had kunnen bewijzen, toen werd haar droefheid

nog grooter, want het leek haar of men nu tegelijk hem met Virginie

begraven ging.

De smart van mevrouw Aubain kende geen grenzen.

Eerst was ze in opstand tegen God, dien ze onrechtvaardig vond, haar

dit kind te hebben ontnomen, dat toch nooit kwaad gedaan had en wier

geweten zonder vlek was! Maar ach! ze had met Virginie naar 't

Zuiden moeten gaan. Andere dokters zouden haar wel gered hebben. Ze

beschuldigde zich zelf, wilde bij haar zijn, en 's nachts in haar

droomen schreeuwde ze 't uit van wanhoop. Eén droom vooral kwelde haar

telkens weer. Haar man kwam als matroos gekleed van een verren tocht

terug, en zei haar schreiend, dat hij bevel ontvangen had Virginie mee

te nemen. Ze besloten dan samen ergens een schuilhoek te zoeken.

Eens kwam ze heel ontdaan uit den tuin binnen. Zooeven (ze wees de

plaats aan) waren vader en dochtertje haar verschenen, dicht naast

elkaar, en ze deden niets, bleven haar aanzien.

Maandenlang zat ze willoos in haar kamer. Félicité sprak haar telkens

toe met zacht vermaan. Ze moest voor zich zelve zorgen, om wille van

haar zoon en de nagedachtenis van "haar".

--"Haar?" hernam mevrouw Aubain dan, alsof ze wakker werd. "Ach ja!...

ja!... Ge vergeet het niet!" doelend op het kerkhof, waarvan men haar

angstvallig verwijderd hield.

Félicité ging er iederen dag heen.

Klokslag vier schoof ze langs de huizen, klom de helling op, opende

het hek en ging tot bij Virginie's grafteeken. Het was een zuiltje van

rose marmer, rustend op een platten steen, en omgeven door kettingen

die een tuintje insloten. De randen waren vol bloemen. Ze begoot de

bladeren, ververschte het zand en ging op de knieën zitten om den

grond beter te kunnen bewerken. Toen mevrouw Aubain er weer komen

mocht, troostte haar de aanblik van dat wel-onderhouden graf, haar

smart werd er door gelenigd.

Toen gingen er jaren voorbij die alle op elkaar geleken, met geen

andere afwisseling dan de cirkelgang der hooge feesten, Paschen,

Maria-Hemelvaart, Allerheiligen. Huiselijke gebeurtenissen stelden

datums vast, waarop men zich naderhand beriep. Zoo geelden in 1825

twee glazenmakers de vestibuul; in 1827 had een stuk van het dak, dat

op de voorplaats neerviel, bijna een man gedood. In den zomer van

1828, was 't mevrouw Aubain's beurt om het Sint-Hubertusbrood te

geven; omstreeks denzelfden tijd ging mijnheer Bourais uit de stad,

en niemand wist waarheen; en de oude kennissen vielen langzaam weg:

Guyot, Liébard, Mevrouw Lechaptois, Robelin, oom Gremanville die sinds

jaren verlamd was.

Op een nacht bracht de conducteur van de post-diligence in

Pont-l'Évêque de tijding der Juli-omwenteling. Enkele dagen later werd

er een nieuwe sous-prefect benoemd, baron de Larsonnière, die consul

was geweest in Amerika, en die, behalve zijn vrouw, zijn schoonzuster

meebracht met drie bijna volwassen freuletjes, welke in losse blouses

gekleed, over 't gazon van haar open tuin drentelden. Ze hadden een

neger en een papegaai. Ze legden een visite af bij mevrouw Aubain, die

niet naliet haar een tegenbezoek te brengen. Zoo gauw Félicité haar in

de verte zag aankomen, ging ze mevrouw haastig waarschuwen. Doch één

ding slechts scheen deze maar ter harte te gaan: de brieven van haar

zoon.

Hij bracht zijn tijd in herbergen zoek, deugde voor geen enkele

loopbaan. Ze betaalde zijn schulden; hij raakte er opnieuw in; en de

zuchten die mevrouw Aubain slaakte, terwijl ze te breien zat bij het

venster, drongen door tot Félicité, die in de keuken haar spinnewiel

deed snorren.

Ze drentelden samen langs de leiboomen en praatten aldoor over

Virginie, zich afvragend, hoe dit of dat haar zou hebben aangestaan,

wat ze bij deze of die gelegenheid waarschijnlijk zou gezegd hebben.

In de kamer met de twee ledikantjes waren al haar kleine schatten en

benoodigdheden in een muurkast opgeborgen. Mevrouw Aubain zag die

dingen zoo weinig mogelijk na. Op een zomerdag ging ze er eindelijk

eens toe over, en er vlogen vlinders de kast uit.

Haar jurken hingen naast elkaar onder een plank, waarop drie poppen

lagen, bij hoepels en een keukentje en de waschkom, die ze altijd

gebruikt had. Ze haalden de onderrokken, zoowel als de kousen en de

zakdoeken te voorschijn, en eer ze het opnieuw toevouwden, werd alles

op de twee bedjes uitgespreid. De zon scheen over die arme dingen,

deed de vlekken in 't oog vallen, en de kreuken die Virginie's

bewegingen erin gelaten hadden. De lucht was blauw en warm, een merel

kweelde, 't scheen alles te leven in een innige vreedzaamheid. Ze

vonden een hoedje van langharig pluche terug, kastanjekleurig; maar 't

was heelemaal door de mot opgegeten. Félicité vroeg of zij 't hebben

mocht. Ze zagen elkander aan, haar starre oogen vulden zich met

tranen; tot mevrouw de armen opende, de meid wierp zich aan haar hart,

en ze hielden elkaar omstrengeld, leniging zoekend voor het bittere

verdriet in een kus, die haar tot gelijken maakte.

Het was den eersten keer in haar leven. Mevrouw Aubain had een zeer

gesloten karakter. Félicité was dankbaar voor die gevoelsuiting als

voor een weldaad, en met vrome vereering had ze haar lief voortaan,

trouw als een hond.

De goedheid van haar hart werd steeds ruimer.

Wanneer ze in de straat de trommen hoorde van een langsrukkend

regiment, ging ze met een kruik appelwijn aan de deur staan en bood

den soldaten te drinken. Ze verpleegde choleralijders. Ze nam de Polen

onder haar bescherming, en een hunner verklaarde zelfs, haar te willen

trouwen. Maar ze kregen oneenigheid, want op een morgen na het angelus

uit de kerk terugkomend, vond ze hem in de keuken: hij was er binnen

geslopen, had er zich een azijnsausje toebereid en zat daar rustig van

te smullen.

Na de Polen, kwam de oude Colmiche aan de beurt, een grijsaard, die

den naam had in 93 leelijke dingen te hebben uitgevoerd. Hij leefde

aan den rivierkant in den bouwval van een varkenskot. De straatjongens

gluurden hem af door de spleten van den muur, en gooiden naar hem met

steenen, die op de brits vielen waar hij neerlag, aanhoudend heen en

weer geschud door een zwaren hoest; zijn haar was heel lang gegroeid,

zijn oogleden waren ontstoken, en op den arm had hij een gezwel nog

grooter dan zijn hoofd. Ze verschafte hem linnengoed, trachtte zijn

krot schoon te maken, en het werd haar droom, hem in hun wasch-huis

onderdak te brengen, zonder dat hij mevrouw zou hinderen. Toen de

kankerbuil was opengebroken, verbond ze hem alle dagen, soms bracht

ze hem eigengebakken koekjes mee, of ze zette hem in de zon op een

stroobos; zeeverend en bevend dankte de arme oude-man haar met zijn

klanklooze stem, was bang haar te moeten missen, strekte de handen uit

zoo gauw ze een beweging maakte om heen te gaan. Hij stierf; ze liet

een mis lezen voor de rust zijner ziel.

Dienzelfden dag viel haar een groot geluk te beurt: op 't oogenblik

dat het diner was opgediend, stond de neger van mevrouw de Larsonnière

aan de bel, met den papegaai in zijn kooi, den stok, den ketting en

het hangslot. De barones deelde mevrouw Aubain per briefje mede, dat

ze dien avond nog gingen vertrekken, daar haar man tot prefect benoemd

was; en ze verzocht haar dien vogel aan te nemen ter gedachtenis en

als een bewijs harer hoogachting.

Hij hield sinds langen tijd Félicité's verbeelding bezig, omdat hij

uit Amerika kwam; dit woord deed haar aan Victor denken, zóó zelfs dat

ze den neger had aangesproken om er het hare van te weten. Eens zelfs

had ze gezegd: "Wat zou mevrouw gelukkig zijn met dien vogel!"

De neger had die uitlating aan zijn meesteres oververteld, en daar ze

den papegaai niet kon meenemen, ontdeed ze er zich op deze wijze van.

Drie Vertellingen · 第 8 / 20 题