TIENDE HOOFDSTUK.

Wat reeks van wondren, nooit te melden!

Wat ongelijkbre heldendaan!

Neen, nooit kan 't nageslacht vergelden

Al 't geen ge, o stad! thans uit moet staan.

'k Zie hier meer dan Romeinsche grootheid,

In strijd met afgerichte snoodheid:

De geest van 't kwaad bestrijdt het licht.

Ach, Haarlem! 't voedsel is verslonden,

Geen aas wordt meer tot spijs gevonden,

En 't uitgehongerd Haarlem zwicht.

Helmers.

De zon van Vrijdag den tienden Juli was nauwelijks opgegaan, toen

Ripperda uitgeput, doch moedig als altijd, met zijn broeder Asinga

aan het vensterraam zijner kamer zat,--of liever zich op een stoel

had laten neervallen, om het laatste geschrift van den prins nog eens

aandachtig te doorlezen.

--»Neen, Asinga!« zeide hij, na eene poos over den uittocht gesproken

te hebben, »zonder zijn BEVEL in der eeuwigheid niet. Toen ik hem

trouwe zwoer en gehoorzaamheid, besefte ik al het gewicht van dien

eed. Van Unico, den stamvader van ons geslacht, tot op dezen dag,

heeft geen Ripperda zich door ontrouw of lafheid besmet. Al stond

gansch Haarlem gelijk een eenig man tegen mij op; al dwong men mij

met het rapier op de borst, de stad den Spanjaard in handen te geven,

ik zou uitroepen: »Doorstoot deze borst, maar zonder 's prinsen bevel

geef ik haar nooit.«

--»En zoo dat bevel komt, mijn broeder!« sprak Asinga, »hoe zal het

u dan wezen?«

--»Dan.... o, mijn God!.... dan.... ja, dan zal ik gehoorzamen,«

hernam Ripperda. »Maar zwaar en bitter zal het mij vallen. Laat hij

echter het lot der stad in mijne handen, dan besluit ik nimmer tot

de overgaaf; dan laat ik de beslissing aan den magistraat en aan

de bevolking zelve over; want altijd zal mijne stem wezen: »Liever

de dood.« Heugt het u nog, Asinga! toen ik van Genèves hoogeschool

wedergekeerd, den weg van Winsum naar Sneek met u opsloeg? Het was

bij die Vlieterp: Met opgetogen zin deedt ge mij 't verhaal van uwe

minne voor jonkvrouw Kater, en heugt het u nog, wat ik toen sprak?«

--»Vraag niet of het mij heugt!« was het somber antwoord, »maar al

te wel. Gij zeidet, dat uw hart met wee was vervuld over 't lot van

ons vaderland; dat gij het rapier tegen Spanje gingt voeren, en dat

gij geen band van liefde zoudt knoopen, voordat het vaderland vrij

was. Eilaas! had ik uw voetspoor gedrukt, mijn gemoed zou soms niet

bitter bewogen zijn over het toekomstig lot van mijne vrouw en den

jongen Focco; want gij weet het, Wigbold! naast haar is de kleine

Focco al mijn levenszoet.«

--»Ik weet het, mijn broeder! Hoe dank ik dus God, Die mij sterk

deed zijn in mijn besluit. Nu heb ik geen schroom, Asinga, dat teere

banden mij zullen terughouden van mijn plicht. Nu kan ik sterven voor

het vaderland, voor het vaderland alleen, en dat zal ik doen zonder

vrees, als het Gods wil is. Och! of mijn sterven tot Holland's heil

en vrijheid mocht zijn!«

--»Mijn broeder!« zeide Asinga, het oog door het vensterraam slaande,

»hoort gij dat geschreeuw om brood wel? De benauwdheid, de ellende

van het volk klimt ten top.«

--»Ook dat weet ik, en mogelijk geen gemoed, dat er zoo bitter door

bewogen wordt als het mijne. Ziedaar mijn ontbijt, Asinga! Lang heeft

men mij gebeden, dat ik mij voeden zou met het laatste brood, en

't is waar, het luttel deel, dat mij nog restte, was niets voor zoo

velen. Maar gisteren heb ik weerstreefd; ik heb den lesten kruimel

weggedeeld, en ook dit geef ik hun ten beste met geheel mijn hart.«

Het voorwerp, waarop Ripperda bij deze laatste woorden met de hand

wees, bestond in een stuk paardenvleesch, dat nog veelal het voedsel

van de aanzienlijken uitmaakte, doch slechts in geringe hoeveelheid

voorhanden was.

--»Daar zie ik Kenau,« sprak Asinga, »en de vaandrig vergezelt haar;

zij schijnen herwaarts te komen.«

--»Zij is mij welkom, de moedige vrouw,« zeide Ripperda; »och! of

allen haar in kloekheid van geest en hart gelijk waren!«

Een oogenblik daarna traden werkelijk Kenau en de jonge Hasselaar

het vertrek van den bevelhebber binnen, en alleen Ripperda's groete

bewees de hooge achting, den eerbied en de vriendschap tevens, die

hij Haarlem's heldin toedroeg.

--»Eenige minuten later en gij hadt mij in uw huis gezien,« sprak

Ripperda, haar een stoel aanbiedende; »maar wat zie ik, mijn vriend!«

ging hij voort, zich tot Hasselaar wendende: »ik lees wrevel in uw

oog;--wat is u weervaren?«

--»Gij gist wel, edele heer!« antwoordde de vaandrig, met de

krampachtig geslotene vuist naar de richting van de Kruispoort

wijzende, »ga naar den wal, en zie, wat de Spanjaard gedaan heeft. Een

tal van bloedige hoofden heeft hij binnen de vest geworpen, en alsof

mij 't hart niet genoeg breekt bij dat schouwspel, zoo vertoonen zich

op de kat de negen vendels, bij het Manpad veroverd. Dat gezicht is

niet duldbaar voor een vaderlandsch gemoed. Laat mij uitrukken met

eenige wakkere soldeniers! dat wij de geuzenvendels terugwinnen of

er bij vergaan!«

Terwijl de achttienjarige held aldus sprak, fonkelde er een edel,

manhaftig vuur in zijne blikken. Het bleeke zijner wangen werd door

een lichten blos getemperd; zijne gebaren drukten eene treurige

gemoedsbeweging uit;--want hij wist bijna met zekerheid, dat de

bevelhebber zulk een uitval niet gedoogen zou.

--»Het valt hard,« sprak Ripperda, »dien hoon te verduren; maar het

moet, Hasselaar! Geen dergelijke uitval kan ons baten! de laatste

krachten blijven gespaard tot de groote en wichtige taak!«

--»Restte mij slechts kruit, hernam de vaandrig, »de standaards, die

nu de victorie kraaien over het ongeoefend leger van den baron, zou ik

van de kat mikken; eilaas! de honger pijnt mij zoo zwaar niet als dat

ik, bij gemis van kruit, mijn goed geweer als een nutteloos wapen heb

moeten wegwerpen. Heer Ripperda, dat grieft mij feller dan de dood!«

--»Verkrop ook dit,« hervatte Ripperda, »weinige uren nog, en het

oogenblik is daar, dat de bovenmenschelijke kracht der wanhoop zich

vertoonen zal. Zijt gij tot den uittocht gereed, Hasselaar? Kenau

Simonsz! is ook uw wakker vendel geheel gewapend tot de groote taak?«

--»Ik heb mijne kling gewet,« antwoordde Hasselaar, »want mijn musket,

dat mij niet meer dienen kan, heb ik weggesloten, ik ben gereed.«

--»Mijne vendel,« antwoordde Kenau, »wacht slechts op uwe bevelen. Maar

eerst zullen allen nog het woord van God aanhooren, en de laatste

liefdemaaltijd des Heeren versterke onzen moed en ons vertrouwen

op God.«

--»Ja,« zeide Ripperda, »eerst zullen wij ons allen voor God

neerbuigen, en vurig bidden; want hoe zwak wij ook wezen mogen,

wij zullen sterk worden, waar God met ons is.«

Vervolgens sprak men weer over den uittocht. Zeven vaandels

haakschutters zouden als voorhoede eene opening door het leger van

den Spanjaard beproeven; vrouwen, grijsaards en kinderen moesten hen

volgen, en deze zouden door negen andere vendels, als achterhoede

worden beschermd.

Nadat Kenau dus de nieuwe verzekering had, dat niemand zou worden

achtergelaten, verliet zij Ripperda, en al spoedig heerschte er door

al de wijken een bedrijvig en somber gewoel; want Haarlem was nu niet

ongelijk aan eene groote kiel, die, op eene gevaarlijke bank verzeild,

aan al de schepelingen den dood voorspelt.

Over plein en markt, over gracht en straat dwalen de hongerige

schimmen. In de wijken, waar men vroeger het geklepper der

weefgetouwen, het gesnor der spinnewielen en het vroolijk lied der

arbeiders hoorde, vervult thans het dof gekerm van velen, om voedsel

dat niet te vinden was, de lucht. Hier ziet men een paar vrienden

of bekenden elkander de ontvleesde hand toesteken, en hoort men

den uitroep van hunne lippen: »Moge de Heer ons genadig zijn!«

Daar waggelt een grijsaard, die sedert lang zijn huis niet heeft

verlaten, eenige schreden heen en weer, als wilde hij het nietig

overschot zijner laatste krachten beproeven en zichzelven afvragen,

of hij onder den gevaarvollen uittocht niet bezwijken zal. Wat verder

zie men eene vrouw, wier levensjaren tot tachtig zijn geklommen, en

wie slechts daarom de hongerdood heeft verschoond, omdat zij schier

geen voedsel meer behoefde en in haar eigen bestaan voortleefde. Maar

de ongelukkige had eene kleindochter zien bezwijken; want het waren

de bloemen van jeugd en kracht die, als altijd, door dat spook der

verschrikking het eerst geveld werden--en de grijze had het met geene

mindere smart aanschouwd, dan die tot den honger gedoemde vader, welke,

volgens het oud geschiedverhaal, in de gevangenis zijne zonen onder de

stuiptrekkingen der woede en de kreten van wanhoop had zien vergaan,

eer hij zelf eene prooi werd van het monster. In enkele huisgezinnen,

waar eene kraamvrouw of kranke is, zien vlammende blikken begeerig

naar eene der duiven, die zij aan de zorg van den onbekende te danken

hebben. Doch die kranken maken zich nu gereed om hunne woning te

verlaten. Duizenden wankelen naar de Hoog- en Achterstraat--naar

de St.-Antoniestraat en den Burgwal. Hier zijn het Van der Laan

en Stuiver, Van Vliet en andere regeeringsleden, die de zwakken en

vreesachtigen aanmoedigen. Op last van Ripperda en den burgemeester

nemen eenige mannen van het gele vendel Hadewij en Maria van Schagen

onder hunne hoede; ginds voegt zich Anna bij het vendel van Kenau

of wisselt Brechta Proosten eenige woorden met de dochters van den

burgemeester en andere juffers, die tot dat vendel behooren. Hare

toespraak bemoedigt; toch kan aan velen de bangheid niet ontnomen

worden; deze klimt, hoe meer het beslissend uur nadert. Verslagenheid

treedt of strompelt voort aan de hand van meerdere hoop, meerdere

veerkracht, en zoo ooit, dan is het thans noodig, dat de sterkere den

zwakke schrage, dat het klimop zich hechte om den stam. Maar zoo ooit,

dan is het ook thans, dat de ziel behoefte gevoelt naar eene frissche

teug uit de Evangeliebron. Gedurende geheel het bange beleg vond de

belijder der nieuwe leer zoowel als de getrouwe aan de oude leer,

den toegang tot het bedehuis vrij; niet slechts Roomsch maar ook

Onroomsch, die één vijand, éénen Alva bestreden, konden elken dag in

die tempelgebouwen opgaan en God smeeken om verlossing uit de hand

van hem, die Roomsch en Onroomsch verguisde en moordde. Ook thans zijn

honderden derwaarts gestroomd, ofschoon geen klokgelui de zielen tot

God had opgeroepen. In de St.-Bavo'skerk is wel de kleinste schaar,

maar het was die schaar van hervormers, bij wie op den voorgrond stond

godsdienstig zedelijke behoefte, geboren uit gevoel van schuld en

dwaling, zich niet enkel uitstrekkende naar die verzekering van genade,

maar ook naar de heiligheid en reinheid van wandel strevende. Onder die

schaar zag men Ripperda, Kenau, Van Duivenvoorde en zooveel anderen,

vol van dat bezielend beginsel, hervorming ook van den mensch, en

thans voller dan ooit. Met eerbied zagen die helden op naar den vromen

Sijmonsz, die het woord sprak, en dat woord was kort maar treffend.

--»Mijne ziel wacht op den Heer, meer dan de wachters op

den morgen. Israël hope op den Heere; want bij den Heere is

goedertierenheid, en bij hem is veel verlossing.«

En toen ook het gezang van dien 130en psalm ootmoedig langs de

tempelwanden was opgestegen, toen heerschte er stilte, plechtstatige

stilte. En toen Sijmonsz gebeden had: »God! dat dit avondmaal des

Heeren ons versterke in geloof en moed,« toen plaatsten zich allen

aan de tafel, waarvoor de godsdienstzin dier dagen nog eenige kruimels

brood had bewaard.

--»Broeders in leven en dood!« sprak vervolgens de leeraar, »dat is een

treffend oogenblik. Wel zijn wij als schimmen om Jezus' tafel gezeten,

omringd door de schaduwen van den nacht, maar God is met ons! Ziet

gij door dien nacht niet een helder morgenrood heenbreken? Dat is de

morgen der verlossing;--want hoe zwak wij ook zijn mogen--de Heer

is met ons. Neemt en eet dit; neemt en drinkt dit; het is Jezus,

die zich voor ons gegeven heeft, opdat hij ons zou verlossen van

ongerechtigheid.«

Nu deelde hij het brood en den wijn, en sprak er den zegen over uit,

waarna allen zachtkens het gebed dos Heeren baden, terwijl menige traan

uit het oog op de wang vloeide. Inderdaad een treffend oogenblik. Was

immer het nachtmaal den Christen het blijk der waarachtigheid van

Jezus' leer, de zekerheid van zijn kruis- en verzoendood, het bewijs

zijner onveranderlijke liefde--thans was het dit vooral en--nog meer.

Ripperda en zooveel anderen waren verschenen voor het aangezicht van

hunnen eeuwigen Rechter, die peilt tot in het diepst van de ziel; maar

zij zaten ook voor het aangezicht van Hem, die enkel liefde is. Gelijk

in Bethanië bij het graf van zijn vriend, zijn hart vol aandoening

klopte, zoo zag Hij wellicht thans met welgevallen op hen neer. Zijn

voorbeeld was hunne leidstar en gaf hun troost en moed. Hij ging hun

voor op het doornig pad, en het was alsof zijne stem hun toeriep:

»volgt mijn met bloed geteekend spoor; want onder die doornen groeien

bloemen; op dat pad ontspringt de fontein der hoop!«

Lezer! eens zag ik het brood breken en den drinkbeker toereiken

door een jeugdigen prediker, in wiens aderen eene verborgene kwaal

rondsloop, om weldra de bloem van haren stengel te rukken. Het was

een lieve lentedag. Roerend schoon wees hij op de ontluikende lente,

en schilderde een aandoenlijk beeld van het leven, eene heerlijke

ontwaking. Dat trof mij diep; want de lippen, die daar fluisterden

van een herboren leven, zouden weldra verstomd zijn; hij, die daar

sprak van een verfrisschend ontwaken, zou weldra in het graf worden

gelegd. Hoeveel treffender dan het uur, toen die helden aan de tafel

des Heeren waren gezeten, toen de schier onzichtbare bete broods de

lippen aanraakte van hen, die zonder brood reeds zoolang en manmoedig

gestreden hadden voor de vrijheid van het geloof, voor de vrijheid van

het land, en door wie aldus de grondslag gelegd werd van het gebouw,

dat andere helden ter tinne toe zouden opvoeren. Woorden des levens

kwamen van de lippen des leeraars, dien een rampzalige dood toefde. Een

hooger gloed verwarmde de borst, die binnenkort niet meer kloppen en

koud als ijs zijn zou; een helderder straal van hoop en moed drong

in het hart dier mannen, die weldra in zwarten nacht zouden gehuld

zijn. De levenszon van hen, die 's Heeren verrijzenis herdachten, zou

binnen weinig tijds ondergaan.... Maar voor hen ook zou het eenmaal

een dag van verrijzenis zijn.... Dat waarborgde hun de godsdienst,

alles, wat de Heer gedurende zijne omwandeling op aarde gesproken had.

Een laatst bemoedigend psalmgezang had geklonken; Sijmonsz had

eene laatste bede opgezonden, en vervolgens tot allen de handen

uitstrekkende, riep hij op aandoenlijken toon: »Broeders in leven en

dood! de God van Israël zij met ons!«

Toen omhelsden honderden elkander; de broeder scheen den broeder

voor den dood te wijden, stond op en zag het bedehuis nog eens rond,

alsof hij het voor het laatst zag. Vervolgens sloegen zij de oogen

naar den Hemel, alsof die Hemel over Haarlem alleen hing uitgespreid,

en ten laatste verliet men de kerk met het doel om binnen weinige

uren de vest te verlaten.

Maar--aan Ripperda's gemoed zou een hevige schok toegebracht worden.

Alles was tot den uittocht gereed, toen zich het gerucht verspreidde,

dat een Duitscher was overgeloopen en dat graaf Overstijn een brief

in de stad had gezonden, inhoudende, dat don Frederik genade aanbood,

zoo men de vest wilde overgeven.

In een oogenblik had men dus de zekerheid, dat het plan verraden

was--en ook de zekerheid door wien.

--»Vergiffenis! genade!« klinkt het oogenblikkelijk onder de

Duitschers; »graaf Overstijn is onze landsman, die nooit zijn woord

schond.«

En nu biedt Steenbach den brief aan Ripperda aan; doch met geen

bruisender toorn en bitterder smart tevens kan een man van eer,

die zich gehoond en gelasterd ziet, het schandschrift, dat zijne

eer aanrandt, vernietigen, dan Ripperda den brief voor aller oogen

verscheurt en hem vervolgens met verachting onder den voet trapt.

--»Genade!« roept hij uit, terwijl zijne oogen als een bliksemstraal

flikkeren. »Spaansche genade is de dood!«

--»Ook ik mistrouw den Spanjaard,« zegt Steenbach, »maar een Duitscher

is hier borg voor die genade. Ik ken graaf Overstijn, en het moet hem

voorzeker berouwen, dat hij ooit in den dienst van Alva ging. Hij

is een man, die liever sterven zou dan zijn woord breken. Maar,«

voegt de huichelachtige baatzoeker er bij, »God kent mijn hart en

weet, dat ik daarom niet tot overgaaf neig. Voor genade liever een

roemvolle dood! God zal ons helpen te midden van vuur en zwaard.«

Die taal moest wel misleiden, te meer, daar hopman Steenbach zich

gedurende het gansche beleg steeds manmoedig en dapper gedragen

had. Maar de lage huurling wist maar al te wel, dat het meerendeel

zijner soldeniers tot geen uittocht zou neigen, en hij kon derhalve

gerust eene manhaftigheid en kloekheid voorwenden, waarvan hij niet

voornemens was, de blijken te geven.

--»Neen, liever genade dan de dood!« klinkt het onder de Duitschers,

»wij hebben ons lijf niet verkocht om ons te laten doodslaan, als wij

't leven kunnen behouden. Graaf Overstijn is een man, die zijn woord

niet schendt.«

--»Niet uitgerukt!« gaat het van mond tot mond door al de gelederen

der Duitschers, »er is een eerlijk verdrag aan te gaan.«

--»Uit het gelid!« schreeuwen reeds eenigen, »wij laten ons niet

kerven, als er pardon is te wachten.« Werkelijk treden eenige der

lafaards uit hun gelid, terwijl gelaatstrekken en gebaren duidelijk

toonen, dat zij evenmin door goede woorden als bedreigingen tot den

gevaarvollen uittocht zullen overgaan.

--»Vervloekt en laf gespuis!« roept Vardeur, in wiens ruw, doch

onverschrokken gemoed de vlam der woede meer dan ooit ontbrandt;

»ellendige verraders, zonder moed, zonder eer--die slechts om geld

dient, en uw rapier verkoopt voor de hoogste soldij. Vervloekt zal

uw naam wezen, als men over de glorie van Haarlem rept. Ik zeg het,

ik schreeuw het u toe in 't aangezicht: gij zijt lafaards zonder eer!«

--»Gij liegt het, dolle Waal!« roepen eenige Duitschers; »hem te lijf,

makkers! slaat hem dood!«

--»Ik ben niet bang voor zulke lafaards!« schreeuwt hun Vardeur toe,

»wie zegt, dat ik gelogen heb, dien zal ik de hersenpan inslaan. Kom

maar los op Vardeur, maar gij hebt er geen courage toe.«

Ook Lancelot van Brederode, Bordet en anderen kunnen hunne gloeiende,

edele gramschap niet bedwingen. Maar Ripperda begrijpt, dat hij eene

krachtige poging moet doen. Evenals een arend, die zijne vleugels

uitspreidt, schijnt zijne mannelijke doch door behoefte en afmatting

vermagerde gestalte, in grootte toe te nemen, en hij treedt voor het

front van de Duitschers.

--»Krijgsmakkers!« spreekt hij met allen nadruk. »Tot nog toe hebt

gij u manhaftig als helden gedragen en alle gevaar getrotseerd. Zoudt

gij u dan overgeven aan de genade van meineedigen? Wat anders zou dit

wezen, dan u neer te buigen voor het Spaansch rapier? De Spanjaard

aast op uw bloed en op uw geld. Zoudt gij dan uwe vrouwen prijsgeven

aan den euvelmoed, uwe goederen tot buit, de burgers doen smoren in

een bloedbad? De genade zal moord wezen, moord gelijk in Zutfen en

Naarden. Ons behoud kan alleen door onwrikbaren moed gekocht worden;

al is de hoop op redding niet groot, zoo is het toch beter, met het

rapier in de vuist te sterven, dan, onder spot en hoon, de slachtoffers

onzer beulen te zijn. Moed, krijgsmakkers! dwars door den vijand

een weg gebaand; en onvergankelijke roem zal uw deel wezen. Moed,

en vertrouwen op God! Ripperda gaat u voor!«

--»Leve Ripperda! Vivent les Gueux!« galmt het onder de officieren

van Haarlem.

--»Voorwaarts door vuur en staal!« davert het uit den mond der

Engelschen en Franschen.

--»Vrij of de dood!« klinkt het onder de Walen. »Nu of nooit!«

Menige degen wordt boven de hoofden gezwaaid; menige glinsterende piek

verheft zich, en de vendels van Haarlem, van de Walen, Engelschen en

Franschen zwieren in de lucht. Maar de Duitschers laten slechts de

kreet van genade hooren. De Schotten vallen hen weldra bij, en onder

het geroep: »wij rukken niet uit!« verdeelen zij zich; de een volgt den

anderen en--met het geringe overschot is geen uittocht meer denkbaar.

Onduldbaar is de smart van Ripperda. Doch verontwaardiging, toorn,

spijt, krachtig overredende taal, niets kan baten;--aan het besluit

is een slagboom gesteld, en--allen keeren weer naar hunne woningen

terug, of verspreiden zich in wanhoop door de stad.

IJdel echter was de hoop der Duitschers, dat Ripperda thans tot

overgave zou besluiten.

--»Liever zag ik de stad door de vlammen vernielen,« sprak hij, »dan

dat ik door één woord of gebaar tot overgaaf zou neigen; dat zweer

ik bij God en bij de graven van mijn voorgeslacht!«

Geen wonder, dat na deze gebeurtenis de spanning der gemoederen groot

was. Er grepen dien en den volgenden dag eenige ongeregeldheden plaats;

doch in weerwil van den hongersnood bleef Ripperda met de meesten

onverpoosd de wallen bewaken, nog altijd in de hoop, dat er uitkomst

zou dagen. In plaats van deze kwam nu echter een laatste brief van

den prins aan Ripperda en den magistraat, waarin hij hun schreef, dat

zij het lot der stad in handen van den Almachtige hadden te stellen.

Nauwelijks was de inhoud van dit geschrift bekend, of honderden

bestormden Ripperda en den magistraat met den onstuimigen eisch om

brood of overgave der vest.

--»Overgaaf!« antwoordde de Fries. »Op mijn last in eeuwigheid

niet! Maar spijs zal ik u geven, mannen! binnen een halfuur aan de

Janspoort--gij hebt het woord van Ripperda!«

--»Spijs!« herhalen nu velen verwonderd; doch Ripperda's volle ernst

en vaste toon houden hen terug, hunne vraag te vernieuwen. Op het

voorbeeld van eenigen volgen dan ook weldra de anderen, en zoo snel

als de uitgeputte krachten het toelaten, begeeft zich de menigte naar

de aangewezene plaats.

Aan de Janspoort heeft thans Vardeur de wacht: van de bijna niet

noemenswaardige portie brood voor ieder man is geen kruimel meer

over, en toch wordt, in de hoop, er nog een kruimel te vinden, ook

dat wachthuis door het volk omringd.

--»Gij hebt nog brood, soldeniers!« roept een der mannen, die zich

aan een sterkeren schouder vasthoudt, ten einde niet op den grond

neder te storten. »Deelt met ons om Godswil! wij harden 't niet meer.«

--»Mondkost of de dood! Zóó is het geen leven meer!« schreeuwt een

ander, en stuiptrekkend slaat hij een dreigenden blik om zich heen,

als wil hij de anderen aansporen om zich met geweld van de waarheid

te overtuigen.

--»Wat raast gij toch, kerels?« zegt Vardeur, die even woest tegen

de vijand, als tegen het gebrek, dat allen aangrijpt, geen oogenblik

zijn onstuimigen aard verloochent. »Brood, zegt gij, brood! Zie voor

den satan! wat soort van brood wij hebben.« Onder deze woorden haalt

hij een reep rauw hondenvleesch te voorschijn, dat blijkbaar gerookt

is. »Brood!« herhaalt hij, »het is van een taaien hond. Wat denkt gij,

jakhalzen, dat wij hoplieden nog in Abram's schoot zitten? Dat vleesch

eet Ripperda reeds; want al wat hij had, gaf hij u. Maar komt hier:

gij zult nog wat anders aanschouwen; gij moet zien, wat mondkost

de soldenier eet.« Te gelijker tijd duwt hij een paar hunner in het

wachthuis, doch zij, die zooeven nog naar de reep vleesch watertandden,

staren thans beschaamd en zwijgend het huiveringwekkendst schouwspel

aan.

Het is heet, brandend heet, en nochtans stijgen van een reusachtig

vuur de vlammen omhoog. Een achttal soldaten zitten als geesten rondom

den vuurhaard gegroept, en slaan ongeduldig de blikken in een grooten

ketel, die boven de vlam hangt en waarin men een oogenblik te voren

een reeds half verdroogde ossenhuid heeft geworpen. Twee waren zij

er machtig geworden, en het lot had beslist, wien, nadat zij gekookt

waren, de eerste ten deel zou vallen. Zij, aan wie dit geluk was te

beurt gevallen, waren dan ook bezig, met hunne messen den huid in

reepen te snijden, terwijl sommigen nu en dan een stuk naar den mond

brachten. Een droevig schouwspel is het, den beschaafden mensch in

weerwil van zichzelven, die horden van kannibalen te zien nabootsen,

hem, rondom een vuur gehurkt, aan walgelijk voedsel te zien knagen,

het kraken en knarsen der tanden te hooren op voorwerpen, welke de

tanden niet vermalen kunnen, die de maag niet verteren kan;--zijne

verwrongene gelaatstrekken te aanschouwen, en hem elken brok,

die niet verzaadt, die niet voedt, nog aan zijne makkers te zien

benijden. Dat is bedroevend, en nochtans moet men zich menig dergelijk

tooneel binnen Haarlem's geprangde wallen voor oogen stellen. Zulk een

tooneel greep er in het wachthuis van de Janspoort plaats; maar het

wordt aandoenlijker, het wordt treffender, wanneer wij die mannen,

die vrouwen, die kinderen, welke in het wachthuis nog een overschot

van het karige broodrantsoen wanen te vinden, thans smeekend de

handen zien uitstrekken, om een deel af te bidden van hen, die daar

dat jammerlijk voedsel verslinden.

--»Bij Christus onzen Heer! geeft ons een brok, soldeniers!« smeekt

eene vrouw; »zoo flus is eene onzer door de klauwen van den dood

aangegrepen, en ook wij zullen even deerlijk vergaan.«

--»Deelt met ons, brave gezellen!« roept een ander, »gij hebt nog,

ons rest niets.«

--»God zal er u voor loonen!« bidt een zevenjarig knaapje, en strekt

zoo roerend, zoo biddend de ontvleesde hand uit, dat zelfs de ruwe

borst van Vardeur, opnieuw door mededoogen geschokt wordt.

--»Ja, krijgsbroeders, deelt met de rampzaligen!« roept hij uit; en

werkelijk staan nu de soldaten een gedeelte van het walgelijk voedsel

aan de machtelooze burgerij af. Gretig wordt iedere brok verslonden,

om de wijde leegte der maag aan te vullen.

Intusschen heeft Ripperda zich naar het St.-Jansklooster begeven. Wel

was dit op den eersten April geplunderd en door het vijandelijk geschut

meer dan half vernield geworden; doch nog altoos was aan de achterpoort

de stalling in haar geheel gebleven, en nog altoos stond daar Onno,

het eenig overgehouden paard van Ripperda. Met een kloppend hart gaat

hij door de poort, doch hij aarzelt geene minuut; hij komt aan den

stal, opent de deur en--vindt het paard, dat nog een uur te voren

voor de ledige krib stond, op den grond uitgestrekt. Met schrik en

plotselijk opgewekte droefheid ijlt Ripperda een paar schreden terug,

en de woorden: »Onno.... dood!« komen luidkeels van zijne lippen. Maar

niet zoodra heeft hij den naam van het paard uitgesproken, of bij ziet,

dat het niet dood is. Het dier heeft de welbekende stem van zijnen

meester gehoord, en richt nu het hoofd, dat op het linkerbeen rustte,

naar boven.

--»Onno!« herhaalt Ripperda, het onverwijld naderende en zachtkens

met de hand streelende, »ook gij half van honger bezweken! Hou moed,

hou moed!« En het geliefde paard andermaal streelende, ziet hij nu met

vreugde, hoe het zich inspant om overend te rijzen. Het laat een kort

gehinnik hooren, als wil het antwoorden op de taal zijns meesters,

en--na eene nieuwe inspanning staat het weder in zijne gewone houding

voor de krib, doch nog altijd met het hoofd naar Ripperda gewend.

--»Gij moet geslacht worden, Onno!« zegt hij op smartelijken toon;

en het edele dier ziet hem aan, als verstond het die droevige taal;

andermaal hinnikt het, legt het hoofd op Ripperda's schouders, likt

langzaam diens liefkozende hand, en houdt de oogen, vroeger zoo

schrander, zoo stout, zoo vol vuur, onbewegelijk op hem gericht.

--»Maar ja, het breekt mij 't gemoed,« zegt Ripperda, in wiens oog een

traan ontspringt, en hij ziet het paard met deernis aan. Helaas! het

is het ros niet meer, dat vroeger vuur uit oogen en neusgaten blies;

het heeft die spankracht van den blinkenden nek, de kracht der breede

borst en die ijzeren gespierdheid der fijne schenkels niet meer; het

arme dier is evenals de mensch sinds lang door het gebrek geteisterd;

het schrale en ongewone voedsel in de laatste dagen heeft zijne

krachten ondermijnd en--misschien heeft alleen de stem, het gezicht

van zijn meester het weder eenige schijnbare levenskracht ingestort,

den reeds naderenden dood nog eenige oogenblikken op de vlucht gejaagd.

--»Uw ruiter zal ik niet meer zijn, Onno! maar voor 't laatst zult gij

met mij gaan,« spreekt Ripperda; en nu geeft hij door eene beweging met

de hand het dier te kennen, dat het hem volgen zal. Het gehoorzaamt;

want het volgde zoo menigmaal zijn meester, het volgt hem ook thans

tot.... den dood. Weldra zijn beiden den gang doorgegaan en nu betreden

zij de straat--Ripperda vooruit, Onno, als een getrouwe, aan zijn heer

verkleefde hond hem na. Dat gezicht is aandoenlijk, is treffend; en

schoon op de straat mannen en vrouwen door elkander kruisen, ofschoon

de honger bij den aanblik op voedsel nog scherper wordt aangeprikkeld,

strekt niemand naar den vermagerden klepper de gretige hand uit.

--»Wat dat zijn mag?« zegt de een tot den ander, en allen volgen,

verbaasd en nieuwsgierig, Ripperda, die weldra het wachthuis aan de

Janspoort bereikt.

Spoedig wordt Ripperda door eenigen van de meest uitgehongerden

omringd, terwijl het paard, op het voorbeeld van zijn meester,

insgelijks stilstaat.

--»Daar hebt gij mondkost!« roept Ripperda, die de menigte wil

voorkomen. »Slacht en eet het; ik heb het niet voor mij gespaard. Het

pijnt mij fel, te scheiden van het trouwe dier; maar slacht en eet het,

en dat het u tot verzadiging zij.«

Nauwelijks heeft hij deze woorden gesproken, of hij wendt zich nog

eens tot het geliefde paard, streelt het andermaal het hoofd, tot eene

laatste groete, en bedwingt krachtig een nieuwen traan, die in zijn oog

opwelt; hierop geeft hij een verstaanbaar teeken aan de wachthebbende

soldaten en baant zich vervolgens door het midden der menigte driftig

en ijlings een weg, terwijl hij half hoorbaar deze woorden uit:

»Nooit, Onno, had ik u voor mijzelven gedood! Veeleer ware ik van

honger vergaan. Maar dat troost mij--gij hebt een vrij man toebehoord,

en gij zult nu tenminste geen slaaf worden van den Spanjaard!«

Nog eenige schreden poogt het arme paard zijn meester te volgen, doch

de soldaten hebben het teeken van Ripperda duidelijk begrepen. Maar

ofschoon zij de handen aan de manen van het dier slaan, schijnen

sommigen hunner te aarzelen, het te dooden. Zij hebben Ripperda's

woorden gehoord, gezien hoe zijn gemoed geschokt werd, maar de honger

van velen, thans nog te heviger opgewekt, doet weldra krachtiger

rechten gelden dan de inspraak van het gevoel. De gedachte, dat het

toch spoedig uit gebrek aan voedsel zou sterven, vereenigt zich met

de onuitstaanbare prikkelingen der maag, en--het vermagerd paard

is binnen weinige oogenblikken gedood, aan stukken gehakt en gretig

verslonden; het levend toonbeeld van gebrek en honger is weldra door

de tanden van den honger verscheurd.

Heviger en heviger wordt intusschen het gemoed van Haarlem's

bevelhebber geschokt. Vergeefs, dat hij andermaal de valschheid van den

Spanjaard, den roem van Haarlem met krachtige verwen schetst--zijne

welsprekende taal vindt geen ingang. De moedigen van hart waren niet

talrijk genoeg om een plan te volvoeren, waartegen zich de Duitschers

en Schotten aankantten. Zelfs zag men er eenigen, die Ripperda te

voet vielen, en hem smeekten, dat hij hen niet wagen zou, wijl zij

te machteloos en te uitgeput waren om hun lichaam voort te slepen,

en zij dus ontwijfelbaar bij den uittocht, onder 's vijands staal,

als weerloozen zouden geslacht worden. Velen ook eischten, verzochten,

of smeekten hem, dat hij tot verdrag neigen mocht, en ieder oogenblik

werden Van der Laan, Kenau, en allen, wier invloed of gezag men

kende, als het ware bestormd, om met Ripperda parlementairen naar

het Spaansche leger af te zenden. Men kende toch den inhoud van het

laatste geschrift van den prins.

Nog eens wierp de magistraat een blik op Haarlem, op zijne

talrijke inwoners, en--hetgeen hij aanschouwde was bedroevend, was

huiveringwekkend. Hij zag nedergeworpene wallen, eene platgebeukte

stad, waarin geene verdedigingsmiddelen meer waren, dan rapieren in de

handen van schimmen. Wat het hart met feller wee trof, was het razend

gebrek, de holle honger. Men weet, hoe losbandigheid den jeugdigen

blos doet verwelken, maar onverzoenlijker, maar doodelijker in hare

gevolgen, zag men, hoe de honger aller gelaatsverf aan het waas van

den dood deed gelijk zijn; men zag dien worm aan den ouderdom maar

vooral aan de jeugd knagen, en jeugd en ouderdom uitgeteerd. Hier zag

men er, die door verdoovende middelen zich in slaap hadden gedompeld,

om de samendrukking der zenuwen en de bovenmatige gevoeligheid der

maag te verminderen. Daar poogden anderen den eetlust te temperen,

en men aanschouwde half machteloozen, die door het toegespen van

breede gordels rondom den omtrek der maag, het martelend gevoel van

den honger voor eenige minuten trachtten te verdrijven. Treurig was

het te zien, hoe armen en rijken straten en grachten doorkruisten;

en de voorspelling van den soldenier, wien zijne makkers het stuk

moutkoek ontroofden,--die bittere voorspelling werd maar al te

zeer vervuld,--ratten en muizen zag men hier en daar met gretigheid

verslinden, en men achtte zich gelukkig, dat dit walgelijk voedsel

voor eenige oogenblikken de behoefte bevredigde. Aandoenlijk,

zielsnerpend was het, op grachten of pleinen een grijsaard op de

knieën te zien vallen, hem te midden der jeugd, die aan onverteerbare

voorwerpen knaagde, oogen en handen naar den Hemel te zien heffen en

hem te hooren smeeken, om redding in den uiterst bangen nood. Hier

zag men moeders, aan wier dorren boezem het kind zich vergeefs zocht

te laven,--of men zag de moeder en het kind beiden van uitputting

bezwijken. Daar kermden en baden kinderen om brood, klemden zich aan

den hals of de knieën hunner moeders, en die moeders hadden slechts

tranen, geen brood. Hartroerend was het, de jeugd, die nog geene taal

kon stamelen, hun nooddruft te zien uitdrukken, hen met voet of hand

de ontledigde spinde te zien aanraken, en hen van vreugde te zien

huppelen, wanneer het uur sloeg, dat hun het karig deel, bijna geen

deel meer, als met terugtrekkende hand werd toegereikt. Maar, wanneer

de knellende honger in dat rantsoen geene verzadiging vond, wanneer de

maag nog luider hare rechten deed gelden, dan zag men de onnoozelen

weenend over den grond kruipen, hen, evenals vroeger de huisdieren,

die thans reeds alle geslacht waren, onder den armzaligen disch naar de

gevallen kruimel zoeken en die met nog grooter gretigheid verslinden.

En die wanhopige, uitgeputte scharen, dat gebrek in duizenden donkere

schakeeringen overziende; die algemeene kreten om hulp hoorende, zonder

dat er hulp, dan van omhoog, was te wachten; zich al de opofferingen,

al den heldenmoed gedurende zoovele maanden herinnerende, en het

laatste geschrift van den prins herziende, was de uitspraak der

meerderheid van den magistraat: »God, wij stellen het lot van Haarlem

in uwe handen!«

--»De ellende is groot!« zeide Ripperda, toen Van der Laan hem dit

met een smartelijk gevoel mededeelde, »en ik zal het besluit niet

weerstreven. Maar, wie van overgaaf wil spreken--ik, Ripperda! kan

toch vrij blijven tot mijn laatste uur, als een vrije Fries handelen,

totdat mijn bloed wegstroomt. Geene overgaaf, geen verdrag uit mijn

naam. Geen sterveling kan mij de macht ontrukken om te doen, wat

mijn voorgeslacht deed, dat is--niet lafhartig te buigen, zoolang

de eer nog kan behouden worden. De taak van den bevelhebber is dus

afgedaan; want tot een verdrag met den Spanjaard leent deze zijn naam

in eeuwigheid niet.«

Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 3 van 3) · 第 11 / 19 题