VI.

De Kirghizen.--Oorsprong van het ras.--Kozakken en

Kirghizen.--Verdeeling der Bourouts.--Kleederdracht.--De

yourte.--Zeden en gebruiken.--Huwelijk.--Besluit.

De wetenschap heeft haar laatste woord nog niet gesproken omtrent

de samengestelde stammen, die slechts een karig levensonderhoud

vinden in die gedeelten van Midden-Azië, welke wij thans hadden

bezocht. Meerdere reizigers meenen die lastige vraag bevredigend te

hebben opgelost. Waar het onderzoek van den geleerde zich grondt

op de geschiedenis, en zekere bewijzen bestaan voor den samenhang

van bepaalde gebeurtenissen, kan men licht een stelsel opbouwen,

een redeneering volgen, die niet al te veel van de waarheid afwijkt.

Maar niet alle volken hebben achter zich, wat men een geschiedenis

noemt; niet allen bezitten bewijzen van hun ouderdom of gedenkteekenen,

die ons hun verleden weder voor den geest roepen. Door bergen of

woestijnen afgesloten, zonder ooit den invloed der beschaving te

hebben ondergaan of deze met opzet ontwijkend, uit vrees hun vrijheid

te verliezen, zijn zulke volken gebleven in den primitieven staat,

waarin zij zich bevonden van den beginne. Met de dieren en als de

dieren levend, hebben zij nooit behoefte gevoeld, in dien toestand

verandering te brengen. Tot die volken behooren ook de Kirghizen. Zij

zijn nagenoeg dezelfden als voor 2000 jaar. En in al die eeuwen hebben

zij niets verricht, dat den geleerde opheldering zou kunnen verschaffen

omtrent hunne afstamming of de wisselvalligheden van hun bestaan. Nog

steeds verdiept men zich in gissingen omtrent den oorsprong van hun

naam. In het Turksch schijnt het woord: "landbewoners" te beteekenen;

terwijl het in de taal der nomaden vertaald kan worden door: "veertig

meisjes" (Karr-Keuz). Wij zouden eer vermoeden, dat in de chineesche

taal de juiste oplossing van dit raadsel is te vinden. Sedert de

10de eeuw van onze jaartelling wordt in chineesche boeken gesproken

van een volk, dat den Tiensjan-Nan-Sou bewoont, het zuidelijk deel

van het Hemelsche gebergte. Later, tegen het eind der 13e eeuw,

spreekt de beroemde zendeling Hiouen Tsang, de eerste man, die

het aziatische vasteland bereisde, van de Ki-zi-li-tsé, die hij op

zijn tochten had leeren kennen. Hij zegt, dat hij Kirghizen ontmoet

heeft in het dal van Dzoungarie. Deze streek zou, volgens hem, hun

aangenomen vaderland zijn geweest; oorspronkelijk bewoonden zij het

oostelijk deel van het Altaï-gebergte. Onophoudelijk bedreigd door

de Mongolen in het Zuiden en de Tartaren in het Noorden, waren zij

gedwongen eerst naar het Tabargataï-gebergte te verhuizen en daarna,

eenige eeuwen later, naar de Hemelsche bergen. De naam Ki-zi-li-tsé

zou later veranderd zijn in Kirr-ki-tsé, toen het volk van dien naam

zich tot het Mohammedaansche geloof had bekeerd.

De heer Ujfalvy de Mezö-Kovesd heeft bij zijn onderzoekingen in

Turkestan rassenverwantschap meenen te ontdekken tusschen de bewoners

der steppen en die van het gebergte. Volgens hem, en andere reizigers,

zou er geen onderscheid bestaan tusschen de Kara-Kirghizen en de

Kirghizen-Kazakken, de nomaden uit de vlakte.

Al leiden deze volken echter hetzelfde leven, en al kleeden zij zich

nagenoeg op dezelfde wijze, hun taal is niettemin zeer verschillend. En

bovendien koesteren zij jegens elkander zulk een hevigen haat, dat

het bijna niet mogelijk is aan stamverwantschap tusschen die beide

volken te gelooven.

Uit anthropologisch oogpunt beschouwd, vertoonen de beide typen ook

opvallende punten van verschil. Hun lichaamsbouw, de vorm van hun

hoofd, hun gelaatstint, de soort en kleur van hun haar, dat alles

is geheel verschillend. Het is dus wel wat voorbarig, te beweren,

dat de Kazakken niet anders dan Kirghizen zijn. Om dit te kunnen

vaststellen, moest men overtuigende bewijsgronden kunnen aanvoeren,

verzameld na een langdurig verblijf in die streek.

Ons zijn alleen bekend de Kirghizen, of Bourouts, een volk, dat

uitsluitend in de dalen van den Tiensjan woont; van Pamir tot

Dzoungarie; van het meer Issik-koul tot Ak-sou. Het is onmogelijk,

hun aantal ook maar bij benadering vast te stellen. Men hoort het

getal 400 zoowel als 500 000 noemen; maar er zullen er nog wel tweemaal

zooveel zijn in de werkelijkheid. Als men aan een der hoofden vraagt,

hoeveel lieden in zijn aoul wonen, kan hij het niet zeggen; wel weet

hij precies, hoeveel schapen en paarden zijn volkje bezit. Men kan

de Kirghizen ook moeilijk rangschikken in verschillende groepen. Hun

land is niet eens geheel en al bekend, en er zijn dus stellig stammen,

die nooit met vreemdelingen in aanraking zijn geweest.

De berichten der nomaden zelf dienaangaande zijn volstrekt niet

te vertrouwen. Tot nu toe verdeelt men de Kirghizen in twee groote

groepen, de linker- en de rechtergroep. De eerste, _sol_ genaamd,

omvat het bekken van den Naryn, den hoogen Oxus en de Kok-Chaal-daria.

Die groep wordt onderscheiden in 4 stammen: Koutchi, Sorou, Moundouz

en Kitaïs. De laatste benaming dragen zij, die chineesch grondgebied

bewonen.

De rechter groep, _on_ genaamd, houdt zich op in het bekken van het

meer Issik-koul, en de dalen rondom de Khan-Tengri-groep. Zij wordt

verdeeld in zeven stammen: Bogon, Sary-Baghichtch, Son-Baghichtch,

Soulton, Echerik, Sagaz en Bassindz.

Het russische gouvernement volgt een andere indeeling, op het voorbeeld

der aoulbewoners, die hun buren in de andere valleien eenvoudig

noemen naar de plaatsen, waar ze gewoonlijk kampeeren. Zoo noemen

zij de lieden, die in de omstreken huizen van het Tourghent-dal,

Tourghensky, en blijven ook verder aan dien regel getrouw.

Het spreekt van zelf, dat de russische regeering het aantal harer

onderdanen in deze streken volstrekt niet kent. De meesten ontsnappen

dan ook aan de, overigens niet hooge, belasting van anderhalven

roebel per yourte of familie. Die schatting is de eenige band, welke

hen aan Rusland bindt; want ze zijn volstrekt niet veranderd sedert

de verovering van Turkestan, en nog even vrij en onafhankelijk als

voorheen.

De Kirghizen zijn in den regel goed gebouwd en zeer sterk. Ze hebben

een dikken neus, een stompen gelaatshoek, uitstekende jukbeenderen,

en zwarte, kleine, schuinstaande oogen, evenals de Chineezen. De

baardgroei is zeer gering. Hun haar is sluik en zwart; blonde personen

ziet men zeer zelden. Dikwijls treft men onder hen zuiver mongoolsche

typen aan. De mannen zijn goed geproportionneerd en niet terugstootend.

Het voorkomen der vrouwen heeft weinig aantrekkelijks. De jonge meisjes

hebben vrij geregelde gelaatstrekken; maar, al zijn ze niet mager,

hare vormen zijn hoekig en schraal. Ze hebben echter mooie zwarte

oogen en prachtige tanden. Haar costuum draagt er echter niet toe bij,

hare bekoorlijkheid te verhoogen.

De kleederdracht der Kirghizen is uiterst eenvoudig. Over een

bont katoenen hemd, met bespottelijk lange mouwen, en een wijde,

lange linnen broek, met een gordel om het middel vastgemaakt,

dragen zoowel vrouwen als mannen een soort overkleed van cretonne,

met wol of watten gevoerd, dat op de borst met houten knoopen wordt

gesloten, en om het middel wordt vastgehouden door eene lange sjerp,

die van voren geknoopt wordt. De mouwen van dit kleedingstuk reiken

niet eens tot aan den elleboog; maar die van het hemd vallen over de

hand, en worden telkens door een snelle beweging van den pols weer

opgeschoven. Dat gebaar maken de Kirghizen nu al eeuwen lang.

Deze primitieve kleedij wordt binnenshuis gedragen, en ook des

zomers, als zij buiten zijn. Hooge, tot de knie reikende laarzen,

met hielen van minstens 10 cM. hoog, en een smerig kapje op hun

kaalgeschoren kruin voltooien hun costuum. In den winter en op hun

reizen trachten de Kirghizen zich tegen de koude te beschermen door

hun wijden tschiapann, een grooten, gevoerden overjas, waarin ze

geheel verdwijnen. Soms dragen ze, bij strenge koude, twee, drie of

meer van die omhulsels over elkaar. Daarbij bedekken ze dan hun hoofd

met een ronden, wit vilten hoed met een zwarten rand, van voren neer,

van achteren opgeslagen. Dat hoofddeksel is van chineeschen oorsprong,

en daar niet ieder zich zulk een hoed kan verschaffen, dragen zij in

de plaats daarvan ook wel een muts van ruw vilt, met lamsvel gevoerd.

Dat staat niet leelijk, en past goed bij hun overig costuum. Zulke

mutsen kunnen in de bergen over de ooren getrokken worden, en als

het regent, wordt de lamsvacht naar buiten gekeerd. De vrouwen gaan

precies zoo gekleed als de mannen; alleen in kleinigheden is eenig

verschil op te merken. Hare laarzen zijn sierlijker, met zijde geboord,

of met randjes van gekleurd leer versierd, en de hielen en teenen

zijn met koper beslagen. Haar broeken zijn wijder en langer, en hare

tschiapanns zijn vervaardigd van fijnere en bontgekleurde stoffen;

soms wel van zijde uit Bokhara of Kasjgar.

Het merkwaardigste onderdeel van de kleederdracht der Kirghizenvrouwen

is de witte kap, dien zij op het hoofd dragen, en die haar op nonnen

doet gelijken. 't Is een cylindervormig gewonden band van gesteven

linnen, wel 30 cM. breed, die om het hoofd sluit, en waarvan de

einden los op den rug hangen. Het haar wordt glad achterover gekamd,

en zorgvuldig onder die soort van doos verborgen, die tevens als

bergplaats dient van kleine voorwerpen voor dagelijksch gebruik. Een

bijzonder praktische inrichting, zooals men ziet.

Van achteren wordt het haar in twee of meer vlechten gevlochten,

waarvan er eenige op den rug neerhangen, en met een kettinkje of gesp

zijn vastgemaakt. Daaraan bengelt weer een bos sleutels, of koperen

plaatjes, die tot op de hielen hangen, zoodat ze bij elke beweging

een rinkelend geluid maken. Dien tulband of eletchik dragen alleen

de getrouwde vrouwen.

De jonge meisjes zijn meer behaagziek. Zij tooien zich met mutsen van

vossenvel, waarop een bosje arendsveeren prijkt. Het haar vlechten

ze in een menigte dunne vlechtjes, die langs de slapen en op den

rug neerhangen, waar ze worden bijeengehouden door een lap stof, met

glazen kralen versierd. Als jonge meisjes een man willen veroveren,

flonkeren ze van blinkende sieraden en trachten zich zoo rijk mogelijk

uit te dossen. Maar later moeten zij dikwijls zwaar voor hare ijdelheid

boeten, want ze worden de slavinnen van mannen, die haar geheel in

hun macht hebben en gewoonlijk ruw behandelen.

De yourte der Kirghizen is niet zoo ruim als die der Kozakken, of

als de kibitka der Turkomanen. Zij is bescheidener van afmeting en

minder weelderig ingericht. De Kirghizen moeten dikwijls verhuizen,

wegens gebrek aan weidegrond. Bovendien noodzaken hen de strenge en

langdurige winters, de afmetingen van hun woonvertrekken tot een

minimum te beperken, om ten minste nog zooveel mogelijk warmte te

genieten bij het weinigje brandstof, waarover zij kunnen beschikken. De

tenten der Kirghizen bestaan uit een geraamte van buigzaam hout, dat

met paaltjes in den grond wordt gestoken en met riemen van dierenhuid

doorvlochten is. Dat geraamte is ongeveer twee of drie meter hoog,

en evenzoo breed. De zoldering wordt gesteund door houten latten, die

schuin oploopen naar een opening in het midden, welke als schoorsteen,

en tevens als venster dient. Over dit onderstel worden zware lappen

vilt geslagen, die met touwen worden omwonden en bevestigd.

Zulk een tent wordt binnen eenige minuten opgeslagen, of weer

afgebroken, en kan door twee kameelen worden vervoerd. De inrichting

is, zelfs bij rijkere lieden, zeer eenvoudig. De stapels vilt, die

als matrassen dienst doen, de houten kisten, zakken, paardetuig en

dergelijke benoodigdheden liggen over den grond verspreid, of worden

langs de zijden van de tent opgehangen. Midden in de yourte, op drie

rechtopstaande steenen, of op een ijzeren voetstuk geplaatst, staat

een groote ijzeren pot, de kazan, het eenige gerei, waarvan zich de

nomaden bedienen om hun potje te koken. Overigens zijn de werktuigen,

die zij gebruiken bij het verrichten van hun dagelijksche bezigheden,

noch talrijk, noch gecompliceerd. Behalve den kazan, hebben zij meestal

een soort kan van geciseleerd koper, en twee of drie houten nappen; hun

vingers moeten vorken en lepels vervangen. Voor het melken gebruiken

ze emmers van dierenvel, en in leêren zakken wordt de melk bewaard.

Lucifers zijn bij de Kirghizen niet bekend, ieder draagt een leeren

zakje bij zich, met een vuursteen, een stuk ijzer, en een brok

zwam. Van dat zakje en een klein stevig dolkmes, aan hun gordel

bevestigd, zijn ze onafscheidelijk. Het mes wordt voor de meest

verschillende doeleinden gebruikt; om dieren te dooden, vellen af

te schrapen, hun hoofd te scheren, hout te snijden, enz. 't Is het

eenige scherpe werktuig, dat bij de nomaden in gebruik is.

Al het werk komt neer op de vrouwen. Die hebben den geheelen dag volop

te doen. Als 's morgens het vee naar de weide is, maken zij koumiss

van de melk van den vorigen dag, looien dierenhuiden, kloppen vilt,

vlechten tres, maken kleeren, en als ze er tijd voor kunnen vinden,

borduren ze ook nog met wol. 's Avonds halen ze, geholpen door de

grootste kinderen, het vee weer binnen, en binden de dieren aan lange

touwen vast. Ondanks dien zwaren arbeid, die haar geen oogenblik

verpoozing gunt, schijnen de vrouwen der Kirghizen niet ontevreden

met haar lot. Ze zijn zeer vroolijk en altijd tot babbelen en lachen

geneigd.

De mannen brengen den dag door met op hun vrouwen te passen, en

elkaar over en weer verhalen te doen, of te beraadslagen omtrent

plannen, die ze in den zin hebben. Het gesprek loopt hoofdzakelijk

over paarden. De taal der Kirghizen, overigens vrij arm, is uiterst

rijk aan uitdrukkingen, die op paarden betrekking hebben; en elk

jaar krijgen de dieren weer een anderen naam. Het paard is voor den

Kirghies niet, zooals voor den Arabier, een voorwerp van vereering;

zij hebben het niet weten te veredelen of verfijnen; maar het is hun

onafscheidelijke metgezel, en zij zouden niet kunnen leven zonder dien

trouwen kameraad. In de oudheid stelde men zich voor, dat de Tartaren

verblijf hielden in deze onbekende streken, en de verbeelding dacht

zich die half wilde wezens als centauren, half mensch, half paard. Aan

die voorstelling beantwoordt nog steeds de Kirghies van thans.

Als men hen te paard ziet zitten, schijnen ze als aan den zadel

vastgegroeid, en hoewel dit van hout en zeer ongemakkelijk is, leggen

zij zonder de minste vermoeienis lange dagreizen af, langs meestal

gevaarlijke wegen. Van loopen houden ze echter volstrekt niet; ze

worden spoedig moede, en zullen zonder noodzaak geen honderd schreden

te voet gaan. Voor 't geval, dat ze zich van hun yourte naar een

andere willen begeven, staat altijd een paard aan den ingang der tent

gereed. Ze zijn ontzettend lui, en kunnen slapen als marmotten. Men

ziet ze nooit langer dan een paar minuten achtereen rechtop staan,

en het is ondenkbaar, dat twee Kirghizen in staande houding een

gesprek zouden voeren. Als ze elkaar iets te zeggen hebben, gaan

ze op de hurken zitten, vatten elkaar bij beide handen, en in die

positie bespreken zij alles, wat zij te verhandelen hebben. In die

ongemakkelijke houding blijven ze soms een halven dag achtereen zitten.

Nog een andere reden waarom de Kirghizen hun paarden in eere houden,

is deze, dat zij uit de melk der paarden den koumiss bereiden. Alle

Oosterlingen zijn dol op dien heerlijken drank; maar niemand is er

blijkbaar zoo op verlekkerd als de Kirghizen. Zij leven van koumiss

en voor koumiss alleen. Wilde men hen van dien drank berooven, dan zou

men hen evengoed het genot van frissche lucht kunnen ontzeggen. Als ze

zich niet letterlijk eraan hebben te buiten gegaan, zijn ze niet te

houden; ze zouden uw karavaan in den steek laten, en de afgelegenste

hoeken van het gebergte doorzoeken, om een aoul te vinden waar ze hun

verlangen kunnen bevredigen. De zak met koumiss staat altijd voor den

voorbijtrekkenden reiziger gereed en wordt hem nimmer geweigerd. De

Kirghizen vinden het dan ook volstrekt niet noodig, op hun tochten

voedsel mede te nemen; zij weten zeer goed, dat ze erop kunnen

rekenen, in de aouls, op hun weg verspreid, voldoende onderhoud te

vinden. Behalve koumiss, dien zij den geheelen dag door drinken,

gebruiken de Kirghizen slechts één maaltijd per dag. Bij troepen

van tien, vijftien, tot twintig personen vereenigen zij zich in de

yourte om den kazan, waarin een geheel schaap gekookt wordt. Ieder

haalt zijn pitchiak uit de scheede, grijpt een been, en gaat smakelijk

aan 't kluiven, terwijl men af en toe het vleeschnat toespreekt. Tot

besluit volgt natuurlijk weer koumiss, die eerst, om hem goed te laten

schuimen, duchtig wordt geschud. Als ze dan volop gegeten hebben, geven

ze met welbehagen toe aan de onvermijdelijke slaapzucht, die het gevolg

is van zulk een overvloedig maal. Thee en brood gebruiken alleen rijke

lieden. Het laatste wordt in den aoul zelf toebereid uit gerstemeel,

waarvan koeken worden gekneed, die zij bakken in schapenvet.

De brandstof der Kirghizen bestaat bijna uitsluitend uit twijgen en

wortels van den téo-goïrouk (kameelenstaart), die zoo genoemd wordt,

omdat de takken ervan veel op dat aanhangsel gelijken. Het is een

soort rhododendron, die in den grond geworteld, en met doornachtige

takken, ongeveer een halven meter hoog is. Deze plant groeit tot op

een hoogte van 3000 M.; altijd op de noordelijke berghellingen.

Aan de aanwezigheid van die struiken hebben de nomaden het te danken,

als zij zich kunnen ophouden in de hooggelegen dalen van den Tiensjan,

welke, dicht bij de gletschers gelegen, lang groen blijven, ondanks

de zomerhitte.

Wanneer echter op honderd mijlen in den omtrek geen brandhout te vinden

is, gebruiken de Kirghizen dierenmest als brandstof. Zulk een vuurtje

is niet bevorderlijk voor de frischheid der atmosfeer in de benauwde

yourte; maar overgevoelige reukzenuwen hebben de Kirghizen niet.

Als zij niets beters te doen hebben, gaan zij somtijds op de

jacht. Ze richten arenden af voor de vangst van vossen en pelsdieren,

en dooden grootere dieren, zooals wolven, beren en ovispoli met

een flintgeweer, waaraan, op ongeveer een derde van den loop, een

beweegbaar steunsel is bevestigd voor het aanleggen. De Kirghies

is echter geen geweldig Nimrod, en de tallooze dieren, die zich in

de dalen van het Hemelsche gebergte ophouden, hebben van zijn zijde

geen groot gevaar te duchten. Hij jaagt alleen om in zijn onderhoud

te voorzien, en drijft geen handel in pelterijen.

Men heeft dikwijls willen beweren, dat de Kirghizen woest en

onhandelbaar zijn. Wij vonden hen integendeel zeer zachtaardig en

onderworpen. Ook daarin verschillen zij van de Kozakken, want deze

zijn diefachtig en niet te vertrouwen. De Kirghizen zijn volstrekt

niet strijdlustig, zooals de Turkomanen en Afghanen; hun aard is zelfs

bijzonder vreesachtig. Dreigt hun geen gevaar, dan zullen zij nooit

geweld plegen. Diefstal komt bij hen zeer veel voor. Daarom moeten

ze bijzondere zorg dragen voor hun kudden, die 's nachts bij den aoul

worden verzameld en door honden bewaakt. De Kirghizen zijn werkelijk

buitengewoon goedaardig en naïef. Die eenvoud is zeker wel het gevolg

van het leven, dat zij leiden en de afzondering, waarin zij hun dagen

slijten. Fatalisten zijn ze allen en in alle omstandigheden. Alles

is hun een goed of slecht voorteeken, het vallen van een draad op een

witten steen, de kleurspelingen in een vlam, de vormen der wolken, een

ontmoeting van bepaalde dieren; of het gezicht van een zekere bloem,

alles heeft voor hen beteekenis, en van die toevallige kleinigheden

laten zij dikwijls gewichtige besluiten afhangen.

Ze nemen allerlei middelen te baat, om de booze geesten te

bezweren. Men kan zich geen denkbeeld vormen van hun kinderachtige

bijgeloovigheid. Een grillig gevormde rots, een struik in een kloof

geworteld, een vallende meteoorsteen, of een warme bron, 't zijn

voor hen louter wonderbare verschijnselen, die zij niet anders dan

met uitgespreide armen en vele kniebuigingen durven naderen.

Ze noemen zich Sunitische Mohammedanen; maar zij zijn dit in

werkelijkheid niet. Zij verrichten noch de wasschingen, noch de

gebeden, die door den Koran worden voorgeschreven, zij hebben geen

moskeeën, noch mollahs, en ondernemen nooit bedevaarten naar het graf

van den Profeet. Wel hebben ze eenige gebruiken bewaard, die aan den

mohammedaanschen godsdienst zijn ontleend; maar dat is slechts een

uiterlijke vertooning, die zij ten behoeve van vreemdelingen ten beste

geven. Feitelijk hebben zij geen bepaalden godsdienst, behalve enkele

herinneringen aan de vele verschillende secten, waarvan het Noorden

van Azië eertijds wemelde. Een voorschrift van den Koran volgen zij

echter letterlijk op, n.l. dat omtrent de veelwijverij. Als het hem

maar eenigszins mogelijk is, huwt de Kirghies twee, drie of meer

vrouwen. Het aantal zijner echtgenooten staat in verband met het

getal kudden, dat hij bezit; want dat is het ruilmiddel waarmede hij

zijn vrouwen koopt. Vergezeld van eenige vrienden en verwanten, trekt

hij bergop, bergaf, doorzoekt alle aouls, en geeft zich veel moeite

om, desnoods door list, de meisjes, die bijna altijd in de hutten

blijven, te zien te krijgen. Als hij een keuze heeft gedaan, worden

met de ouders onderhandelingen aangeknoopt over de huwelijksgift. Na

maandenlang loven en bieden wordt men het eindelijk eens, en van nu

af telt het jonge meisje, om zoo te zeggen, niet meer mede.

Als de koop gesloten is, mag zij gedurende een geheel jaar met geen

andere mannen meer spreken dan haar familieleden en moet altijd in

de yourte blijven, waar de andere vrouwen urenlang met haar komen

babbelen, en haar helpen om haar uitzet gereed te maken.

Het huwelijk wordt voltrokken door het hoofd van den stam. De

plechtigheid bestaat voornamelijk in een wisseling van begroetingen

tusschen het jonge paar en hun verwanten, waarna alle aanwezigen

zich vereenigen tot een reuzenmaaltijd, waarbij de koumiss vloeit in

stroomen en ieder zich te goed doet aan borsaks en schapenbout. Daarop

biedt de jonge echtgenoot zijn schoonvader de beloofde kudden aan. Deze

stelt een nauwkeurig onderzoek in naar den toestand der dieren, en telt

ze, om zeker te zijn dat hij niet bedrogen wordt. In ruil daarvoor

schenkt hij zijn schoonzoon, als bruidschat zijner dochter, eenige

kameelen en paarden, die zoolang zij leeft haar eigendom blijven. De

man behoudt en gebruikt ze, zoolang zijn vrouw onder zijn dak vertoeft;

maar als hij haar verstoot, moet hij ze teruggeven, tenzij zij een

misstap begaan heeft. De Kirghizen nemen niet meerdere vrouwen tegelijk

ten huwelijk, zooals de Mohammedanen doen. Zij huwen slechts ééne;

maar als deze hun na eenigen tijd niet meer behaagt, nemen zij een

jongere vrouw, en zoo gaan zij voort, zoolang hun middelen hun dit

veroorloven. De laatste is natuurlijk altijd de gunstelinge van haar

echtgenoot; de anderen tellen niet meer mede. De jonggetrouwde zit

op haar gemak in de yourte, verwend en vertroeteld door haar man,

en de andere vrouwen werken buitenshuis en slapen afzonderlijk.

Eer zij met de Russen in aanraking kwamen, kenden de Kirghizen het

gebruik van het geld niet; zij ruilden hun koopwaren in voor vee. Ook

thans nog hebben zij van tijdverdeeling geen begrip; zij weten niet

hoe oud zij zijn, en zijn evenmin op de hoogte van het begin der

mohammedaansche tijdrekening. Het jaar wordt ingedeeld naar de manen,

en de maand naar het wassen en afnemen daarvan. Om een bepaalden

tijdsduur aan te geven, spreken zij van een dag, een halven of een

kwart dag, en zoo berekenen zij ook afstanden. Voor kleinere maten

gebruiken zij hun arm, hand of voet.

Hoogst zelden treft men onder de nomaden van den Tiensjan lieden

aan, die kunnen lezen en schrijven. De meesten zijn zeer tevreden in

hun staat van volslagen onwetendheid, en vertoonen niet de minste

neiging om zich te ontworstelen aan den toestand van barbaarsche

duisternis, waarin hun geest sedert eeuwen is gehuld. Dit gemis van

de eerste beginselen der beschaving heeft hen ook altijd verhinderd,

zich tot een geheel volk te vereenigen. Elke stam blijft binnen zijn

eigen domein, en vermijdt de nabijheid zijner buren. Zij kampeeren

op vaste plaatsen, en elke yourte wordt neergezet op dezelfde plek,

waar zij het vorige jaar werd opgeslagen. Slaven der gewoonte zijn de

Kirghizen, naar lichaam en ziel. Hun aanhankelijkheidsgevoel is weinig

ontwikkeld. Gehechtheid aan personen of zaken kennen zij niet. Voor hun

vrouwen koesteren zij geen andere gevoelens, dan die van het dier voor

zijn wijfje, en de genegenheid voor hun kroost gaat ook niet zeer diep.

Als zij aan hun bergen gehecht zijn, vloeit dit voort uit gewoonte;

en zij zouden dan ook nergens elders het ongebonden, zwervend leven

kunnen leiden, waaraan zij behoefte hebben.

Hun kunstzin is nagenoeg niet ontwikkeld, doch zingen doen zij gaarne,

zoowel de mannen als de vrouwen. Soms begeleiden zij dat gezang op

een soort van gitaar, uit een massief stuk hout vervaardigd, waarover

snaren van darmen zijn gespannen.

Een ander muziek-instrument is een fluit, uit een uitgeholden boomtak

gesneden, die rauwe en on welluidende klanken voortbrengt. Het

is een volk, dat den trap der eerste kindsheid nog niet heeft

overschreden. Maar zoolang zij binnen hun bergen blijven opgesloten,

door hooge graniet wanden gescheiden van de bewoonde wereld, zullen

de Kirghizen ongetwijfeld blijven zooals zij zijn.

Wat de uitkomsten onzer reis naar het Hemelsche gebergte betreft, die

uitsluitend met een wetenschappelijk doel werd ondernomen, kunnen wij

tevreden zijn. Al ontdekten wij niet anders dan gletschers en stroomen,

al zagen wij geen historische bouwvallen, en al liepen wij er geen

gevaar, door kannibalen te worden verslonden, voor wie de bekoring

ondergaat dezer woeste en maagdelijke natuur, zullen deze sombere,

verlaten berggevaarten, deze wijde, schijnbaar onvruchtbare dalen

niet langer verlaten en somber schijnen, daar zij hem spreken van

het onbekende, zijn weetgierigheid prikkelen, en hem opwekken tot

het naspeuren van de vele raadselen, welker oplossing hem nog wacht.

In dien zin opgevat, mogen wij op onzen eentonigen en vermoeienden

tocht met voldoening terugzien, daar ons onderzoek ons in staat

gesteld heeft een nauwkeurig beeld te ontwerpen van een tot nog toe

geheel onbekend gebleven gedeelte onzer aardoppervlakte. En dit

eindresultaat, dat der geographische wetenschap ten goede komt,

vergoedt ons ruimschoots de vermoeienissen en gevaren van onzen

bezwaarlijken tocht.

De Reis van Prins Scipio Borghese naar de Hemelsche Bergen De Aarde en haar Volken, 1907 · 第 6 / 6 题