Het was Dinsdag de veertiende Juli. De zonnehitte gloeide, en toch
lag over de stad eene tint, als had er eene zonsverduistering plaats,
die kwaadvoorspellend, de harten met schrik en ijzing vervulde.
Eene geruststelling heerschte echter bij sommigen--de afkoop der
plundering voor tweemaal honderd en veertigduizend gulden.
Met de aansporing om daarvan onverwijld eene ton op te brengen,
bevond zich nu Philippus van der Mathe in het Zijlklooster. Ook
gisteren was hij er geweest; toen had hij aan iedere drie man een
brood doen uitdeelen, had hun vermaand om de som te verzamelen, ten
einde de plundering te voorkomen, had hun zelfs de vrijheid gegeven
om naar hunne huizen te gaan, mits des Dinsdags terugkomende en--die
Dinsdag was gekomen.
Zie hem daar in het bijzijn van Romero--als commissaris van don
Frederik, na de overgave der stad. Zie hem daar, vroeger burger van
Haarlem, thans dienaar van Spanje, vroeger burgemeester der stad om
voor haar welzijn te waken,--thans bode, afgezant van don Frederik om
het laatste bloed der burgers uit te zuigen. En toch bloost hij niet,
al rust daar zijn oog op een ganschen magistraat, in wiens midden
hij weleer zat,--al ziet hij op Van der Laan, Van Vliet en zooveel
anderen, voor wier oogen hij als verrader daar staat; want die blos
op zijn gelaat is de blos der gezondheid, die het genot verraadt
van spijs en drank, en die scherp afsteekt bij zooveel muurbleeke
aangezichten, waarop het gebrek zijn sporen heeft gedrukt. Het is waar,
Van der Mathe's toon is niet die van den overmoed, hij is vriendelijk,
minzaam, zacht als fluweel, waar hij genade belooft,--vol innemenden
nadruk, waar hij van de hooge noodzakelijkheid rept, om de bloedsom
toe te tellen,--vol zachte klem, waar hij gewaagt van zijn wil om
voor Haarlem te doen, wat hij vermag. Maar geen zijner woorden kan de
verontwaardiging uitblusschen, die in de ziel van Kies, van Stuiver,
van Van Duivenvoorde blaakt; en al konden ze dit voor eene wijl, dan
was een blik op Romero reeds genoeg om Van der Laan en zooveel anderen
te doen uitroepen: »mistrouw ook het lam, wanneer het, in verbond met
den wolf, zoete taal voert.« Of wilde die Romero ook alles voor het
welzijn der stad? Die Romero van Naarden, die onstuimigste bestormer
van de wallen, dien Hasselaar een oog heeft ontnomen,--die Romero
met de vlam van haat en wraak in de borst? Welk eene zending! Van der
Mathe en Romero om de burgers met genade te vleien. Van der Mathe de
verrader--Romero de wreker.... dat is nog pijnigender voor het gevoel
dan de honger.
Maar toch--Van der Laan heeft gesproken als de tolk van Haarlem,
gesproken met Romero en Van der Mathe; ook geheel de magistraat heeft
beloofd, dat tot den laatsten penning de bloedsom zou voldaan worden,
en hij heeft meer beloofd dan hij kon, alleen om eene onderhandeling
te verkorten, waarbij hij gloeide van verachting, en waarbij de
zelfbeheersching van Van der Laan werd vereischt, om de vlam niet
naar buiten te doen uitslaan.
--»Men zegge niet, dat de honger het scherpst vlijmt,« zeide Hasselaar,
nadat Romero en Van der Mathe het klooster weder verlaten hadden,
»feller vlijmt het, de woorden te moeten hooren van een verrader als
hij. O, hoe mij de lust zou hebben bekropen, Boreel! om dien Romero
het licht geheel uit te blazen, wanneer ik voorzien ware geweest van
mijn goed musket. Zaagt gij niet, hoe hij het tijgeroog op mij sloeg?«
--»Ik heb niets gezien dan den verrader,« antwoordde Boreel. »Zijne
zoete woorden van genade waren ravengekras in mijn oor. En mijne arme
Anna, hoe zal het haar zijn? Geen wapen meer om haar te verdedigen,
beroofd van mijn rapier--gij allen, ook ik; dat grieft mij ter dood.«
--»Genade beteekent moord,« sprak Pellikaen; »eerst het bloedgeld
opgebracht, en dan in het bloed gesmoord,--dat zal ons lot
zijn. Gevangen en geen wapen meer; ja veel beter is de dood.«
--»Ik heb mijn musket nog,« zeide Hasselaar, »het musket, waarmede ik
Romero heb getroffen: het wapen, dat ik op het stadhuis bracht, was het
verroeste zinkroer van een gevallen Duitscher. Mijn musket geef ik in
eeuwigheid niet over. Maar gij zijt diep verslagen, Boreel! gij, nog
korts zoo groot, nu zoo klein; courage, mijn vriend, in de donkerheid.«
--»Niet om mij zelven, maar om Anna Hasselaar! Wie zal haar tot schut
zijn, als de ellendige Stompwijk de hand aan haar slaat? De toekomst
pijnigt mij slechts om haar.«
--»Moed!« hernam de vaandrig; »zoo de kans het gedoogt, breng ik
haar in mijn huis; daar is een goede schuilplaats, waar geen oog haar
vinden zal.«
--»Mocht dat waar wezen--ik zou mijn lot tarten en vol moed zijn. Maar
wie is ons borg, dat wij dit convent verlaten anders dan om in den
dood te gaan?«
--»Borg niemand,« zeide Van der Laan met waardigen ernst, »maar toch
is er hoop op den bijstand van God, en die hope is groot. Gij hebt
gehoord, mijne vrienden, dat eenigen van ons benoemd zullen worden om
nog dezen dag de gelden in de huizen der burgers op te halen. Misschien
valt die keuze ook op mij; en zoo de som kan worden bijeengebracht,
dan twijfel ik niet of gij allen zult dit convent verlaten; en ik zal
God bidden, onverpoosd, dat Hij mij in staat stelle om veel te doen
tot uw nut. De graaf van Bossu is mij niet ongezind; ik heb groote
hoop, en zoo ik slechts eenige redding kan aanbrengen, dan geef ik
met vreugd mijn laatsten penning den Spanjaard in hand.«
Dat waren bemoedigende woorden in het donker verschiet; want Van
der Laan sprak ze, en men wist, dat zijn blik verre doordrong. Men
berekende nu onderling, wat er met algemeene opoffering bijeengebracht
zou kunnen worden, en--de hoop vermeerderde; in bange oogenblikken
storten de harten zich vertrouwelijker uit; geheimen, die vroeger op
den bodem van het hart lagen, wellen naar de tong, en de oogenblikken
waren bang. Doch laat in het Zijlklooster de een zijn gevoel aan den
anderen lucht geven; laat hen hopen en vreezen, en wend den blik
naar buiten. Daar zien wij de straten, door de burgers ontledigd,
met Spanjaarden bezaaid. Dat is don Frederik, die daar trotsch de
stad binnenrijdt, dat is de graaf van Bossu aan zijne rechter-, dat
is Stephanus Dijnara, de overste zijner tent aan zijne linkerhand. Op
hen volgen Gonzales de Dracamonte, don Ferdinand, Valdez en anderen;
te paard in prachtig uniform naderen zij de markt, en door gansch
Haarlem weergalmt de Spaansche overwinningsmarsch. Ook de bisschop
vertoont zich, en al de hooge geestelijkheid, de uitgewekenen keeren
terug; allen, die verzekerd zijn, dat zij niet te vreezen hebben,
omringen den bevelhebber, en het eerst heeft er een omgang plaats naar
het nog ongeschonden Bagijnhof. Daar zal men den wierook ontsteken,
daar zal men de heiligen danken voor de behaalde overwinning; want
toch zal men in den mond der Spanjaarden overwinning heeten, wat
niets meer is dan eene overgave van het gebrek.
Groot is inmiddels de teleurstelling van de Schotten en Duitschers,
die de wallen bewaken; zij worden door Spanjaarden afgelost, en nadat
ook zij hunne wapenen op het stadhuis afgelegd hebben, werden zij als
gevangenen naar het St.-Catharina- en Ursula-klooster overgebracht. Op
Frederik's bevel worden nu ook al de hoplieden en hulptroepen naar het
Huis Ter Kleef gevoerd. Dat spelt hun een somber lot. En zie! is dat
niet de voorbode van nog erger schending van woord en verdrag? Daar
stormen reeds eenige soldaten de huizen binnen van hen, die in kerk en
klooster worden bewaakt. Daar worden reeds kist en koffer opengerukt
en met vlammende blikken naar grooter buit rooft en plundert men,
terwijl zich van links en rechts laat hooren: »Haarlem is ons tot
buit beloofd!«
Wij willen veronderstellen, dat die plundering van enkele huizen, in
weerwil van den geldelijken afkoop, niet aan Frederik, maar eerder
aan de tuchteloosheid is te wijten van soldaten, die sinds maanden
geene soldij hadden ontvangen. Maar was het evenzeer aan den moedwil
der soldaten toe te schrijven, dat des anderen daags te negen ure de
moord, de verdelging een aanvang nam?
Neen, dat was op bevel van Frederik; de tijger huichelde niet meer.
Op dien dag, den akeligen Woensdag, waarop de moord van Haarlem's
verdedigers aanving, zag men van de Spaarnwouderpoort een ruiter
door vier anderen gevolgd, de stad naderen. Reeds van verre toonde
zijn trage rit, dat hij niet herwaarts kwam met het doel om een
bedreigd slachtoffer te redden. Wie was die ruiter? Hij nadert al
meer en meer: het paard, dat hij berijdt, is fraai, een corredor--een
harddraver, van Spaansch ras, die meer geschikt schijnt voor een
krachtvol jongeling dan voor een man van vijf en zestigjarigen
ouderdom. Toch toont hij duidelijk, dat hij in behendigheid en de
kunst om een vurig ros te beheerschen, voor den meestgeoefenden
ruiter niet behoeft te wijken. Hij nadert nog meer, zie die lange,
schrale en toch edele trotsche gestalte, dat bleek en streng, bijna
barsch gelaat, welks voorhoofd met rimpels is beploegd; herkent gij
hem niet aan dien adelaarsneus, die holle, levendig flikkerende oogen,
door zware vale wenkbrauwen overwelfd, aan die korte rosse haren en
dien langen puntigen baard, welke eene belangwekkende uitdrukking aan
dat trotsch ernstig gelaat bijzetten? Zijn hooge rang wordt verraden
door zijne prachtige hemelsblauw fluweelen kleeding met gouden
borduursel versierd: zijn aan de eene zijde rijk opgetoomde hoed is
van hetzelfde fluweel, en doet den grooten geplooiden halskraag niet
onbevallig uitkomen. Aan de rechterhand heeft hij een licht paarschen
lederen handschoen, en houdt dien van de linker tusschen vinger en
duim terwijl hij, in gesprek met de edellieden, die tot zijn gevolg
behooren, er mede op Haarlem wijst. Die ruiter is de hertog van Alva.
--»Señor Valdez!« zegt hij kort en ernstig, terwijl hij op kleinen
afstand van de Spaarnwouderpoort plotseling halt houdt, en zijn paard
door een forschen ruk aan den teugel, doet steigeren. »Zeg aan den
Maestro del Campo, dat ik hem hier verwacht, met den graaf van Bossu
en señor Romero. Neem gij de plaats in van Romero.«
De latere belegeraar van Leiden, Valdez, maakt eene kleine buiging,
doch waagt de vraag niet: »Rijdt gij dan niet binnen de stad,
excellentia?« Hij gehoorzaamt; de poort, door Spaansche soldaten,
niet meer door de dappere Haarlemmers bewaakt, wordt hem aanstonds
ontsloten, en de prachtig gekleede ruiter blijft met de overigen
terug. Een van deze is Pedro de Venavides, de andere Johan van Otensee
en de derde Verdugo, de latere stadhouder van Groningen. Maar de
hertog schijnt zich weinig om hunne tegenwoordigheid te bekreunen en
rijdt in gepeins op en neer, terwijl hij half verstaanbaar mompelt:
»Vijf duizend door het rapier! meer dan zes duizend door ziekte of
ontbering! Koning van Spanje! Haarlem's val kocht gij duur!«
Terwijl 's hertogs voorhoofd nog meer rimpels, zijn holle vurige
blik nog donkerder gloed aannam, en hij streng maar toch met trotsch
welgevallen het gezicht naar de stad keert, verschijnen don Frederik,
Bossu en Romero, te paard en in sierlijk gewaad, evenals hield men
daar binnen Haarlem geen St.-Bartholomeusnacht, maar als vierde
men er een plechtig feest, tot welks bijwoning zij hem plechtstatig
komen uitnoodigen.
--»Op mijne eer!« fluistert Frederik den graaf van Bossu in het oor,
»dat wij onze woorden wegen; want mijn vader zal het de zijne doen.«
--»Al naar de zin het vereischt, señor!« zeide Bossu; terwijl hij
evenals don Frederik den Spaanschen hoed licht en voor den hertog
eene kleine buiging maakt.
--»Señores!« zeide Alva, hunnen groet schier onmerkbaar beantwoordende,
en duidelijk door zijn toon te kennen gevende, dat hij vooral thans
tot zijne gewone manier van korte en deftige uitdrukkingen geneigd is,
»gij wilt mij wel rond Haarlem vergezellen en mij schetsen, hoe het
inwendig gesteld is? Dan bespaart gij mij de moeite, de stad in te
rijden, daar mijn tijd kort is en kostbaar.«
--»Welke zijde verlangt gij eerst te bezichtigen, excellentia?« vroeg
Frederik, welke hem nooit met monsennor of vader maar steeds op de
gezegde wijze aansprak, wanneer er anderen bij tegenwoordig waren.
--»Waar de meeste dapperen zijn gevallen,« antwoordde de hertog, op
een streng bitteren toon, als waarin alleen reeds voor den Maestro
del Campo voor Haarlem een verwijt opgesloten lag.
Frederik gevoelde den doorn in deze woorden, en hetzij dat wrevel
hem het antwoord ingaf, hetzij hij Alva wilde behagen zoo zeide hij:
»links dan of rechts, excellentia! want de dapperen vielen van rondom.«
--»Rechts!« zeide Alva, die op dat oogenblik met het front naar
de Spaarnwouderpoort stond gekeerd, en terwijl zijn oog eene nog
donkerder uitdrukking aannam, wendde hij den teugel naar dien kant
en reed nu een paar schreden vooruit langs den buitensingel, zoodat
hij de Papetorensvest aan de linkerhand had.
--»De serpentijnen hebben hier het meeste kruit niet gespild,«
zeide Alva, terwijl hij het oog sloeg op den Papentoren, een der
grootste tusschen de poort en de Catharijnebrug of het begin van
't Noorderspaarne.
--»Maar daarginds des te meer,« was het antwoord op dit nieuwe
bittere gezegde.
--»Gespild, ja; dat is het woord,« zeide Venavides in zich zelven,
die schoon eenige passen achteraan rijdende, alles hooren kon en
scherp luisterde, »gespild, ja; want Haarlem is niet gevallen door
kruit of rapier.«
De tijdelijke over het Noordenbuitenspaarne gelegde brug overgereden
zijnde, bereikte men weldra de schansen, waaruit het geschut zoo
vaak op de Jans- en Kruispoorten en de ravelijnen gebeukt had. Alva
kortte den teugel, wierp een blik op de in puin herschapene vesten;
maar evenals wierd zijne gramschap er door opgewekt, dat zijne
invincibles en immortales--onverwinnelijken en onsterfelijken--door
de menigvuldige bressen zich niet met geweld den weg in de stad had
kunnen banen, zoo keerde hij zich om, sloeg de oogen op het Huis
Ter Kleef en liet ze vervolgens eenige seconden met eerbied op het
klooster der Regulieren rusten.
--»Volgens mijn wil hebt gij dit convent verschoond,« zeide hij,
»maar wat heeft de rebellen en ketters daartoe genoopt?--Zij hebben
toch de onzalige hand gelegd aan zoo menig gesticht van de heilige
kerk binnen de stad.«
--»Dat heeft het klooster aan de gansche burgerij en aan burgemeester
Van der Laan te danken; die vrome kloosterbroeders waren in Haarlem
altijd zeer bemind,« antwoordde Bossu, die, schoon zijn naam met roode
letters staat aangestipt, toch niet aarzelde, somwijlen ridderlijk
het goede karakter van dezen of genen te doen uitkomen.
--»Van der Laan? Zoo dat waar is, dan zij zijn leven gespaard,«
sprak Alva, »wie eerbied heeft voor het waarachtig geloof van mijnen
allerkatholieksten vorst en heer, hij moge dan ook rebel zijn, van
dezen is nog terugkeer te wachten. Maar de geus Ripperda! is hij
verstokt gebleven tot het laatst?«
--»Tot nog toe, excellentia!« antwoordde Frederik, die den hertog
niet volkomen begreep; »en ik twijfel niet, of hij zal het ook wel
blijven tot in den dood.«
--»Hoe!« riep Alva, een gramstorig donkeren blik op zijn zoon werpende,
»die hardnekkige muiter leeft nog! Waarom, señor, hebt gij mijne
bevelen niet ten uitvoer gelegd?«
--»Verschoon mij, excellentia! ik herinner mij niet, dat uw geschrift
uitdrukkelijk den dag van zijn dood heeft bepaald,« antwoordde
Frederik; en hij die niet huiverde voor valschheid en moord, huiverde
voor den strengen oogopslag van Alva, met wien hij meer dan eens den
hoffelijken en gemeenzamen toon aansloeg; hij sidderde bijna voor
den man, die zijn vader was.
--»Hebt gij den tijd nog niet gehad, mij te leeren kennen?« hernam
de hertog. »Moet ik aan den veldheer van zijner majesteits leger voor
Haarlem dan woordelijk schrijven. Waar is mijn geschrift, señor?«
Zonder een woord te spreken, maar zich van ingekropten wrevel op de
lippen bijtende, haalde de zoon den brief te voorschijn. Toen hij
hem aan den hertog ter hand gesteld had, doorliep deze met haastigen,
gloeienden blik de regels en las op eens met spijtige stem de volgende
in de Spaansche taal geschrevene zinsnede: »de strop aan allen, die
bij Bergen tegenwoordig waren; hetzelfde of het zwaard aan allen,
die als hardnekkige ketters bekend zijn; de dood aan al de soldeniers;
nopens de Duitschers alleen wacht gij mijne nadere bevelen.«
Maar reeds bij de laatste woorden begon 's hertogs stem een halve
toon te dalen, evenals dit gewoonlijk het geval is bij hem, die met
vuur de verdediging van eene stelling aanvangt, en inmiddels beseft,
dat hij ongelijk heeft. Nergens vond Alva de uitdrukking, waaruit
men kon opmaken, dat Ripperda's dood onverwijld na de overgave der
stad moest plaats hebben. Om echter de erkenning van zijn ongelijk
eenigszins als uit het stof op te heffen, liet hij onverwijld er op
volgen: »No es nada! maar gij kent nu mijn verlangen, señor!«
--»Maar zoo hij zijne kettersche leer eens afzwoer en den eed deed, in
's konings dienst te zullen overgaan?....« vroeg de graaf van Bossu,
terwijl hij een veelbeteekenenden blik op den hertog sloeg.
--»Ripperda?« zeide Alva vragende; en nu kwam er een zoo
spottend-kwaadaardige lach op zijne lippen, dat zelfs Romero, die
voor hem in valschheid niet behoefde te wijken, nog meermalen van
dien lach gewaagde. »Zoo Ripperda dien eed wil zweren, dan sterve
hij door de musketiers; zoo niet, dan door strop of zwaard!«
--»Heilige maagd!« sprak Venavides in zich zelven; en ternauwernood
kon zijn edel gevoel zich bedwingen om niet in woorden van billijke
verontwaardiging los te barsten. Hij was op het punt, den hertog
tegemoet te voeren, dat het schoone Nederland niet zoo jammerlijk zou
geschokt zijn, wanneer de koning van Spanje gediend werd door mannen,
zoo braaf, zoo doorluchtig groot als Ripperda. Maar hij achtte het
noodig, zijn ontvlamd gemoed geweld aan te doen; want Venavides voedde
plannen om twee menschen te redden of hun althans in eenig opzicht
nuttig te zijn en--hij zweeg.
Nu reed de hertog verder in de richting der Kruispoort, terwijl hij
enkele woorden mompelde, die, zoo zij zich al niet verstaan dan toch
raden laten. Met belangstellenden en toch wrevelmoedigen blik bezag
hij de verschansingen, waar zooveel Spanjaarden gevallen waren, de
loopgraven, en de mijnen, waar zooveel Luikerwalen den dood hadden
gevonden en op eens kwam de ongeveinsd smartelijke, maar tevens bittere
vraag op zijne lippen: »Waar viel mijn onverschrokken Perea? waar
mijn dappere Rodrigo de Toledo?«
--»Aan de gindsche poort, excellentia!« antwoordde Romero, met de hand
naar de Kruispoort wijzende, »zij vielen als helden onder het zwaard
van de muiters. Het heeft aan moed en onversaagdheid niet ontbroken,
en alleen om den dood van Lorenzo Perea verdienden al de rebellen
het zwaard.«
--»Maar die rebellen hebben zich niet minder dapper gedragen,«
zeide Alva, niet zoozeer om de Haarlemmers lof toe te zwaaien, als
wel om Romero te doen gevoelen, dat deze niet zijdelings op feiten
behoefde te roemen, welke geen roemrijken uitslag hadden gehad. »Nog
begrijp ik niet, dat de onbedwingbare moed van 's konings soldaten in
den storm van December of Januari, zich geen meester heeft gemaakt
van eene zwakke stad. Vijf duizend door het zwaard, meer dan zes
duizend door ziekte en ontberingen! Onnoemelijke schatten verspild,
en op het einde nog niets bemachtigd door vuur of staal!.... Bij de
heiligen! het zijn de glorierijke dagen van Pavia, van Perpignan,
van Mulhberg niet meer. Al ware Haarlem met roem overwonnen, dan nog
zou die roem veel te duur zijn gekocht!«
Onwillekeurig of door eene vernieuwde opwekking van wrevel sloeg Alva
de sporen in de zijden van zijn paard, en de vurige corredor wilde als
een pijl voortschieten; te gelijker tijd echter hield de hertog forsch
en behendig den teugel in, en scheen op dat oogenblik een jongeling,
welke door kracht de blikken van anderen tot zich wil trekken. Het
paard steigerde en hinnikte fier, als ware het trotsch op de eer,
den landvoogd en beul van Nederland op zijn rug te torsen; maar op
eens bedwong Alva met dezelfde ijzeren hand, waarmede hij Nederland
teisterde, de snuivende steigeringen van het ros, en zeide toen op
luid verstaanbaren toon, hetgeen later door Sonoij werd verhaald:
»Zoo gansch Holland een ei was, en ik het onder den voet had, ik zou
het veeleer vertrappen, dan mijn doel niet bereiken.«
--»En waar is don Campocassio van Pisaure gevallen?« vroeg hij,
andermaal de oogen naar de verbrokkelde vest tusschen de Kruis- en
Janspoort wendende. »Bij San Jago! zijn verlies kan niet vergoed
worden. De koning, mijn meester, derft in hem den ervarensten
bouwkundige, die in deze eeuw bestond: met zijn dood is de kans
gedaald om de steden der muiters terug te brengen onder het wettig
gezag. Toen gij mij zijn val melddet, señor! bevreemdde het mij,
dat gij zijn lijk geene eer hadt bewezen.«
--»Hij is begraven gelijk zooveel anderen, die met eere gesneuveld
zijn,« antwoordde don Frederik, die zich evenals Romero meer en meer
op de lippen beet, dat Alva slechts van den roem sprak van anderen,
terwijl zij zelven gewond waren geworden--Romero een oog verloren
en zich zoo menigmaal stout in den dood had gewaagd. »De soldaten
hebben mij verzekerd,« zeide Romero, »dat hij door het musket van
dien geuzen-vaandrig werd getroffen; zijn naam herinner ik mij niet.«
--»Hasselaar heet hij,« liet de graaf van Bossu er op volgen, »het is
een vermetele knaap, die steeds de beste soldaten heeft weggemikt;
ofschoon nog geen achttien jaren oud, moet hij al de schutters in
bekwaamheid te boven gaan.«
--»Eer hij sterft, wacht gij over hem mijne nadere bevelen,« sprak
Alva, somber en kortaf. Vervolgens reed hij over den singel voorbij
het Kraaiennest tot aan den Pijntoren, en ook dit hoofdwerk met zijne
muren met rondeelen en kleine steenen bolwerken, zag hij geheel in
puin veranderd. Weer mompelde hij spijtig, dat zijne Immortelles zich
door al die bressen den weg niet in de stad hadden kunnen banen. Het
water den Delf, schuins over den Pijntoren, ter rechterzijde latende
liggen, wendden de ruiters links af, reden stilzwijgend voort voorbij
de Zijlpoort, die men zoo dikwijls vermetel was uitgetrokken, om de
Spanjaarden afbreuk te doen, totdat men het terrein voor de Groote
Houtpoort bereikt had. Op eens hield hier de hertog stil; want hoezeer
niet volkomen met het plaatselijk gedeelte rondom Haarlem bekend,
wist hij maar al te wel, dat hier bij een uitval zooveel honderden
Duitschers tegen nog geen tien Haarlemmers gevallen waren, en--de
dag van den vijf en twintigsten van Lentemaand kwam hem levendiger
voor den geest; zijne oogen namen onder de vale wenkbrauwen een
donker-brandenden gloed aan,--en de rimpels op zijn voorhoofd
vermenigvuldigden zich, terwijl hij nu en dan fier en dreigend het
hoofd ophief, als kwam er een drom van vijanden op hem aan.
--»Don Diego de Carjaval, don Cressoneros!« riep hij, op de tanden
knarsend uit, en verloor bijna de heerschappij over zichzelven, onder
welke hij voorspoed en ongeluk zoo meesterlijk wist te verbergen,
»moest ook gij hier vallen, te midden van zooveel vendels laffe
Duitschers? Die honden dragen het rapier slechts om de soldij. Gij
hebt mij gezegd, graaf van Bossu, dat gij muiterij tegemoet ziet, omdat
sedert zooveel maanden niet geregeld soldij is uitbetaald. Maar bij den
koning, de hertog van Alva zal zijn eigene beurs niet meer aanspreken
om die laffe geldwolven te bevredigen; zij zijn niet waardig, onder de
gloriebanier van Spanje te behooren. Als hen eenmaal de lafhartigheid
aangrijpt, zijn zij erger te schuwen dan de pest. Tien Duitschers
kunnen niet opwegen tegen een Castiliaan.«
Het gebeurde den hertog wel meer, dat hij anderen, die volkomen
het tegendeel wisten, in den waan trachtte te brengen, dat hij
zijn maandelijksch inkomen als landvoogd van twaalfhonderd zestig
kroonen--omtrent vijf en twintig honderd gulden--somwijlen besteedde
tot gemoetkoming der schatkist in de betaling der onder zijn bevel
staande legerbenden. En deze huichelachtige rol van eigene geldelijke
opoffering heeft hij het zichtbaarst vervuld, toen hij later in
Amsterdam met trom en trompet liet bekend maken, dat elk, die geld te
vorderen had, zich tot de ontvangst des anderen daags zou aanmelden,
terwijl hij inmiddels gedurende den nacht zonder trompetgeschal
vertrok, beladen met de schatten en de vloek van Nederland.
--»En hier was het, señor, dat gij den rebellen in handen vielt?«
ging hij voort, zich tot Venavides wendende. »Hoe was de naam van
den muiter, die zich zoo ridderlijk jegens u gedroeg?«
--»Ik geloof niet, excellentia, dat de naam van muiter op hem toe te
passen zij,« antwoordde Venavides met waardigheid, »doch met zekerheid
weet ik, dat hij voor geen Castiliaansch ridder of krijgsman in adel
en fierheid behoeft te wijken.«
--»En of gij, señor hem dien naam al niet toekent,« hernam Alva, »toch
zal hij sterven als rebel, dat zweer ik! Wie de ketters en muiters
dient, is denzelfden schandnaam en een gelijk lot als zij waardig.«
--»Die macht, excellentia, kan Venavides u niet ontnemen,« antwoordde
deze op den vorigen toon; »maar daar hij zelf te trotsch en eergierig
is om zijn leven af te bidden, zoo verzoek ik uwe excellentie
eerbiedig, den man te sparen, die mij voor een wissen schanddood
beveiligd heeft.«
Een oogenblik zag de hertog Venavides streng, bijna dreigend aan,
terwijl hij op het punt was tegen hem uit te varen, die om het leven
smeeken durfde van iemand, welken hij als rebel reeds ter dood had
gedoemd. Doch snel kwam er op datzelfde oogenblik eene andere gedachte
in hem op, en terwijl hij de linkerhand weder aan den teugel bracht,
zeide hij op korten en driftigen toon: »Dat zal de landvoogd overwegen
met den hertog van Alva.«
--»Van hier!« zeide hij nu, den weg naar de Kleine Houtpoort inslaande,
»deze plaats doet mij te zeer het bloed bruisen over de onteerende
vlucht van een lafhartigen hoop.« Nog steeds bij zijn plan blijvende om
de stad slechts van buiten, niet van binnen te beschouwen, sloeg hij
den Hout in en reed de brug over het Zuiderbuiten-Spaarne over. Hier
liet hij de blikken weiden over de naburige schansen en over de
weilanden, waarop de runderen der Haarlemmers steeds gegraasd hadden,
gedekt door het geschut der forten. Hier gaf hij zijne hoogste
verbazing te kennen over de stoutheid van Jeronimo Tseraarts en
Nicolaas Bernaards, om zich met een gewapend jacht, dwars door de
vloot van Bossu, een weg te banen, zonder door die vloot in den grond
te worden geboord; en hoezeer hij den graaf van Bossu op hoogen prijs
stelde, kon hij zijn wrevel niet genoeg bedwingen om dezen niet nu
en dan een spijtig gezegde naar het hoofd te werpen.
--»Vijf duizend van 's konings soldaten door het staal der muiters
gevallen,« herhaalde hij weder, »en toch de hardnekkige vest niet te
hebben doen bukken dan door honger. Aan al de steden van dit oproerig
land de macht gegeven om zich te versterken en den kop nog onbuigzamer
en trotscher op te steken. Neen, dat is te veel. Weleer heb ik een
volk van ijzer getemd, zou ik dan geen volk van boter kunnen temmen? De
dood aan den ketterschen Oranje! De dood aan zijne soldeniers!«
--»Zoolang het hoofd van het oproer niet in 't zand rolt,« zeide
Romero, met een grijns op zijne lippen, »zoolang, excellentia,
zal de koning dappere soldaten en geld verspillen. De dood van den
Zwijger slechts kan heil aanbrengen en den glans verhoogen van het
waarachtig geloof.«
--»Ik weet het,« zeide Alva, en zich daarop tot zijn zoon wendende,
vroeg hij: »Zijn allen, die bij Bergen waren, reeds om hals?«
--»Nog niet, excellentia!--De Franschman Bordet heeft zich doorschoten,
omdat hij de galg vreesde, en ik heb zijn ellendig lijk in een kuil
onder de vest laten delven. De zoogenaamde edelman Malignai heeft
bij den een of anderen ketter eene schuilplaats gevonden; maar morgen
wacht aan al de overigen het zwaard.«
--»En gij zult met den trom doen bekend maken,« hernam Alva, »dat wie
den Henegouwer Malignai eene schuilplaats verleent, aan zijn eigen
deurpost met den strop zal gestraft worden,--dat elk, die een vroeger
uitgewekene in zijn huis herbergt, zijne goederen verbeuren en gehangen
zal worden. Maar daarom vraag ik, of reeds allen, die bij Bergen waren,
om hals zijn gebracht, omdat ook voor hen nog genade te wachten staat.«
--»Genade!« sprak Frederik verwonderd, als wel wetende, hoe zijn vader
de genade een verkoelenden drank noemde voor den dorst van zieken.
--»Genade!« herhaalde ook Romero; doch een scherper blik op den hertog
overtuigde hem weldra, dat achter die woorden een adder verborgen lag.
--»Ja, genade!« herhaalde de hertog; »genade voor elk, slechts niet
voor Ripperda, die bij de onfeilbare waarachtige Kerk den eed zweert,
dat hij Oranje zal doen sterven. Maar gij zelf, mijn zoon, en een
onzer heilige priesters moet bij dien eed tegenwoordig zijn;--en
hij moet gedaan worden met al de plechtigheid, die onze godsdienst
voorschrijft. Bij hem, die leert, dat men den ketter aan het leven
mag straffen, op zulk eene voorwaarde zij zelfs aan den Henegouwer
de vrijheid.«
--»Ik heb u verstaan, excellentia, en ik zal handelen naar uwen wil,«
antwoordde Frederik.
Inderdaad! bij zulke godsdienstbegrippen kan het onze verwondering
niet wekken, dat, toen Oranje later viel als het slachtoffer van
huichelmoord, de geleerde Torrentius in een lofdicht op Balthasar
Gerards uitriep: »Grooter is geene zege, dan de eer, door u behaald, en
zooveel folteringen, Balthasar als men u aandeed, zooveel lauwerkransen
vlocht men u om de kruin.«
--»Maar zij, excellentia!« vroeg Frederik, met nadruk onder het
voortrijden naar de Spaarnwouderpoort, »zij, die zoovele uwer
dappere soldaten in den dood bracht, wat zal de straf zijn van Kenau
Hasselaar?«
--»Als het waar is,« antwoordde Alva, »dat de vader wegens zijne
hoffelijkheid bij de vrouwen bemind is, dan schijnt de zoon dat
voorbeeld niet na te volgen, daar hij met de vrouwen het laatst
begint. Wilt gij haar straffen--het zij zoo; wilt gij de amazone uw
hof maken, het zij zoo; gij kunt beoordeelen, of zij jong, of zij
schoon is. Wat mij betreft, ik bemoei mij slechts met vrouwen, als ik
don Fernando Alvarez de Toledo--niet wanneer ik de kapitein-generaal
ben over het leger van den koning, mijn heer!«
De trotschaard! Hoe geveinsd onverschillig over de heldhaftigheid
eener vrouw, wier glorie door heel Europa, de gansche wereld door
zou klinken. Die vrouw, die heldin, zoo vol grootheid van ziel het
voorwerp eener afschuwelijke hoffelijkheid te doen zijn, en wel op zulk
eene plaats, terwijl het bloed van driehonderd helden over Haarlem's
marktplein stroomde, terwijl de beulen bezig waren, de lijken in de
Ramen in kuilen te delven. Zelfs aan Romero stuitte deze booze scherts,
en Frederik antwoordde spijtig: »Het eerste zal zij wel niet vreezen
en het laatste zou te groot eene eer voor mij zijn.«
--»Eenige dagen nog,« sprak Venavides in zich zelven, terwijl het
vuur der verontwaardiging in zijn oog gloeide, »dan vertrap ik mijn
degen; niet langer dien ik eenen Alva. Voor een man van gevoel kan
onder zijn bevel de hoogste krijgsmansrang slechts tot grief zijn.«
--»Gij hebt mij verstaan, señor!« viel de hertog zijn zoon in de rede,
»en ik heb geene verdere bevelen te geven.« Bij deze woorden keerde
hij zich opnieuw met het front naar de Spaarnwouderpoort, zag nog eens
naar de linker- nog eens naar de rechterzijde en--lachte. Zoo ooit,
dan was die lach op dat oogenblik wel de lach van den satan, zich
verheugende over het verderf van duizenden, schoon door onnoemelijke
schatten gekocht.
--»Ik heb genoeg gezien,« hernam hij, »en wat ik uit uw mond hoorde,
señores, bespaart mij de moeite de poort binnen te rijden. Ik keer
terug naar Amsterdam, om den kostbaren tijd in te winnen, dien ik
aan het bezichtigen van deze vest heb verspild; maar dit zweer ik
bij de heilige moeder Gods, zoolang ik nog in dit oproerig gewest de
landvoogd van mijn vorst zal zijn, zal geene andere stad voor zulk
een duren prijs worden gekocht.«
Even koel en trotsch als hij gekomen was, bracht hij het eerst aan
Bossu, vervolgens aan zijn zoon en Romero zijn afscheidsgroet; voorts
aan zijn gevolg een teeken met de hand gevende, wendde hij de teugels
en--eenige minuten later had de hertog van Alva het duurgekochte
Haarlem reeds ver achter den rug.
Maar schoon de tijger verdween, nog bleef de welp.