IV.

Op den top van de Oustchiar-spits.--De aoul van

Kaënde.--Het gezicht op den Khan-Tengri.--De

Kaënde-gletscher.--Ingesneeuwd.--Wij denken over

terugkeeren.--In het Irtach-dal.--Bij den Kaltchè.--De

kookkunst der Kirghizen.--Einde van onze topographische

verrichtingen.--Een Kirghizen-begrafenis.

1 Aug. Wij veroorloofden ons de weelde, van een dag rust te nemen in

de omstreken der bergengte van Artchiar, namen lucht- en zonnebaden,

en gingen planten zoeken in den omtrek, zoodat wij onze verzameling

met eenige zeldzame exemplaren vermeerderden. Des middags zagen wij

een troep wolven op de berghelling. Wij zonden hun een paar kogels na,

en zij vluchtten huilende weg.

Dien nacht begon het hevig te regenen, en vier en twintig uren

achtereen duurde die zondvloed, die stroomen van slijk en steenen van

de bergen deed neerstorten, en ons in onze tenten hield opgesloten. De

Koékab-Sou, die het water van beide zijden van het dal opvangt, stijgt

geweldig door de duizenden stroomen, die van de hoogte neerstorten en

alles in hun vaart medesleepen. De berg gelijkt op een reuzenspons,

en uit alle openingen spuit het water met verbazende kracht. De beide

rivieren veranderen telkens hun loop, en bedreigen zelfs de helling,

waar wij onze tenten hebben opgeslagen.

Als wij echter den 3den Augustus buiten komen, is de hemel helder

en effen, en de zon schijnt. De berg is tot rust gekomen, en van

al het misbaar van den vorigen dag is niets meer te bespeuren, dan

nog wat zacht geruisch van beekjes, die langs de oneffenheden in

het rotsgesteente vloeien en een aangename koelte verspreiden. Wij

kunnen dus zonder gevaar de bergengte van Artchiar weer doortrekken,

en ons over den pas terugbegeven, langs denzelfden weg, dien wij vijf

dagen te voren hebben afgelegd.

Als we des avonds, na onderweg een herder met zijn kudde te hebben

ontmoet, te Oustchiar aankomen, zijn de nomaden zeer verheugd, ons

weer te zien. Wij vinden daar een koerier, die door den gouverneur

van Prjevalsk ons is nagezonden, met een brief, waaruit wij vernemen

dat in China de oorlog is uitgebroken. De boodschapper raadt ons met

nadruk af, om ons op dat onveilig grondgebied te begeven, als wij ons

niet aan onaangenaamheden willen blootstellen. Den volgenden dag maken

wij nader kennis met de Kirghizen, bekijken hun tenten, bezichtigen

met belangstelling hun werk (een van hen was bezig een arend af

te richten), zien toe, hoe de vrouwen hare huiselijke bezigheden

verrichten, en geven haar sieraden van aluminium ten geschenke. Zij

zijn ons uiterst dankbaar, lachen ons vriendelijk toe, en zouden zeker

graag een praatje met ons maken, als zij maar konden. Ze zijn nu in

't geheel niet bang meer; eer het tegendeel.

Om drie uur 's middags gaan de prins, Zurbriggen en ik, begeleid

door een der Kirghizen te paard, een uitstapje doen. We richten onze

schreden naar de bevallige Oustchiar-spits. Tegen den avond bivakkeeren

we op een hoogte van 3850 M., aan den voet van den allerhoogsten

top. Als we weer opbreken, beweert Zurbriggen, dat we nog in ons

kamp zullen kunnen ontbijten. Hij heeft er niet op gerekend, dat we,

als 't ware, door een nauwen koker van ijs moeten omhoogklimmen, en

dat we, steeds gebombardeerd door vallende steenen, vier uur zullen

noodig hebben, om een paar honderd meter te stijgen. Het ijs was

spiegelglad, en de berijpte rotsen boden ons niet het minste houvast;

bijna verloren wij den moed. Maar geduld overwint alles, en met de

noodige voorzichtigheid bereiken ook wij ons doel; we komen, langs

den zuidelijken bergkam, om ongeveer één uur 's middags aan op den

allerhoogsten top van de Oustchiar-spits. Deze wordt eerst gedoopt, en

daarna gaan wij onzen inwendigen mensch versterken. 4500 meter is hij

hoog, die slanke toren van graniet en ijs. Vóór alles moeten we weten,

of we den langgezochten Khan Tengri hier ook kunnen zien. We krijgen

hem dadelijk in het oog; want hij rijst op tegen den achtergrond van

het Kaënde-dal, als op een voetstuk van gletschers, die naar alle

zijden afdalen. De dalen van Kaënde en Koékab strekken zich uit naar

het Zuiden en het Westen, met den rug naar elkander toegekeerd.

Maar dat verschiet van golvende bergruggen biedt een woest en verlaten

schouwspel aan. Geen enkel plekje groen siert den dorren bodem,

uitgedroogd door de zonnehitte. Zonder de sneeuw, die de uitstekende

rotspunten omzoomt, zou men het geheele landschap voor een in ruwe

klei ontworpen beeldhouwwerk houden.

In het Zuiden schijnen twee hooge toppen, de Ak-Sou-Tao en de

Djannart-Tao, als schildwachten opgesteld aan den ingang van twee

valleien, de wacht te houden bij de nadering van een denkbeeldigen

vijand. Daartusschen vertoont zich een wijde opening, waardoor de

wateren een uitweg vinden van den Djannart-Sou, dien wij in de verte

als een zilveren lint zien kronkelen door de blauwachtige vlakten

van Kasjgarië. Daarboven volgt ons oog de vage golvingen der keten

van den Bittama-Tao, die de zuidelijke grens vormt van het plateau

van Outch-Tourfan. En nog verder ligt de geheimzinnige Gobi, dien men

meer vermoedt dan meent te onderscheiden, aan den verren gezichteinder.

Wij kunnen van af dit hooggelegen punt met een oogopslag de reuzenkom

overzien, die het water van honderden gletschers opvangt en omringd

is door een kring van 5000 Meter hooge bergreuzen. Wij bespeuren,

dat de hoofdader van dit stroomstelsel de Saridjass-Sou is, die,

behalve bij de uitmondingen der dalen, verborgen blijft in haar

nauwe en diepe bedding, driehonderd wersten lang. Het is een vreemd

en indrukwekkend gezicht, dien statigen, melkwitten stroom zich door

de bergen te zien kronkelen, om plotseling bij een kromming achter

een hoogte te verdwijnen, en verderop weder te voorschijn te treden,

als uit de diepste diepten der aarde opwellend.

In het Westen zien wij, vlak tegenover ons, twee dalen; links het

Djannart-dal, met de valleien van Kaïtche, Bichirtik en Archiriak,

die zich openen in den Kok-Chaal-Tao. Daartusschen zien wij, door de

opening van het Ichtik-dal, de golvingen van het plateau van Karagan,

waarop de Naryn ontspringt, die later Syr-Daria genoemd wordt. Rechts

wendt zich het Irtach-dal, na de eerste dertig werst, plotseling naar

het Noorden, achter den Terekty-Tao en den Keou-eou-leou-Tao.

Nog een oogenblik blijven wij de drie toppen bewonderen, welke het

dichtst bij de Oustchiar-piek zijn gelegen. De middelste vooral

trekt onze aandacht; zijn dreigend voorkomen lokt niet uit tot een

beklimming. Wij noemen hem den Kargan-tach (den steenen arend).

In een omzien zijn wij in ons kamp terug. En als wij in onze ruime

tent aanliggen om den disch, waarop fijne confituren ons toelachen,

en genieten van een geurig kop thee, komt dat verblijf ons waarlijk als

een paleis voor. Op het gras te slapen, na een nacht op de steenen en

een dag tusschen ijsvelden te hebben doorgebracht, is in deze streken

het grootste genot, dat men zich denken kan.

6 Aug. Het gezicht op den Khan Tengri bezielt ons met nieuwe

geestdrift. Wij beginnen zelfs te denken, dat het beklimmen van dien

top volstrekt niet gevaarlijk zal zijn. We zouden dan moeten kampeeren

aan den voet, en wachten op het gunstige oogenblik om den tocht te

ondernemen. Maar dan moet het eerst mooi weer worden; anders zal het

niet gaan. Vandaag luieren wij maar, evenals de Kirghizen, en rollen

als kleine kinderen in het gras. Na langdurige lichamelijke vermoeienis

en zenuwachtige spanning is het een genot, in 't gras te liggen en

naar de wolken te kijken, terwijl onze spieren zich ontspannen en

onze polsslag weer normaal wordt. Het is een echte gezondheidskuur.

Den volgenden morgen vertrekken wij naar den aoul van Kaënde. De

Kirghizen vergezellen ons tot aan den Oustchiar-pas. Wij keeren

langs denzelfden weg terug, dien we den 28sten Juli zijn gegaan,

en trekken dan langs de linkerzijde van het dal, door zachtglooiende

weiden en dennenbosschen. Tegen zonsondergang bereiken wij het kamp

der nomaden. Deze zijn op een heuveltje vergaderd, en begroeten

ons met eindelooze salaams en baïs. De chirtaï geeft ons te kennen,

dat hij zelf, zijn familie en zijn stam zich zeer verheugen, ons als

gasten te mogen ontvangen. Hij verzoekt ons, eenige dagen te blijven,

en wij stemmen gaarne hierin toe.

De aoul van Kaënde telt ongeveer honderdvijftig personen, die verdeeld

zijn over een twintigtal tenten.

Daar Abbas ons heeft verteld, dat de dochter van den chirtaï onlangs

verloofd is, dringen wij er zeer op aan, haar te mogen zien en

photographeeren. Eer zij zich echter aan ons vertoont, maakt zij zich

zoo mooi als zij kan en trekt haar fraaiste kleeren aan. Zij is nog

zeer jong, en bijzonder groot voor haar leeftijd. Maar al draagt zij

een zijden gewaad, al blinken er edelgesteenten aan haar vingers en

polsen, en in haar ooren, al draagt zij sierlijk bewerkte laarsjes

en al prijkt een bos witte veeren op haar bonten muts, zij is en

blijft een leelijk Kirghizen-mormeltje, met gespleten schuine oogjes,

uitstekende jukbeenderen en een dikken neus. De jonge dame kan ons

maar volstrekt niet bekoren. Zij is verloofd met den kaltchè (hoofd)

van het Irtach-dal, een der rijkste mannen in den omtrek.

Maar eer deze zijn bruid in ontvangst neemt, zal hij een groot gedeelte

van zijn kudden moeten afstaan. De chirtaï en zijn beide ongetrouwde

zoons waren niet zeer bescheiden in hun eischen geweest; op den dag

van het huwelijk moet de jonge echtgenoot 40 kameelen, 400 paarden

en 5000 schapen aan zijn schoonvader afleveren, en bovendien nog een

menigte kleinere geschenken uitdeelen. Zij is lang niet de eerste de

beste, dat dertienjarige dochtertje van den Kirghizenhoofdman!

9 Augustus. Een paar uur nadat wij ons op weg hebben begeven, komen wij

aan den Kaënde-gletscher, en gedurende de eerste twee of drie wersten

volgen wij de moraine, die het meest naar links is gelegen. Daar de

weg door de rotsblokken steeds meer ontoegankelijk wordt, besluiten

wij hier stil te houden en ons kamp op te slaan in een plooi van

het terrein, tusschen twee stroomen die van de hoogste gletschers

storten. Wij vinden op deze plek al wat wij noodig hebben, indien wij

hier eenigen tijd vertoeven. Er groeien een menigte téogoïroukstruiken,

waarlangs een helder beekje stroomt, en de paarden kunnen voldoende

voedsel vinden, om hun honger te stillen.

Den volgenden dag klimmen wij tot op een hoogte van 4000 M. boven

dit kamp, om de omstreken te verkennen en te zien, of wij de

paarden nog iets hooger kunnen brengen. De Kaënde-gletscher ligt

zeer nauw besloten tusschen twee hooge rotswanden, en zijn langzaam

glooiende oppervlakte vertoont op het eerste gezicht geen bepaalde

belemmeringen. Aan weerszijden is hij met die rotsmassa's verbonden

door een reeks van nevengletschers, die op de plaats waar zij met

den hoofdgletscher samenkomen, een duidelijk afgebakende grenslijn

vertoonen, aangegeven door verspreide steenblokken. Een dubbele rij

hooge toppen, donkere steenkolossen, of glinsterende pyramiden van

ijs, schijnt hem als een eerewacht te begeleiden. Op den achtergrond

rijst, hoog verheven, de Khan Tengri op, als een geweldige kristallen

koepel, de dom eener reuzenmoskee. Hij heeft niets schrikwekkends,

en doet denken aan een oostersch vorst, die met kalmen glimlach en

onverstoorbare waardigheid op zijn hovelingen nederziet.

Daar wij zien, dat op de lagere hellingen gras groeit, en de gletscher

zelf vrij effen is, durven wij het wagen, onze paarden nog wat hooger

op te brengen, en een paar wersten verder ons kamp op te slaan.

Wij laten een gedeelte van de bagage, den mondvoorraad en onze

geiten en schapen achter in de hoede van den djighite, en trekken

den volgenden morgen den Kaënde-gletscher op. In één dag leggen we

niet meer dan 15 K.M. af. Maar met hoeveel moeite en bezwaren, vooral

voor onze paarden, gaat die tocht gepaard! De arme dieren zijn totaal

uitgeput; hun pooten zijn bloedig ontveld, en een heeft zich zelfs

bij een val aan de dij gekwetst, en veel bloed verloren. Des avonds

brengen wij ze naar een met gras begroeide plek, die dicht bij ons

kamp is gelegen, om daar te wachten, tot wij terugkeeren. We zijn

hier op een hoogte van 3296 M. We kampeeren op den gletscher zelf,

of liever op de korst van steenen, waarmede hij bedekt is. Abbas is

niet al te best in zijn schik. Wij vernemen nu eerst, dat hij nog

nooit in zijn leven sneeuw had gezien. Dat laat zich wel hooren;

hij komt van de oevers van den Chatt-el-Arab! En steeds met zijn

onafscheidelijke muilen aan de voeten.

12 Augustus. Een sneeuwstorm houdt ons den geheelen dag in onze

tenten opgesloten. De schapen en geiten blaten den geheelen dag

allerjammerlijkst, en om hun razenden honger te stillen, eten zij

maar vast ons brandhout op. We bevinden ons te midden van dichte

nevelwolken, en onafgebroken stuiven de witte vlokken neer. Als

dat zoo aanhoudt, zullen we wel een paar dagen hier moeten blijven,

en op rantsoen gesteld worden. Twee dagen later bedaart de storm,

het wordt mooi weer, en wij maken van die gelegenheid gebruik om weer

een uitstapje op den gletscher te wagen. Drie Kirghizen, met schoenen

van paardenvel aan, zullen meegaan als vrachtdragers. Daar we niet

weten hoe lang we zullen wegblijven, nemen we zooveel proviand als

we kunnen, en twee tenten mee.

In 't begin gaat alles goed. Eerst loopen we over de steenen, waarmee

de gletscher is bedekt, en daarna op het ijs zelf; de dunne laag sneeuw

hindert niet. Maar die laag wordt gaandeweg dieper en minder hard, en

we moeten ons met touwen aan elkaar binden. De gletscher is doorsneden

door dwarsspleten, afgronden en draaikolken, en wij moeten de grootste

voorzichtigheid in acht nemen. Ondanks de meesterlijke behendigheid,

waarmede Zurbriggen de moeilijkheden weet te overwinnen, loopen wij

telkens gevaar, zoo de dichte sneeuwlaag bezwijken mocht onder het

gewicht van onze zwaarte, in een afgrond te storten; maar gelukkig

houdt het touw ons tegen. Op het hoogst gelegen gedeelte komen wij

aan een gevaarlijke plek. Al is de steilte der helling hier niet

te vergelijken bij de Mer de Glace, de scherpe ijsranden zijn zoo

dicht opeengedrongen, en zoo lang, dat ze gelijken op de bladen van

een half opengeslagen boek. Om zich daarover voort te bewegen, moet

men zoo behendig zijn als een koorddanser, en het ijs is zoo broos,

dat het bij den eersten slag van het houweel in stukken stuift. Wij

vinden het dus nog maar het beste, langs de sneeuwhelling links van

ons op te klimmen, waarop de lawinen van hooger gelegen gletschers

neerstorten. Hier hebben we althans vasten grond onder de voeten; maar

de zekerheid, dat we elk oogenblik onder een stortvloed van sneeuw en

ijs kunnen worden bedolven, jaagt ons voort, tot we eindelijk met een

paar sprongen een moraine bereiken, waar we besluiten, zoo goed en zoo

kwaad als het gaat, te kampeeren. We graven een opening in den grond,

om er den nacht in door te brengen; maar het gat loopt vol water,

dat tusschen de steenen doorsijpelt. Zurbriggen neemt de wijk in een

rotsspleet. De Kirghizen kunnen niet eten van vermoeidheid, en lijden

ondragelijke pijn; want daar zij geen brillen dragen, zijn hun oogen

hevig aangedaan door het schitteren van de sneeuw. Wij doen voor hen

wat in ons vermogen is, en raden hen aan, zich zoo warm mogelijk in

te stoppen onder hun tent.

't Is een treurige nacht. Onder ons de vochtige, scherpe steenen,

en boven ons, op het dak van onze tent een 20 cM. dikke laag sneeuw;

terwijl het 16 graden vriest; men kan zich voorstellen, dat onder zulke

omstandigheden van slapen weinig inkomt. Om vijf uur komt Zurbriggen

ons wekken,--bij wijze van spreken dan altoos,--en wij trekken onze

stijf bevroren kleeren en laarzen weer aan, na ons van 't hoofd tot

de voeten te hebben gewreven, om wat te ontdooien. Dan binden we ons

opnieuw aan elkander vast; Zurbriggen vooraan, ik achteraan, en de

prins in 't midden. Wij klimmen den pas op, die vlak tegenover ons

ligt, om te zien, of van deze zijde de top, dien wij voor den Khan

Tengri houden, misschien zal kunnen bestegen worden.

Ons bivouak ligt op een hoogte van 4040 M., en de bewuste top is

ruim 6000 M. hoog. Tusschen dien top, en de spits aan onze linkerhand

ligt een gletscher, waarin zich enkele spleten vertoonen. De eerste

zonnestralen vallen op den rotswand, die zich rechts van den gletscher

verheft, en die gekroond wordt door een vooruitspringenden ijsrand,

waarvan, als een franje, een rij scherpe ijskegels afhangt, welke,

als 't ware, schijnen te wachten op onzen doortocht, om ons te

treffen. Maar die haaientanden zijn al te begeerig, en waarschuwen

ons door hun geklapper, dat wij op onze hoede moeten zijn voor hun

vraatzucht. Nu komen wij aan het punt, waar de spleten beginnen, en

waar we, steeds links en rechts, voor- en achterwaarts wijkend, zeker

niet meer dan twee of drie meter vorderen in een kwartier. Eindelijk

komt er een oogenblik, waarop we boven op een massieve ijsnaald staan,

terwijl aan alle zijden rondom ons een afgrond gaapt.

Wel spant zich een soort hangende brug van sneeuw over een wijde

en diepe kloof; maar de gids, die met zijn houweel de sterkte heeft

beproefd, durft zich er niet op te wagen. Daar wij echter geen anderen

uitweg zien uit onze benarde positie, begroeten wij dat gevaarlijke

pad als een uitkomst in den nood. Terwijl de gids op handen en voeten

voortkruipt, houden wij het touw vast, dat stevig om het handvat van

het diep in de sneeuw gestoken houweel gerold is. Eén voor één kruipen

we zoo voort, angstvallig elken schok vermijdend, en zonder onze stem

te durven verheffen, want de geringste trilling der lucht zou een

lawine kunnen doen neerploffen. Maar van af dit punt wordt de gletscher

vlak en effen. Binnen weinige minuten bereiken we den voet van den pas,

door treden in de harde sneeuw te hakken. De Ak-Moïnok pas--zooals

wij hem noemen--is 4560 M. hoog en opent zich in het verst naar het

Oosten gelegen uiteind van den bergwand, die de dalen van Inghiltsjik

en Kaënde scheidt. Wij zijn de eersten, die hem hebben beklommen en

zullen ook wel de laatsten zijn. Deze laatste tocht is werkelijk de

gewichtigste van onze geheele onderneming geweest; want nu eerst zijn

wij in staat gesteld, de juiste ligging van den Khan Tengri te bepalen.

De top, dien wij op den Oustchiar-piek tegen den achtergrond van het

Kaënde-dal zagen oprijzen, was de Khan Tengri niet. Deze is meer naar

het Noorden gelegen, twintig wersten verwijderd van den Ak-Moïnok pas.

De Inghiltsjik-gletscher verdeelt zich hoogerop in twee groote takken,

gescheiden door een bergmassa, op welker top zich de pyramide van

den Khan Tengri verheft.

Deze top staat dus op zich zelf, en hangt volstrekt niet samen met

een der talrijke bergketens, die hem omgeven. Toch is het zeker, dat

door zijn granietvorming dit bergstelsel een homogeen geheel uitmaakt,

en dat de hoofdgroep, uit welks midden de Khan Tengri zich verheft,

eveneens de ketens omvat van den Saridjass-Tao, den Inghiltsjik-Tao,

den Kaënde-Tao en den Mouj-Art-Tao, om slechts de voornaamste ketens

te noemen, die door ons zijn bezocht.

Wij maakten gebruik van de bijzonder gunstige gelegenheid, welke

de Ak-Moïnok-pas ons bood, voor het doen van waarnemingen met de

instrumenten, die wij hadden medegenomen. Het afdalen ging vrij snel

in zijn werk, en een uur later kwamen wij weer aan ons bivouak. Thans

scheen het ons niet meer noodig, den Kaënde-top te beklimmen, dien

wij voor den Khan Tengri hadden aangezien. Als het weer niet zoo

wisselvallig was geweest en onze Kirghizen zich gemakkelijker van

het kamp naar ons bivouak en terug hadden kunnen begeven, zouden

wij zeker hier nog eenige dagen zijn gebleven. Wij hadden wel gaarne

willen weten, hoe de Khan Tengri er van de andere zijde uitzag.

Den volgenden morgen werden de paarden van den gletscher naar ons

kamp teruggebracht. Zij konden bijna niet meer loopen, en waren in

een deerniswaardigen toestand. Toen ik goed en wel te paard zat, kon

het arme dier geen stap voorwaarts doen; 't was alsof zijn pooten van

hout waren. Een der Kirghizen was zoo vriendelijk, mij het zijne af te

staan. Zoo kwamen wij, al hinkend en strompelend, terug op de plek,

waar wij onzen djighite hadden achtergelaten. Hij is op zijn post;

maar dat blijkt eigenlijk puur toeval te zijn. Wij weten trouwens

wel, dat hij niet al dien tijd op onze bagage heeft gepast. Hij heeft

gebruik gemaakt van onze afwezigheid, om de verlaten vrouwen in Kaënde

te gaan troosten. Zijn aanwezigheid is trouwens op zich zelf reeds

voldoende, om de veiligheid van onze bezittingen te verzekeren.

Twee dagen achtereen kunnen wij onze tenten niet verlaten; want het

regent onophoudelijk door, en het geeft niet, of wij ons al eens

willen vertreden. De grond is zoo doorweekt, dat wij er tot aan de

enkels inzakken, en bovendien bestookt ons de berg met een regen van

projectielen. De paarden zakken telkens door hun eigen zwaarte in

diepe kuilen, en blijven liefst maar dicht in de buurt.

Ten laatste wordt toch de lucht weer helder, en wij kunnen eindelijk

dit onherbergzaam oord vaarwel zeggen. Binnen weinige uren bereiken

wij het kamp der nomaden, die zich gedurende onze afwezigheid dieper

in het dal hebben begeven. De Kirghizen zijn bijzonder gedienstig, en

willen niets liever dan ons behulpzaam zijn. Ik begrijp niet, waarom

sommige reizigers zulk een ongunstig oordeel over hen vellen. Dat ze

onbeschaafd zijn, is hun schuld niet; maar onder die ruwe schors zijn

eigenschappen aanwezig, die men waarlijk wel mag op prijs stellen.

Wij wilden naar Prjevalsk terugkeeren langs een anderen weg dan wij

gekomen waren. Als wij ons wat haastten, konden wij ook het Irtach-dal

nog gaan bezoeken, en zoodoende onze topographische opnamen tot een

bevredigend einde brengen, daar wij dan het geheele stroomgebied van

den Djannart-Sou zouden hebben onderzocht.

Onze paarden waren eigenlijk allen onbruikbaar geworden, en daar wij

nog meerdere groote rivieren moesten oversteken, zouden de uitgeputte

dieren allicht niet in staat zijn, onze bagage behouden over te

brengen. Toen de chirtaï dit vernam, bood hij ons zeer welwillend

drie kameelen aan, om onze bagage te dragen en rijpaarden voor

alle personen, die deel uitmaakten van onze karavaan. Wanneer wij

aan den aoul van Irtach kwamen, zouden deze worden vervangen door

de paarden van den kaltchè, zijn aanstaanden schoonzoon, aan wien

hij onmiddellijk bericht zond van onze komst. Wij waren hem voor die

bijzonder welwillende behandeling zeer erkentelijk; beloofden de mannen

die ons vergezelden een ruime belooning te schenken, en verzekerden

hem, dat wij hem in de gunst van den gouverneur van Prjevalsk zouden

aanbevelen. Wij namen daarop afscheid van den aoul en zijn bewoners,

met wie wij hartelijke handdrukken wisselden, terwijl de vrouwen zich

verdrongen om ons goedendag te zeggen, ons hare zuigelingen toestekend,

en om 't hardst roepend: "Koch, Koch!" (vaarwel, vaarwel).

Het dal van Kaënde is wel de zonderlingste vallei, die men zich

kan voorstellen. Ongeveer zestig wersten lang, strekt het zich

uit in grillige bochten en kronkelingen, nu eens breed, dan weer

zich vernauwend, hier begrensd door steile rotswanden, dáár zacht

omhoogstijgend langs glooiende hellingen. In geologisch opzicht is het

gedeelte, dat volgt op den pas van Oustchiar, het merkwaardigst. Het

schijnt, dat in dien pas een plotselinge verzakking van het gebergte

heeft plaats gegrepen, en dat de opeengehoopte overblijfselen,

door die bergstorting ontstaan, van lieverlede zijn medegevoerd

naar het dal. Langs den oever van den stroom verheffen zich grillige

klippen, gegroefd en doorknaagd door de werking van het water, die

aan romeinsche bouwconstructies doen denken.

Ditmaal voert onze weg ons langs een begraafplaats der Kirghizen. De

grond is er zeer oneffen, vol kuilen, grafheuvels van klei,

en steenhoopen. De Kirghizen koesteren grooten eerbied voor de

nagedachtenis hunner dooden. Als zij langs een kerkhof komen, gaan zij

altoos de graven hunner verwanten bezoeken en er voor hen bidden. Als

het noodig is, brengen zij dan meteen herstellingen aan. De graven

zijn altoos goed onderhouden, en worden nooit verwaarloosd.

Als wij de uiterste grens van het dal hebben bereikt, zien wij ons

den weg versperd door den Saridjass-Sou, die met bruisend geweld zijn

wateren tusschen de steile oevers voortstuwt. Vóór ons ligt de ingang

van het Irtach-dal; maar wij weten niet hoe we het zullen bereiken,

want we kunnen dien onstuimigen stroom onmogelijk doorwaden. Er zit

niet anders op, dan weer terug te keeren, tot we een plek vinden,

waar we kunnen oversteken.

We volgen een pad langs den linker oever, en na veel moeite slagen

wij erin, den overkant te bereiken.

Het Keou-eou-leou-dal, dat wij thans eerst moeten doortrekken, vertoont

geen bijzondere eigenaardigheid, en de eentonigheid van onzen weg

wordt hier door niets verbroken. Aan het eind van deze vallei gaan de

Kirghizen, die ons van af den Oustchiar-pas hebben vergezeld, huns

weegs, om den weg te volgen, die over den pas van Karakol rechtuit

naar Prjevalsk gaat. Het beklimmen van den Keou-eou-leou-pas, die

4160 M. hoog is, gaat slechts langzaam; de kameelen hebben last van de

ijlere lucht, en moeten telkens blijven staan, om adem te scheppen. Als

we den volgenden dag naar het laag gelegen dal van Irtach afdalen,

wordt het ondragelijk warm. De grond is geel, de berghellingen rood,

en de lucht fel blauw. 't Is, alsof we door de ambas van Midden-Afrika

trekken. Nu en dan echter schemeren verre gletschers door de openingen

in het gebergte, aan weerszijden der vallei. Plotseling maakt deze

een kromming naar het Oosten en wordt thans aan de zuidzijde begrensd

door een zonderlingen muur van basaltrotsen, welker onafgebroken

gelijkvormigheid bijna iets onnatuurlijks heeft.

Nog altijd dalen wij, voorovergebukt op onze paarden gezeten,

met pijn in de oogen en geschroeide huid door de hitte en de felle

weerkaatsing van het zonlicht. Als we na een rit van 12 uren nog

geen nomaden ontmoeten, houden we stil, om te kampeeren, ondanks

het koppig verzet der Kirghizen, die volstrekt nog dien avond den

kaltchè willen opzoeken. Doch deze is reeds gewaarschuwd en komt

ons een bezoek brengen. Hij weet wie wij zijn, en wat we van hem

verlangen. Het vereischte aantal paarden en kameelen zal hij ons dan

ook verschaffen. Maar hij is wat teruggetrokken en op een afstand,

en schijnt zich niet te verheugen over onze komst, zooals onze vriend,

de chirtaï.

De prins en ik gaan den volgenden dag zijn bezoek beantwoorden. Hij

ontvangt ons in een weelderig ingerichte yourte, blijkbaar ter eere

van deze feestelijke gelegenheid rijk versierd. We gaan op een tapijt

van dierenvellen zitten, neergehurkt op de wijze der Kirghizen. Langs

de wanden hangen echte tapijten uit Kasjgar, en draperieën van

bontgekleurde stof.

De kaltchè stelt ons aan zijn vrouwen voor, die een buiging maken

en daarna in een halven kring bij elkaar kruipen, vlak tegenover

ons. Op den grond wordt een servet gelegd, waarop bedienden schotels

met dampende vleeschgerechten neerzetten, benevens melk, thee,

suiker en borsaks. Het is wel jammer, dat wij pas in ons kamp hebben

gegeten. Ondanks onze verontschuldigingen dringt ons de kaltchè een

stuk schapenrib op, dat hij ons met de vingers toesteekt.

Hij kiest de allervetste stukken uit, en wij kunnen ze, met den

besten wil, niet door de keel krijgen. De kaltchè bemerkt wel, dat

het ons moeite kost, en geeft bevel, andere spijzen voor ons gereed te

maken. Wij zien ongelukkig, hoe dat in zijn werk gaat, en het gezicht

alleen is al voldoende, om ons vooruit allen eetlust te benemen. Het

recept is als volgt: Men raspt vleesch in bouillon, kneedt het ferm met

beide handen, en strooit er vóór het opdienen wat zout en kruiden over.

Wij drinken echter, om hem genoegen te doen, gaarne een paar koppen

thee en melk. Vóór deze ons worden aangeboden, vischt een der

Kirghizen er met een strootje de verschillende ongerechtigheden uit,

die er in zwemmen, en als wij ze hebben leeggedronken, likken de

vrouwen smakelijk de koppen uit, en zorgen, dat er geen droppeltje

overblijft. Deze staaltjes geven een goed denkbeeld van de argelooze

ongedwongenheid, die er heerscht in de zeden en gebruiken der

Kirghizen.

Daarna doen we nog een uitstapje in de drie dalen, die te samen den

naam Outchkoul, de drie meren, dragen. Feitelijk treffen we slechts

één meer aan, in de eerste vallei, dat daarom den naam Bach-koul

draagt. Het is een bij uitstek geschikte plek voor een winterverblijf.

29 Aug. Om onze topographische werkzaamheden te besluiten, klimmen

Zurbriggen en ik op den top, die ten Zuiden van ons kamp gelegen

is. 't Is het hoogste punt van den Ichigart-Tao, die de dalen

van Irtach en Djannart scheidt. Wij vermijden de steenachtige

hellingen, en klimmen langs den noordelijken bergrug omhoog, waar

steile kalksteenrotsen het ons verbazend lastig maken. Wij dachten

dat de weg volstrekt niet moeilijk zou zijn, en hebben zelfs geen

touw meegenomen, zoodat we weer toeren verrichten, die geen acrobaat

ons verbeteren zou. En langs de andere helling hadden we den berg

desnoods te paard kunnen bestijgen! Hier loopen we levensgevaar,

spannen ons in tot het uiterste, en scheuren onze nagels bijna stuk,

terwijl we op ons doode gemak ons doel hadden bereikt, als we een

anderen weg hadden gekozen. Maar onze moeite wordt ruim beloond door

het prachtige uitzicht, dat wij genieten op den top van den Karahoum,

die 4150 M. hoog is.

Vooral het geheimzinnige Djannart-plateau wordt onderworpen aan een

nauwkeurig onderzoek.

Ik geloof niet, dat men ergens elders zulke zonderlinge, verrassende

en onverklaarbare tegenstellingen zal ontmoeten als in het Hemelsche

Gebergte. Dat is ons reeds meermalen opgevallen. De natuur schijnt

hier te hebben gehoorzaamd aan wetten, wier oorsprong buitengewoon

moeilijk is na te gaan. Hoe zijn die zonderlinge bergen ontstaan,

en welke ontzaglijke veranderingen moeten zij hebben ondergaan, om

zoo ten eenenmale af te wijken van de voorstellingen, die wij ons

vormen omtrent de gevolgen eener vulkanische uitbarsting?

Het aan anderen overlatend, deze raadselen op te lossen, zullen wij

ons vergenoegen met een beschrijving te geven van die wijde kom, die

het eigenlijke Djannart-dal vormt. Ongeveer 150 wersten lang en 100

breed, strekt het zich uit als een geweldige arena, in het midden bijna

vlak, en omgeven door trapsgewijs opstijgende, hooge bergmuren. In het

Zuiden verbergen de besneeuwde toppen van den Kok-Chaal-Tao de grens

tusschen het russische en chineesche grondgebied. In dien bergwand

onderscheiden wij het Djannart-dal, waarnaar de geheele kom genoemd is,

het dal van Kaïtche, en dat van Bichirtik, en eindelijk het Ichtik-dal,

dat zich aansluit bij het plateau van Karagan. Daarop volgt het dal

van Akchirak, dat begint bij den pas van dien naam, die tevens het

eene uiteinde vormt van de keten, waarop wij ons bevinden. Van dit

hooge punt zien wij met genoegen naar de ons reeds welbekende toppen,

dien van Oustchiar, den Kaënde Tao, den Khan Tengri, den Kizil-Tao,

en de groepen van Terekty en Keou-eou-leou, waaruit een met sneeuw

bedekte spits oprijst, die ons aan den Cervin herinnert.

In het Westen rijzen de koepelvormige sneeuwgevaarten op, die den

gletscher van Pretovsk bekronen, waarop men vermoedt dat de Syr-Daria

ontspringt.

Als wij ons kamp opbreken, heeft er juist een Kirghizenbegrafenis

plaats. Eenige dagen geleden hebben herders een lijk in de rivier

gevonden. De kaltchè, die het niet herkende, heeft het bericht laten

verspreiden, en het is doorgedrongen tot Prjevalsk, waar de ouders

van den overledene wonen. Intusschen heeft men het lijk, met touwen

gebonden, en met steenen bezwaard, in het water gelegd. Dat stelsel

van bevriezen is bij de nomaden in zwang.

Als de ouders van den doode zijn aangekomen, wordt het lijk op een

ruwe baar naar de plek vervoerd, waar het zal begraven worden. De

plechtigheid is niet indrukwekkend. De kaltchè vraagt aan de ouders,

of zij in den doode hun zoon herkend hebben, en als zij die vraag

bevestigend hebben beantwoord, laat hij de aanwezigen met luider

stem herhalen, dat...., zoon van...., door een ongeluk om het leven

is gekomen. Daarop wordt het lijk in een vilten omhulsel gewikkeld,

met touwen vastgebonden, en in den kuil neergelaten. De aanwezigen

gaan in optocht rond het graf, en werpen er bij elken stap een

handvol aarde in, tot de kuil gevuld is. Daarna wordt er een hoop

steenen op gestapeld. Het is een weinig tijdroovende, eenvoudige,

en niet kostbare begrafenisplechtigheid.

Toen wij des avonds in het hooger gelegen gedeelte van het Irtach-dal

kampeerden, vernamen wij, waarom het dezen naam draagt. In het dal

bevindt zich een steen, die op een paardenzadel gelijkt. Op een

afstand van honderd mijlen in den omtrek is die steen bekend, en al

de nomaden, die er voorbijtrekken, gaan erheen, om er dierenschedels

neer te leggen. De steen staat op een groot rotsblok, waaromheen de

horens van allerlei dieren liggen opgehoopt.

De Reis van Prins Scipio Borghese naar de Hemelsche Bergen De Aarde en haar Volken, 1907 · 第 4 / 6 题