Van Tasjkent naar Prjevalsk.--De stad Tasjkent.--In
den tarantass.--Tsjimkent.--Aoulié-Ata.--Tokmak.--De
bergkloven van Bouam.--Het meer Issik-Koul.--Prjevalsk.--Een
Kirghizenhoofdman.
Den 28sten Juni, na 34 dagen reizens, kwam ik aan in Tasjkent, de
hoofdstad van russisch Turkestan. Toen ik te Genua aan boord ging,
dacht ik dien afstand in minder dan drie weken te zullen afleggen.
Maar in 't Oosten is men niet zuinig op den tijd. Menschen en
zaken schijnen ten prooi aan een noodlottige inertie, waartegen de
vreemdeling zich te vergeefs poogt te verzetten. 't Was mij dan ook
een verlichting, toen ik op het perron te Tasjkent de lange gestalte
ontwaarde van Don Scipio Borghese, en het gebaarde gelaat van den
gids Zurbriggen. Zij hadden reeds veertien dagen op mij gewacht,
en waren van harte blijde, mij te zien. We besloten ons vertrek op
overmorgen vast te stellen; want het seizoen was reeds ver gevorderd,
en dit was niet in ons voordeel, bij de zware bergtochten die ons
wachtten. Den tijd, die ons overbleef, gebruikten we, om de stad te
bezichtigen en op het Meteorologisch Observatorium onze instrumenten
in orde te brengen. Tasjkent, van oudsher een handelsstad, is zoo groot
als Parijs, maar telt slechts 300 000 inwoners. Op de volksbuurten na,
die in de buitenwijken zijn gelegen, heeft de stad een modern, bijna
amerikaansch voorkomen. Men ziet dadelijk, dat het een betrekkelijk
nieuwe en naar een bepaald plan aangelegde stad is. De breede elkaar
kruisende lanen, meerdere wersten lang, zijn ter weerszijden met boomen
beplant, en worden besproeid door stroomende beken. De russische
huizen zijn comfortabel ingericht, maar meestal niet hooger dan één
verdieping, wegens de veelvuldige aardbevingen. Een houten portaal
vormt altijd den toegang, en zij zijn aan drie zijden omgeven door
een groote schaduwrijke binnenplaats. In de straten ziet men overal
winkels, clubs, bibliotheken en café's, zooals in elke moderne groote
stad. Al wordt Tasjkent in den regel niet uitbundig geprezen, de stad
behoeft volstrekt niet door te gaan voor een oord der ballingschap,
zooals sommige reizigers haar hebben genoemd. Het getal vreemdelingen
onder hare inwoners vermeerdert zelfs voortdurend. De stad is bijzonder
gunstig gelegen voor het handelsverkeer, op de plek waar de wegen
naar Siberië, China, Afghanistan en Perzië samenkomen, en met Europa
door een spoorweglijn verbonden. Bovendien is zij aan alle zijden
omringd door bebouwde gronden, die zich nog steeds uitbreiden. Als
de spoorweglijn gereed zal zijn, die door Semiretchie loopende, zich
bij Taïga met den transsiberischen spoorweg zal verbinden, gaat de
stad een groote toekomst te gemoet. De bazar van Tasjkent is een oude,
vervallen wijk van donkere, modderige straatjes, vol onoogelijke lompen
hangend, en met versleten matten belegd, waar een bonte menigte zich
verdringt en waar, zonderling genoeg, de verschillende ambachten,
die er worden uitgeoefend, in 32 afdeelingen zijn verdeeld, die elk
weer 32 specialiteiten bevatten. De keuze wordt lastig op die manier!
Tasjkent is een ware staalkaart van rassen, die er elk hun eigen
wijk, kerk, taal, kleeding en gebruiken op nahouden, en gelijkelijk
bezield zijn door onderlingen haat. Behalve deze huist hier nog
een uit gemengde bestanddeelen samengestelde menschensoort, die de
eigenlijke volksklasse uitmaakt, de Sarten, een stam van verwijderden,
turksch-mongoolschen oorsprong. Zij vormen een bevoorrechte klasse,
en zijn dan ook vlugger van begrip en meer ondernemend dan de overige
inwoners.
De woningen van het volk zijn treurig slecht gebouwd; zeer laag,
en hoogstens twee of drie vertrekken bevattend, worden ze soms van
hout opgetrokken, maar dikwijls ook bestaan de muren slechts uit
gedroogde klei. Het dak wordt gevormd door een vlechtwerk van takken,
met een laag aarde bedekt, waarop weldra papavers en erwten beginnen
te bloeien.
Gedurende den zomer is dit niet onaangenaam. In de hitte is het
in zulke huizen heerlijk koel, en zelfs in den winter is de dichte
aardlaag voldoende om het weinigje warmte te bewaren, waarover men,
bij geringen voorraad van brandstof, beschikken kan. Maar na zware
regens vertoonen zich scheuren in de kleilaag; deze barst; het geheele
dak stort ineen, en komt neer op de hoofden der verschrikte familie,
soms midden in den nacht. Men draagt dan ook zorg, die onvoldoende
dakbedekking zorgvuldig te onderhouden.
Den 30sten Juni, om vijf uur 's morgens, verlieten wij Tasjkent. De
tarantassen, die we den vorigen avond hadden gehuurd, stonden gereed
op de binnenplaats van het hotel. De bagage wordt opgeladen en wij
nemen plaats binnen in het voertuig, waarin we een soort slaapplaats
weten in te richten met een paar bossen stroo.
Het doel van onzen tocht is Prjevalsk, aan het meer Issik-Koul,
midden in het Hemelsche gebergte. Den afstand van ongeveer 900
K.M. hopen we in een week af te leggen. We zullen natuurlijk dag
en nacht doorreizen, zoolang de toestand van de wegen het toelaat,
de rijtuigen het uithouden, en wij in staat zullen zijn, telkens van
paarden te verwisselen. Op het oogenblik van 't vertrek schijnt alles
best te zullen gaan; de yemtschik klapt met de zweep, de belletjes
van de dounga klingelen vroolijk, en de frissche morgenlucht verdrijft
den slaap, die ons nog in de oogen zit.
Als wij de buitenwijken achter ons hebben gelaten, voert de weg
door het open veld, langzaam stijgend, naar een kale vlakte. Het
dorre, verschroeide gras, waartusschen zich hier en daar troebele
waterplassen vertoonen, strekt zich uit tot waar de wijde verte
samensmelt met den gezichteinder. De oneffen grond, waarover wij
in snelle vaart voortgaloppeeren, wordt langzamerhand hobbelig en
vol kuilen, en wij maken voor 't eerst eens goed kennis met onzen
tarantass. Al klampen wij ons nog zoo stevig vast aan den rand van
de kap, al steken wij onze voeten nog zoo vastberaden voor ons uit
onder den bok, 't is onmogelijk het geweldige schokken en hotsen te
vermijden. Onze voertuigen worden voortdurend snel en in tegengestelde
richtingen bewogen, tegelijkertijd van voren naar achteren en van
links naar rechts, en omgekeerd. Haast nog erger dan op zee. Men wordt
omhooggesmeten en weer neergebonsd, stoot zich tegen scherpe kanten,
of drukt zijn buurman half plat, om een oogenblik later met een smak
weer neer te komen op de valiezen, die ons als zetels dienen. De zon is
intusschen hooger geklommen en brandt ons in het gezicht. De paarden,
die diep in het mulle zand zakken, werpen met hun hoeven stofwolken op,
die ons geheel bedekken, hoewel onze voertuigen opzettelijk op grooten
afstand van elkander blijven. De prins en ik kijken beiden nu en dan
om, om te zien of Zurbriggen en Abbas nog wel achter ons zijn. Dan zien
we noch paarden, noch rijtuig; maar een geweldige stofwolk, die ons in
razende vaart najaagt. Van tijd tot tijd ontmoeten we eindelooze rijen
karren, getrokken door paarden of buffels, die met de koppen aan het
voertuig vóór hen bevestigd zijn. Of ook wel karavanen van kameelen,
die langzaam uitwijken, met wonderlijk schommelende bewegingen van
hun koppen en lijven, alsof de grond hun onder de voeten golft. Zulke
optochten van langzaam voortschrijdende menschen en dieren, allen
van een en dezelfde kleur, geven een indruk, alsof het spoken zijn,
gedoemd om voor eeuwig op aarde rond te zwerven.
Tegen den middag loopt de weg omlaag, met korte zwenkingen langs
de helling van een heuvel, waar, tusschen het groen verborgen, een
klein stroompje vloeit. Aan den zoom daarvan staan, tusschen wilgen,
_yourtes_, (kleine huisjes).
In een bescheiden posthuis gebruiken wij ons ontbijt, terwijl andere
paarden worden aangespannen. Hier en daar in den omtrek gaat de
golvende grond schuil onder gouden korenvelden. Landlieden, te paard,
met de zeis op den schouder, gaan ons voorbij, en anderen keeren
terug, met groote bundels gras voor op hun zadel. Honden loopen onze
paarden na te blaffen, tot we bijna reeds weer midden in de steppe
zijn. Den geheelen middag rijden we verder door een woestijn. De
stantzia's liggen niet allen tusschen het geboomte. Er zijn er ook,
waar het regenwater wordt opgevangen in bakken, die in den grond
zijn uitgegraven. Hoewel wij erg dorst hebben, drinken wij geen
droppel. Kort voor Tsjimkent komen we langs een aantal laag gelegen
plekken, waar het water, dat in de wagensporen geloopen is, het stof in
een taaie slijkmassa heeft veranderd, waaruit wij de wielen bijna niet
kunnen loskrijgen. We beproeven er op zij langs te rijden; maar dat is
nog veel erger. We steken een rivier over, en komen kort daarna in de
stad Tsjimkent. Het is tien uur in den avond. Op een paar lichtjes na,
is het in de stad pikdonker, en van de geheele "groene stad" zien wij
niets dan een onoogelijk posthuis, waar we twee uur moeten wachten,
eer we weer kunnen vertrekken. Er schijnt een generaal te vertoeven,
die naar Viernyi moet, en het spreekt van zelf, dat hij het eerst aan
de beurt komt om paarden te krijgen, wat ons volstrekt niet aanstaat.
Te middernacht vertrekken wij weer, en weldra zijn wij opnieuw in
de steppe. De weg schijnt tamelijk goed, en wij trachten in slaap
te komen. De lucht is betrekkelijk koel en er is gelukkig geen
stof. Zeer vermoeid van dat vier en twintig uren achtereen schokken,
stellen wij pogingen in het werk, om ons op ons gemak uit te strekken,
en doen werkelijk een dutje, ondanks het gerammel van het rijtuig,
het rinkelen der bellen, en de kreten en zweepslagen, waarmede de
koetsier zijn paarden aanzet. Maar weldra schijnt de zon ons recht
in het gezicht, en wij worden weer zoo geducht en aanhoudend op
en neer gehotst, dat wij de oogen wel moeten openen; van slapen is
geen sprake meer. We dalen af langs een kloof, waarin steenen zijn
neergestort door het afbrokkelen van de rotsen, en waar de brokken
steen midden op den weg zijn blijven liggen. Niemand denkt er aan,
ze te verwijderen of op te stapelen aan den kant van den weg. De
yemtschik heeft er de dolle vaart van zijn paarden niet om vertraagd;
behalve waar de helling te steil is, en hij ze wel eenigszins moet
inhouden, doet hij juist alsof hij over een effen grasperk rijdt.
Te Vannovsk, een kleine kozakkenpost, midden in de steppe, moeten
wij wachten, van tien uur 's morgens tot drie uur 's middags. Hier
is het niet de generaal, die voorgaat, maar de post.
Ze weten niet precies, wanneer deze wordt verwacht, maar de bode
is in aantocht, en zal nog vandaag weer vertrekken. Dus weigert
de smotrissiel voorloopig, om ons paarden te verschaffen. Zeer
verbaasd over dien ongewonen staat van zaken, vragen wij nadere
inlichtingen. De smotrissiel vertelt ons, dat ons podoroyne
(reisbiljet) een derde klasse biljet is, en ons dus geen aanspraak
geeft op het geringste voorrecht. Wij kunnen eerst paarden krijgen,
als de post is voorzien. Gelukkig hooren wij 's middags, dat moujiks
uit het dorp ons wel paarden willen verhuren tot aan het volgend
station. Wij onderhandelen over den prijs en krijgen twee troïka's
voor vier roebels. Op de volgende pleisterplaats doen wij hetzelfde;
want de post blijft uit, en wij kunnen moeilijk langer wachten. Tegen
den avond naderen wij den bergpas van Tsjak-Pak, een breede opening
in de Karataou-keten, die als een cyclopenmuur vooruitspringt in de
kale vlakte. Van daaruit geraken wij in een nauwe kloof, bezaaid met
rotsblokken, en waar een witachtig, laag struikgewas groeit. Daar de
helling zeer steil is, zet de koetsier de wielen van de tarantass
vast, om de paarden niet te laten meesleepen door de zwaarte van
den wagen. Wij stappen uit, om ons wat te vertreden, en ontdekken
een heldere bron, die ontspringt uit een rotsspleet. Dat is een
verrassing, want onze kelen zijn droog van de hitte en het stof. Tegen
den nacht komen wij voorbij Aoulié-Ata, een onbeduidend dorpje, dat
bekend is door het graf van een Khan der Kirghizen. Vandaar de naam,
die Heilige-Vader beteekent. Na Aoulié-Ata volgt de streek, die de
chineesche pelgrim Hiouen-Tsang het land der duizend stroomen noemt,
en waar, volgens de overlevering, het eerste koninkrijk werd gesticht
der Kara-Kitaïs, de zwarte Chineezen. Het is het stroomgebied van
den bovenloop der Tsjoe, waarvan de talrijke zijrivieren, die van
de Alexanderbergen neerdalen, het land aan den voet besproeien en
vruchtbaar maken. De Tsjoe zelve, ofschoon een tamelijk groote rivier,
schijnt te verloopen in het woestijnzand. De vermoeiende eentonigheid
der steppen wordt hier dikwijls onderbroken door stroomende rivieren,
welker oevers dicht zijn begroeid met hoog riet, waarin zich wilde
dieren schuilhouden, vooral tijgers, die jacht maken op talrijke
wilde zwijnen en antilopen.
Te Pichpek laten wij den grooten weg, die verder loopt naar Viernyi,
links liggen en maken een omweg, langs het gebergte, dat den rechter
oever van de Tsjoe begrenst. Eindelijk naderen wij de bergketen,
die wij reeds dagen lang aan onze rechterzijde zagen verrijzen,
en waarvan de witte toppen ons als het ware schenen te wenken. Het
landschap is nu van voorkomen veranderd, en met welbehagen rust onze
blik op het groen der weiden. Maar nergens een spoor van bosch of
woud. Zullen wij van dat gezicht gedurende de gansche reis verstoken
blijven? Juist als wij ons dit afvragen, zien wij een rij karren
naderen, beladen met stammen van pijnboomen. Dat is een goed teeken.
Midden in den nacht, na onzen derden reisdag, houden wij stil bij het
station Tjillarik, dat zeer eenzaam is gelegen tegen de helling van een
voorgebergte, aan den ingang van den bergpas van Bouam. Blootgesteld
aan den vinnigen ijskouden wind, kloppen wij aan bij het posthuis;
maar te vergeefs. Wij gaan op verkenning uit, maar bespeuren geen
teeken van leven. Wij zijn reeds half ontmoedigd, en willen maar
weer in de tarantass gaan schuilen, doch Zurbriggen geeft het niet
op. "Al moet ik de deur intrappen", zegt hij, "ik wil weten wat
er achter zit." Hij blijft maar doorbonzen. Eindelijk hooren we
den vloer kraken, en de deur gaat open. Er verschijnt een jongen,
half aangekleed, en met een kaars in de hand. Wij wachten niet af,
of hij ons zal uitnoodigen, binnen te treden, waartoe hij trouwens
ook geen aanstalten maakt. Een enkele blik in de ruimte achter hem is
voldoende, om ons op onze schreden te doen terugkeeren. Wij hooren,
dat er geen enkel paard te krijgen is, en het schijnt ook verstandiger,
daar de weg slecht is, om tot den volgenden morgen te wachten Dan
kunnen in de vroegte de paarden worden gehaald, die nog in de weide
zijn. Wij maken gebruik van dit oponthoud om in onze dekens gewikkeld,
wat te gaan slapen. Bij het aanbreken van den dag worden de paarden
aangespannen en wij rijden verder.
Onze voertuigen hebben hun snelle vaart thans gematigd, en stapvoets
gaat het tegen een steil bergpad op, waarnaast een verschrikkelijke
afgrond gaapt. De weg zelf schijnt een lint, dat over een golvende
oppervlakte is geworpen, en stijgt en daalt met de oneffenheden van
den bodem. De bergkloof, die wij doortrekken, is zeker belangwekkend
voor een geoloog, maar zeer vervelend voor den gewonen reiziger, die
telkens moet uitstappen, en dan nog niet eens vergoeding kan vinden
in een schilderachtig uitzicht. Nadat wij twee pleisterplaatsen
zijn gepasseerd, en weer op den rechter oever van de Tsjoe zijn
teruggekeerd, zien wij in de verte een blauwe watervlakte die zich
uitstrekt zoover het oog reikt. Daarachter verdwijnt de getakte
rand van een bergketen in den nevel, en doet ons zien dat wij het
hooggebergte naderen. 't Is het meer Issik-Koul, en de bergketen
van Terskeï-Ala-Taou. Voor ons ligt een verrukkelijk landschap
uitgebreid. Op den voorgrond de glooiende helling aan den voet van
den berg, die langzaam afdaalt naar het meer, aan welks zoom, onder
overhangende klippen, troepen wilde zwanen schuilen, pelikanen en
andere watervogels. Heerlijk steekt het geelachtig roode oeverzand
af bij de wisselende tinten van den glanzigen waterspiegel. In de
verte verheffen zich uit een violetten nevel de hooge bergen van de
Terskeï-Ala-Taou, met hun grillige licht- en schaduwpartijen. Alle
kleuren zijn zoo teêr en vaag, dat de afstand van hier tot het
gebergte veel grooter lijkt dan werkelijk het geval is. Gedurende de
eerstvolgende honderd werst blijft de streek woest en onbewoond. De
weg loopt dikwijls langs neergestorte rotsblokken, waarop zich
kleine aardheuvels hebben gevormd, met gepluimd gras begroeid. Wij
jagen massa's hazen op, die naar alle zijden wegvluchten, gretig
bespied door groote gieren, die neerstrijken op een Kirghizengraf,
of hoog boven onze hoofden blijven zweven. Langzamerhand komt er
wat meer leven in de omgeving. Wij zien eenige kudden vee; aouls
der Kirghizen, en Kozakkendorpen; twee van deze zijn zelfs bloeiende
kleine plaatsjes, daar de rivier hun omstreken besproeit. Wij komen
voorbij tallooze Kirghizengraven, 't zij tot kerkhoven vereenigd, 't
zij alleenstaande monumenten. De oevers van het meer Issik-Koul staan
bij de nomaden in den reuk van heiligheid, en rijke lieden laten daar
hun graftombe bouwen. Al die graven zijn opgetrokken uit gedroogde
klei, en hebben meestal den vorm van een afgeknotte pyramide, met
smalle treden. Sommige van die monumenten zijn buitengewoon rijk
versierd, als men in aanmerking neemt in welk een verlaten oord
zij zich bevinden. Vier muren van klei dragen een soort van koepel,
waarop verschillende sieraden zijn aangebracht, schedels van dieren,
glazen kralen, en paardestaarten aan een langen stok bevestigd. De
voorzijde is voorzien van boogvormige openingen en wordt opgeluisterd
door ornamenten en inschriften en relief, alles zeer kinderlijk en
onbeholpen van uitvoering.
Aan de oostelijke grens van het meer nadert het gebergte zeer dicht tot
den oever, en soms is de weg in de rotsen uitgehouwen. De bergwanden
zijn vol gleuven en diepe spleten, en uit die kloven rijzen donkere
dennenbosschen op. Eenzaam en afgelegen spiegelt het klooster van
Troïtsky zich in de wateren van het meer. Het dient tegelijkertijd
als gevangenis, schuilplaats, oord van ballingschap en buitenverblijf.
Den 6den Juli, om tien uur, passeeren wij Preobrajensk, waarvan de
huizen hoog boven elkander tegen een klip zijn gebouwd.
Nu zijn wij nog maar dertig werst van Prjevalsk verwijderd. De
hoogvlakte, die de beide plaatsen scheidt, bestaat uit verschillende
opeenvolgende terrassen, welke doorsneden worden door de diepe
beddingen van den Troum en den Dargalan. Behalve langs den waterkant,
vertoont hier de bodem geen spoor van plantengroei.
Eindelijk hebben wij de laatste golving van het terrein bereikt,
en zien in de verte het oude Karakol, dat schilderachtig te midden
van het groen is gelegen aan den voet van een amphitheater van hooge
sneeuwbergen. Op het eerste gezicht zou men het dorpje voor een
gehucht in de Alpen houden, met zijn torenspits, zijn boomgaarden,
bosschen en gletschers op de hooge toppen. Doch rondom ligt de wijde
steppe, onbebouwd en als door het vuur verschroeid. Dat zachtgroene
plekje, bezaaid met stipjes wit en geel, doet ons oog aangenaam
aan, zelfs van verre gevoelt men den weldadigen invloed van dien
liefelijken plantengroei, en het gezicht van de sneeuw is ons reeds
een verkwikking. Dichtbij de stad Prjevalsk is de weg met populieren
beplant, waarachter zich velden uitstrekken met graan, waartusschen
bonte papavers gloeien. Ter rechterzijde van den weg ligt een kerkhof
met zijn grafheuvels en sarkophagen van klei.
Te twee uur in den namiddag rijden wij de binnenplaats van het posthuis
te Prjevalsk op, en stappen uit de tarantass.
Dat is een verlichting! We zijn bont en blauw en hebben een gevoel
alsof onze ledematen zijn ontwricht. Zurbriggen kan niet nalaten,
zijn blijdschap te toonen over die verlossing. Hij beweert, dat hij
op al zijn reizen in Indië, Australië en Argentinië, nog nooit zulke
ellendige vervoermiddelen heeft leeren kennen.
De smotrissiel biedt ons beleefd de vertrekken aan, waar gewoonlijk
reizigers logeeren. Meubels zijn er niet; maar wij zullen wel op
den grond slapen. Altijd nog beter dan in de tarantass. Intusschen
hebben zich een menigte jongens en leegloopers op het plein verzameld,
aangetrokken door het gezicht van onze vreemde uitrusting. Iets later
verschijnt een forsche politieagent, die onze papieren wil zien. Als
hij hoort wie wij zijn, gaat hij aanstonds naar den gouverneur, die
ons, vergezeld van een tolk, zijn opwachting komt maken. Wij hadden
wel gaarne van de heeren eenige inlichtingen ontvangen omtrent de
Khan-Tengri-groep, en de dalen die daarop uitkomen, maar zij weten
ons daaromtrent niets nieuws te vertellen. De gouverneur belooft
ons echter, dat hij ons door een agent zal laten vergezellen, en de
heer Kross, die tolk en apotheker is, verklaart zich bereid, ons in
ieder opzicht van dienst te zijn. Den volgenden morgen brengt hij
ons bij een Kirghizenhoofdman, die, naar wij hopen, ons inlichtingen
en misschien wel een ervaren berggids kan verschaffen. Het was een
slim oud heer, met één oog, een langen baard en een soort wijden
slaaprok van bontgekleurde zijde. Toen we zijn vervallen woning
binnentraden, zagen we op de plaats een grooten troep kinderen,
aan 't spelen met kippen en ganzen, die naar alle zijden een goed
heenkomen zochten. Hij ontving ons in een vertrek, dat men, het zij
met allen eerbied voor den rang van den bewoner gezegd, gerust een
smerig hol mocht noemen. Er lag niets dan een tapijt op den grond, en
in de hoeken stonden een paar kisten. Wij gaan op zijn turksch naast
hem op den grond zitten en luisteren aandachtig, in de hoop iets te
zullen vatten van het koeterwaalsch, dat hij met ongeloofelijk radde
tong uitbrabbelt. Onze tolk geeft zich niet bijster veel moeite om
het verhaal in het Duitsch weer te geven. Met veel moeite beginnen wij
iets van het betoog te begrijpen; onze gastheer gaat geducht te keer
tegen de nieuwe overheerschers van het land, die hem van zijn vroegere
voorrechten hebben beroofd. Het is niet zeer voorzichtig van hem,
zich zoo vrijmoedig uit te laten. Hij zet zijn beweringen klem bij,
door ons op den schouder te slaan, of vertrouwelijk de hand op onze
knie te leggen, neemt ons soms bij de hand, en spreidt onze vingers
vaneen, als hij iets opsomt. Voor we afscheid nemen, krijgen we nog
tchiaï, die ons gebracht wordt door een van zijn nichtjes, een heel
mooi meisje van zestien jaar, in een nog al luchtig négligé. Van onze
Westersche gebruiken schijnt de oude heer niet te best op de hoogte,
hij slaat met een borstel de suiker op den vloer stuk, en smijt handig
de stukken uit de verte in onze kopjes.
Des avonds gaan we naar den "boulevard". Zoo noemen de aziatische
Russen de parken, die zij in elke stad van eenige beteekenis aanleggen
en zorgvuldig onderhouden. De kerk, het park en de club zijn drie
onontbeerlijke elementen in dit land. We vinden het park van Prjevalsk
zeer merkwaardig, met zijn tuintje van inheemsche planten, en een paar
groote witte steenen, die boven de omringende boschjes uitsteken. Uit
de verte zien wij niet recht, wat ze moeten voorstellen, maar van
dichtbij bespeuren we, dat het ruw gehouwen nabootsingen zijn van
menschelijke gelaatstrekken. Het zijn oude grafmonumenten van de
Nestorianen, volgelingen van een zekeren Nestorius, welke in lang
vervlogen tijden deze streek hebben bewoond.
Wij waren voornemens, te Prjevalsk paarden te koopen, nieuwen
mondvoorraad op te doen en onder de inwoners naar geleiders voor onze
lastdieren om te zien. De paarden kosten ongeveer dertig roebels,
merries tot veertig en vijftig.
De kooplieden echter tot wie wij ons richtten, vroegen ons, daar wij
vreemdelingen waren, het dubbele van dien prijs. Wij verijdelden hun
snoode plannen door een krijgslist, en lieten overal rondstrooien,
dat wij ergens anders moeite wilden doen. Om dit gerucht schijnbaar
te bevestigen, brachten wij zelfs onze voertuigen in gereedheid. Dat
hielp. Van toen af hadden wij de keus uit al de paarden in de stad
en de omstreken, die ons beurt voor beurt op de binnenplaats werden
vertoond. Wij kozen er twaalf uit, zes om te berijden, en zes voor het
dragen van de bagage. Men kan zich moeilijk voorstellen, hoe lastig
het is, om de toebereidselen voor zulk een kleine karavaan tot stand
te brengen, in een land, waar men zich slechts met behulp van derden
verstaanbaar kan maken. Gelukkig dat Abbas zijn uiterste best deed,
en ons trouw en eerlijk ter zijde stond, terwijl de heer Kross ons
terechthielp in de winkels.
De bazar van Prjevalsk wordt veel bezocht door Kirghizen en door
de karavanen, die een druk verkeer onderhouden tusschen Viernyi en
Kasjgar, langs de passen van den Djoukoua en den Bebel. Behalve als
handelsplaats, is het plaatsje van weinig beteekenis. De omstreken zijn
vruchtbaar, rijk aan wei- en bouwland, en er groeien veel vruchtboomen,
maar in deze voortbrengselen wordt geen handel gedreven. Uitgevoerd
wordt alleen opium, wol en bontwerk. Door den transaziatischen spoorweg
zal het dal van Issik-Koul veel winnen; want de alluviale grond is
bijzonder vruchtbaar; water is er in overvloed; de dalen wemelen
van wild, en in de mijnen liggen schatten verborgen. Daarenboven
is de streek zeer gezond; bekoorlijk boven alle beschrijving, en
zij kan roemen op een gematigd klimaat. Eer wij de stad verlieten,
gingen wij nog bloemen brengen op het graf van den grooten onderzoeker
Prjevalsky, voor wien op de plek, waar hij gestorven is, een eenvoudig
gedenkteeken is opgericht. Het staat dicht bij het meer, op den top van
een klip; eenzaam, aan den rand der steppe. Geen betere plek had kunnen
worden gekozen als rustplaats van hem, die de helft van zijn leven
wijdde aan zwerftochten in de eenzame streken van Midden-Azië. Een
rotspyramide draagt een arend, met uitgespreide vleugels, die in
zijn klauwen een russisch kruis vasthoudt en een gebroken ketting,
om door dit zinnebeeld aan te toonen, hoe de russische beschaving het
blinde fatalisme heeft vernietigd, dat deze onbeschaafde volken in
de ketenen der barbaarschheid hield gekluisterd. Ter halver hoogte
van het voetstuk prijkt een medaillon, met het borstbeeld van den
beroemden geleerde, en een opschrift, dat zijn daden vermeldt. Het
graf is door bloemperken omringd, die zorgvuldig worden onderhouden.
Den 11den Juli, om 2 uur 's namiddags, vertrekken wij uit Prjevalsk.
Onze karavaan bestaat uit zeven man en dertien paarden. De
Kirghizenhoofdman had ons beloofd, een zijner onderhoorigen te laten
meegaan, om ons in de bergen den weg te wijzen; maar er verscheen
niemand. Later hoorden wij dat de oude heer nooit werkelijk aan het
hoofd van eenen stam had gestaan; maar dat hij bij de Nomaden als
een wonder van wijsheid, een tweeden Salomo, bekend stond, die de
moeilijkste vragen wist op te lossen. De Kirghizen komen hem dan ook
dikwijls raadplegen en leggen gaarne honderden wersten af, om zijn
hulp in te roepen.
Ons personeel bestaat uit Abbas, een djighite, een jongen russischen
kolonist, Piotra, en een jager, lid van een nomadenstam. Dat zeer
uiteenloopend viertal heeft veel moeite om het met elkander te
vinden. Abbas is oorspronkelijk een echte Iraniër uit Farsistan,
wiens kleedij op zonderlinge wijze herinnert aan de verschillende
streken, waar hij heeft verblijf gehouden. Hij is tenger van gestalte,
en niet groot, met een gewoon gezicht, een ruigen baard en pikzwart
haar, dat in lange krullen over zijn jaskraag golft. Want hij draagt
een europeesch kostuum (jasje, broek en vest, met gele bottines),
waarover en waaronder hij allerlei losgeplooide perzische omhulsels
heeft aangetrokken, die door een gordel met fantasiegesp worden
vastgehouden. Aan zijn zijde hangt zijn onafscheidelijke yatagan,
en op het hoofd draagt hij een deftige muts van schapevel. Uit de
verte ziet hij er krijgshaftig uit, en doet aan een struikroover
denken. Het is een beste man, door en door eerlijk, en die door
zijn talrijke gaven en voorbeeldigen ijver het ver kan brengen; want
hij kan van alles worden, drogman, kok, aanvoerder eener karavaan,
en wie weet wat nog meer. De djighite is een soort politieagent in
dienst van de russische regeering. Hoewel hij evengoed een Kirghies
is als de nomaden, waarover hij gezag heeft, vindt hij zich veel
voornamer dan zij, en behandelt hen als uitvaagsel. Het spreekt
van zelf, dat bij het innen der belastingen een groot gedeelte in
zijn zak verdwijnt, daar de ambtenaar zelf niet al te best op de
hoogte is van de statistiek zijner belastingschuldigen. Onze agent
had een stuk bij zich, opgesteld in de russische taal en in die der
Kirghizen, voorzien van het zegel van den gouverneur, waarin stond,
dat hij ons als vrienden moest beschouwen, en ons alles verschaffen
wat wij noodig hadden. Dat stuk was als 't ware een talisman, die onze
onschendbaarheid waarborgde. Daar wij onder de bescherming van Rusland
stonden, zouden de nomaden zich wel wachten, ons ook maar het geringste
in den weg te leggen; want de minste tekortkoming tegenover ons zou
hun duur te staan zijn gekomen. De djighite draagt als teeken zijner
waardigheid een ijzeren plaatje op zijn tschiapann, en is gewapend met
een sabel en een revolver. Onze vriend ziet er zeer schrander uit, en
behandelt ons uiterst beleefd, al wordt hij niet door ons betaald. Hij
krijgt echter een geschenk, als hij zijn plichten trouw nakomt.
Piotra en de jager zijn minder gewichtige personages. De eerste
is de zoon van een Kozak, die te Prjevalsk woont; hij fungeert als
onze huisknecht. De jager, Kirghies van top tot teen, is de beste
leidsman voor een karavaan, dien men kan wenschen; hij past goed op
de paarden en zorgt, dat wij geen ongelukken krijgen; maar als we
aan een pleisterplaats zijn gekomen, valt hij als een blok in slaap,
en wordt vooreerst niet weer wakker.
Na Prjevalsk volgen wij den weg, die door den Santachpas langs de
bergketens van Ala-Taou en Koungheï-Ala-Taou voert, en te Viernyi
uitkomt. De weg loopt door een vruchtbare, maar weinig bebouwde streek,
aan den voet van het Ala-Taou gebergte.
Na een tiental wersten te hebben afgelegd, komen wij in Aksouïskyie,
een havelooze Kozakkenkolonie. De geheele bevolking komt naar ons
kijken; de mannen, met zware laarzen en roode hemden, die over
hun broek hangen, groeten eerbiedig. De forschgebouwde vrouwen,
in felgekleurde lompen gehuld, staan met de handen in de zijden in
de deur.
Tegen zeven uur houden wij stil aan den zoom van een beek, om
te kampeeren. Iets verder staan een twintigtal hutten achter een
wilgenrij, dit is Djarghess, een andere Kozakkenkolonie. Onze komst
lokt eenige nieuwsgierigen, Kozakken uit het naburig dorp, die op
hun gemak bij ons komen zitten. Eene vrouw is zelfs zoo vriendelijk,
ons een pot met melk aan te bieden. Wij geven haar stukken suiker,
waarvan zij veel schijnt te houden.
Terwijl ons middagmaal wordt bereid, wandelen wij rondom de tenten,
en bewonderen den prachtigen zonsondergang.
Stroomafwaarts zien wij het riviertje Djargalan door de blauwe
vlakte kronkelen, waarin eenige alleenstaande boomen zich donker
afteekenen tegen de gouden avondlucht. Langs de bochten der rivier
liggen de yourtes of tenten der nomaden verspreid, in zalige rust,
en uit hun koepelvormige daken stijgt stil de rook naar boven. Links,
tweehonderd werst van ons verwijderd, steken de Alexander-bergen,
zacht lila getint, hun besneeuwde kruinen omhoog. Rechts springt
de Ala-Taouketen naar voren, donkerder van kleur, en hier en daar
schel verlicht door de ondergaande zon. Het meer ligt verborgen in
den dichten nevelsluier, die in de avondkoelte daaruit opstijgt.
Maar Piotra, de Rus, heeft ons middagmaal gereed gemaakt, op een
vilten tapijt voor de tent van den prins. Wij gaan in opgewekte
stemming zitten of liever liggen, op onzen elleboog steunend, rondom
de servet, waarop ons eenvoudig en sober maal gereed staat. Gebraden
kip staat ook op het menu; maar deze is helaas onwrikbaar taai. Om
10 uur kruipen wij in onze slaapzakken, 't Is de eerste nacht,
dat wij buiten kampeeren. Ons lichaam heeft al vrij wat uitgestaan,
onze huid is langzaam aan haast ongevoelig geworden in de tarantass;
maar toch hindert het ons als we nu en dan in onzachte aanraking komen
met kleine steentjes. Het duurt echter niet lang, of de vermoeidheid
doet ons in Morpheus' armen vergetelheid vinden.