Het dal van Tomghent.--Een aoul der Kirghizen.--Wij trekken
over den Tomghent-pas.--Bergpaarden.--Een verlaten vallei.--De
Kizil-Tao.--De Saridjass.--Kudden paarden.--Het dal van
Kasj-Kateur.--Gezicht op den Khan Tengri.
Den 12den Juli zijn wij al om 5 uur op de been; maar wij moeten
ontbijten, de paarden losmaken en de bagage verdeelen en opladen,
zoodat het reeds zeven uur is geworden, als wij opbreken. Intusschen
zijn ons verschillende karavanen voorbijgetrokken; Kirghizen, die naar
de Alexanderbergen tijgen, om nieuwe weiden te zoeken. Die lange rijen
mannen, vrouwen en kinderen, op paarden, kameelen en ossen gezeten, die
duizenden schapen, voortgestuwd als een levende golf, die honderdtallen
van paarden, met hun bonte dekkleeden, die troepen aan elkaar gebonden
kameelen, in eentonige rijen voortschrijdend onder lasten van allerlei
aard;--het aanhoudende geklikklak der hoeven op de steenen van den weg,
waartusschendoor het gehinnik weerklinkt der veulens, die hun moeders
zoeken, het geblaat der lammeren; de doordringende kreten der kameelen,
het fluiten en roepen der herders.... al die gezichten en geluiden
smelten samen tot één geheel, een wonderlijk treffend schouwspel,
dat een onuitwischbare herinnering achterlaat.
Kort na Djarghess loopt de weg langs een rotsachtige verhevenheid van
den bodem en begint langzaam te stijgen langs de linkerhelling van
het Djargalan-dal. Meer stroomafwaarts zien wij een geheele stad van
yourtes, aan de rivier gelegen, waaruit tallooze kudden wegtrekken,
terwijl wij de lieden, die zich om de tenten bewegen, als kleine
poppetjes kunnen onderscheiden. Onze weg voert nu naar den ingang van
het Tomghent-dal, waarvan de zijden met dichte dennenbosschen zijn
bedekt. Wij volgen den linkeroever van den stroom, zeer belemmerd
door de stammen en takken, die ons den weg versperren. Toch wordt
de weg geregeld begaan door de Kirghizen aan de andere zijde van den
berg; maar niemand denkt eraan, die lastige hindernissen uit den weg
te ruimen. Wij bewonderen de handigheid, waarmede onze paarden de
gevaarlijke plekken weten te vermijden, en mogen hun daarvoor wel
dankbaar zijn; want de geringste onvoorzichtigheid of mispas zou
voldoende zijn om ons in de rivier te doen storten, die schuimend
in de diepte bruist. Langs een primitieve brug van boomstammen,
dwars over twee balken geworpen, bereiken wij den anderen oever. Nu
volgt de eene steile helling na de andere, en ons pad is bezaaid
met losse steenen, die kletterend onder de hoeven der paarden
wegglijden. Op een zeker punt schijnen neergestorte rotsblokken ons
den weg te zullen versperren; maar als geitjes zoo vlug en behendig,
springen de verstandige dieren van den eenen steen op den anderen,
en zetten voorzichtig de hoeven in gleuf of spleet, zonder daarbij
ooit hun pooten te bezeeren. Het woud wordt thans minder dicht;
de vallei opent zich, en in een wijden boog zien wij de groene
weiden afdalen naar de rivier. Wij volgen den stroom, en komen aan
een Kirghizen-aoul, bestaande uit eenige hutten, langs de rivier
verspreid. Al de bewoners komen naar buiten en zien ons angstig aan,
blijkbaar doodelijk verschrikt door onze onverwachte verschijning. Het
geweer, dat Zurbriggen over den schouder draagt gegespt, schijnt hun
alles behalve geruststellend.
Een der mannen, die den djighite herkent, komt vragen, wat wij hier
komen doen. Wij houden tegenover hen stil in een glooiing tusschen de
heuvels. Terwijl wij onze tenten opslaan, brengen zij ons room, melk
en borsaks (beschuiten van gerstenmeel in schapenvet gebakken). In
ruil daarvoor geven wij de vrouwen ringen en kammen van aluminium,
waarmede ze blijkbaar verrukt zijn. Een jong meisje is erbij, met
roode wangen en geregelde trekken. Ze draagt een muts van vossenvel,
waaronder een menigte gitzwarte haarvlechtjes uithangen, en onder haar
half openhangende tschiapann teekent zich een kloeke, forschgebouwde
gestalte af. Onder het heengaan voelt zij zich gedrongen, hare innige
blijdschap over het onverwachte geschenk te uiten, door haar kleine
broertje zoo hard met de vuist te stompen, dat hij telkens weer in
't gras rolt. Het is maar onschuldige plagerij.
13 Juli. Hoogerop splitst zich het dal. Wij houden links, in westelijke
richting. Twee ruiters komen van de hoogte afdalen, en gaan ons
tegemoet. Zij wenden zich tot den djighite, die hun zijn gezegeld
papier laat zien. Daar zij het niet kunnen ontcijferen, roepen zij
een jongen man, die de eenige geletterde van den stam blijkt. Als zij
hooren wie wij zijn, gaan zij den boloch, of het hoofd van den stam,
van onze komst verwittigen. Bij de eerste hut aangekomen, worden wij
omringd door een menigte lieden in lange gewaden, met mutsen van
schapenvacht op het hoofd. Vooraan staan de oudsten van den stam,
met den boloch, die ons welkom heet in een onbegrijpelijk taaltje,
terwijl hij gedurig diepe buigingen maakt, met zijn handen op zijn
buik over elkaar geslagen.
Er wordt een tapijt op het gras gelegd, en hij noodigt ons uit
om plaats te nemen. Terwijl wij afstappen, houden eenige mannen de
teugels van onze paarden vast. Allen gaan in wijde kringen om ons
heen zitten; er wordt een zak met koumiss gebracht, en porseleinen
kommen. Dit zijn voorwerpen van weelde voor de inboorlingen; ze komen
alleen bij feestelijke gelegenheden voor den dag, en worden bewaard
in gevoerde doozen, die tchiennegat genoemd worden.
De geheele karavaan doet den koumiss van den boloch eer aan, behalve
Zurbriggen en ik. Gehoor gevend aan de herhaalde en vriendelijke
uitnoodiging van onzen gastheer, waag ik het, de kom aan mijn lippen
te brengen; maar de inhoud verspreidt zulk een ondragelijken stank,
dat ik het hoofd moet omdraaien om niet onpasselijk te worden. Men
zegt dat de koumiss een mousseerende drank is, zeer verfrisschend en
aangenaam van smaak.
Dat mag waar zijn; maar hij wordt toebereid in leeren zakken, die
een paar duim dik onder het vuil zitten, en in de melk zelve drijven
allerlei bestanddeelen, die ver van smakelijk zijn. Wat het meeste de
belangstelling dezer nomaden gaande maakte, waren onze met spijkers
beslagen zolen en de karabijn van Zurbriggen. Deze ging van hand tot
hand, terwijl onze laarzen bevoeld werden, en zij het zelfs de moeite
waard vonden, de spijkers in onze zolen stuk voor stuk te tellen.
Daar het wat laat wordt, vinden wij het geraden, onze reis nu maar
voort te zetten. Eenige ruiters bieden aan, ons te vergezellen tot
aan den Tomghet-pas. Wij komen nog verschillende yourtes voorbij,
waar vrouwen bezig zijn schapenvellen te looien, en repen stof ineen
te vlechten. De vellen worden over in den grond gestoken paaltjes
gespannen, en bedekt met een mengsel van gestremde melk en kleiaarde,
dat om den anderen dag vernieuwd moet worden; daarna kan men ze met
een mes afschrapen. Kudden schapen, geiten en kameelen zijn aan beide
zijden van het dal verspreid, tot aan de grens waar de sneeuw begint.
De weg wordt nu zeer steil, en de laag van losse steenen en rotsbrokken
steeds dieper. Om twaalf uur 's middags hebben we den voet van
den pas bereikt. Een kale gletscher, zonder sneeuw, waarover in
de schuinte een donkere streep loopt, strekt zich voor ons uit. In
gewone omstandigheden d.w.z. als er veel sneeuw ligt, volgt men die
donkere lijn, het spoor der voorbijgetrokken karavanen. Maar deze
weg is thans onbegaanbaar. De paarden zouden op het gladde ijs niet
staande kunnen blijven, en wij zouden onvermijdelijk in de diepte
storten. Wij zullen dus maar rechtuit den gletscher beklimmen en niet
in een schuine richting.
De afstand tot den top is zoodoende korter, en de paarden zullen hier
meer houvast hebben voor hun voet. Terwijl de bagage wordt afgeladen,
gaat Zurbriggen treden hakken in het ijs, en ik volg hem op den
voet, met mijn paard bij den teugel. Na een vijftig meter te zijn
gestegen, bemerk ik dat het dier niet zijn hoeven in de holten zet,
maar bij voorkeur iets op zij blijft stappen, waar een laagje vrij
hard geworden sneeuw ligt. Zeer ingenomen met mijn schrander ros,
dat een geboren bergbeklimmer schijnt, laat ik hem zijn gang gaan,
en bereik zonder ongeval den top. Op die wijze kregen wij al onze
beesten naar boven. En daarop volgde de bagage. De Kirghizen bewezen
ons, ondanks hun onvoldoend schoeisel, uitstekende diensten. Toen
alles klaar was, en wij onzen inwendigen mensch een weinig wilden
versterken, brak een hagelbui los, die ons in een oogwenk doornat
maakte. Wij moesten onze maag hare eischen voorloopig ontzeggen en zoo
spoedig mogelijk die hooggelegen plek (3545 M.) verlaten, te meer daar
de ijskoude wind gevaarlijk dreigde te worden. Wij daalden langzaam
aan de andere zijde naar beneden, en bereikten na eenige buitelingen
den weg naar het Kizil-Taodal.
We kampeerden tegen de helling, en de paarden deden zich heerlijk
te goed aan het dichte, hooge gras. Er was echter op die bekoorlijke
plek geen brandstof te vinden. Waar wij onze blikken ook lieten weiden,
geen spoor van struik of boom. De vallei scheen onbewoond, en dus waren
wij niet alleen verstoken van brandhout, maar ook van vleesch en melk.
Daar hadden we niet op gerekend, en onze djighite, die toch
op de hoogte had moeten zijn van den toestand, had ons niet
gewaarschuwd. We liepen met onzen ruimen voorraad proviand nog wel
geen gevaar te verhongeren; maar wij wilden dien liever bewaren
voor het hooggebergte. Daar wij echter nog in de buurt waren van een
Kirghizenstam, en ook het bosch niet ver achter ons lag, besloten wij
den volgenden morgen Abbas en den djighite naar den boloch te zenden,
om een kudde schapen en een vracht hout te koopen. Intusschen zochten
wij gras en droge wortels, waarmede wij niet zonder moeite een vuurtje
aanlegden. Het duurde twee uur eer we een kopje thee konden krijgen, en
het eten, met veel moeite klaargemaakt, was niet bijzonder lekker; maar
dit was een kleinigheid, vergeleken bij de heerlijke gewaarwording,
althans iets warms in de maag te krijgen.
14 Juli. Terwijl Abbas en de djighite den terugweg weer aanvaarden,
om schapen en hout te halen, gaan wij op verkenning uit in het
bovengedeelte der vallei. Een machtig amphitheater van bergtoppen
en gletschers strekt zich voor ons uit, waardoor een menigte beken
stroomen, die de met gras begroeide golvingen van den grond besproeien.
In het Noorden en het Zuiden openen zich twee passen; de eene, de
Karaguer-pas, mondt uit in den oostelijken tak van het Tomghent-dal;
de andere, die hooger is gelegen, en meer moeilijkheden oplevert,
is de Otrouk-pas, die in den anderen tak van de vallei uitkomt.
Des avonds komen onze vrienden terug met een geheele kudde schapen en
geiten, en twee ossen, beladen met boomstammen. De boloch en eenige
leden van den stam kwamen zelfs mede. Twee jongelieden bleven bij
ons, als drijvers. Nu bestond onze karavaan, menschen en dieren
medegerekend, uit drie en zestig koppen.
Het dal Kizil-Tao heeft zijn naam te danken aan de kleur der steenen
die daar worden gevonden. Kizil beteekent in de taal der Kirghizen
rood, en Tao steen; het is dus het dal der roode steenen. De dalen,
toppen en passen van den Tiensjan ontleenen allen hun namen aan
de kleuren of vormen van sommige voorwerpen, wier grilligheid de
verbeelding der inwoners heeft getroffen. Twee valleien monden in
het dal van Kizil-Tao uit, dat grootendeels onbewoond is; rechts
die van Otrouk, en links die van Berkout, welke naar het plateau van
Saridjass voert. In den bergwand, die het Kizil-Tao-dal scheidt van
het dal Keou-eou-leou, opent zich de Torpeu-pas (3066 M.) van waar
men een uitgestrekt berglandschap overziet. Deze doorgang, die niet
op de russische kaarten is aangegeven, is de meest gebruikelijke weg
voor de nomaden, die het dal van Kizil-Tao doortrekken.
Dit dal, tot nog toe bijzonder breed, vernauwt zich plotseling tot
een smalle kloof, waar de stroom zich slechts met moeite een doortocht
baant. De weg loopt vlak langs de rivier, die hij nu en dan doorsnijdt,
om bochten te vermijden. Somtijds moeten wij dan de rivier oversteken
op plaatsen, waar de bedding zichtbaar is, om niet door den stroom te
worden medegevoerd. Maar wij kunnen niet altijd een doorwaadbare plek
vinden, en dan moeten wij maar, zoo goed het gaat, de overzijde zien
te bereiken. De schapen worden dan een voor een in het water geworpen,
en redden zich, zoo goed zij kunnen. Het was een droevig gezicht, de
arme beesten, tegen wil en dank in het water gesmeten, te zien heen en
weer slingeren; soms tegen de rotsen gedrukt, of in een diepte zinkend,
om toch altijd, na een heldhaftige worsteling, bevend van angst,
den tegenoverliggenden oever te bereiken. Als zij er kans toe zagen,
klommen zij tegen de steile kanten van den berg op, en dan moest de
herder halsbrekende toeren verrichten, om ze weer terug te halen.
Langzaam aan naderen wij het dal van Saridjass, een oord van
verschrikking, een verwarde opeenstapeling van rotsblokken,
waartusschen een breede stroom zijn troebele wateren voortstuwt. Wij
begrijpen niet, waar al dat water een uitweg moet vinden, want aan alle
zijden verheft zich een ondoordringbare bergmuur. Zou er misschien
ergens een geheimzinnige onderaardsche uitweg zijn? Het is ons niet
mogelijk, thans dit raadsel op te lossen. De russische topographen
weten er niet meer van dan wij; want op de kaart die wij bij ons
hebben, schijnen zij met die rivier geen weg te hebben geweten,
en laten haar verdwijnen in het Keou-eou-leou-gebergte.
De weg loopt langs de zijden der steile berghelling, telkens
onderbroken door neerstortingen, en daalt dan weer af naar den oever,
om weldra weder nieuwe hoogten te bestijgen. In gleuven en spleten
schuilt eenig laag struikgewas, en boven langs den rand der klippen
steken enkele magere dennen tegen de lucht af. Iets verder zien wij
een groot rotsblok midden in de rivier gelegen. Op den top verheft
zich een kleine "cairn", een hoop steenen, waarop een paal staat met
een paardenschedel. Dat zonderlinge gedenkteeken dient ter herinnering
aan eene dramatische gebeurtenis, die hier heeft plaats gegrepen. De
schedel behoorde aan het krijgsros van een Kirghizenhoofdman, een
torgoï, die omkwam bij het oversteken der rivier, ten tijde van de
russische overwinning.
17 Juli. Uit de verte schijnt het dal van Saridjass een onmetelijke
vlakte, begrensd door een rand van sneeuwtoppen. Maar van
naderbij staat men verwonderd over het zonderlinge voorkomen van
die uitgestrektheid, waarvan men zich een geheel ander denkbeeld
had gevormd. Behalve de reusachtige afmetingen, is er niets in het
landschap dat aan een vlakte herinnert. Het is een aaneengeschakelde
rij golvingen, heuvels en uitsteeksels, vol nauwe gangen, kleine
dalen en diepten, alles bedekt met schraal gras, waartusschen hier en
daar de gele aarde te voorschijn dringt, of waaruit zich rotsblokken
verheffen, die een metaalachtigen weerschijn vertoonen, en om wier
voet het modderige water schuimt der rivier. Het is onmogelijk om
bij een oppervlakkige beschouwing de oorzaak van dat verschijnsel
te gissen. Bij elke bocht van den weg staat de reiziger voor
raadselen, die de knapste geoloog niet zou weten op te lossen. Het
gletschertijdperk moet wel groote omwentelingen hier hebben teweeg
gebracht, daar het zulke diepe sporen van heftige beroering heeft
achtergelaten.
Onze karavaan trekt gestadig verder, langzaam en zwijgend als een
begrafenisstoet. De hitte is ondragelijk geworden en het landschap
blijft kleurloos en eentonig. Wij steken beken over, klimmen tegen
oevers op, trekken hellingen langs, dringen tusschen rotswanden door,
om weer naar de bedding eener rivier af te dalen, en zoo gaat dat
steeds verder. Nu en dan schrikken wij op door den schreeuw van
een marmot.
We loopen in de richting, waar het geluid weerklinkt; Zurbriggen
stijgt af, legt zijn geweer aan, en wacht geduldig tot het beestje
zich zal vertoonen, een schot valt, en het arme slachtoffer wordt
bij de overige zegeteekenen gevoegd, die den zadel van onzen gids
sieren. Ik kijk, daar ik niets beters te doen heb, naar onze schapen,
die door den Kirghizen-jongen worden voortgedreven. Men wordt verbazend
plat en nuchter op zulk een reis. Dikwijls is 't onze eenige troost,
te weten, dat er altoos ten minste nog iets te eten valt. Maar op
gastronomische genietingen behoeft men zich niet voor te bereiden. De
edele kookkunst wordt hier veronachtzaamd. Door dat voortdurende
te paard zitten, de snelle stofwisseling en de opwekkende berglucht
krijgt men een verslindenden honger, en als 't etensuur aanbreekt,
zijn wij maar al te blij, dat we mogen aanvallen op wat Abbas ons
voorzet. Als we maar iets te eten krijgen, en vooral genoeg, dan is het
goed. De hoeveelheid is het eenige, waarop het aankomt. De arme kleine
lammetjes met de zonderlinge geschoren vetbulten op hun achterlijf,
hadden haast geen tijd, om een enkel grassprietje af te rukken; de
onverbiddelijke herdersjongen liet hun daartoe geen gelegenheid. Ze
moesten onophoudelijk op een drafje blijven loopen, om de paarden te
kunnen bijhouden. Als ze een beek moesten overzwemmen, hieven ze een
hartverscheurend, jammerlijk geblaat aan, want ze hadden verbazend veel
tegen op dat water, al konden ze uitstekend zwemmen. Dikwijls echter
was de rivier diep en de stroom sterk en dan leek het wel, of allen
met elkaar zouden verdrinken; zoo ver werden ze soms medegesleurd. Als
ze dan ook 's avonds in ons kamp eindelijk met rust werden gelaten,
vielen de arme beesten neer van vermoeidheid, te uitgeput, om het
weinigje voedsel te zoeken, waaraan zij behoefte hadden.
De twee ossen zagen er bespottelijk uit, met een houten ring door
hun neus, hun hoekige schoften, en hun lading boomstammen, die aan
het eene einde op een soort ruw zadel waren bevestigd, en met het
andere uiteinde los over den grond sleepten. Als ze tegen een helling
opklommen, was het soms een angstig gezicht, en bij het oversteken van
een rivier wisten ze zich nu en dan geen raad, en bleven maar midden
in het water pal staan, tot wanhoop van hun drijvers, die hen met geen
mogelijkheid tot voortgaan konden bewegen. 's Avonds kampeerden wij,
bij gebrek aan gunstiger gelegenheid, in de buurt van een moeras. Het
water daaruit, waarvan wij dronken bij het middagmaal, bezorgde ons
krampen, waardoor we den geheelen nacht wakker lagen.
Al spoedig nadat we ons weer op weg begaven, kwamen wij voorbij de
vallei van Berkout, waarvan de pas in het Kizil-Tao-dal uitmondt. De
bergrug, die dit dal van de Saridjass-vallei scheidt, is een
reusachtige moraine, bedekt met weiden, waartusschen enkele rotsgroepen
zijn verspreid, die de treurige eentonigheid van het landschap
eenigszins verlevendigen. Iets later zien wij een troep ovispoli,
aan de overzijde der rivier, die rustig aan het grazen zijn. Deze
dieren zijn zoo groot als kalveren, maar steviger gebouwd, met een
dikke, ruigblonde vacht, en hebben een paar groote, spiraalvormig
gewonden horens aan weerszijden van den kop. De Kirghizen noemen ze:
Kaudja. Deze wilde schapen komen veel voor op de hoogvlakten van het
Pamir- en Tien-sjangebergte. Zij worden niet aangetroffen op steile
hellingen, want zij zouden met hun wijd uitstaande horens zich daar
stooten aan de rotswanden. In den herfst leveren de mannetjes verwoede
gevechten. Meestal stoot een van de beide tegenstanders den schedel te
pletter, en zijn lijk wordt spoedig de prooi van roofvogels en wilde
dieren. Hun horens blijven liggen, en worden soms verzameld door de
nomaden, die ze neerleggen op rotsen, welke door hun grillige vormen
hunne opmerkzaamheid hebben getrokken.
Op het plateau van Saridjass weiden duizenden kudden paarden, die
in de hoogst gelegen dalen zijn verspreid. De streek is daarvoor
bijzonder gunstig; de grond is er tamelijk vlak, en al is het gras
niet zeer welig, er is toch genoeg om die honderdduizenden dieren te
voeden. Het opzicht over al die kudden is aan een betrekkelijk gering
aantal bewakers toevertrouwd. Zij hebben dan ook niet veel te doen;
niet anders dan de dieren gedurende den dag in het oog te houden en ze
's avonds rondom hun tenten te verzamelen. Maar overigens hebben die
arme herders geen aangenaam leven. Zij slapen onder een overhangende
rots, of onder een stuk vilt waarvan ze een soort tent maken; zelden
in een yourte, en zij gebruiken geen ander voedsel dan koumiss.
Al die paarden zijn het eigendom van Kozakken uit Semiretchie en
Dzoungarie. Tweemaal in het jaar komen zij de beste uitzoeken, en
brengen een aantal paarden naar de jaarmarkten van Kouldja, Aksou, of
Kasjgar, waar zij ze verkoopen, voor 15 à 30 gulden het stuk. De grond,
waarover wij loopen, vertoont een menigte rechte, evenwijdige voren,
alsof er een ploeg over was gegaan. Dat hebben de paarden gedaan,
die evenals kameelen, gaarne naast elkaar loopen, en zoodoende zooveel
regelmatige wegen vormen, als de beschikbare ruimte maar toelaat.
De rivier is uit het gezicht verdwenen, en nu schijnt het alsof het
geheele dal een groote weide is. Maar dit komt, omdat de rivier hier
door een kloof stroomt, met steile hellingen. Later komt zij weer te
voorschijn en verspreidt zich in verschillende richtingen. Het plateau
is echter nu ten einde, en wij bevinden ons weldra in de hoogere
bergstreek. De lucht is scherp geworden, wij voelen de nabijheid der
gletschers. En waarlijk, aan onze rechterzijde rijst plotseling de
wand van het dal hoog op, en boven de uitgetande toppen verrijzen de
gletschers, hoog uitstekend boven de moraines aan hun voet. Tegen den
avond zijn wij genaderd tot den ingang van het dal van Kasjkateur,
dat zich opent aan de rechterzijde van de Saridjass-vallei, en langs
twee passen toegang geeft tot de dalen van Kokdjat en Kapkak, in het
stroomgebied van den Ili.
19 Juli. De Khan Tengri, de vorst der Hemelen, zooals de Mongolen
hem in hunne schilderachtige taal noemen, is de hoogste top van het
Hemelsche gebergte.
Die verheven naam is volstrekt niet misplaatst, als men de ligging
van den berg in aanmerking neemt, en laat zich bovendien verklaren
door zijn buitengewone hoogte, die volgens sommige reizigers meer
dan 7200 Meter bedraagt.
Bijna alle barbaarsche volken, die in aanhoudende aanraking zijn met
de woeste natuur, zijn geneigd onbezielde voorwerpen te verheerlijken
en beteekenisvolle namen te geven aan al wat door buitengewone
eigenschappen treft of hun begrip te boven gaat. Wat Midden-Azië
betreft, mag men gerust zeggen, dat al de namen van steden, rivieren,
meren en bergen de uitdrukking zijn van een of andere gewaarwording,
die hun gezicht bij den bewoner dier streken heeft opgewekt, toen
hij ze voor het eerst aanschouwde. Het ware te wenschen, dat de
onderzoekers dezen regel zooveel mogelijk trachtten te volgen, en
niet door het geven van geleerde namen, buiten eenig verband met de
plek die zij heeten aan te duiden, de veel oorspronkelijker benamingen
verdrongen, uit de ongekunstelde indrukken der bewoners ontstaan.
De juiste plek, waar de Khan Tengri ligt, is nooit nauwkeurig
aangegeven. De aardrijkskundigen hebben hem overal heengezet,
behalve op de plek, waar hij zich werkelijk bevindt. Zelfs de enkele
reizigers, die hem hebben aanschouwd, stemmen in hun opgaven niet
overeen; ongetwijfeld omdat zij hem slechts op een afstand zagen,
van uit een der dalen, die zich uitstrekken aan zijn voet.
Terwijl hij zichtbaar is van de vlakte van Tekès, twee honderd wersten
verder noordwaarts gelegen, en eveneens van af den weg van Kasjgar naar
Koutcha, bedekken hem overal elders de berggevaarten, waartusschen
hij zich verheft. Op eenige van de kaarten, die wij onder de oogen
kregen, scheen de Khan Tengri een op zich zelf staande bergtop, ten
Noorden van het stadje Baï, op den weg naar Ak-Sou. Afgaande op de
inlichtingen, die ons in Prjevalsk waren verstrekt, en volgens de
aanwijzingen der russische kaart, die wij raadpleegden, moesten wij
nu vlak bij den top zijn, daar wij ongeveer twintig werst verwijderd
waren van het eindpunt van het Saridjass-dal; dus op de plek zelve,
waar de berg heette te liggen. Wij brandden van verlangen om hem van
naderbij te beschouwen, en verbeidden reeds vol ongeduld het oogenblik,
waarop wij onze opwachting konden maken bij dien geheimzinnigen vorst,
die al maandenlang onze gedachten had vervuld.
Wij besloten dus om een der toppen te bestijgen in het dal van
Kasjkateur, die hoog genoeg zou zijn, om er een uitgestrekt vergezicht
te genieten. Om tien uur kwamen wij aan op den Kasjkateur-pas, den
gewonen weg der nomaden, die zich bezighouden met de paardenteelt op
het Saridjass-plateau. Uit den pas komt men door het dal van Kokdjart
in de dorpen Tald-Boulak, Dgilkarkara en Kheghen.
Ten Zuiden van den pas verhief zich een witte pyramide van ijs, met
uitstekende rotspunten. Daarheen richtten wij onze schreden en na twee
uren bereikten wij zonder moeite den top, die gevormd werd door een
kap van sneeuw, en van waar men een wijd uitzicht had over de vallei
van Kapkak. Toen wij onze sneeuwbrillen afzetten, om beter te zien,
moesten wij eerst de oogen sluiten voor het verblindende licht. Nog
nooit hadden wij ons te midden van zulk een glinsterende witheid,
zulk een verblindende tinteling van sneeuw en ijs bevonden. Waar
onze blik ook doordrong of rusten bleef, overal ontmoette hij een
chaotische mengeling van toppen, koepels, scherpe randen, naalden van
ijs en golvende, met sneeuw bedekte bergruggen, die elkaar in alle
richtingen schenen te kruisen. Dikwijls heeft men het gezicht van zulke
uitgestrekte reeksen sneeuwtoppen vergeleken bij een zee, waarvan de
golven als door een tooverslag waren versteend. In de Alpen is deze
vergelijking juist, want daar zijn de vormen der bergen werkelijk een
vrij getrouwe nabootsing van de golven der zee. Maar hier heerschte
zulk een geweldige verwarring, zulk een volkomen gebrek aan regelmaat,
dat de vergelijking in geenen deele opging. Eer deed deze bevrozen
zee denken aan een oceaan, die door vreeselijke aardschokken tot in
zijn diepste diepten wordt beroerd, en waarvan de golven door razende
winden ten hemel worden gezweept. De rotsen, die op de hoogste toppen
hun grillige vormen afteekenden, vertoonden kleurspelingen als van
venetiaansch glas, en zonderlinge schaduw-effecten, die hen als het
ware deden ineensmelten met de sneeuwlaag, die hen omgaf.
De hooge top van den Khan Tengri verhief zich boven dien kring van
reuzen, die als het ware een legermacht schenen te vormen, welke
hem tegen de nadering van oningewijden beschermde. Hij was omtrent
veertig wersten verwijderd van de plek, waar wij ons thans bevonden.
Wij begrepen nu zeer goed, dat onze kaart ons gefopt had, en dat
wij deze in het vervolg niet meer konden vertrouwen. Wij waren
op een verkeerden weg geraakt, en zouden, de vallei van Saridjass
volgende, den Khan Tengri nooit hebben bereikt. Wij moesten omkeeren,
en hem van een andere zijde pogen te naderen. Wij gaven den top,
dien wij thans hadden bestegen, den naam van Kasjkateur-Tao. Deze was
4250 M. hoog. Een uur later waren wij weer in den pas, waar de arme
Khirgies, die in den ijzigen wind de wacht hield bij onze paarden,
ongeduldig op en neer liep. Toen wij weer naar het kamp terugkeerden,
vonden wij op een hoogte van 3000 M. een geweldig hertengewei. Het
was rossig verbrand en verbleekt, en zeker reeds zeer lang aan de
invloeden van hitte en koude blootgesteld geweest.
20 Juli. Op de Saridjass-Tao volgt het dal van Inghiltsjik, dat
waarschijnlijk aan den voet van den Khan-Tengri begint. Maar de
bergrug, die de beide dalen scheidt, is zeer hoog en bedekt met eeuwige
sneeuw. Voor ervaren bergbestijgers was dit geen bezwaar, en met een
gids als Zurbriggen lossen zich alle moeilijkheden als vanzelve op.
Maar wij waren niet alleen, en moesten ook al de bagage vervoeren; want
aan de andere zijde zonden wij niets vinden, dat ons tot voedsel of
beschutting kon dienen. Onze paarden hadden geen last van duizeligheid,
en hun vaardigheid in het klimmen deed ons verwachten, dat zij zich
ook in moeilijke omstandigheden wel erdoor zouden weten te slaan;
maar wij moesten een overgang zoeken, en dit was niet gemakkelijk,
ten eerste door onze onbekendheid met het terrein, en ten tweede,
wijl wij uit ongeduld weinig geneigd waren tot voorzichtig wikken
en wegen van elken stap. De djighite verzekerde echter, dat hij er
misschien nog wel iets op zou vinden, als hij nauwkeurig de bewakers
der kudden paarden ondervroeg.
Van de plek waar wij thans waren, zouden wij ons doel niet
bereiken. Wij moesten eerst een pas zien te vinden, die geen al te
groote moeilijkheden voor de paarden opleverde.
Intusschen lag, toen wij wakker werden, de sneeuw twintig centimeter
dik op onze tenten; wij gingen dus eerst laat op weg. De overtocht
over de Saridjass-Sou was nog al gevaarlijk; maar wij kwamen toch,
ondanks eenige onderdompelingen, behouden aan den anderen oever. Daar
ontdekten wij, tot onzen schrik, dat de grond niet vlak was, zooals
wij hadden verwacht; maar heuvelachtig, vol plassen, en doorsneden
door beken, die in spleten en gleuven van den bodem verdwenen. De
grond was moraine-achtig, dus zeer poreus, en de streek verbazend
eentonig. Men zou er zeer licht hebben kunnen verdwalen en wij verloren
elkander dan ook nooit uit het gezicht, maar bleven allen vlak achter
elkander rijden.
Des avonds kampeerden wij in het dal Adeurteur, waar een der gletschers
naar Mouchktoff is genoemd, een russisch officier, die het eerst
het plateau van Saridjass ontdekte. Den volgenden morgen wachtte
ons dezelfde verrassing als den dag te voren. Weer lag de sneeuw
dik op onze tenten. Al heel vroeg deed een oorverdoovend gehinnik
en hoefgetrappel ons opschrikken. 't Was een stortvloed van paarden,
die door een hevigen sneeuwstorm van de hoogere toppen naar beneden
werden gedreven.
Tegen den middag zetten wij onzen weg voort; altijd langs dezelfde
helling, die nu steiler wordt en meer en meer bergachtig. Wij zien
verschillende waterplassen, waar troepen wilde eenden nestelen. Piotra,
onze jonge russische kolonist, wil er eenige vangen; hij trekt
zijn kleeren uit, gaat onder water, en grijpt de dieren bij de
pooten, als zij, zonder zijn tegenwoordigheid te bespeuren, rustig
voorbijzwemmen. Intusschen heeft de djighite inlichtingen ingewonnen
bij de herders, en hij heeft vernomen, dat er een weg bestaat,
waarlangs wij den berg kunnen bereiken. 't Is de pas van Tuz. Wij
verhaasten onze schreden, en komen tegen den avond aan den ingang
van het dal van dien naam.