Eenmaal door de meerderheid van den magistraat het besluit genomen
zijnde om met den vijand te onderhandelen, werd hiermede dan ook
des avonds te zeven ure onder het pijnigendst gevoel voor Ripperda,
Van der Laan, Kenau en vele anderen, een aanvang gemaakt. Zij, die
zich met deze droevige taak belastten, waren burgemeester Van Vliet en
Stuiver; Johan van Zuren en 's bisschops vicaris, Hieronimus Varlenius,
benevens de hoplieden Vader, Rosoni en Steenbach.
Na een gesprek met den vijand buiten de Zijlpoort, kwam men wegens
de voorwaarden genoegzaam overeen, met uitzondering van hopman
Rosoni, die er zich tegen verzette en oogenblikkelijk binnen de stad
terugkeerde. Daar de onbillijkheid van 's vijands eischen levendig
geschetst hebbende, snellen de meesten zijner soldaten naar de poort
en halen de valbrug op, ten einde de afgevaardigden buiten Haarlem
te sluiten. Na een uur lang geweigerd te hebben, hen binnen te laten,
kwam men echter ten laatste tot andere gedachten; men wist de opgewekte
gramschap te beteugelen, door aan het volk de hoop in te blazen, dat
Frederik's genade aller verwachting verre zou te boven gaan en--de
afgevaardigden kwamen binnen de stad.
Maar na een nacht, zoo somber en verplettend voor de ziel van Ripperda
als er ooit een nacht was geweest, kwam de morgen van den dertienden
Juli. De hitte was drukkend en benauwend, ofschoon de lucht met grauwe
wolken bedekt was, wolken, die een akelig voorspook schenen van het
naderend lot.
Reeds vroeg in den morgen had de regeering aan de gezamenlijke
bezetting afgevraagd, of zij op genade en ongenade in de stad blijven,
of er ongewapend uit wilde trekken. Men had het eerste verkozen, ten
einde aan den Spanjaard daardoor een blijk van vertrouwen te geven, en
vooral, omdat aan de Duitschers en Schotten, zooals zij vermeenden,
de genade half verzekerd was. Nu werd er in overweging genomen,
hoe groot eene som men zou kunnen bijeenbrengen om de plundering der
stad af te koopen; ook bepaalde men, wanneer men de met den vijand
aangeknoopte onderhandelingen zou voortzetten. Maar gedurende dit een
en ander grepen er schokken plaats in de ziel van Ripperda en Bordet,
schokken, echter even verschillend als de gemoedsaard van den Fries
en den Franschman. Het gevoel van Ripperda was dat van iemand, die het
diep betreurt, dat een gebouw ondermijnd wordt en weldra zal instorten
om velen in rouw te dompelen, en die zijn eigen leven niet zou achten,
zoo hij dien val voorkomen kon;--hij toch had er de grondslagen
van gelegd; de roem, het geluk van anderen was ook zijn roem, zijn
geluk. Het gevoel van Bordet strekte zich niet uit tot duizenden;
wel beminde hij den mensch als mensch, maar roem, maar grootheid
zocht hij in het middelpunt van zich zelven, in de handhaving van
zijne eer. Met den val van Bordet zou men hebben kunnen uitroepen:
»de fiere stam is gevallen!« Maar bij dien van Ripperda zou men
de klacht hebben laten hooren: »Door den val van dien krachtvollen
lommerrijken eik is een gansch woud van zijn sieraad beroofd!«
Ingevolge Ripperda's besluit wilde de Fries dan ook aan geene
onderhandeling deelnemen. Al was de eik door den storm hevig
geteisterd--de stam stond niettemin nog trotsch op zijne wortels. Geen
middel liet hij onbeproefd om nog een uittocht te ondernemen; doch
de Duitschers en Schotten waren er niet toe te bewegen; ook was de
honger zoo verschrikkelijk, dat velen zich als in de armen van den
Spanjaard zouden geworpen hebben om voedsel te bekomen.
In weerwil hiervan wilde Ripperda nog eene laatste poging aanwenden,
en op zijn verzoek waren des morgens te zeven ure eenige hoplieden in
den Doele bijeengekomen. Nog eenmaal zou hij zijne stem doen hooren,
nog eenmaal zou hij beproeven, wat hij op het eergevoel der afvallige
Duitschers kon teweegbrengen.
--»Haarlem is nu gelijk aan een huis, dat waggelt boven een afgrond,«
zoo begon hij; »doch nog een woord vóór het dien afgrond instort--één
woord van Wigbolt Ripperda. Wee de vest, wier burgers en soldeniers
zich maanden lang met het bloed van hunne vijanden verfden; zij
hebben de roede in de hand van den tuchtiger te vreezen, de wraak
van een gekneusden vijand; want die vijand is een Castiljaan. Legt
dus de hand op uwe borst, en vraagt u af: »Is voor Haarlem wel alles
gedaan? Is het laatste middel ter hand gegrepen? Rest ons niets dan
een verdrag--eene rampzalige overgaaf?«--En het antwoord zal zijn:
»Nog restte ons de poging om met roem te overwinnen of met roem te
sterven. Zoo zal ook de nakomeling spreken, maar dat wij hem dit recht
benemen! dat wij die laatste poging ter hand grijpen! dat wij een naam
vol eer nalaten. Nog is de poort niet ontsloten, waardoor de dood zal
binnenstormen. Den uittocht dus, krijgsbroeders! Al de soldeniers met
één wil daartoe bezield!--Dat is de stem van God en de stem der eer.«
De meeste hoplieden stemden in met deze woorden, doch Felttweifel
en anderen bewaarden het stilzwijgen, en schenen aan Steenbach het
antwoord over te laten.
--»Ook ik wil aan die stem gehoor geven,« sprak hij, »maar al
onze woorden bij de soldeniers zijn te vergeefs en dreigingen baten
niets. Zij rekenen vast op genade, en wij mogen hun die niet ontnemen;
want graaf Overstijn is een braaf man, die op geen lossen voet eene
belofte neerschrijft.«
--»Men hoopt op genade!« sprak Bordet, terwijl een koude lach zijne
lippen plooide. »Veeleer moge wij 't leven verwachten, als een tijger
ons in de klauwen heeft. Ondraaglijk denkbeeld, dat het lot mij in
deze vest moest brengen om er, onverdedigd, den dood te vinden! Dat ik
mijn vaderland, dat ik Frankrijk niet meer zal terugzien, dat grijpt
mij niet in de ziel, maar dat ik nutteloos sterven zal zonder rapier
in de vuist--die gedachte is erger dan een dolksteek voor mijn gemoed.«
--»Ik beken,« hernam Steenbach, »de gedachte van overgaaf is
ondraaglijk, maar wij zijn niet overwonnen, en de Spanjaard zal niet
moorden op hen, wien geen kruit of brood meer rest; hij zelf heeft
eerbied voor al den moed en de volharding, sinds zooveel maanden
betoond.«
--»Eerbied!« zeide Ripperda, »die eerbied is een mom, waarachter
de booze lacht en grijnst. Maar ik zie en hoor, dat ook mijn laatste
woord ijdel is. De Duitschers en Schotten rekenen op genade, welnu--het
staat hun vrij! Dat zij de genade koopen voor de schande; ik verkies
de eer boven het leven, en de Spanjaard en het nageslacht zullen
weten, dat nooit Wigbolt Ripperda door woord of teeken tot overgaaf
heeft gestemd.«
--»Maar de vijand zal uw leven niet eischen, edel heer!« hernam
Steenbach. »Na zooveel moed gedoogt God zulk een gruwel niet. Zoo
Haarlem de gevorderde som tot afkoop van de plundering voldoet,
dan houd ik het voor gewis, dat niemand in lijf of goed zal worden
verkort. De heer De la Mothe en de graaf van Bossu hebben er
verzekering van gedaan.«
--»Niemand, dwaas? of wat naam moet ik u geven?« vroeg nu Bordet. »Zal
dan ook ik leven? Ik, die Bergen verrastte, en bij de overgave er
van beloofde, den dienst van Oranje te verlaten? Ik weet, dat al
dezulken de strop wacht: dat heeft Alva gezworen; ja, al hadt gij
den Spanjaard door verraad gediend en--gij waart bij Bergen geweest,
zoo zeker als gij nu het hoofd hoog draagt, zoo zeker zou het over den
grond rollen. Neen! ik zal sterven,« ging hij voort, zich nader tot
Ripperda wendende, »sterven met schande; en gij, heer Ripperda! ook
gij zult niet leven; want de Spanjaard zal iederen slagboom voor zijne
verdere plannen uit den weg ruimen. Voor den man dus, die niet met
smaad wil sneven, rest niets dan de dood door eigen rapier: grijpen wij
dat middel aan! Het is het eenige, dat onze eer voor schande behoedt!«
Allen sloegen een strak oog op den Franschman.--Allen huldigden zijn
levendig eergevoel; maar tegelijk trad ook de gedachte aan zelfmoord
voor hun geest. Zoowel zij, die de oude als die de nieuwe kerkleer
omhelsden, huiverden bij het denkbeeld; doch minst van al strookte
het met de strenge godsdienstbegrippen van Ripperda, het als erfleen
ontvangen leven met eigen hand te vernietigen.
--»Weg met de taal der wanhoop, der verblinding,« sprak hij. »Hoe,
gij, dien den moed hadt, de felste pijn te verduren, gij spreekt
aldus? Zelfmoord is geene grootheid van ziel. Dat de mensch niet
scheide, wat God vereenigd heeft; dat hij de hand niet sla aan
zich zelven! Dat de vijand mij doode met duizend martelingen--geene
klacht zal mij ontglippen, maar met eigen rapier mij zelven.... neen,
krijgsmakker! dat in eeuwigheid niet.«
--»Hoe!« hernam Bordet. »Is het geene grootheid, zich van alles
los te scheuren en zelf den dood manmoedig tegen te gaan? Zou hij
geen roem verdienen, die de oneer, de schande ontvlucht?--Maar dat
het roem zij noch grootheid--de schande kan ik niet dragen. Geef mij
vergif--en ik zal het drinken--niet het vergif der oneer. Ook ik zal,
zonder klacht, duizend smarten verduren, maar de smart der oneer kan ik
niet doorstaan. De lage Spanjaard zal mij niet, onder schimp en hoon,
naar de galg sleuren; hij zal niet lachen met mijne zielspijn, en ik,
ik zal den satanslach op zijn gelaat niet aanschouwen, dat zweer ik
als edelgeboren Franschman, dat zweer ik als man van eer.«
--»Zulk eene overgaaf is verschrikkelijk na eene zoo lange
verdediging,« hernam Ripperda. »Al kon ik het leven koopen en den
hoogsten rijkdom en rang voor een enkel woord van overgaaf--ik zou
weigeren met verachting. Maar dat past den man--zijn lot te dragen
als Christen en als held. Sinds de magistraat heeft besloten, de
stad over te geven, acht ik mij Haarlem's bevelhebber niet meer;
maar Ripperda verbindt zijn lot aan dat der stad, die hij zoolang
heeft helpen verdedigen; en het is zijn plicht, gelaten en onbevreesd,
dat lot af te wachten, wetende, dat het in de hand van God is.«
Nog sprak men over de zaak, toen hopman Vader het bericht bracht,
dat de regeering besloten had, te negen uur de onderhandeling met
den vijand voort te zetten. Nauwelijks had men dit gehoord, of men
zag den Franschman Bordet zich met drift uit de zaal verwijderen, en
duidelijk hoorde men hem, bij het openen der deur, de woorden uiten:
»Dat besluit bepaalt mijn lot.«
Het was ongeveer acht uren. De toenmalige Groenmarkt overgegaan
zijnde, kwam de Franschman op den hoek van de Damstraat bij de Beek,
trad zijne tijdelijke woning--het huis van den Rooden Leeuw--later
Brutus genoemd--binnen, en snelde oogenblikkelijk de trap op, waar
zijn bediende de komst van zijn heer verbeidde.
--»Er is geen kruit meer in Haarlem, maar voor mij nog genoeg om
te sterven met eer,« sprak hij, en haalde een geladen pistool te
voorschijn, waarna hij zich tot zijn dienaar wendde en vastbesloten
hem aanzag.
--»Het is beslist,« zeide hij, op de borst slaande, »mijn dood staat
vast. Knaap, gij hebt mij menige trouwe dienst bewezen, betoon mij
ook den laatsten; druk dit wapen op mij los,--behoed mij voor een
eerloozen dood.«
Verbaasd en verschrikt deinsde de jongeling een paar schreden terug,
wierp zich vervolgens op de knieën en bezwoer bij het heil zijner
ziel, hem van een bevel te verschoonen, waarvoor zijn gemoed van
afschuw ineenkromp.
--»Hoe! gij weigert mij dit laatst bewijs van trouw?« hernam Bordet;
»weet dan, dat ik toch mij zelven het leven beneem; maar mijne hand
zou het schot kunnen doen missen en mij niet eens in den dood brengen;
gedraag u dus mannelijk en braaf, zooals het een dienaar betaamt. Ik
beveel het u, knaap! druk los op uwen heer; eene seconde slechts,
en--het is met mij gedaan.«
--»Edele heer! bij den almachtigen God--beveel mij geen moord,«
bad de knaap met samengevouwen handen en verwonderd tevens, dat zijn
heer die daad van hem eischte. »Uw leven zou ik redden, zoo ik het
kon, maar u dooden.... neen, neen! dat kan ik niet. Heb medelijden;
straf mij voor mijne ongehoorzaamheid; druk de pistool op mij los,
maar dwing mij niet tot den moord van mijnen heer! Ik kan niet. Groote
God! liever wil ik sterven dan zijn moordenaar zijn.«
--»Weg dan, kleinmoedige. Zoo wil ik alleen zijn,« hernam Bordet, en
nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de dienaar stortte de
deur uit, om aan dit bevel te gehoorzamen. Maar aan den trap gekomen,
weigerden zijne voeten hem te dragen; als eene zuil stond hij daar
aan den grond vastgenageld; hij huiverde bij de gedachte aan zulk een
dood. Hij stond op het punt, het vertrek andermaal binnen te treden,
maar gewoon te gehoorzamen aan ieder bevel, slechts dat van den
moord uitgezonderd, waagde hij het niet. Op eens hoort hij overluid
spreken. Het is de stem van zijn heer.
--»Met smaad sterven.... dat nooit!« spreekt Bordet. »Mijn gansche
leven was aan de verdediging der goede zaak en aan de eer gewijd;
die eer bij mijn dood te moeten derven, tot schimp aan den
Spanjaard te moeten strekken, mijn leven aan het schandhout te
verliezen. Neen! neen! mijn besluit staat vast.«
Dit gezegd hebbende, nadert hij, met het wapen in de hand, de bedstede,
windt zich een deken om het hoofd, plaatst zich op den rand van het
rustbed, en--slaat den blik naar omhoog. Daar vouwt de eene hand
zich in de andere; de Franschman bidt, bidt tot God, voor Wiens
rechterstoel hij weldra verschijnen zal. En wat bidt hij? Vergeving
van zonden, op een oogenblik, dat hij aan de zonde offert, zich tot
onmensch verlaagt, zijne natuur verkracht. Hij beveelt zich in de
barmhartigheid, in de genade des Hemels en--hij schendt den mensch,
dat pronkstuk van de schepping, dat toonbeeld der genade, die hij
aanroept. Held gedurende al zijn leven, heeft de ware moed hem thans
verlaten en schuilt hij zich weg voor het oog der menschen, om naakt
voor den Hemel te staan. Met een hart vol moed in duizenden gevaren,
en--geen moeds genoeg om den dood door de hand van den beul af te
wachten. Ziet de Hemel niet met toorn op hem neder? Is hij niet onrijp
voor de eeuwigheid? Zinkt hij, onbereid voor de onzichtbare wereld,
niet in donkerheid weg? Zal hij de martelingen van het naberouw,
van de wroeging niet ondervinden?--maar dat wij niet vragen! Op eens
laat zich een schot hooren, en--het rustbed is het tooneel van een
vernietigd menschenleven. Dat God hem richte! wij leggen eerbiedig
den vinger op den mond;--wij vragen niet meer.
Die gebeurtenis heeft zich weldra door gansch Haarlem verspreid. Maar
zoo roemrijk als de naam van Bordet klonk, toen hij, met de hand
in den kaarsgloed, als een tweede Scævola toonde, welke smarten een
heldhaftig gemoed kan verduren, zoo weinig weerklank vond thans zijn
zelfmoord in de ziel van anderen. Men huivert, maar bewondert niet;
men noemt den mensch een raadselachtig wezen; men beklaagt hem,
terwijl men rilt. Maar niemand van al de helden, die in Haarlem zijn,
wordt er door aangespoord tot eene zelfde daad. Ook staat het lot
der stad op het punt van beslist te worden. Reeds daags te voren had
men den Spanjaard Venavides vrijgelaten, en deze had zich naar het
Spaansche leger begeven, met de verzekering, dat hij alles doen zou in
het belang der stad, alsook om de vrouw van Van Duivenvoorde te doen
terugkeeren. Thans is het ongeveer negen ure en--de gevolmachtigden
begeven zich buiten de Zijlpoort. Op dat oogenblik bevinden zich
burgemeester Van der Laan en Van Duivenvoorde in de woning van Kenau
Hasselaar; maar het doel, waarmede beiden er waren heengesneld,
vindt geen ingang bij de heldin.
--»Mij verschuilen!....« zegt zij op waardigen toon. »Neen! zoomin
als ik den vijand op den wal schroomde, zoomin ducht ik hem in mijn
huis. Gij kent Kenau Hasselaar nog weinig.«
--»Spreek niet alzoo,« zeide Van der Laan; »ik ken te wèl uw gemoed,
en weet, dat alle vrees u vreemd is. Maar gij zijt eene vrouw, en ik
wil u beveiligen, zooals ik het Maria doen moet, voor geweld. Want
zoozeer als duizenden bouwen op genade van den Spanjaard, zoo zeer
mistrouw ik die, niet ten opzichte van allen maar van velen, die hem
tot verderf zijn geweest.«
--»Gewis, een dwaas, die insluimert op de Spaansche genade,« zeide
Van Duivenvoorde; »velen zullen in die sluimering niet wakker worden
voor dat zij vreeselijk ontwaken; dat zegt mij mijn hart.«
--»Voor mij althans, ik twijfel er niet aan,« sprak Kenau; »maar nu
eenmaal eene verhindering is opgeworpen voor het besluit om met het
rapier in de hand te sterven; nu eenmaal de ellende en deerlijke nood
der burgers tot een verdrag drijven, nu past ons ook berusting in het
lot, dat boven ons hoofd hangt. Een kloek hart, dat den dood op den
wal zoo vaak tegemoet streefde, moet ook moedig zijn lot afwachten,
dat toch steeds in Gods hand is. Onder wat gedaante het ook zij,
ik schroom den dood niet.«
--»Neen,« hernam Van der Laan, »gij moogt u niet prijsgeven aan de
woede van den soldenier. Versmaad dus mijne aanbieding van warme
vriendschap en hoogachting niet. Mijn huis heeft eene schuilplaats,
waar geen Spanjaard zich den weg zal banen; maak er gebruik van--ik
smeek het u.«
--»Heb dank voor uwe goedwilligheid en vriendschapsdienst,« antwoordde
Kenau, »maar nooit, nooit stel ik uw leven in gevaar voor het mijne. Na
zoolang eene onbevreesdheid, geene bangheid nu!--Wat Spanjaard er
in mijne woning dringt, ik wijk geen duimbreed terug. Dat is mijn
stellig en onwrikbaar besluit.«
Een oogenblik bewaarde zij, zoowel als Van der Laan en Van Duivenvoorde
het stilzwijgen; doch welke sombere gedachten er in hunne ziel plaats
grepen, hun gelaat bleef kalm, en hun gemoed scheen eigen lot minder
zwaar te vinden dan dat van anderen--eene hoedanigheid, die aan geene
waarlijk groote zielen ooit vreemd is.
--»En haar lot,« zeide Kenau, terwijl zij een blik vol medegevoel op
Van Duivenvoorde wierp. »Goddank! dat gij de hoop hebt ontvangen op
haar leven, bij het schemerig lot dat Haarlem toeft.«
--»Ja, Goddank!« zeide Van Duivenvoorde, »ik mistrouw het woord
van Venavides niet; ware ieder Spanjaard hem gelijk, ik zou geene
donkerheid voor Haarlem tegemoet zien. Maar dat wij den moed niet
laten slippen. Boven ons leeft de Heere, de rots van ons vertrouwen.«
Alvorens Van der Laan met Van Duivenvoorde; schoon te vergeefs,
Haarlem's heldin kwamen smeeken, eene schuilplaats aan te nemen,
bevond zich Ripperda alleen in zijne woning; want Asinga en Horenmaker
hadden hem op zijn verzoek verlaten.
--»Ik moet alleen zijn met mijne smart, met mijne felle grief,« sprak
hij. »Groote God! het is dan uw wil, dat Haarlem zal overgaan na zeven
maanden moeds en volharding? O, laffe Duitschers, doof voor de stem der
eer! uw naam zal met eene zwarte kool aangeschreven worden. Waarom
ben ik niet gestorven, eer dit rampzalig uur sloeg? Mijn God en
Oranje! het hart breekt mij; deze slag is te zwaar!....«
Een paar malen stapt hij het vertrek op en neder met al den weedom
eens vaders, wiens zoon dicht bij hem met den dood worstelt. Daar viel
zijn oog op zijn bevelhebbersstaf, op den gebroken roemer en eene
daarbij liggende munt. Op die in Haarlem geslagene munt vertoonde
zich het beeld eens mans, de ontvleesde hand in wanhoop naar het
hoofd brengende, de andere uitstrekkende naar een doodshoofd en twee
doodsbeenderen.
--»Maar, Ripperda!« sprak hij, »wees gelaten, zooals het den man past,
en berust in Gods wil. Deze munt zal onder de oogen van het nageslacht
komen, en dat nageslacht zal niet behoeven te vragen, wat bange nood er
verduurd is voor 's lands vrijheid; het zal niet behoeven te vragen:
zou in Haarlem de nood wel tot aan de lippen geweest zijn?--En deze
gedachte troost mij--de Spanjaard wint Haarlem niet; Haarlem bezwijkt
door den honger.«
Daar hoorde hij de klok half negen ure slaan.
--»Die klank is doffer dan het holle geluid, wanneer bij het opene graf
de eerste schop aarde op de doodkist neerploft!« riep hij uit. »Een
halfuur nog; ontzettend denkbeeld! dan zullen de dapperen, die zoo
dikwijls het rapier ophieven, dat rapier ontgespen voor den vijand;
dan zal men het zwaard afleggen, waarmee men zich den uittocht had
kunnen banen, zoo de laffe Duitschers het niet liever in de scheede
hadden gelaten. Maar mijn rapier! nooit zal de hand van een Spanjaard
het aanraken! geen hand dan die van een Fries voere het!«
Vervolgens trad hij naar het gele vendel, dat in een hoek van het
vertrek stond, en zich herinnerende, hoe menigmaal het getuige van
's vijands nederlaag was geweest, riep hij uit. »En nooit zult gij
beschimpt of bezoedeld worden: de vendels der Duitschers en Schotten
mogen in 't slijk vertrapt worden, maar op 't gele vendel van Ripperda
zal geene smet kleven nu of ooit.«
--»En dit bewijs van het in mij gestelde vertrouwen,« ging hij voort,
een blik op den halven roemer werpende, »mijn prins! ik heb aan
uw bevel gehoorzaamd. Dat vrij de vijand het in handen neme! Nooit
heeft Ripperda voor de overgaaf gestemd en--Haarlem is niet door den
Spanjaard verwonnen, Haarlem bezwijkt door den honger.«
--»Nog een halfuur!« herhaalde hij, en ging andermaal het vertrek op
en neer, toen er aan de deur werd geklopt, en bijna te gelijker tijd
de onbekende binnentrad.
--»Ripperda!« zeide deze op driftigen toon, »weldra zullen de
mannen van Babel in de vest stormen; de Antichrist zal baden in ons
bloed. Gij zult sterven en ook ik; maar zouden wij ons weerloos laten
slachten? Op! Aan den geloofsheld voegt heldenmoed tot het laatst:
verzamelen wij eenige kloeke mannen, en verdedigen wij ons leven en
het heilig geloof tot den laatsten druppel bloeds.«
--»Ons dus te weer stellen als wanhopigen tegen den Spanjaard?« vroeg
Ripperda, hem strak doch bedaard aanziende, »door die roekeloosheid
's vijands verbittering aanvuren, om de stroomen bloeds te zien
vergrooten? Neen! gij kent mij niet. Moed en volharding wilde ik tot
het laatst, maar moed en volharding van allen--geen roekeloosheid of
dolheid! Haarlem zal nu weldra onder Gods toelating in de hand van den
Spanjaard zijn; thans past het ons, het ons beschoren lot kloekhartig
af te wachten, en met onverzwakten moed het hoofd omhoog te heffen.«
--»En dus weerloos sterven--onder schimp en hoon op het zuiver geloof,
waarvoor wij zoolang gekampt hebben?«
--Maar gij kunt immers het lijf behouden?« hernam Ripperda, »één woord,
zegt gij, kan u het leven redden, zonder dat gij het behoeft af te
bidden. Sla dus dien weg in, en blijf leven voor den dienst van den
prins en voor de vrijheid, waarvan Haarlem het fondament heeft gelegd.«
--»Nooit!« was het antwoord; »gij wilt uw leven niet vragen, omdat
gij een Fries zijt; ik wil het den Spanjaard niet te danken hebben,
omdat ik.... maar gij weet het, Ripperda, waarom: ook Oranje weet
het. Niets wil ik verschuldigd zijn aan een naam, die oneer op mij
wierp, die mij verstiet, met verachting belaadde en vervolgde. Het
leven ja, kan ik koopen, maar.... ik huiver.... ook schimp, smaad
en verguizing over een geloof, dat uit God is. Dat dulden uit den
onheiligen mond van een Spanjaard? neen! liever den dood!....«
Op dat oogenblik hoorde men het somber, luidruchtig gewoel op straat
nog toenemen. Hier was het alsof er eenige lijken naar het graf werden
gedragen, waarbij sommigen eene stille onderwerping aan den dag legden,
doch anderen een zwaarmoedig of wanhopig geklag lieten hooren. Ginds
weder was het een rumoer als bij een hevigen losgebarsten brand.
Vreeselijk toch waren de oogenblikken voor Haarlem, terwijl de
afgevaardigden met den vijand onderhandelden. Hoop, vrees, angst,
wanhoop en zooveel andere gewaarwordingen woelden, worstelden in
zoo menige borst; doch zoo razend was de honger der meesten, dat
de gedachte, weldra voedsel te zullen erlangen, vele denkbeelden
versmoorde, dat men het donkerst lot niet met schrik te gemoet
zag, wanneer slechts de zwaarste der folteringen--de honger
ophield. Maar.... weldra kwamen de afgevaardigden terug; spoedig daarop
werd door den magistraat bekend gemaakt, dat, volgens overeenkomst
met den Spanjaard, de wapenen der bezetting op het stadhuis moesten
gebracht worden, dat het luiden der klok daartoe het teeken zou wezen,
en dat de bezetting bij het overgeven der wapenen dan ook te gelijker
tijd zou vernemen, welke bepalingen van don Frederik zij thans zou
hebben op te volgen.
En hoor! nog geen halfuur is verloopen, of door gansch Haarlem klinkt
reeds een dreunend, dof geluid.--Het is de klok der St.-Bavo'skerk. Het
zijn geene alarmtonen, die weleer de burgers naar de wallen deden
snellen: het zijn geene kerkklokstonen, die de inwoners naar den tempel
roepen. Het zijn holle, sombere grafgeluiden; want daarginds op het
kerkhof heeft de doodgraver een graf gegraven; het is het groote graf
voor Haarlem.
Of weet gij het nog niet, grijsaard, die daar op het ziekbed met
twee vijanden, met den honger en den dood kampt, weet gij nog niet,
dat de afgevaardigden teruggekeerd zijn? Gij zijt er nog onbewust
van?--Wat zou het u ook baten, het te weten? Het zou uw doodstrijd
wellicht nog banger doen zijn. Maar duizenden weten het toch. Dat
klokgebom roept allen, die zoolang en zoo moedig streden naar het
stadhuis om er de wapenen af te leggen. Verpletterend vonnis voor
helden; maar het moet! zoo luidt het verdrag, neen, zoo luidt reeds
het bevel van den vijand na het verdrag. Ontwapend gaan zij, op bevel,
naar het Zijlklooster, de vrouwen en kinderen naar de St.-Bavo's,
de hulptroepen naar de Bakenesserkerk, en naar die kerk gaat ook
Ripperda; want zoo luidt het bevel na het verdrag; de eik is voor de
scherpe bijl gevallen; Haarlem is de stad van Oranje niet meer; zij is
in de macht van den Spanjaard. Maar die Schotten en Duitschers, die
weerstrevers van Ripperda's heldenbesluit: zij treden geen klooster,
geene kerk binnen; nog dragen zij het rapier; zij betreden den wal. Wie
geeft hun dit bevel? Wie verleent hun die gunst? Is het de prijs van
hun verraad? Zij moeten wellicht die wallen bewaken; want Frederik's
soldaten vlammen reeds op den buit binnen Haarlem; en die buit is
afgekocht voor het bloedgeld van uitgeputte burgers. Dat gesloten
verdrag zal Frederik dus niet schenden; wellicht verheugt hij zich
zoozeer, den hertog eindelijk Haarlem's val te kunnen melden, dat
hij zich jegens Haarlem edel zal gedragen. Zie! daar voeren zelfs
zijne soldaten wijn en brood binnen de vest, om de uitgehongerden
te laven en te voeden. Dat brood wordt rondgedeeld; die wijn wordt
rondgeschonken; het hongerspook wordt op de vlucht gedreven door
den overwinnenden veldheer. Wie heeft dan nog te vreezen, dat hij
geene genade zal bewijzen? Wie te sidderen, dat hij morgen diegenen
moorden zal, die hij thans voedt? Voorzeker, Steenbach! gij moet
geene logentaal hebben gesproken, toen gij zeidet, dat de vijand
met eerbied was vervuld over Haarlem's onbezwekenheid. Gij allen, die
Ripperda's besluit weerstreefdet, gij hebt wel een voorgevoel gehad van
's vijands genade; gij hebt voorzeker eene verstandige keus gedaan,
dat gij u niet prijs gaaft aan een schier gewissen dood!
Rampzaligen! Weet gij dan niet, dat de luimende kat vaak met de
betrapte muis haar bedrieglijk spel speelt? Weet gij niet, dat de
tijger zijn slachtoffer soms op eenigen afstand van zijn klauw laat en
de hoop geeft, het niet verder te zullen aangrijpen? Maar valsch is dat
spel, schijnbaar die genade: dat spel is de dood--die genade de moord.