III.

In den pas van Tuz.--Ontmoeting met antilopen.--Het dal van

Inghiltsjik.--De tchiou-mouz.--Nog een Kirghizenhoofdman.--De

bergengte van Attiaïlo.--De aoul van Oustchiar.--De rotsen

versperren ons den uitgang.

De pas van Tuz is een der meest gewichtige punten van onzen tocht door

het Hemelsche gebergte; maar het dal, dat aan dien pas voorafgaat,

konden wij uit de vallei van den Saridjass-sou niet dadelijk bereiken,

het bleef verborgen achter een moraine die, als een soort van dijk,

de beide rivieren scheidt, welke een tijdlang bijna evenwijdig aan

elkaar loopen, eer ze zich vereenigen.

Toen we den 22sten ons kamp opbraken, werden we geplaagd door zwermen

muskieten, die het ons bijzonder lastig maakten. Al sloegen wij

nog zoo driftig met onze karwatsen om ons heen, om ze van ons af te

houden, zij weten onze gevoelige plekjes wel te vinden, en steken

alleronaangenaamst.

Tegen tien uur zien we een groep van drie arkars, een antilopensoort,

die op gemzen gelijkt, rustig aan 't grazen tegen een begroeide

helling. Zij schijnen volstrekt niet verbaasd over onze verschijning,

en in plaats van bij onze nadering op de vlucht te gaan, blijven

zij kalm voortgrazen, en lichten af en toe den kop op, om ons aan te

kijken. Ze zijn zoo groot als kleine gemzen, met kort, geelbruin haar,

dat bijna niet afsteekt bij de kleur van den bodem, en kleine rechte

horens, een weinig schuin naar buiten staande. 't Is de antilope

argalis, die veel voorkomt in het gebergte van Tiensjan.

Het dal van Tuz splitst zich in drie afdeelingen, waarvan wij diegene

kiezen, die het meest naar rechts is gelegen; de beide overige zijn

onbegaanbaar. Langs iets, dat in de verte op een pad gelijkt, komen

wij al spoedig aan de eerste hellingen van losse steenbrokken, aan

den voet van een geweldigen bergmuur vol diepe rotskloven. Wel zien

we van hier een soort van weg, die langs den steilen bergwand omhoog

slingert en die, waar de voorbijtrekkende karavanen de steenen hebben

verplaatst en verschoven, witachtig afsteekt bij den roestkleurigen

bodem. Maar een pad is dit eigenlijk slechts in naam; want wij komen

met de grootste moeite voorwaarts; de steenen glijden ons onophoudelijk

onder de voeten weg. Zurbriggen, die een eindweegs vooruit is, staat

ons als een ruiterstandbeeld op de hoogte af te wachten.

Als we hem genaderd zijn, schudt hij bedenkelijk het hoofd met den

rossen baard, en kauwt op de uitgegane pijp in zijn mondhoek. Dat

voorspelt niet veel goeds.

"Hoe komen we daarlangs?" vraagt hij, terwijl hij rondziet naar het

amphitheater van rotsen en ijs, dat zich op een afstand van een paar

honderd meters voor ons uitstrekt. Wij roepen den djighite. Deze wijst

op een donkere streep, die midden over den gletscher loopt. "Vot

doroga", (dat is de weg) zegt hij tegen ons in 't russisch. "Djol

djâman" (heel slecht) voegt hij er in zijn eigen dialect bij. Dicht

bij ons vangt een klein meer het water der drie gletschers op, die,

hoewel niet bijzonder hoog, bijna geheel kaal zijn, en bedenkelijk

steil. Maar onze jager is, met twee paarden aan den teugel, reeds

begonnen de moraine vóór ons te beklimmen. Wij volgen hem, zonder

eigenlijk goed te bedenken wat we beginnen. Met een moed, dien men

haast doldriftig zou kunnen noemen, sleepen wij de dieren naar den

top van de rotsen, waar ze bijna geen ruimte hebben om te staan,

en de grond glibberig is van het gletscherwater.

Zurbriggen waagt zich, zijn paard bij den teugel houdend, onversaagd

op de ijshelling. Eerst klimt hij in een rechte lijn omhoog; maar

een steilte, die voor hem oprijst, noodzaakt hem, schuins rechts te

houden. Wij volgen zijn voorbeeld, steeds zoekend naar spleten en

kanten, om onzen voet neer te zetten, en ruwe plekken, waar we even

staande kunnen blijven. We hebben geen houweel bij ons, en moeten

ons dus met de handen vastklemmen, om niet te vallen. Maar op de plek

aangekomen, waar wij in de schuinte moeten gaan klimmen, beginnen wij

in te zien, dat het nu toch te gevaarlijk wordt. De paarden zouden

hier allicht door de zwaarte van hun last omvergetrokken worden,

en neerstorten op de puntige rotsen daar beneden. Zurbriggen, die op

wonderbaarlijke wijze een veilig punt heeft weten te bereiken, roept

ons uit alle macht toe, dat we niet verder mogen gaan; zijn eigen paard

was bijna uitgegleden, en beeft nog van angst. Op eens tuimelt een der

vrachtpaarden als een steen naar beneden, waar de andere helft van

onze karavaan nog staat te wachten. Abbas geeft een kreet van pijn;

hij is door een trap van het gevallen paard aan zijn been gekwetst.

Het zou al te dwaas zijn, onder deze omstandigheden ons plan te willen

doorzetten. Wij besloten dus, te kampeeren bij het meer en gedurende

het verdere verloop van den dag een beteren weg te zoeken. Wij lieten

nu onze paarden alleen staan, en volgden onzen gids naar den top

van den pas, dien wij vrij spoedig bereikten. Wij waren hier op een

hoogte van 3450 M. Aan onze voeten strekte zich het Inghiltsjik-dal

uit, over een lengte van honderd werst, ten Zuiden begrensd door een

duizelingwekkenden bergwand, meer dan 6000 M. hoog. Maar wij hadden

haast, en het kwam er thans meer op aan, een veiligen overgang te

vinden, dan te genieten van dat prachtig schouwspel. Rechts van den

pas daalde een gletscher af, waarvan de helling volstrekt niet steil

was, en langs dien weg besloten wij verder te trekken.

Toen wij in het kamp terug kwamen, vonden wij daar twee zieken,

Abbas en Piotra. De laatste rolde over den grond, met hevige krampen

in den buik, en Abbas klaagde over zijn been.

Wij wreven hen in met een antiseptisch middel en gaven den jongen Rus

iets verzachtends. Het blinde vertrouwen van die eenvoudige lieden op

onze macht en onze kennis hielpen haast evenveel als de geneesmiddelen

zelf. Later kregen wij nog gelegenheid, bij de Kirghizen voor dokter

te spelen. Hoewel deze zeer gehard zijn, speelt bij hun ongesteldheden

de verbeelding een groote rol. Een kleinigheid is dan ook voldoende

om hen te genezen, en zij stellen dus in de wetenschap der beschaafde

lieden onbegrensd vertrouwen.

Den volgenden morgen kwamen wij na drie uren aan den tweeden pas

van Tuz. Er zijn werkelijk twee passen van dien naam, die beide door

de nomaden worden overgetrokken, al naar gelang van hun meerdere of

mindere begaanbaarheid. Wij hadden dus het voorbeeld der Kirghizen

gevolgd. Om van het hoogste punt van den pas weer af te dalen in de

vallei, doet men als 't ware een sprong van 2000 meter in de diepte. Er

is geen gebaande weg, en men kan zich maar niet op goed geluk naar

beneden laten glijden. Den weg moet men zelf maar zoeken. Toen ik

de streek, waar gras groeide, weer had bereikt, waren de vier pooten

van mijn paard bloedig gewond, en het arme dier scheen alles behalve

behagen te scheppen in die halsbrekende klimpartij.

Tegen drie uur hadden wij den voet van den berg bereikt. Het

landschap bleef steeds eentonig; hoewel het thans werd verlevendigd

door struikgewas, dat aan den oever der rivier groeide. Enkele

cruciferen met saffraankleurige bloemen, distels, en gele anemomen

bloeien tusschen de struiken in den schralen bodem. Hier en daar

ontspringt onverwacht een beek uit het dorre rotsgesteente, en

besproeit kleine grasvelden, die ons werkelijk als een oasis voorkomen

in deze steenwoestenij. Op een kleine verhooging langs den oever zien

wij iets, dat onze aandacht trekt.

Het is een Kirghizengraf, gebouwd uit gekruiste boomstammen, waarop

een pyramide van steenen is opgericht. Kort daarop komen wij aan

een aoul, die door de nomaden is verlaten. Hier hebben zij verblijf

gehouden in het koude jaargetijde, want deze zijde van den berg,

dien wij nu juist zijn overgeklommen, schijnt dan aan de zonnestralen

te zijn blootgesteld, zoodat de sneeuw er spoedig smelt en de bodem

met gras bedekt is. Rondom een groot granietblok ziet men duidelijk

de kringen, die de keregas hebben achtergelaten; dat zijn de houten

afsluitingen, die als 't ware het geraamte der yourtes vormen. In

het midden liggen nog de drie zwart geschroeide steenen, die als

haard hebben gediend. Het gras groeit hoog en dicht, waar het vee

den grond bemest heeft. Maar wij willen toch liever niet kampeeren

op deze plek, en achten het beter, beschutting te zoeken achter een

verhevenheid van den bodem, om den killen luchtstroom te ontwijken,

die ons tegenwaait van den gletscher, uit welks tallooze spleten

en gleuven stroomen modderig water neerstorten. Vlak tegenover ons

begroet ons de geweldige, in wolken gehulde Kizil-Tao met donderende

sneeuwlawinen, die ons echter volstrekt geen angst aanjagen, daar

zij ons hier niet kunnen bereiken. Niet ver van ons blinkt een kleine

waterval tusschen struikgewas.

De Kirghizen verzamelen hier dikwijls hun kudden, daar de plek als

't ware een natuurlijke besloten ruimte vormt.

24 Juli. Wij gaan op verkenning uit naar den Inghiltsjik-gletscher om

een plaats te zoeken, waarlangs we de paarden kunnen overbrengen. Als

ons dat gelukt, zullen we zoo hoog mogelijk zien te geraken, om

ons hoofdkwartier te kunnen betrekken vlak bij den voet van den Khan

Tengri. Hij ligt ongetwijfeld aan het eind van dat reusachtige ijsveld,

dat de nomaden den "tchiou mouz" (grooten gletscher) noemen. De

oppervlakte ervan is zeer oneffen, 't is een aaneenschakeling van

meren en stroomen, dalen en heuveltjes, bezaaid met steenen, die,

al naar de richting waarin zij zijn afgegleden, en de meerdere of

mindere hardheid van den gletscher, liggen opgehoopt in strepen, die

in verschillende richting loopen, en afwisselend zijn van kleur. Van

boven af gezien gelijkt de gletscher op het schild van een reptiel.

Wij behoeven niet lang te twijfelen aan de volslagen onmogelijkheid

om onze paarden hierheen te brengen, wegens het gebrek aan gras en

de onbegaanbaarheid van den bodem. Om dien Inghiltsjik-gletscher te

kunnen volgen tot aan zijn oorsprong, en op die plek eenige weken te

vertoeven, zouden we moeten beschikken over een flinken troep sterke

lastdragers, met doelmatig schoeisel, en aan deze eischen voldeden noch

de lieden, die wij hadden medegenomen, noch zij, die wij in de naburige

dalen hadden aangetroffen. Want de inwoners zijn onvoldoende gekleed,

en kunnen bovendien volstrekt geen vrachten op den rug dragen. Wij

moesten er dus in berusten, en op een ander punt den Khan Tengri

zien te naderen. We wilden het nu beproeven langs den pas Mouj-art,

op chineesch grondgebied.

Bij het opbreken waren wij niet weinig verbaasd, toen wij onzen

djighite zagen aankomen met een ouden Kirghies, die zich zoo diep

voor ons neerboog, alsof hij ons een gunst kwam afsmeeken. Het was

niemand minder dan het hoofd, of chirtaï van het Kaënde-dal, die

ons zijn diensten kwam aanbieden. Toen wij den vorigen avond op den

gletscher rondzwierven, was de djighite plotseling zonder waarschuwing

verdwenen en had in 24 uren 150 werst afgelegd, om den man op te

zoeken, dien hij nu medebracht. Onze vriend Abbas liet zijn potten en

pannen in den steek, om met de grootste deftigheid zijn plichten als

tolk en ceremoniemeester te vervullen. Altoos onverstoorbaar kalm,

gedroeg hij zich ook bij deze gelegenheid met voorbeeldigen tact, en

behandelde onzen gast als een ouden bekende. Hij had het anders op de

Kirghizen volstrekt niet begrepen en koesterde de diepste minachting

voor hen. Hij ging zelfs zoo ver, hen en hun vrouwen te verklaren voor

"vuile honden, die alles zouden eten, tot krengen toe".

Die chirtaï scheen nu ook niet bepaald een voornaam personage. Op een

paar beleefde phrases na, die Abbas ons op zijn manier in 't Fransch

overbracht, scheen hij zich niet anders te kunnen uitdrukken dan

door buigingen en salamaleks, die hij onophoudelijk ten beste gaf,

met gesloten oogen en de handen op de borst gedrukt. Toen we pas op

weg waren, kwamen ons twee mannen te paard tegemoet rijden, die zich

bij onze karavaan voegden. 't Waren onderdanen van onzen autocraat

in miniatuur, door hem uitgezonden, om ons hun hulp aan te bieden.

Al was hun hoofd niet precies op de hoogte van de vormen der

wellevendheid, hij wist zeer goed, wat de plicht der gastvrijheid

gebood. Die twee lieden bewezen ons uitstekende diensten bij het

oversteken van de rivier, die op sommige punten bijna 200 meter breed

was. Wij bereikten de overzijde aan den ingang van het Attiaïlo-dal,

de eenige toegang tot de vallei van Kaënde, die ten Zuiden van het

Inghiltsjik-dal is gelegen.

Het gebergte, dat de beide dalen scheidt, is uit een geologisch

oogpunt beschouwd, de kern van de Khan Tengri-groep. Het vertoont een

eigenaardig karakter, zoowel door zijn uiterlijk voorkomen als door den

aard van het rotsgesteente. De hoekige omtrekken en de waaiervormige

ligging der granietlagen verraden den plutonischen oorsprong van zijn

vorming. Wat ons als een zonderling verschijnsel trof, was het feit,

dat de berg plotseling afbreekt, en schuin doorsneden wordt in de

richting van het Z.W. naar het N.O. door de bergengte van Attiaïlo. Uit

de verte zou men dit niet hebben verwacht; want de bergketen schijnt

onafgebroken door te loopen, en zich als een zware versterking aan

te sluiten bij de reuzenmassa van den Kizil-Tao. Maar van dichtbij

gezien, zooals wij daartoe gelegenheid hadden bij onzen doortocht

door het Attiaïlo-dal, bemerkte men, dat dit aanhangsel een geheel

verschillenden oorsprong en bouw verraadt. Twee of drie wersten verder

splitst zich het dal in tweeën. Links opent zich een geweldige kloof,

die den hoogen bergwand volgt, en als 't ware afscheidt. Wij blijven

rechts houden. Een paar uur later komt er een regenbui, die ons

noodzaakt, stil te houden aan den voet van hooge rotsen, wier toppen

met ijs zijn bedekt. Af en toe vallen steenen uit de hoogte rondom

ons neer; maar aan zulke kleine bezwaren zijn wij nu reeds gewend,

en wij letten er niet eens meer op. Met den rand van onzen hoed over

de oogen neergeslagen, den kraag tot over de ooren opgetrokken, en een

plaid om de schouders, vertrekken wij uit ons bivouak op een hoogte

van 3000 M., en weten nog niet recht waar we heden avond zullen slapen.

Langzaam, terwijl de wind ons den regen in 't gezicht zweept, beklimmen

wij de eene helling van losse steenen na de andere, en vervolgen

onzen weg, om moraines heen, welker gletschers in ijzige mistwolken

zijn gehuld. Op het hoogste punt van den pas klaart de lucht op, en

wij zien, dat we langs de oevers van een meer rijden, dat te midden

van bloemrijke weiden gelegen is. In onze onverschillige en gedrukte

stemming brengt dit liefelijk landschap, door een wazigen nevel gezien,

een oogenblikkelijke omkeering teweeg. Onze stompe zwaarmoedigheid

maakt plaats voor opgewektheid, en bijna met vreugde begroeten wij

dat zonnige groene plekje, dat ons aan een Alpenlandschap doet denken,

en als een herinnering is aan ons schoon vaderland. Maar die liefelijke

indrukken zijn niet van blijvenden aard. Na deze oase volgt plotseling,

zonder overgang, een akelige nauwe kloof, die op een tunnel gelijkt. De

lucht betrekt weer, en het begint opnieuw hard te regenen. De rivier

is bovenmatig gezwollen. Toch moeten wij den stroom herhaalde malen

oversteken en langs den oever rijden, voortdurend bedreigd door

de vallende steenen, die met angstwekkende snelheid van de hooge

hellingen komen neerstorten. Om ongelukken te voorkomen, moeten we

soms gevaarlijk hard rijden op den glibberigen natten oever, waar we

bijna niet staande kunnen blijven van de gladheid. Op eens houdt de

djighite stil, en wenkt ons, zijn voorbeeld te volgen. Hij roept ons

toe, dat we ons vlak bij een vreeselijken afgrond bevinden en dat het

onverantwoordelijk onvoorzichtig zou zijn, onzen weg te vervolgen. Wij

zien elkaar verschrikt en verwonderd aan. Wat zullen we doen? Waarom

heeft hij ons niet eerder gewaarschuwd? Moeten wij dan op deze plek

ons kamp opslaan? De bodem, waarop wij staan, is los puin, dat door de

rivier wordt medegevoerd, en naast ons bruist het water, dat groote

rotsblokken voortstuwt, die, als zij een versperring vormden, ons en

ons kamp zouden kunnen doen medesleuren. Maar bij de gedachte, dat ons

niet anders overblijft, dan op onze schreden terug te keeren, zinkt

ons de moed in de schoenen, en wij schikken ons gelaten in ons lot.

Dien avond wandelden we niet langs de tenten, zooals anders,

om een gezellig praatje te houden, en we gebruikten niet kalm

het middagmaal op den tchiamkerr, die voor den ingang onzer tent

werd uitgespreid. Nadat we ons goed hadden vergewist, dat de tenten

stevig waren vastgemaakt, en geen vocht doorlieten, kropen we in onze

slaapzakken en wachtten, tot de god van den slaap zich over ons zou

ontfermen. Gedurende den nacht werden we onophoudelijk gekweld door

afschuwelijke droomen, en telkens sprongen we verschrikt op, in de

meening, dat ons laatste uur geslagen was. De regen, die met steeds

meer geweld op het dak der tenten kletterde, deed ons denken aan

den toestand der rivier, die dus ook steeds bleef wassen, en waarin

wij het doffe tegen elkander botsen hoorden van de steenen, die het

woest geweld van den stroom losrukte van den oever. Als de paarden,

die onrustig buiten heen en weer liepen, langs de tenten streken

of struikelden over de gespannen koorden en palen, beving ons soms

werkelijk de angst, dat onze schuilplaats geen voldoende beschutting

zou blijven verleenen. Tegen den morgen echter klaarde de lucht op,

en in den warmen zonneschijn begon onze doorweekte bagage spoedig te

drogen. De afgrond, waarvan onze djighite den avond te voren sprak,

was een geweldig diepe kloof, die de berghelling doorsneed en ons

den weg versperde.

Wij moesten eerst langs den rand dier kloof hoogerop klimmen, en zóó,

uiterst voorzichtig, op den vochtigen grond, een omweg maken, eer wij

de overzijde der kloof weer hadden bereikt. Bij het afscheid van die

bergengte van Attiaïlo bootsten wij onwillekeurig Dante's gebaar van

afgrijzen na, bij het verlaten der hel. Op een betrekkelijk veilige

plek aangekomen, zagen wij bijna met ontzetting terug naar die duistere

kloof, vol sombere schoonheid, waarin de stroom als razend worstelt

tegen de nauwe kerkerwanden, die hem omsluiten, om somtijds geheel te

verdwijnen in onzichtbare, onderaardsche kolken. De steile wanden der

kloof, die wij zijn omgetrokken, vertoonen hun kale rotslagen van mica

en kwarts, hier en daar afgebroken, waar verzakkingen hebben plaats

gehad en de overblijfselen van verschillende lagen een bontgekleurde

mengeling vormen. Aan de andere zijde heeft de harde rotswand meer zijn

oorspronkelijken bouw bewaard; het zijn loodrechte muren, trapsgewijs

opklimmend, en op den top bekroond door alleenstaande rotsblokken, die

den indruk geven van middeleeuwsche burchten, zoo plomp en zwaar. De

roestkleur der rotsen, waarover loodrechte blauwachtige strepen loopen,

verkleurd door het afloopen van het water, en de vele holten en spleten

gaven aan die kalksteenrotsen een schilderachtig vervallen voorkomen.

Na nog een eindweegs te hebben afgelegd, dalen wij af in het

Kaënde-dal, waar de chirtaï ons opwachtte, met twee van zijn

onderhoorigen. Hij bracht ons een zak met koumiss, dien hij ons zeer

welwillend aanbood. Daarop plaatste hij zich aan het hoofd van den

stoet, om ons den weg te wijzen door het warnet van kanalen, die

tusschen de steenen van den thalweg kronkelen, en bracht ons zoo,

na eenige onderdompelingen, op een met gras begroeide hoogte aan de

grens van een dennenbosch. Hier verzocht hij ons, of wij ons naar

zijn aoul wilden begeven, die, ongeveer een halve dagreis van ons

verwijderd, meer stroomopwaarts lag. Maar daar wij zeer verlangend

waren, om het doel van onzen zwerftocht te bereiken, bedankten wij

voor zijn vriendelijk aanbod en beloofden hem, zoo mogelijk, later

aan zijn beleefde uitnoodiging te zullen voldoen. Om den bergwand te

kunnen beklimmen, die de vallei van Kaënde aan de zuidzijde afsluit,

moeten wij nog ongeveer drie uren door het dal trekken, waarna wij

door weelderige grasvelden den Oustchiar-pas bereiken, te ongeveer

twee uur des middags. Daar wachten ons twee onbekende Kirghizen, met

het gewone huldeblijk, de traditioneele koumiss. Hun aanwezigheid op

die plek doet ons niet weinig verbaasd staan. Hoe wisten die menschen

dat wij in aantocht waren, terwijl zij aan de tegenovergestelde zijde

van het dal wonen? Wij kunnen het raadsel niet oplossen. Begeleid

door deze eerewacht, kwamen wij een uur later aan hun aoul, die aan

de rivier was gelegen, in een kromming van het dal.

Al de mannen kwamen ons onmiddellijk te gemoet, terwijl de kinderen

verschrikt wegliepen, en de vrouwen ons angstig bespiedden door

de reten der yourtes. Geen van allen begreep, wat dit bezoek van

vreemdelingen in hun land moest beteekenen. Het kostte den djighite en

Abbas vrij veel moeite, om hun het doel onzer reis uit te leggen, en

hen te overtuigen, dat wij niet het geringste kwaad in den zin hadden.

Den geheelen middag werd ons kamp druk bezocht door het mannelijk

element van de kolonie, en al spoedig werden wij met broederlijke

hartelijkheid behandeld. De Kirghizen hebben een opmerkelijke

eigenschap; als zij eenmaal weten, dat men hun geen kwaad zal doen,

worden zij verregaand opdringend en onbescheiden.

De koumiss vloeide in stroomen, en Abbas onthaalde hen, bij wijze

van contra-beleefdheid, rijkelijk op thee, die vooraf in een grooten

ketel werd klaargemaakt. Des avonds deden wij een wandelingetje langs

de tenten, tot schrik van de vrouwen, die zich verscholen toen zij

ons zagen aankomen. Maar de mannen, die ons vergezelden, haalden hun

echtgenooten voor den dag, en lieten ze op een rij staan, zoodat

wij ze bedaard konden opnemen, 't geen zij zich goedschiks lieten

welgevallen. Hare kleeding was wel schilderachtig; maar overigens

waren zij niet bijzonder aantrekkelijk van uiterlijk, en men moest

ze goed aankijken, om ze te onderscheiden van de mannen, zoo lomp

en forsch waren zij gebouwd, en zulke ruwe, afstootende gezichten

hadden zij. Een der Kirghizen noodigde ons uit, zijn yourte binnen te

treden. Twee vrouwen verstopten zich daarbinnen achter een gordijn,

dat de man op ons verzoek wegschoof. De eene was bezig, een kleintje

van een paar maanden in te bakeren in een lamsvacht. Daarop gaf ze

hem een zuigflesch, vervaardigd uit een hollen ossenhoren, met een

perkamenten blaas bij wijze van speen. De andere borduurde een muts

voor haar man. Ze had de stof over een houten ring gespannen, dien ze

tusschen de knieën vasthield, en ze reeg een wollen draad door het

weefsel, met een beensplinter, die als naald diende. De teekening

was niet symmetrisch; maar de levendige, frissche kleuren waren met

smaak gerangschikt, en het borduurwerk maakte een zeer fraaien indruk.

Intusschen kwam het vee naar kooi. 't Was een merkwaardig schouwspel,

die menigte kudden, die daar van de bergen kwamen afdalen, en door de

herders werden opeengedrongen in de nauwe ruimte, waar men ze gedurende

den nacht houdt opgesloten. De geheele aoul was in rep en roer bij de

aankomst der kudden. Alle vrouwen kwamen uit de hutten te voorschijn,

elk haar eigen vee zoekend, en trachtend, het te roepen en bij

elkaar te houden. Er is een lang touw op den grond gespannen, waaraan

schapen, geiten, koeien en paarden in afzonderlijke groepen worden

bevestigd. De grootere kinderen helpen hun moeders bij dat werk. Maar

de mannen voeren niets uit; zij vergenoegen zich met toekijken en,

waar zij het noodig achten, de vrouwen duchtig onderhanden te nemen,

als zij zich vergissen.

Kleine, dikke kleuters van twee of drie jaar, met bruine gezichten

en stevige armpjes en beentjes, zoo leelijk "als Kirghizen", kleine

monstertjes van dikte en gezondheid, springen in die drukte rond,

rollen tusschen het vee over den grond, en willen het voorbeeld der

ouderen volgen.

29 Juli. Daar een onzer paarden kreupel ging, ruilden wij dit, bij

ons vertrek uit den aoul van Oustchiar, voor een paar roebels tegen

een ander paard van de nomaden. De geheele stam kwam bij dien koop

te pas, en wie weet hoe lang het zou hebben geduurd, als wij Abbas

niet bevolen hadden, korte metten te maken met al die praatjesmakers.

Om tien uur bereiken wij den Artchiar pas, den bergwand tusschen de

dalen van Oustchiar en Artchiar. Van af het hoogste punt heeft men

een mooi gezicht op den Oustchiar-top, die achter den aoul oprijst,

in een pantser van ijs gehuld, en bedekt met sneeuw. Aan de andere

zijde van den pas rijzen vier of vijf bergreeksen op, die elkander

in verschillende richtingen kruisen, en wij weten nog volstrekt niet,

waarheen de uitgang aan onzen voet ons leiden zal. Wij volgen de nauwe

kloof, die na een paar uren ons voert tot een plek, waar de rivier

plotseling verdwijnt in een afgrond, waarvan de rotswanden tot elkaar

schijnen te naderen, om ons den weg te versperren. Maar een soort van

pad slingert door losse steenbrokken langs de helling omhoog, langs

een reeks scherpe, vooruitstekende rotspunten. Wij zijn omgeven door

een chaos van gevallen rotsblokken, van duizelingwekkende hoogten in

onpeilbare diepten neergestort. 't Is alsof we in een nauwe schroef

zijn geklemd, en nooit meer een uitweg zullen vinden.

Toch stappen de paarden geduldig voort, wringen zich met katachtige

lenigheid rondom de belemmeringen, die ons den weg versperren,

stappen over losse steenen heen, wijken uit voor spleten, springen over

kloven, treden voorzichtig langs den rand eener klip, en zoo duurt dat

voort, nu reeds meer dan twee uren lang. Ons stevig vastklemmend aan

onzen zadelknop, laten wij ons maar op goed geluk voortdragen. Onze

vaardigheid in het paardrijden is ons hier van geen het minste nut;

het zou ons slecht bekomen, als wij onze kennis van de hoogere rijkunst

hier in toepassing wilden brengen, want de geringste mispas zou ons

met paard en al in de diepte doen storten.

Nu en dan kijken wij eens, op een hoog punt gekomen, of de geheele

karavaan nog aanwezig is. Als de laatste verhevenheid is beklommen,

dalen wij af langs diepe gleuven, tusschen wallen van kleiaarde,

naar beneden in het dal, dat zich hier in twee takken splitst. De

plantengroei heeft het vroegere alpenkarakter verloren, en wordt hier

in de hoogste mate grillig en wonderlijk. Stekelige, lederachtige

grassoorten, met veelkleurige bloemen, groeien op den rossig gelen

grond; boschjes van dicht struikgewas, waaruit een walgelijke reuk

opstijgt, tamarinde, knoflook, thym en een menigte onbekende planten

groeien hier in vreemde kronkelingen en bochten, als verwrongen in

stuiptrekkingen van pijn, en ademen een lucht van bederf uit, die

u de keel toesnoert. Midden in de rivier staat een eenzame wilg,

verwrongen en verminkt door het geweld van den vloed. Die reeks

van afgronden en die zonderlinge plantengroei doen u vol verbazing

beseffen, dat gij door een geheimzinnig oord trekt, waar elk voorwerp

u treft door zijn bizarre afwijking van allen regel.

De eenige weg, waarlangs wij verder kunnen trekken, is het bed van de

rivier, slechts weinige meters breed, en waarin het water zich met

geweld een weg zoekt te banen tusschen opgestapelde steenblokken

en twee hooge rotswanden, die zich aan beide zijden ten hemel

verheffen. Die sombere gevangenismuur, waarop zich plekken roodachtig

mos vertoonen, die gelijken op bloedvlekken; die gapende wonde in het

gebergte boezemt ons schrik en ontzetting in. Maar wij denken aan de

lange rust dier rotsen, die al zoovele eeuwen den voorbijtrekkenden

reiziger hebben bedreigd, en wij betreden zonder vrees den ingang

dier hel, om in het halfduister der kloof door te dringen.

Een eindweegs verder, bij een scherpe bocht, schuimt de rivier met

kracht tegen den rotswand omhoog, en snijdt ons den pas af. Wij moeten

het water in, en ons al spartelend op het droge redden. Dat gevaarlijke

spelletje herhaalt zich nog eenige malen, tot groote ontevredenheid van

Zurbriggen, die niets gesteld is op die gedwongen zwemoefeningen. Om

de handen vrij te houden, heeft hij zijn onafscheidelijke pijp zelfs

in den zak gestoken.

De bergengte van Artchiar mondt uit in het dal van Koékab, waarheen

wij thans onze schreden richtten. Wij hielden stil op een landtong, die

zich tusschen de beide rivieren uitstrekt. Deze dijk, door aanslibbing

ontstaan, gaf ons werkelijk een gevoel van verademing, na de strakke

steilheid van die kale berggevaarten. Des avonds ontstaken wij groote

vuren, om de wilde dieren te verjagen, die, volgens de Kirghizen,

hier zeer talrijk waren.

Ons plan was, om op chineesch grondgebied over te gaan, en den Khan

Tengri te naderen door het dal van Mouj-art, den loop volgend van

den Koékab-Sou, die ons, zooals wij dachten, naar den Ak-Sou zou

voeren. Maar wij beraamden dit plan, zonder juiste kennis te bezitten

omtrent het terrein, waarop wij ons wilden begeven. Toen wij het dal

van Koékab genaderd waren, zagen wij dadelijk, dat het onmogelijk was,

onzen weg in die richting voort te zetten. Een kloof van bijna duizend

meter diepte, en op den bodem daarvan een bruisende stroom, die in

razende vaart voortjoeg, en waaruit wolken van damp omhoog sloegen,

dat was de eenige weg, waarlangs wij op deze wijze ons doel konden

bereiken. Er viel niet aan te denken, dit plan was onuitvoerbaar.

Meer stroomopwaarts schijnen de zijden van het dal toegankelijker,

en op een niet al te steile plek trachten wij omhoog te klimmen. Als

wij echter een tijdlang den voet van den berg hebben gevolgd, en de

rivier hebben doorwaad, zien wij ons ongelukkigerwijze genoodzaakt,

tegen den stroom op te zwemmen. Het water is hier 3 à 4 meter diep. De

paarden worden onmiddellijk machteloos teruggedreven door het geweld

van den stroom.

En als daarna de weg dan nog maar vrij was! Maar waar onze blik ook

rust, nergens is een uitweg te zien. Wij weten niet recht, wat wij nu

moeten beginnen. Zoover te zijn gekomen, om ons thans door de rotsen

den weg te zien versperd! Het was wel teleurstellend. Maar wat zouden

wij doen? Te voet onzen weg voortzetten ging niet aan. Wij moesten,

goed- of kwaadschiks, op onze schreden terugkeeren.

Intusschen kampeerden wij maar op de plek, waar wij nu waren

aangekomen, want wij hadden geen moed meer, om weer telkens tegen

wil en dank een bad te nemen. Wij sloegen de handen aan 't werk om

steenen weg te dragen, terwijl de paarden gingen knabbelen aan de

struiken op den oever.

We willen het dal van Koékab echter niet verlaten, zonder het ten

minste goed te hebben opgenomen. Den volgenden morgen beklimmen

wij den bergrug achter ons. 't Is een lange en moeilijke tocht,

waarop wij meerdere kudden zien van schapen met groote horens, die

de geleerden ovis argalis noemen. Om vier uur zijn wij ter hoogte

van 3850 M. geklommen. Wij zijn nog niet op het hoogste punt; maar

het wordt laat, en wij mogen niet vergeten, dat de terugtocht ons

nog wacht. Van ons standpunt zien wij slechts de groote lijnen der

hoofdketens, die op het dal uitkomen. In 't Oosten en Zuiden rijzen

toppen op van 5000 en 6000 M. hoog, bedekt met gletschers en eeuwige

sneeuw. Aan het uiterste eind van den Kok-Chaal-Tao onderscheiden

wij in een wijde insnijding een nevelige vlakte; waarschijnlijk de

woestijn van Taclamakan. De zon begint te dalen. Twee duizend meter

beneden ons zien wij duidelijk onze metgezellen en de dieren die zich

bewegen bij de tenten van het kamp. De weg erheen schijnt ons als

't ware aangewezen, langs een helling van losse steenen, die eindigt

in een nauwen doorgang. Met een paar sprongen zijn wij zoover. Maar

nu begint het eerst.

We moeten van het eene rotsblok op het andere springen, over glibberige

steenen glijden, met kleine stapjes langs smalle richels loopen,

acrobatische toeren verrichten, en ten slotte komt de zwaarlijvige

Zurbriggen ons op de schouders tuimelen. Als we eindelijk gelooven,

dat nu het ergste toch geleden is, staan we--n.b. aan den ingang

der bergkloof van Artchiar. Dat is toch wel heel erg! Wij hebben

begrijpelijkerwijze geen lust, om den nacht in die gevangenis door

te brengen en er longontsteking op te doen. Wij trachten de zaak

zoo gelaten mogelijk onder de oogen te zien, en besluiten, hoe 't

ook moge afloopen, in elk geval ons kamp weer te bereiken. Maar het

kost moeite. Met ons drieën aan één touw gebonden, met de voeten

voorzichtig in 't water plassend en met de handen, of ons houweel

op den tast den weg zoekend, komen wij te middernacht in ons kamp

aan. Onze schoenen zaten vol kiezel, onze zakken vol water, en wij

waren door en door nat. Maar een goed vuur, een bord warme soep, en

een verkwikkende nachtrust deden ons spoedig al de onaangenaamheden

vergeten, die wij op dien ongelukkigen tocht hadden uitgestaan.

De Reis van Prins Scipio Borghese naar de Hemelsche Bergen De Aarde en haar Volken, 1907 · 第 3 / 6 题