O Nederlanders! Landgenooten!
Vergeet, vergeet gij ooit dat uur,
Het bloed, dat voor u heeft gevloten;
Dan zijt gij 't uitschot der natuur:
Uw naam zij dan een vloek in de ooren;
Het slavenkroost, uit u geboren,
Kruipe als 't gewormt' dan op den grond;
Het hongre op uw gespleten graven
Gelijk een horde naakte slaven,
En vloek' daar zijn geboortestond.
Helmers.
Reeds in den vroegen ochtend van den volgenden dag, waren op last van
Ripperda de voornaamste officieren in den Doele bijeen. Maar behalve de
ontbering, het gebrek, zoo zichtbaar op aller gelaat, las men op dat
gelaat een stoutmoedig besluit, en honderden schimmen dwaalden op de
straten en grachten om en bij den Doele en op het Gangolfsplein rond,
om met dat besluit bekend te worden gemaakt.
--»Krijgsmakkers, broeders!« zoo begon Ripperda, op geroerden en
toch vasten toon: »God, voor wiens Woord wij strijden, beproeft
ons zwaar. Maar hoe zwaarder de strijd, hoe vaster het oog op God;
ons leed gedragen als mannen! maar ook als mannen besloten, om nog
banger lot te ontgaan. Gij weet het, wat gisteren de wanhoop deed,
en uw gevoel zegt u, waarom ik de straf naliet. Maar bedaardheid
en moed in den hoogsten nood verrichten misschien nog meer dan de
wanhoop. Het vuursein heeft ons doen zien, dat Bernaard's gevaarvolle
tocht als door een wonder is gelukt. Reeds dezen morgen, doch voorzeker
van middag kan er antwoord zijn. Doch brengt ons de avond dit niet,
dan is mijn besluit genomen. Dat dezen dag in ieder bedehuis een
vurig gebed opga; dat onze moed zich verdubbele tot eene stoute,
maar roemvolle daad! Dat wij allen dwars door het Spaansche leger ons
een weg banen, en zóó vrouwen en kinderen van den hongerdood redden,
of allen eervol sterven voor de vrijheid en den roem van het land.«
--»Ja, sterven of overwinnen als mannen van eer!« riep de Franschman
Bordet met geestdrift, »en als wij vallen, brave Ripperda, zullen
wij met den kreet van Ripperda in den dood gaan.«
--»Voorzeker, beter te sterven met het rapier in de vuist dan den
hongerdood,« merkte Steenbach aan, »maar rest er dan geen ander middel
of uitweg? De kans van verlies en winst staat meer dan vijftig tegen
een. Op wat wijze kan het voornemen worden volvoerd? en....«
--»Hoor mij verder;« zeide Ripperda. »Wij vallen de Schalkwijkerpoort
uit en zoeken ons een weg te banen naar de schepen van den prins. De
sterksten slepen planken en ladders aan voor den tocht over het
gebroken land. De schepen worden aan de overzijde van het Spaarne
gebracht, en al de bruggen opgehaald, opdat wij tijd winnen, als
de Spanjaard van 't Huis Ter Kleef ons achtervolgt. Niet voordat de
avond is gevallen, trekken wij uit, en moge dan ook de kans van te
slagen vijftig tegen een zijn--'t vertrouwen op God zal ons sterken;
't is voor de vrijheid en het vaderland!«
--»Maar wie weet of niet reeds morgen ontzet daagt,« hernam
Steenbach. »Morgen misschien....«
--»En hebt gij voor twintig duizend monden dan nog brood tot morgen?«
voer Lancelot van Brederode den Duitscher vrij hevig tegemoet. »Geef
op dan, mijnheer! wij verdeelen het onder 't volk, dat naar geraamten
gelijkt, en gewis stelt dan heer Ripperda het koene stuk uit.«
--»Bedaard!« zeide Ripperda, toen Steenbach hierop zweeg. »Mocht de
meerderheid tegen het voorstel zijn, het is alsdan mijn plan niet,
het door te dringen; ook moet in elk geval het volk worden gehoord;
dat heeft niet minder zijne stem dan wij.«
--»Voor het besluit!« klonk het nu uit den mond van verscheidene
officieren tegelijk, en sommigen hunne zwaarden in de hoogte stekende,
voegden er bij: »wij volgen Ripperda tot in den dood!«
Ook Steenbach stemde nu met het voornemen in, ofschoon zijne lippen
vluchtig eene wrevelige plooi aannamen; want in zijne ziel was hij
tegen het voorstel, en hij vormde het plan om het te voorkomen.
Toen het ontwerp aan het volk werd medegedeeld, vond het bij verreweg
de meerderheid bijval; ook de meeste leden der regeering vereenigden
er zich mede en gedurende een geruimen tijd werden gezamenlijk de
noodige middelen beraamd om er op de beste wijze in te slagen.
Tegen den middag nog geene duif gekomen zijnde, begonnen de belegerden
zich tot den uittocht gereed te maken. Reeds droegen de burgers en
soldaten ladders en planken, benevens andere voorwerpen aan, terwijl
Ripperda alles overzag en de noodige bevelen uitdeelde. Doch terwijl
reeds aan den eenen kant de meer gegoeden aan den behoeftigsten
eenige kleedingstukken uitdeelden, waren ettelijke Walen en Schotten
laaghartig genoeg om sommigen van dezen voorwerpen te berooven. Anderen
dreven zelfs hunne onbeschaamdheid zooverre, dat zij met geweld het
huis van den lombardier instormden, en aan goud, zilver en andere
kostbaarheden voor meer dan dertig duizend gulden plunderden.
--»Lang genoeg gebrek verduurd!« riepen zij; »halen wij het hart op,
als Haarlem ons achter den rug is.«
--»Geen geld moet er in de stad blijven!« schreeuwden anderen, »'t is
toch maar buit voor den Spanjaard; liever vergaan wij onder den last,
dan dat hij het in handen krijge.«
--»Geroofd, wat we vinden,« klonk het; »misschien is er nog wel
mondkost hier of daar!« In de meening, al spoedig de stad te verlaten,
vielen de huurlingen van de eene woning in de andere. Waar zwakke
vrouwen of grijsaards weerstand boden om eenig kostbaar voorwerp
te behouden, daar werden zij onder den voet geworpen; hebzucht
gloeide in de holle blikken en gaf aan de bleeke gedaanten een
nog akeliger voorkomen. Ook in de kerk van het St.-Jansklooster
werden baldadigheden gepleegd, die Ripperda echter zooveel mogelijk
tegenging. Zij, die hieraan geen deel namen, of zij, wier hebzucht
reeds genoeg was voldaan, hielden zich bezig met de middelen voor
hunnen uittocht. Hier zag men de bruggen over het Spaarne ophalen;
daar werden de planken van de Visch- en Langebrug, welke te dien
tijde in en uit elkander konden geschoven worden, weggenomen. Ook
werden reeds al de schepen naar de overzijde van het Spaarne gebracht,
en verscheidene er van liet men zinken. Het was een onverpoosd gejoel
van mannen, vrouwen en kinderen, nu op het punt, eene stad vaarwel te
zeggen waar zij zooveel schrik- en treurtooneelen hadden aanschouwd,
en die van nu af aan den Spanjaard zou behooren. Het was, alsof het
hongerspook voor een oogenblik op de vlucht was gedreven bij het
denkbeeld, hoe de uittocht geene plaats zou hebben, zonder eenige
slachtoffers te kosten. Maar het besluit was Ripperda waardig; tienmaal
banger toch zou hun lot wezen, wanneer de vijand binnen de stad trok;
dan voorzeker zou de moord van Zutphen en Naarden er worden herhaald.
Inmiddels was het nu ongeveer zeven uur in den avond geworden,
toen men van den kant van Leiden, hoog in de lucht, een voorwerp
zag naderen. Zij, die het scherpst van gezicht waren, ontdekten al
aanstonds, dat het eene duif was; doch wat noopte de gevlerkte bode,
om gedurende een paar minuten boven Haarlem te klapwieken? Vreesde
zij op de van levensmiddelen beroofde stad neer te strijken? Duchtte
zij, dat wellicht de duivenslag ook haar geen voedsel meer zou
aanbieden?--Nu eens daalde zij, fladderend, dan weer verhief zij
zich of verdween achter eene kleine wolk, die door het purper der zon
omboord werd. Ten laatste echter daalde zij al meer en meer; eindelijk
in de richting boven de til gekomen, streek ze plotseling naar beneden,
terwijl Hasselaar aan het tengere pootje, onder de vlerk het voorwerp
ontwaarde, waarvan zij de overbrengster was. Met ongeduld haakte
men naar het oogenblik, waarop de aangebrachte tijding zou worden
bekendgemaakt, en weldra deelden Pellikaen, en de proviandmeester
Deijman het volk mede, dat het een geschrift van den prins en tevens
door hopman Nicolaas Bernaards onderteekend was. Het behelsde de bede
van Zijne Excellentie dat men, na het doorstaan van zooveel knellende
bezwaren, nog slechts een, uiterlijk twee dagen moed houden en geduld
nemen zou, en dat hij dan met Gods hulp den vijand zou trachten te
noodzaken, het beleg op te breken.
Verschillend was onder eene zoo talrijke en uitgehongerde menigte
het gevoelen. Sommigen zeiden, dat men het opgevatte voornemen
moest volvoeren, wijl men reeds zoo dikwijls tevergeefs op ontzet
had gehoopt, en dat men ook thans wel weder zou teleurgesteld
worden. Anderen, die in het doorbreken door den vijand een schier
onuitvoerbaar waagstuk zagen, wilden liever het ontzet van den prins
afwachten, en ook Ripperda en de regeering deelden, na het ontvangen
geschrift, in dit laatste gevoelen.
--»Hopen wij op God, mannen broeders!« sprak burgemeester Van
der Laan. »Hij is eene krachtige hulp in benauwdheden. Hoog is
de nood, maar ik ben verzekerd, dat Zijne Excellentie uitkomst zal
geven. Mannelijk dan nog verduurd, wat reeds zoolang is doorstaan. Het
doorbreken is een stout stuk, maar wordt de vijand gedwongen,
onze vest te verlaten, te grooter zal voor Haarlem en Holland de
roem zijn. Hopen wij op God en op den prins. Wij mogen thans bijna
verwachten, dat overmorgen het ontzet daagt!«
Zóó trachtten ook Stuiver, Kies en Van Vliet de burgers nog hoop
in te boezemen. Ripperda hield aan de krijgslieden voor oogen, dat
hun vertrouwen op ontzet groot zijn moest; want dat alleen het bleek
en vermagerd gelaat van Bernaards den prins tot bewijs zou strekken,
hoe hoog de benauwdheid gestegen was, en dat hij gewis met allen spoed
een talrijk leger tot ontzet zou doen aanrukken, zoo dat leger al niet
door hem zelven werd aangevoerd. Maar vooral ook was het Kenau, die de
schier uitgebluschte vonk van moed en volharding weer uit de asch deed
opglimmen, die de wankelende geraamten weder eenige veerkracht gaf;
en van de meeste der burgers en soldaten liet zich de uitroep hooren:
»Laat ons op ontzet hopen; de prins drijft den Spanjaard op de vlucht!«
Niet weinig werd de aangewakkerde moed nog verlevendigd, toen,
vroeg op den volgenden dag, andermaal eene duif binnenkwam. Het
geschrift meldde nu stellig, dat de prins eene krachtdadige poging
tot ontzet zou aanwenden; dat zijne vloot bij de Fuik een loos alarm
zou maken; dat hij met zijne gansche legermacht in den Haarlemmerhout
zou aanvallen om de Spanjaarden te overrompelen; dat een vuurpijl èn
het teeken tot den aanval èn voor de bezetting het sein wezen zou,
om, door een welbestuurden uitval, die onderneming te ondersteunen.
--»Leve de prins! voor het vaderland! voor de vrijheid!« klonk het
bij deze tijding door gansch Haarlem.
--»Den honger verduurd!--Hulp is nabij! de dood aan den
Spanjaard!«--ging het van mond tot mond; en oogenblikkelijk werden
alle noodige maatregelen genomen om het beraamde plan bevorderlijk
te zijn. Twee duizend burgers en soldaten werden bestemd om op het
gewichtige oogenblik den uitval te doen; allen zouden witte hemden
aantrekken om daardoor voor elkander kenbaar te zijn. Mannen, vrouwen
en kinderen waren den ganschen dag rusteloos in de weer, en uit veler
hollen blik flikkerde een straal van moed; menige ontvleeste hand
sloot zich in die van den vriend of krijgsmakker, en uit meer dan
één mond liet zich hooren: »God is ons eene Toevlucht en sterkte,
de Heere zal ons helpen in het aanbreken van den morgenstond.«
Reeds had de klok des namiddags vier slagen doen hooren, toen Hasselaar
met Asinga, Boreel, Van Duivenvoorde, Lancelot van Brederode en andere
hoplieden zich op het plat gebeukte ravelijn nabij de Kruispoort
bevonden.
--»Zie,« zeide de vaandrig, zijn scherpen blik naar den kant van de
Zijlpoort wendende, »daar komt een briefdrager aan.«
Allen sloegen plotseling de oogen naar dezelfde richting. In aller
gemoed rees tegelijk de vrees op, voor den mogelijken aanvoer des
berichts, dat het voorgenomen ontzet niet kon plaats hebben; want als
na een valen nevel, die lang in den verduisterden dampkring heeft
gehangen, hier en daar zich een blauwe tint vertoont, dan vreest
men zoo licht, dat het liefelijk blauw weer door grauwe wolken zal
overdekt worden.
--»Ik zie niets dan 't witte vendel op den toren,« zeide Brederode,
»de twee zwarte van de Spaarnwouderpoort zijn afgerukt; en God geve
dat zij er niet meer op komen!«
--»Ook ik zie niets, mijn vriend,« zeide Boreel; »ik mag hopen,
dat uw gezicht u bedriegt.«
--»Neen,« hernam Hasselaar, »schoon mij de honger beet heeft, is mijn
oog nog vast. Zie!« vervolgde hij, in eene meer linksche richting met
zijn vlaggestok wijzende, »ik wed, dat het een der hoogvliegers is,
die Bernaards heeft meegenomen. Kijk! hij daalt; hij gaat verder af;
daar komt hij weer dichterbij; ik zie het te wel.«
--»Wat hebt ge dan voor een arendsoog?« zeide Brederode, »zoo
waarachtig als ik leef, ik zie niets.«
--»Dat mangelt aan u, heer!« sprak de vaandrig, »zoo fluks zult gij
't wel zien; langzaam komt hij dichterbij; zie nu, zie! maar hij
schijnt niet slagvast: hij vlerkt van den een na den anderen kant.«
---»Ook ik zie hem.« liet Van Duivenvoorde hooren en gelijktijdig
riepen allen hetzelfde.
--»Verhoede de Hemel, dat het een jobsbode of zwarte kraai zij,«
sprak Pellikaen, terwijl reeds Asinga naar zijn broeder snelde om
hem van de nadering eener duif kennis te geven.
--»Wat nu?« riep Hasselaar. »Daar rijst hij op eens! De Spanjaard
schiet er op! Help! hij tuimelt naar omlaag: hij is in de vlerk
geraakt.«--Werkelijk zag men nu de duif, die een paar seconden
tevoren nog klapwiekte, in draaiende kringen nedervallen. Allen,
die het zagen, lieten een onbedwongen kreet van schrik en spijt
hooren; want men had maar al te duidelijk gezien, dat de duif weer
het slachtoffer was geworden van 's vijands lood.
--»Eilaas, dat is verloren spel,« riep de een.
--»Nu is het voornemen aan den vijand verraden,« riep een ander;
en de meesten gaven hun leedgevoel in spijtige en wrevelmoedige
klanken lucht.
--»Geen moed verloren,« sprak Van Duivenvoorde, »of heugt het u niet
meer, hoe daags nadat de vijand zes onzer koeien doodgeschoten had,
twee hoogvliegers zonder brieven in de stad kwamen?«
Maar hoezeer de een den ander gerust poogde te stellen, bleef nochtans
in aller gemoed de vrees, dat de Spanjaard met het voornemen van den
prins kon bekend zijn geworden. Te meer werd die vrees opgewekt, toen
een halfuur later eene der Duitsche schildwachten tot den vijand
overgeloopen was, en hevig gloeide ieders verontwaardiging bij
dit bericht. Maar noch het eene noch het andere was te herroepen;
men kon alleen het welgelukken van het ontzet den Hemel afbidden,
die Nederland reeds zoo dikwijls had bijgestaan.
Intusschen was ongeveer te drie ure de baron Van Batenburg met zijne
legermacht van Sassenheim naar Noordwijkerhout opgetrokken. Met
geestdrift en vuur zou zich de prins zelf aan het hoofd gesteld
hebben, hadden niet de zustersteden en de ridderschap van Holland,
wel wetende, hoeveel er in dit stormachtig en gevaarlijk tijdstip,
voor geheel het vaderland, aan zijn leven hing, hem gesmeekt, dat
leven niet te wagen; men wilde niet, dat in zoo loeienden storm de
groote stuurman het roer zou verlaten. Ook wilde Batenburg door een
kloek en grootsch bedrijf de op de Haarlemmermeer behaalde schande
uitwisschen, en--hij trok voort naar Haarlem. Zijn leger bestond uit
vier duizend man voetvolk.--Velen van dit getal waren vrijwillige
burgers uit de steden Leiden, Rotterdam, Delft, en de later zoo
vermaarde Oldenbarneveld, den prins te dier tijd met eigen paard als
ruiter dienende, trok mede uit, hoewel sommigen willen, dat hij te
Zoetermeer ongesteld werd. Zeshonderd ruiters werden door Gasper van
der Noot, heer van Karlo aangevoerd: zeven veldslangstukken en halve
serpentijnen maakten het geschut uit, en men voerde vierhonderd wagens
met krijgs- en mondbehoeften voor de uitgehongerden mede, terwijl het
leger, om de Spaansche verschansingen te veiliger te kunnen naderen,
voorzien was van sterke, voor het musketvuur ondoordringbare planken.
Reeds lang heeft de avond zijn sluier over Haarlem uitgespreid. Reeds
heeft de klok twaalf slagen doen hooren, slagen even dof en hol als
de honger zelf--en nog wordt er niets gehoord, wat aan de belegerden
een ontzet voorspelt. Geene enkele star, niets dan het akelig bleeke
licht van de onheilspellende komeet, vertoont zich in veler oogen
als een verderflijk monster aan den hemel, het is donker als in
veler ziel; maar niemand, die thans in den slaap vergoeding voor den
honger wil zoeken. Jong en oud is in beweging; velen ook hebben den
bijbel opgeslagen als de beste fakkel op den donkeren levensweg. Maar
de meesten kruisen door Haarlem's wijken of verdringen zich op de
omvergeworpene wallen om den vuurpijl te zien opgaan; de eene borst
klopt daar tegen de andere; met tranen in de oogen drukt menige
moeder haren zoon aan den angstig jagenden boezem; van honderden
lippen klinkt het afscheid; want de verdedigers staan in slagorde,
met de magere vuist aan het rapier, om, op het bepaalde teeken,
op den vijand aan te vallen.
--»Deze nacht brengt ons leven of dood;« zeide Van Duivenvoorde tot
Lancelot van Brederode. »Zoo ik kom te vallen, mijn vriend!« en hij
drukte hem mannelijk teeder de hand; »zoo het lot u mijne vrouw doet
ontmoeten, zult gij haar mijn laatsten groet dan overbrengen? Haar
zeggen, dat ik met haar naam op mijne lippen gevallen ben voor de
vrijheid der stad? Zult gij haar dan troosten--helpen? Ik weet het,
gij hebt mij dit reeds op handslag beloofd; maar mijn laatste uur
is mogelijk nabij; want toen ik zooeven mijne kinderen in den slaap
kuste, was het alsof hunne bleeke trekken mij zeiden: »Vader! het
zal de doodsnacht voor u zijn.«
--»Laat af, mij de ziel nog meer te schokken;« sprak Brederode. »Sinds
ik als Watergeus den Spanjaard bevocht, werd mijn gemoed al ruwer
en met dikker schors bedekt, maar onder die schors is de kern niet
verdwenen; die kern is mijn hart; dat hart werd zoo week, toen mijne
vrouw mij, een uur geleden, om den hals hing, dat ik mij met geweld
moest losrukken om niet te wankelen, nu er meer dan ooit kracht
gevorderd wordt. Ziedaar mijne hand, vriend, en nu geen woord er
meer van.«
De druk van die hand was zoo innig, zoo warm, die werd zoo vurig
beantwoord, dat men niet dieper in het gemoed behoefde te dringen,
om er te lezen, dat beide heldhaftige verdedigers zeer getroffen
waren. Geene verdere woorden roerden dan ook deze snaar aan; men
sprak weder over het al of niet gelukken van Batenburg's tocht.
Verschillend en wijd uiteenloopend waren de gevoelens en gesprekken
daarover gedurende het dralend voorthinken van den nacht. Intusschen
had de baron Van Batenburg met zijne troepen te Noordwijkerhout tot
middernacht uitgerust. Na openbare gebeden was hij verder op weg
getrokken naar het vijandelijke leger in den Haarlemmerhout. Zijne
voorhoede bestond uit de eene helft der ruiters, op deze volgde het
gros der burgers uit de verschillende steden, benevens het geschut
en de beweeglijke borstweringen; voorts de Schotsche, Engelsche en
Fransche soldaten met de ammunitiewagens en levensmiddelen, terwijl
de achterhoede uit de andere helft van de ruiterij bestond.
Het was ongeveer één uur in den nacht geworden en--nog zag of hoorde
men niets.
--»Het opzet is verkraaid,« riepen eenigen, »de Spanjaard trekt den
baron tegemoet, en het zal ons geen baat geven.«
--»Vertrouwt op den Heer en weest moedig,« sprak Steenbach. »Hoog
is de nood; maar deze nacht zal uitkomst geven: onze vijanden zullen
verstrooid worden als het kaf voor den wind.«
--»Neen, onze verlossers blijven verre van ons,« zeide Pellikaen tot
Michiel en den vaandrig Schatter. »Het zal zwarter nacht voor ons
worden dan ooit.«
--»Banden des doods hebben ons omvangen,« sprak bij zich zelven de
onbekende, die met zijn geducht tweesnijdend slagzwaard gewapend,
gereed was, zijn leven duur te verkoopen, doch die een voorgevoel
had van de mislukking; »banden der hel, strikken des doods wachten
ons: rondom ons is de duisternis der natuur, wolken des hemels; de
verlossers zijn er wel; maar de Heere antwoordt hun niet; de Heer
zendt zijne pijlen uit en zal hen verstrooien; Haarlem zal ondergaan;
het zwaard toeft ons.«
Maar met de witte kleeding over hunne rustingen stonden daar toch de
soldaten en burgers, en het was, alsof men in dien nacht eene schaar
van geesten uit het graf verrezen zag om vernieling aan te richten. Nog
nooit waren zooveel verschillende hartstochten en aandoeningen op een
en hetzelfde tijdstip werkzaam. De vroomheid, die hare stille beden
deed opklimmen, stond naast de ruwe borst, die den vijand verderf
en dood zwoer. Hier deed het uitgevaste lichaam de ziel geweld aan,
om nog eene korte poos met het gebrek te kampen, op hoop, dat de
verlossing nabij was; daar gaf de honger, die aan redding wanhoopte,
zijn angst te kennen door menigen rauwen en hollen kreet. Ginds
zag men het leven, omringd door den dood; de hoop naast de vrees,
de duldelooze verwachting naast de slingeringen der onzekerheid. Nu
eens meende men op verren afstand een ruischend gewoel te vernemen,
niet ongelijk aan het beuken van de baren op het strand: dan weder
was het, als hoorde men een knallend musketvuur, dat door de echo's
wederhaald werd; maar op eens was alles weder stil als te voren,
en het eene vermoeden werd door het andere vervangen.
--»Wat ruik ik,« zeide Hasselaar op eens, juist toen het halftwee
sloeg »het is als eene brandlucht.«
--»Ik ruik het ook;« sprak Pellikaen, »verhoede God, dat een
kwaadgezinde hand iets euvels sticht.«
--»Wat het zijn mag,« sprak Boreel, die zooeven van Anna Elsen
teruggekeerd was; en de oogen naar alle richtingen wendende, trachtte
hij te ontdekken, of hij wellicht uit de eene of andere woning eene
vlam zag oprijzen, door vrees, wanhoop of boozen moedwil ontstoken.
--»Onderzoek wat het wezen mag,« beval Ripperda, »het is eene
brandlucht, waarvan de oorsprong niet veraf zijn kan.«
Aanstonds snelden eenigen van de Houtstraat uit in onderscheidene
richtingen door de stad. Van der Laan deed met den ganschen magistraat
overal onderzoek, waar men eenig onheil vermoeden kon; doch nergens
was eenig spoor van brand te ontdekken; zoo strafbaar toch woedden
ook boosheid of wanhoop niet.
--»Neen! het is smook, die van den Houtkant aantrekt,« riepen eenigen
tegelijk, »het is de Spanjaard, die het ons brouwt.«
Eensklaps rees er bij Ripperda een vermoeden op, dat maar al te zeer
bewaarheid werd, ofschoon hij zich wel wachtte, er een zweem van te
laten blijken. Ook wordt de stilte, die tot nu toe geheerscht had,
plotseling door een algemeen rumoer van den Fuikkant vervangen. Dat
waren de schepen van den prins, die ingevolge het ontvangen geschrift,
hun loos alarm aanvingen. Nu eens had er op deze eene losbranding
uit een enkelen vuurmond plaats, dan weder schenen al de slangstukken
tegelijk zich te doen hooren, en inmiddels vermengde het geschater der
krijgstrompetten zich met het dommelend tromgeroffel. Dat oorverdoovend
geraas herinnerde aan de Haarlemmers den nacht, toen Jeronimo Tseraarts
zich door het midden van Bossu's vloot den weg baande; toen reeds werd
den prins de tijding gebracht, dat de nood der belegerden van dag tot
dag klom, en--sedert dien nacht waren reeds drie weken verloopen. Toen
had men gebrek aan mondbehoeften, en sinds dien nacht was aan twintig
duizend ingezetenen geene spijs meer gezonden. Snel dus aan, Batenburg,
met uw leger! Laat den vuurpijl de lucht doorklieven! dan storten de
schimmen van Haarlem zich op hunne vijanden, en terwijl zij aan de
eene zijde aangrijpen, vernielt gij hen aan de andere; dan wordt de
Spaansche macht gekneusd, en---de langbeproefde vest ontzet.
--»Ik bespeur niets,« zeide de Waalsche hopman Rosoni, die nabij de
Zijlpoort post had gevat.
--»Ik zie niets, wat naar een vuurpijl gelijkt,« riep de ritmeester
Enkhuizen, die zich tusschen de Leidsche Waterpoort en de Kleine
Houtpoort geplaatst had.
--»Niets!« zeide op somberen toon de Franschman Bordet, »smook ruik
ik, en« voegde hij er binnensmonds bij: »het ontzet zal niet dagen;
de dood wacht ons, tenminste mij.«
--»Beklim den toren, Hasselaar!« beval Ripperda, »en zoodra gij of
de wachters den pijl ziet, steekt gij uit den omgang een fakkellicht.«
IJlings verwijdert zich de vaandrig om aan het bevel te gehoorzamen,
terwijl honderden zich tegelijk op ieder punt van den wal plaatsen,
om Batenburg's sein te ontdekken. Te vergeefs evenwel; niemand ziet
den vuurpijl, en echter is het reeds twee uren in den morgenstond. Wel
hoort men onverpoosd het alarm op de prinselijke schepen, maar niets
kondigt den aanval der verlossers aan. Menig burger snelt van oogenblik
tot oogenblik naar zijne woning, om er aan een grijzen vader of eene
vrouw de tijding te brengen, dat er geene hulp daagt, en uit menigen
mond stijgt dan de bede op: »Vader in den Hemel! hoor ons gebed;
verberg U niet voor ons smeeken; wees onze redder in den bangen nood!«
Maar vergeefs, dat de belegerden waken en bidden; vergeefs, dat zij
in de verheven wanhoop der dapperheid gereed staan om zich op den
vijand te storten. Vergeefs, dat zich Ripperda overal bevindt, waar
zijne tegenwoordigheid gevorderd wordt om de orde te onderhouden of
dwaze stappen te voorkomen. Kon het oog door den donkeren nacht diep
tot in het Haarlemmerhout dringen, men had er het talrijk Spaansch
leger in slagorde gezien. Vijf duizend voetsoldaten en driehonderd
ruiters hebben zich op een punt vereenigd; een groote hoeveelheid
vochtig stroo is in brand gestoken; dikke wolken rook zullen daardoor
den vuurpijl onzichtbaar maken. Maar al te zeer toch hebben èn de duif
èn de Duitsche overlooper den vijand met het plan bekend gemaakt. Vijf
duizend andere voetsoldaten en vijfhonderd ruiters onder Jean Baptist
del Monte zijn westwaarts naar den duinkant gezonden; bij het eerste
schot zullen deze dwars over den heerbaan aanrukken en de Batenburgers
in de linkerflank aangrijpen. Zes regimenten van Montedoca, Liques,
Capres, Fronsberger en Polwijler, allen onder aanvoering van Romero,
zijn gereed, Batenburg in de rechterflank aan te tasten. De overige
Spanjaarden staan in slagorde binnen de legerwallen. Batenburg's
nederlaag zal ontzettend wezen; heel Holland zal er den rouwkreet
over aanheffen.
Eenige minuten nog en--de St.-Bavo'sklok zal drie slagen doen
hooren. Terug Batenburg! terug! want uw ondergang is nabij.
Maar reeds is hij tot aan het Manpad genaderd, waar eenmaal Witte van
Haamstede de Vlaamsche overmacht kneusde en aan zijne landgenooten
de onafhankelijkheid gaf. Batenburg houdt er stand en stelt zich in
gereedheid. Maar.... opeens buldert het Spaansch geschut; van alle
kanten stormt de overmacht op hem aan. Zijne ruitervoorhoede rent
inmiddels voort in den Haarlemmerhout en--de vuurpijl gaat op. Maar
door den rook kunnen de Haarlemmers het niet zien; de onzekerheid
groeit er met iedere minuut; geen ontzet daagt.
--»Zoo waarachtig als ik leef,« zegt Lancelot van Brederode, »ik hoor
de geuzentrompetten; Batenburg is in den Hout!«
--»Onze verlossers zijn in gevecht!« roepen mannen en
vrouwen. »Hoort! dat is de geuzenmarsch! Rukt uit, soldeniers! redt
gij ons van nacht niet, dan moeten wij allen vergaan.«
--»Uit de vest! uit de vest!« schreeuwt Vardeur, die, als een razende,
met zijn rapier in de vuist, heen en weer rent, »slaat dood al de
Spanjaards! nu, of het is te laat.«
--»Des doods wie dit waagt, zonder mijn bevel!« zegt Ripperda, »het kan
valsch alarm zijn. Maar--de onzekerheid duurt te lang! Wie heeft lust,
zijn leven te wagen en ons kondschap te brengen van waarheid of list?«
--»Wij!« roepen eenige der hoplieden en officieren als uit een mond;
»die onzekerheid is banger dan de dood.«
Na een kort en krachtig beraad nemen de onbekende en de kapitein Dirk
Matthz. Schatter met eenige burgers de taak op zich, om op verkenning
uit te gaan. Op last van Ripperda begeeft zich Brederode met eenige
soldaten in eene andere richting en met hetzelfde doel uit de stad,
en met niets dan hunne rapieren gewapend, sluipen zij zoo snel mogelijk
langs de buitenste aardverschansingen.
--»Ik ruik den damp te meer,« zegt intusschen Pellikaen. »Het plan
is verraden! een uitval ware de dood.«
--»Ik hoor den geuzenmarsch niet meer,« zegt een ander; »zoo Batenburg
in aantocht is, dan is hij nog ver af.«
--»Of reeds verslagen,« herneemt Pellikaen.
Dit laatste was gedeeltelijk waarheid. Batenburg's voorhoede was door
de ontzaglijke nabij het stroo geschaarde macht van Spanjaarden
gestuit. In een oogenblik zijn de heeren van Kloetingen, van
Karlo en Balthazar van Zurk verslagen; de Spanjaard breekt door
de slagorden, doet de ruiters, reeds door struiken en geboomte
belemmerd, als kaf voor den wind verstuiven; en ruiters en voetvolk,
verdeeld en verspreid, werpen zich, bij het Manpad, op hunne eigene
krijgsbroeders, wier eenheid van gelederen nu ook in weinig minuten
verbroken is. Ontzettend klinken kreten van: »vlucht, vlucht!« want
van rechts en links en van voren wordt Batenburg door de Spanjaards
besprongen. Hier woedt het zwaard, daar het geschut; de een verdringt
den anderen, en de baron, door een aanstuwenden hoop achtervolgd, stort
bij den overtocht eener brug in het water, om den dood te vinden. Te
voet en te paard stuiven de Spanjaarden verdelgend op de vluchtenden
in, en--binnen weinige oogenblikken zijn zevenhonderd soldaten en
burgers uit verschillende steden van Nederland verslagen. Jeronimo
Tseraarts, die zich bij den noodlottigen tocht bevindt, wordt zwaar
gekwetst, doch het gelukt hem, de woede zijner vijanden binnen Leiden
te ontkomen. De voerlieden der ammunitie en spijswagens, met hun
gespan naar de richting van de Vogelenzang de vlucht genomen hebbende,
valt de gansche buit, benevens negen vaandels en acht stukken geschut
den vijand in handen; en wanneer de duisternis velen op het gebroken
land niet behulpzaam geweest ware, dan zou de nederlaag nog grooter
zijn geweest.
Vergeefs bleven de belegerden naar het sein van Batenburg, of
naar kondschap van de uitgetrokkene kleine afdeelingen wachten. De
spanning echter duurde niet lang; want zij, die ter verkenning waren
uitgegaan, keerden spoedig terug en--zij droegen het lijk van den
moedigen kapitein Schatter. Zij waren doorgegaan tot op de hoogte
van het tegenwoordige Bellevue, waar toen eene laan liep tot aan het
Dronkenhuisje--thans Eindenhout aan den Heerenweg. Aan den kant van
het gewezen gasthuis over de Houtvaart aan den duinkant, waren zij
door eenige vijanden aangevallen. Aanstonds was Schatter doodelijk
in de borst getroffen geworden en--men had het alleen aan den moed
van den Eenoog te danken, dat deze met het lijk en de overigen in de
vest terugkeerde.
Behalve de smart over den gesneuvelden verdediger, kon hij nog
daarenboven niets medebrengen, dan een bijna zeker geworden vermoeden
aangaande Batenburg's nederlaag.
Wat er echter aan die zekerheid nog ontbrak, werd reeds vroeg in den
morgen door een huiveringwekkend tooneel aangevuld.
Zwijgend hadden velen elkander de hand toegereikt en waren bedroefd
teruggekeerd naar hunne woningen, om er opnieuw met het gebrek te
worstelen en den dood van den braven Schatter mede te deelen. In
of nabij de wachthuizen bevonden zich vele der verdedigers, die
nedergeslagen hunne wapenen beschouwden en met schrik de hitte van
den dag verbeidden. Met Asinga en anderen bevond zich Ripperda bij
het wachthuis aan de Zijlpoort en ieder gaf er, naar zijn karakter,
zijn bitter leedgevoel lucht, terwijl ook velen in doffe stompheid
daar zaten en alle hoop schenen verloren te hebben.
--»Mort niet tegen God, mannen!« zeide Ripperda, tot sommige
moedeloozen, »nog is uw leven niet verloren. Een uitval zou de dood
zijn geweest; dankt veeleer, dat gij het leven nog hebt om het op eene
andere wijze te kunnen redden. Ik zal er u het middel toe aanwijzen.«
Nauwelijks had hij dit gezegd, toen zich een geroep aan eene der
schildwachten liet hooren.
--»Sergeant van de wacht!« klonk het dof. Deze begaf zich naar de
schildwacht, en keerde vervolgens terug met de boodschap, dat er iemand
van den vijand voor de poort stond en op smartelijken toon schreeuwde,
om binnen de vest te worden gelaten.
Nadat Ripperda er toestemming toe gegeven had, werd hieraan voldaan;
doch allen deinsden eensklaps huiverend van afschuw terug, toen men
een slachtoffer van de onmenschelijkste wreedheid voor oogen zag,
een jongmensch, geheel met bloed bemorst, en aan wien de Spanjaard
neus en ooren had afgesneden.
--»Mijn God!« riep Ripperda, door eene rilling aangegrepen, »wat zie
ik? Ongelukkige! wie zijt gij? Wat wilt gij?«
--»Ik ben een burger van Ter Goude,« antwoordde de verminkte, op
pijnlijken en hartroerenden toon. »Ik trok vrijwillig uit tot uwe
hulp; maar de meeste manschappen zijn bij het Manpad verslagen. Met
vele anderen ben ik gevangengenomen; zoo heeft men mij nu mishandeld,
en mij als een hond naar deze vest gejaagd, om u kondschap te doen
van onze volle nederlaag.«
--»Dat schreeuwt bij God om wraak!« riepen de meesten als uit één mond.
--»Haalt meester Claasz! hij kome terstond,« sprak Ripperda, »de
ongelukkige moet bijgestaan worden.«
--»En wat mij het bitterst valt,« hernam de verminkte, »is, dat ik de
brenger van zooveel ramp zijn moet; met grooten moed en hope trokken
wij uit om deze vest bij te staan, maar alles is den vijand in handen
gevallen, en geene hulp van menschen zal meer mogelijk zijn.«
--»Wij kunnen niets zonder den bijstand van God,« zeide Ripperda,
»maar God zal ons niet verlaten, en schoon door honger geprangd,
hebben wij nog hoop en moed.«
Weldra kwam meester Claasz. De beklagenswaardige bode werd door dezen
bijgestaan; doch toen reeds de akelige bloedkleur verdwenen was,
huiverde nog de ruwste soldaat bij den aanblik van zulk een misvormd
gelaat; maar ook de tanden van zoovelen, die sedert lang geene spijs
hadden vermaald, knarsten van verbittering op elkander, en menige mond
kon den uitroep niet bedwingen: »Dat Gods wraak den Spanjaard treffe!«
Het verhaal van den ongelukkigen jonkman van Gouda kwam met het voren
vermelde overeen; en nog vóór den middag bracht eene duif van den
prins een geschrift aan, dat maar al te zeer de ontzettende nederlaag
van Batenburg bevestigde.
Meer dan ooit achtte Ripperda eene vergadering van hoplieden en
officieren der burgerij noodig. Deze had dan ook des namiddags in
de Doele plaats, en--geen wonder, dat op veler gelaat eene wolk van
moedeloosheid zichtbaar was.
--»Broeders in leven en dood!« zoo sprak Ripperda, allen aan. »Niet
slechts Haarlem, heel Holland zal rouw dragen over de neerlaag van den
baron. Dat verlies is groot, maar nog hebben wij niet alles verloren;
want nog rest ons de Eer. Ik lees kommer en ellende op menig gelaat,
en waarlijk niet ten onrechte. Bedenkt echter, dat de eenige hoop om
die te lenigen, in de handhaving van onzen moed besloten is.«
--»Zie!« ging hij voort, en hij wees op den gebroken roemer, dien de
prins hem als bevelhebber der stad had gegeven, met last om de plaats
aan niemand te leveren, voordat hem de wederga, op het deel passende,
vertoond werd, »dit is mijne vraagbaak; dat het ook heilig zij in het
oog van u allen. Spreekt, zijt gij gezind als ik, om liever van honger
te sterven, dan door een flauwhartig woord den moed van duizenden uit
te blusschen? als ik gezind, om te overwinnen of te sterven met roem?«
Sommigen, die gekomen waren, om woorden van zwakheid of moedeloosheid
te spreken, zwegen. Maar de Duitsche hopman Felttweifel het woord
opnemende, zeide:
--»Het zal weinig baten, heer, dat wij gezind zijn, om van honger te
sterven; want ik zie geene kans om de soldeniers tevreden te stellen;
zij zeggen, dat zij zich wel verkocht hebben om te vechten, maar
niet om te sterven, als er kans tot leven is. Zij willen een verdrag
met den vijand, en mij dunkt ook, heer, dat zij reeds genoeg geleden
hebben. Wie kan nog langer den honger en het gebrek weerstaan?«
--»Er kan niet langer geleden worden,« voegde de hopman Bebekoth er
bij, »de mensch is niet van ijzer of staal; wij moeten bezwijken
onder zooveel ellende, en hopman Steenbach zegt, dat de Spanjaard
tot een eerlijk verdrag is geneigd.«
Ook nog een paar anderen spraken in denzelfden geest, en weer wilde
Ripperda het woord opnemen, toen ieders oogen gericht werden op eene
brandende kaars, welke een bediende in de zaal bracht. Men zag, hoe
de edelman Bordet haar met drift aannam en voor zich op de tafel
plaatste, hoe hij vervolgens een verheven fonkelenden blik op de
vergadering sloeg, en tegelijk den mond opende.
--»'t Is waar,« sprak hij met treffenden nadruk, »onze helpers zijn
verslagen; maar nog wij niet. Weg met de taal van kleinmoedigheid
en lafheid: geen ramp of kommer zoo groot, geene pijn zoo scherp,
dat een wakker gemoed die niet verduren zou.«
Vervolgens de hand in de flikkerende vlam stekende, en haar aan
derzelver verzengenden invloed overlatende, voegde hij er bij:
»Ben ik niet een vrij man? Wat kan mij terughouden, dit lid te
verbranden? Dat deed de Romein Scaevola; dat doet ook de Franschman
Bordet; want schoon vreemdeling, voor Haarlem's roem en heil klopt
zijn hart. Geene lafhartigheid! leve Ripperda! moed en volharding;
want dit zweer ik, nooit zal de Spaansche beul de hand aan mij slaan.«
Nog hield hij de hand in de vlam; geen woord van smart kwam over zijne
lippen; geen enkele pijnlijke trek plooide zijn mond; veeleer scheen
het den vurigen gloed zijner blikken nog te verhoogen, de heldenvlam
in zijne ziel nog aan te wakkeren. Reeds verspreidde zich de brandwalm
door het vertrek, toen de jonge Hasselaar te voorschijn springende,
uitriep: »Genoeg, mijnheere Bordet! uw moed overtreft den onzen;
bewaar die hand voor den Spanjaard!« En wanneer de vaandrig het
kaarslicht niet weggenomen had, zou misschien Bordet het geteisterde
deel, zonder eene klacht, tot asch hebben laten verteren.
--»Gij zijt een Romein!« sprak Ripperda, hem met geestdrift naderende:
»Ja, ik weet het, uw hart klopt niet van eigenbelang. Met zulke
helden kan Haarlem niet vallen. Heer Bordet, gij hebt gesproken uit
mijn gemoed. Ja, de man van waarachtigen moed kan alles verduren. Met
onverzettelijken wil tart hij pijn, honger, dood!«
--»Geen verdrag met den Spaanschen beul!« spraken ook Van Duivenvoorde
en Brederode, als uit één mond, »ons liever begraven onder de wallen,
of gestorven met het zwaard in de vuist.«
Opeens wordt de deur der zaal opengerukt en treden burgemeester Van
der Laan en Kenau Hasselaar binnen. Eene eerbiedige krijgsmansgroete
van allen; de eerste treedt onmiddellijk naar Ripperda, en spreekt hem,
het hoofd ontblootende, aldus aan:
--»Thans, heer Ripperda, moet het pleit worden beslist. Ik heb hier
en ginds door de stad gekruist, en de meesten zijn gezind, zich een
uittocht te banen; want de nood prangt hun zeer. Reeds dertig vrouwen
en kinderen zijn door den honger bezweken en met ieder uur zal het
getal der slachtoffers aangroeien. Gij, als bevelhebber, hebt het
plan wellicht reeds voorgeslagen, en ik, als hoofd van de burgerij,
kom het ondersteunen. Met vereenden wil en kracht de wankelmoedigen
geschraagd.«
--»Een oogenblik vroeger,« antwoordde Ripperda, op Bordet wijzende,
»en gij hadt niets meer behoeven te vragen. Nooit moet men kunnen
zeggen, dat niet alles is gedaan, wat men kon.«
--»Ook mijn geheele vendel is tot den uittocht bereid,« sprak Kenau
Hasselaar, beurtelings met verhevene rust en warme geestdrift; »maar,
ik smeek, eene zaak ga voor alles,« voegde de vrouw er bij: »Geen
oude van dagen, zwakke moeder of kind worde achtergelaten, of het
vendel van Kenau houdt zich terug. Er is vrees onder de gemoederen,
dat dit het plan mocht zijn, denkende, dat de vijand dezulken wel
sparen zal. Maar wij kennen dien vijand. Niemand dus achtergelaten,
dat bidde ik, of door al de wijken zouden wanhoop en radeloosheid
groot zijn! Wee den lafaard, maar wee ook vrouw of man, dien het van
't harte zou kunnen, onschuld en zwakheid aan de wreedheid over te
geven; want bij den Hemel! dan liever den vijand in de vest gelaten, en
huis aan huis van dezulken verdedigd, zoolang ik kan. Bezweer mij dus
bij dit heilig boek--en hier haalde zij een bijbel te voorschijn--dat
niemand aan zijn lot zal worden overgelaten; hoort mijne vurige bede
in dezen kring: »Uittocht voor allen of uittocht voor niemand: van
ijzer en staal zij de moed; maar week het gevoel van het hart.«
--»Edele vrouw!« zeide Ripperda. »Niet anders is mijn besluit. De
taak moge er zwaarder door worden; maar waarom zou ook Holland geene
Winkelrieds hebben? Ook wij werpen ons, als hij, in 's vijands
gelederen; ook wij banen met onze lijken aan vrouwen en kinders
een weg.«
Een oogenblik stonden nu Ripperda, Kenau en Van der Laan, met de oogen
naar den Hemel, als baden zij dien om nieuwe kracht, na reeds zooveel
schokken te hebben doorstaan. Vervolgens naderde Boreel Haarlem's
heldin afzonderlijk en zeide tot haar met geestdrift:
--»Kenau Simonsz, gij kent mijne Anna; gij weet, wat haar terughield,
onder uw vendel te behooren. De man, aan wien haar volle hart hing,
is van haar gegaan; ik moest hare smart over zijn dood eerbiedigen,
en sprak niet meer over mijn vroegeren wensch. Greep zij dus bus
noch rapier aan--zij deed daarentegen aan de zieken en gewonden,
wat zij vermocht. Maar nu geldt het de groote taak--vrijheid of de
dood. Bij den uittocht zal zij onder de gewapende vrouwen gerekend
worden; dat is mijn wensch, en het zal ook de hare zijn. Sta dus
toe, wakkere vrouw, dat zij van dit uur af onder uw vendel behoore;
dat ook zij gewapend uittrekke op leven en dood. Sta mijne bede toe,
zoo ga ik onverwijld tot haar.«
Bij Kenau vonden deze woorden bijval, en nauwelijks had zij het
verzoek toegestaan, of men las eene verdubbelde geestdrift op Boreel's
gelaat. Vervolgens nam andermaal Ripperda het woord, om zijn plan tot
den uittocht nader bloot te leggen. Zij, wier moed verflauwd was,
brachten na het bovengeschetste geene tegenwerpingen meer in; want
zij vreesden de billijke verontwaardiging van Bordet en Ripperda;
zij gevoelden hunne minderheid, evenals de luipaard zijne minderheid
tegenover den leeuw. Zij stemden vóór den uittocht; maar inwendig
hadden zij het anders besloten.