V.

De terugreis.--Het Irtach-dal.--Bij het

douane-station.--Aankomst te Prjevalsk.--Wij gaan uiteen.

Het Irtach-dal, dat bijna honderd wersten lang is, vertoont den

vorm van een wijden Z. Het bovenste dwarsstreepje grenst aan de

Terskeï-ala-Tao, die de vlakte afsluit, waarin het meer Issik-Koul is

gelegen. Aan het eind van die dwarsstreep, waar het haakje ombuigt,

ligt de Djoukoutchiak-pas, de gewone weg der nomaden, die zich naar

Prjevalsk begeven.

Dit zou ook onze terugweg zijn. Tegenover den pas, aan de zuidzijde,

strekt zich een kring van weiden uit, waartusschen gletschers afdalen,

welker stroomen een groote vlakte besproeien en verloopen in eene

menigte kleine poelen en plassen. Deze pas, 3850 M. hoog, is zeer

gevaarlijk voor de paarden; de hellingen zijn dan ook bezaaid met

rottende lijken of met geraamten, die door de gieren zijn afgeknaagd,

welke voor ons uitvliegen op onzen weg. Eerst moet men zich een weg

banen tusschen steenen, en dan een ijshelling beklimmen, waarna men den

rand der moraines volgt, tot aan de eerste grasvlakten. Langzamerhand

geraken wij uit het hooggebergte in een boschrijke streek. De

noordelijke helling van den Terskeï-ala-Tao is bedekt met wouden,

waarin zich zoovele dieren ophouden, dat men geen stap kan doen,

zonder ze naar alle zijden te doen wegvluchten onder de struiken,

waaruit zwermen vogels opvliegen.

Dit dal sluit zich aan bij de Zououka-vallei, waardoor de karavanen

trekken, die geregeld vrachtgoederen vervoeren tusschen Viernyi

en Kasjgar. Dat vervoer is uitsluitend in handen van een stam der

Sarten, en de post gaat over van vader op zoon. Onderweg vinden zij

dikwijls nog gelegenheid, om onder de nomaden hun slag te slaan, en

kostbare pelterijen in te ruilen tegen katoentjes en snuisterijen uit

Rusland. De lieden, die aan deze tochten deelnemen, slijten hun geheele

leven in de Hemelsche Bergen, in alle jaargetijden. Hun familie trekt

mede, de vrouwen wijdbeens op balen katoen of rollen linnen gezeten,

de kinderen veilig geborgen in houten kooien, die aan beide zijden van

den zadel zijn bevestigd. Bij het douanenstation van Zoukoua, aan het

begin der vallei, zien wij hoe de goederen gevisiteerd worden. Ze zijn

in schilderachtige verwarring op het gras uitgespreid, en schapen en

honden wandelen er overheen. De beambten zien op hun gemak na, of er

ook contrabande onder schuilt, en laten geen enkel pakket ongeopend

de revue passeeren. Ze laten zelfs de vrouwen zich ontkleeden, om te

zien, of zij ook verboden waar onder hare kleeren verborgen hebben.

Natuurlijk hebben zij altoos gelijk, en noch het heftig verzet

der vrouwen, noch de scheldwoorden der mannen brengen hen van hun

stuk. Soms worden er stokslagen uitgedeeld, als het eenvoudigste

middel om de zaak in 't reine te brengen. De vrouwen zijn voor zulke

reizigsters bijzonder fraai gekleed. Ze dragen zilveren sieraden om

den hals, en aan hare ooren hangen kettingen, die tot op de schouders

bengelen, en telkens verward raken in de knoopen van haar lijfje.

Na Zououka wordt het dal zeer breed; de beide zijden nemen zichtbaar in

hoogte af, en worden langgestrekte heuvels, die aan steenen muren doen

denken. Werkelijk geven die lage, roode rotswanden, waardoor diepe,

horizontale groeven en kleine, loodrechte insnijdingen loopen, den

indruk van twee geweldige gemetselde dijken, die een denkbeeldigen

stroom moeten insluiten. De bodem vertoont overal die zelfde roode

kleur, zoodat de rivier, als er regen valt, een bloedstroom gelijkt,

die uit een of ander reuzen-abattoir is losgebroken. Terwijl wij

steeds lager dalen, en het gebergte achter ons laten, zien wij vaag,

als in een droom, een witte wolk oprijzen aan den horizon, als een

windveer in de lucht. Het is de Koungheï-ala-Tao, aan de overzijde

van het meer Issik-koul, waarvan de zachtblauwe waterspiegel zich

voor ons uitbreidt, in het trillende, gulden waas, dat uit den grond

schijnt op te stijgen.

De vallei van Issik-koul is overal waar men het oog laat rusten,

even bekoorlijk. De wisselende tinten van het landschap zijn zoo ijl

en doorzichtig, en de lijnen van elk tafereel zoo wazig en onbestemd,

dat men zich vol verrukking overgeeft aan de indrukken, gewekt door

het aanschouwen van grootschheid, die met bevalligheid gepaard gaat.

Weldra komen wij te Slifkina, een kozakkendorp, op de grens tusschen

de beschaafde wereld en het Hemelsche Gebergte gelegen. 't Is het

laatste russische dorp in de streek ten Zuiden en Westen van het

meer Issik-koul. Men kan zich niet voorstellen, hoe blijde wij zijn,

eindelijk eens weer menschelijke wezens te zien, die geen Kirghizen

zijn, en woningen, die er anders uitzien dan de yourtes. 't Is

werkelijk, alsof we in een groote stad zijn aangekomen. De verwarde

haren en scharlaken kleeding der kozakken doen ons oog bepaald

aangenaam aan, en het welgedane voorkomen der roodwangige russische

vrouwen maakt thans op ons een geheel anderen indruk dan vroeger. Wij

vinden ze nu bijna mooi. Met de matigheid, die wij zoo lang hebben

moeten betrachten, is het nu ook gedaan. We halen onze schade in, en

doen ons te goed aan pivo en heerlijke goudgele appelen, terwijl we

des avonds een stevig maal eer aan doen van eieren, kip, aardappels,

rijst en vruchten. Slifkina of Kizil-sou, zooals de Kirghizen het

noemen, ligt dertig wersten ten Westen van Prjevalsk. Niet meer

over gletschers, door steenen, noch langs afgronden voert ons pad;

wij rijden rustig over een breeden, witten weg, die als een lint door

groene velden slingert. Geen sprake meer van bezorgdheid over de meer

of mindere doorwaadbaarheid der rivieren, nu de hoeven onzer paarden

vroolijk over de stevige bruggen trappelen, die de oevers verbinden

van elken stroom.

En toch, ondanks die rust en die veiligheid, komt die kalme, vlakke

streek ons na de eerste twintig werst eentonig voor, en wij verbeelden

ons, dat het rijden hier ons veel meer vermoeit dan onze tochten door

de bergen. En dan die zon,--en dat stof!...

Kort daarna kwamen wij behouden te Prjevalsk. Om een al te plotselingen

overgang te vermijden, sliepen wij niet in het posthuis; maar

kampeerden buiten, in een boomgaard.

Twee dagen later, den 4den September, gingen wij ieder onzes

weegs. Zurbriggen en Abbas keerden terug naar Tasjkent; terwijl de

prins en ik onze reis voortzetten naar Siberië.

De Reis van Prins Scipio Borghese naar de Hemelsche Bergen De Aarde en haar Volken, 1907 · 第 5 / 6 题