Ze had, zoo goed als een ander, haar liefdesgeschiedenis gehad.
Haar vader, een metselaar, was van een steiger doodgevallen. Daarna
stierf haar moeder, haar zusters verspreidden zich, zij werd door een
pachter opgenomen, voor wien ze, hoe klein ook, de koeien moest hoeden
langs de wegen. Ze bibberde onder haar lompen, dronk plat voorover
liggend het water uit de poelen, werd om een niemendal geslagen, en
ten slotte joeg men haar weg om een diefstal van dertig stuivers, dien
ze niet begaan had. Ze kwam op een andere hoeve, werd er stalmeid, en
omdat ze in den smaak viel van haar meesters, waren haar kameraden
jaloersch.
Op een Augustusavond (ze was toen achttien jaar) namen ze haar mee
naar de kermis van Colleville. Bij den eersten aanblik stond ze stom
van verbazing, overbluft door het geschetter der dorpsmuzikanten,
door de lichten in de boomen, de bonte kleeren, de kanten, de gouden
borstkruisen, al dat hossende volk. Ze hield zich bloode achteraf,
maar een jonkman, die er welgesteld uitzag, en die zijn pijp rookte
met de twee ellebogen op den disselboom van een ladderwagen, kwam haar
ten dans nooden. Hij trakteerde haar op cider, koffie en koek, kocht
haar een zijden halsdoek, en vroeg of hij haar naar huis zou brengen.
Onderweg greep hij haar vast. Ze werd bang en begon te roepen. Hij
ging.
Een anderen avond, wilde ze, op den weg naar Beaumont, een groote
hooikar voorbij stappen, die langzaam voortschokte, en langs de raders
schuivend herkende ze Theodore.
Kalmpjes sprak hij haar aan, zeggend dat ze hem vergeven moest, het
was door "den drank" gekomen.
Ze wist niet, wat te antwoorden en had zin om weg te loopen.
Dadelijk begon hij over den oogst en over de notabelen van de
gemeente, want zijn vader had Colleville verlaten om de hoeve van
Ecocs te betrekken, zoodat ze nu buren waren.
--"Hé!" zei ze.
Hij voegde er aan toe, dat men hem graag gevestigd zou zien. Maar
overigens, haast had hij niet, en hij zou wachten tot hij een vrouw
vond naar zijn keus. Ze boog het hoofd. Toen vroeg hij haar of ze
dacht te trouwen. Ze antwoordde, met een glimlach, dat het niet mooi
was, met iemand den spot te drijven.
--"Wel neen, ik denk er niet aan!"
En hij sloeg haar den linkerarm om het middel. Ze liep zoo voort
gesteund door zijn arm; hun stap vertraagde. De wind was zwoel, de
sterren schitterden, vóór hen wankelde de reusachtige kar met hooi; de
vier paarden begonnen te sleepvoeten en joegen het stof op. Toen, uit
eigen beweging, wendden ze zich rechtsaf. Hij omhelsde haar nog eens.
Ze verdween in het duister. De volgende week wist Theodore haar tot
samenkomsten over te halen. Ze ontmoetten elkaar achter een erf,
bij een muur, onder een eenzamen boom. Ze was niet onnoozel als een
jongejuffrouw, maar haar gezond verstand en de haar ingeschapen
eerbaarheid behoedden haar voor misstappen.
Die weerstand wakkerde Theodore's liefde aan, zoodat hij om er aan te
voldoen (of onnoozel-weg misschien) voorsloeg haar te trouwen. Ze kon
het niet gelooven. Hij zwoer dure eeden. Weldra echter kwam hij met
slecht nieuws voor den dag: zijn ouders hadden verleden jaar een
remplaçant voor hem genomen, maar elken dag kon hij worden opgeroepen,
en de gedachte onder dienst te moeten, joeg hem schrik aan. Die
lafhartigheid was voor Félicité een bewijs van liefde, en de hare werd
er dubbel zoo groot door. Bij hun samenkomsten kwelde Theodore haar
met zijn onrust en zijn gedwing.
Eindelijk vertelde hij haar, dat hij zelf naar de prefectuur zou
gaan om inlichtingen, die hij haar aanstaanden Zondag zou meedeelen
tusschen elf uur en middernacht.
Toen het tijd was, liep ze Theodore tegemoet.
In zijn plaats vond ze een zijner vrinden, die haar zei dat ze
Theodore niet zou weerzien.
Om zich aan de lichting te onttrekken had hij een oude, heel rijke
vrouw gehuwd, Madame Lehoussais, uit Toucques.
Het was een al te groot verdriet. Ze wierp zich op den grond, stootte
kreten uit, riep den goeden God aan, klaagde en jammerde heel alleen
in het veld, totdat de zon opging. Dan kwam ze terug op de hoeve, zei
haar dienst op, en toen de maand om was en ze haar loon had ontvangen,
knoopte ze al haar hebben en houden in een zakdoek, en begaf ze zich
naar Pont-l'Évêque.
Vóór het logement vroeg ze om inlichtingen aan een burgerdame met een
weduwkap, en juist had deze een keukenmeid van noode. Het meisje kende
niet veel, maar ze leek zooveel goeden wil te hebben en zoo weinig
eischen, dat mevrouw Aubain eindigde met te zeggen:
--"Goed, ik huur je."
Een kwartier later was Félicité in haar huis opgenomen.
In 't begin leefde ze er in een bevend ontzag voor "den trant van het
huis", en de herinnering aan "mijnheer", die zweefde over alles! Paul
en Virginie, de een zeven jaar, de andere nauwelijks vier, schenen
haar van een kostbare materie geschapen; ze liet hen paardrijden
op haar rug, en mevrouw Aubain zei haar, hen niet elk oogenblik te
zoenen, hetgeen haar diep bedroefde. Toch voelde ze zich gelukkig. De
vrindelijkheid der omgeving had haar alle verdriet doen vergeten.
Alle donderdagen trouw kwamen kennissen een partij bostonneeren.
Félicité maakte tevoren de kaarten en de stoven in orde. Klokke-acht
kwamen ze, en op slag van elf gingen ze heen.
Iederen maandagmorgen stalde de uitdrager, die in de steeg woonde,
langs den grond zijn oud-roest uit. Dan kwam de stad vol gegons van
stemmen, vermengd met paarden-gehinnik, schapengeblaat, varkensgeknor
en het geratel der boerenwagentjes over de straat.
Tegen twaalf uur als de marktdrukte in vollen gang was, zag men een
ouden boer op den drempel verschijnen, een langen man met een krommen
neus, de pet achterover, Robelin de pachter van Geffosses.
Kort daarna was er Liébard, de pachter van Toucques, klein, blozig,
zwaarlijvig, die een grijs vest droeg en slobkousen van sporen
voorzien.
Beiden kwamen ze hun eigenares kippen of kaas te koop aanbieden.
Félicité was hun altijd weer te slim af, maar vol achting voor haar
gingen ze heen.
Op ongeregelde tijden ontving mevrouw Aubain bezoek van den markies de
Gremanville, een harer ooms, berooid door zijn liederlijk leven, en
die te Falaise op het laatste lapje van zijn grond woonde. Altijd kwam
hij op het uur van het tweede ontbijt, vergezeld van een afschuwlijken
poedel, die met zijn pooten alle meubels vuil maakte.
Hoewel hij zijn pogingen een heer te schijnen zóó ver doordreef, dat
hij bij ieder: "wijlen mijn vader", den hoed lichtte, toch was de
slechte gewoonte hem te machtig, telkens vulde hij zijn glas, telkens
liet hij gewaagde aardigheden los.
Félicité zette hem met een zoet lijntje het huis uit: "U hebt genoeg
voor vandaag, mijnheer de Gremanville! Tot later!" En ze sloot de deur
achter hem.
Met genoegen opende ze die voor mijnheer Bourais, oud-procureur. Zijn
witte das en zijn kaal hoofd, de jabot van zijn overhemd, zijn wijde
bruine pandjas, de armronding waarmee hij zijn snuifje nam, geheel
zijn persoon maakte een verwarrenden indruk op haar, zooals de aanblik
van buitengewone mannen dit doet.
Daar hij de eigendommen van "mevrouw" beheerde, sloot hij zich
urenlang met haar op in het kabinet van "mijnheer", was altijd bang
voor opspraak, had een grenzenloozen eerbied voor de rechterlijke
macht, en liet er zich op voorstaan Latijn te kennen.
Om de kinderen spelend te doen leeren, gaf hij hun een serie
aardrijkskundige prenten ten geschenke.
Ze stelden verschillende tafereelen van het wereldrond voor,
menscheneters met veeren gekroond, een aap die een juffrouw ontvoerde,
Bedouïnen in de woestijn, een walvisch dien men harpoeneerde, enz.
Paul gaf aan Félicité den uitleg van die platen. Dit was al geletterde
opvoeding, die ze kreeg.
Die der kinderen was aan Guyot toevertrouwd, een armen drommel, klerk
op het stadhuis, befaamd om zijn mooie hand van schrijven, en die zijn
pennemes aanzette op z'n laars.
Wanneer het helder weer was, begaf men zich reeds vroegtijdig naar de
hoeve van Geffosses.
Het erf helt af, het woonhuis staat in 't midden, en de zee is
zichtbaar in de verte als een grijze vlek.
Félicité haalde plakken koud vleesch uit haar karbies, en er werd
ontbeten in een vertrek aansluitend aan de melkerij. Dit was het
laatste overschot van een nu verdwenen zomerverblijf. Het in flarden
gescheurd behang trilde in den tocht. Mevrouw Aubain boog het hoofd,
overstelpt door herinneringen; de kinderen durfden niet meer te
praten. "Ga toch spelen", zei ze; ze maakten dat ze wegkwamen.
Paul klom op den hooizolder, ging vogels vangen, keilde steenen over
den poel, of sloeg met een stok op de groote vaten, die hol opklonken
als trommen.
Virginie voerde de konijnen, vloog vooruit om korenbloemen te plukken,
en om haar rappe beenen wipten de geborduurde strooken van haar
broekje.
Op een herfstavond keerden ze gevieren door de weilanden huiswaarts.
De wassende maan verlichtte een stuk van den hemel, en een nevelstreep
dreef als een sluier over de bochten van de Toucques. Runderen, die
midden in het gras lagen uitgestrekt, zagen kalm die vier menschen
voorbijgaan. In de derde wei hieven er eenige zich op, die kwamen in
een halven kring hun den weg versperren.--"Wees maar niet bang!" zei
Félicité, en met klagend geprevel streelde ze het dier, dat dichtstbij
stond, over den rug; het draaide zich half om, de andere deden dit na.
Maar den volgenden beemd doortrekkend, hoorden ze een ontzettend
gebrul opgaan. Het was een stier, door den nevel onzichtbaar. Hij kwam
de twee vrouwen al nader. Mevrouw Aubain wilde hard wegloopen. "Neen!
neen! niet zoo vlug!" Toch versnelden ze den pas, en ze hoorden achter
zich een steeds duidelijker ademgesnuif. De hoeven sloegen als hamers
over het weigras; daar had hij 't, zoowaar, ook nog op een draf gezet!
Félicité keerde zich om, en met beide handen rukte ze aardkluiten los,
die ze hem in de oogen gooide. Hij dook den snuit, schudde de horens,
rillend van woede onder afgrijselijk geloei.
Mevrouw Aubain was met haar twee kinderen aan 't eind van de wei, en
zocht, buiten zichzelf van angst, hoe over den hoogen kant te komen.
Félicité week aldoor achterwaarts met den stier vóór zich, en wierp
almaar met graskluiten die hem blind maakten, terwijl ze bleef roepen:
"Haast u dan toch! Haast u dan toch!"
Madame Aubain stapte in de droge sloot, duwde Virginie en dan Paul
voor zich uit, struikelde telkens terwijl ze tegen den glooienden
wegboord trachtte op te klimmen, wat haar door moedig voltehouden ten
laatste toch gelukte.
De stier had Félicité tegen een haag geduwd; zijn kwijl spatte haar
in 't gezicht, nog één seconde en zijn horens gingen haar het lichaam
openrijten. Juist nog had ze den tijd tusschen twee palen door te
glippen, en het zware dier bleef verbluft staan.
Deze gebeurtenis was jarenlang een onderwerp van gesprek in
Pont-l'Évêque. Félicité liet er zich heelemaal niets op voorstaan,
giste zelfs niet iets heldhaftigs te hebben verricht.
Virginie alleen hield haar gedachten bezig; want ten gevolge van den
schrik had deze een zenuwaandoening gekregen, en mijnheer Poupart, de
dokter, ried de zeebaden van Trouville aan.
Ze werden nog niet bezocht in dien tijd. Mevrouw Aubain vroeg
inlichtingen, raadpleegde Bourais, en maakte toebereidselen als voor
een langdurige reis.
Haar koffers gingen daags te voren weg, op de kar van Liébard.
Den volgenden dag bracht hij twee paarden voor, het eene met een
dameszadel dat een fluweelen rugleuning had; een opgerolde mantel
vormde een zitting op het kruis van het tweede. Mevrouw Aubain steeg
daar op, achter Liébard. Félicité nam Virginie onder haar hoede, en
Paul zette zich schrijlings op den ezel door mijnheer Lechaptois
afgestaan, mits men er uiterst voorzichtig mee zou zijn.
De weg was zóó slecht, dat men over zijn acht kilometer twee uren
moest doen. De paarden zakten tot over de enkels in de modder en
schokten met de dijen om er uit te raken; ofwel ze struikelden in de
karresporen; een andermaal weer moesten ze een sprong nemen. De merrie
van Liébard bleef hier en daar plotseling stilstaan. Geduldig wachtte
hij tot ze weer verder ging, en hij praatte over de menschen wier
eigendommen langs den weg lagen, moreele beschouwingen vastknoopend
aan hun levensgeschiedenis. Toen ze midden in Toucques, onder
met Oost-Indische kers omrankte vensters doorreden, zei hij
schouderophalend:--"Zoo woont hier een madame Lehoussais, die in
plaats van een jongen man te trouwen..." Félicité verstond de rest
niet; de paarden draafden, de ezel liep in galop; in een rij togen
ze een voetpad langs, een hek week open, twee jongens traden te
voorschijn, en er werd afgestegen, vóór de mestvaalt, vlak bij den
deurdrempel. Toen vrouw Liébard haar meesteres voor zich zag, kwam er
geen eind aan haar vreugdbetuigingen. Ze zette haar een ontbijt
voor bestaande uit runderharst, rolpens, bloedworst, gestoofde kip,
schuimenden cider, vruchtentaart, en pruimen op brandewijn, dit alles
kruidend met beleefdheden aan mevrouw, die er zooveel beter uitzag,
aan de jongejuffrouw, die "allerliefst" was geworden, aan mijnheer
Paul die zoo buitengewoon was aangesterkt, zonder hun overleden
grootouders te vergeten, die de Liébards gekend hadden, daar ze van
ouder tot ouder aan de familie verbonden waren. De hoeve had, zooals
zij zelve, iets ouderwetsch over zich. De balken waren vermolmd, de
muren zwart van rook, de vensterruiten grijs bestoven. Een eikenhouten
aanrecht was beladen met allerlei gerief, groote kannen, schotels,
tinnen kommen, wolfsklemmen, scharen om de schapen te scheren, een
reusachtige klisteerspuit, waar de kinderen om lachen moesten. Niet
één boom in de drie hoven, die geen paddenstoelen aan zijn voet had of
in zijn kruin een bos mistel. De wind had er verschillende omgeworpen.
Ze schoten in 't midden opnieuw uit; en alle bogen ze onder den last
hunner appels. De stroodaken die van bruin fluweel leken en ongelijk
van zwaarte waren, weerstonden de hevigste rukwinden. Het wagenhuis
echter was bouwvallig. Mevrouw Aubain beloofde dit in gedachte te
houden, en gaf bevel de rijdieren weer op te tuigen. Nog een half uur
zou er noodig zijn om Trouville te bereiken. De kleine karavaan steeg
af om de Écores over te gaan, een overhangende rots waaronder schepen
lagen; en na drie minuten kwam men, aan 't eind der kade, op de
binnenplaats van "het gouden Lam", bij vrouw David.
Vanaf de eerste dagen voelde Virginie zich minder zwak, dank zij de
verandering van lucht en de werking der baden. Ze had geen badkostuum
en ging in haar hemdje de zee in; Félicité kleedde haar weer aan in
een tolhuisje, dat de baders gebruiken mochten.
's Namiddags ging men met den ezel de "Zwarte Rotsen" over, den kant
uit van Hennequeville. Eerst steeg het voetpad tusschen weilanden die
glooiden als het gazon van een park, en 't liep uit op een heuvelvlak
waar grasvelden en bouwgrond elkaar afwisselden. Langs den wegrand
groeiden hulstboompjes uit de warrende dorenranken op; hier en daar,
trok een groote doode boom met zijn takken zigzag-lijnen tegen de
blauwe lucht.
Iederen keer bijna rustten ze uit in een kleine wei, aan wier
linkerkant Deauville lag, Hâvre rechts, en die uitzag op de volle zee.
Ze schitterde in de zon, lag effen als een spiegel, zóó kalm dat men
nauwelijks haar ruischen hoorde; musschen piepten ergens, en het wijde
hemelgewelf overdekte dit alles. Mevrouw Aubain zat neer, bezig
met haar naaiwerk; naast haar was Virginie biezen aan 't vlechten;
Félicité trok lavendelbloemen uit; Paul, die zich verveelde, wilde
weg.
Andere keeren voeren ze de Toucques voorbij, en gingen schelpen
zoeken, 't Laag getij had zee-egels en kwallen op 't droge gelaten,
en de kinderen liepen schuimvlokken na, die de wind meenam. De
sluimerende golven, deinend over de zandbedding, bestreken het strand,
dat zich uitstrekte zoo ver het oog reikte, maar dat aan de landzijde
werd begrensd door de duinen, die het scheidden van de mars, een groot
weiland rond als een renperk.
Wanneer ze langsdaar terugkeerden, werd Trouville, ginds tegen
de heuvelhelling, bij iederen voetstap grooter, en met zijn
onregelmatigen huizenbouw scheen het, in een vroolijke wanordelijkheid,
als open te luiken. Op dagen dat het te warm was, bleven ze in hun
kamer. De verblindende klaarte daarbuiten schoof staven van licht
tusschen de latten der zonneblinden. Niet het minste gerucht in het
dorp. Beneden, op de stoep, niemand. Deze wijde stilte verinnigde de
rust der dingen. In de verte klopten de breeuw-hamers op de
scheepskielen, en een zwoele bries woei teerlucht aan.
De voornaamste vermakelijkheid was de weerkomst der visscherspinken.
Zoo gauw ze de bakens voorbij waren, begonnen ze te laveeren. Hun
zeilen streken neer tot op twee-derde der masthoogte; en met de fok
opgezwollen als een ballon dreven ze aan, gleden ze door het gekabbel
der golven, tot in 't midden der haven, waar het anker ineens
neerplonste. Dan meerde de boot aan de kade. De matrozen wierpen
lillende visschen over de reeling; een rij wagentjes wachtte hen op,
en vrouwen met katoenen mutsen snelden toe om de korven aan te nemen
en hun mannen te omhelzen.
Een harer sprak op zekeren dag Félicité aan, die even later heel blij
de kamer binnenkwam. Ze had een zuster weergevonden; en daar verscheen
Nastasie Barette, huisvrouw Leroux, met een zuigeling aan de borst,
een ander kind aan de rechterhand, en aan haar linkerzij een
scheepsjongetje met de handen in de zij en de platte pet op één oor.
Na een kwartier zei mevrouw Aubain, dat ze moesten gaan.
Sedert liep men dat groepje altijd tegen 't lijf, in de buurt van de
keuken, of op wandeling. De man liet zich niet zien.
Félicité begon van hen te houden. Ze kocht hun een deken, hemden, een
fornuis, 't was duidelijk dat ze haar uitbuitten. Deze zwakhartigheid
ergerde mevrouw Aubain, wie daarenboven de gemeenzaamheid van
het neefje niet aanstond,--dat "je" en "jou" speelde tegen haar
zoontje,--en daar Virginie hoestte en het mooie weer voorbij was, kwam
ze in Pont-l'Évêque terug.
Mijnheer Bourais hielp haar bij de keuze van een Latijnsche school.
Die van Caen gold als de beste.
Paul werd er heen gezonden, en met goeden moed nam hij afscheid, blij
in een huis te gaan wonen, waar hij makkers zou vinden.
Mevrouw Aubain berustte in de afwezigheid van haar zoon, daar die
noodzakelijk was. Virginie dacht minder en minder aan hem. Félicité
miste zijn levenmakerij. Maar een bezigheid kwam haar verstrooiing
geven; van Kerstmis af begeleidde ze iederen dag het kleine meisje
naar den catechismus.