ACHTSTE HOOFDSTUK.

Ach! 'k hoor die uitgevaste leeuwen

Om luttel voedsel kermend schreeuwen.

Helmers.

Nadat men des anderen daags opnieuw de zwarte vlag op den toren

had geheschen, verspreidde zich ongeveer een uur later door gansch

Haarlem de tijding: »Er is schrift van den prins! van nacht komt er

spijs en ontzet!«

--»Wat revelt gij, dwazen!« zeiden echter de moedeloozen, want ofschoon

inderdaad een duifje deze tijding had aangebracht, was men reeds al

te zeer aan teleurstelling gewoon, dan dat men er geloof aan zou slaan.

--»De hongerdood zal ons lot wezen,« riepen velen.

--»Eerlijk verdrag met den vijand is beter dan te sterven van gebrek,«

lieten anderen hooren. En op het onstuimig aanhouden der huurlingen

werd er weder met den vijand gesproken, doch met geene andere bedoeling

en geen ander gevolg dan den eersten keer.

Vergeefs nochtans trokken des nachts de belegerden, met witte hemden

over hunne rustingen, de stad uit; want ofschoon zij verscheidene

uren lang op de aankomst der prinselijke schepen wachtten, vertoonde

zich geen enkel vaartuig, en--hopeloos keerde men binnen de vest

terug. Tegen den avond van den volgenden Zondag echter liet zich

onverwachts het gerucht hooren: »Schepen van den prins! onze verlossers

zijn in aantocht!«

--»De stad uit!« klonk het; »ter hulp!« Maar nog was men geen vijftig

schreden buiten de Schalkwijkerpoort, of van alle kanten verhief zich

het geschreeuw: »De vijand bestormt den wal.«

--»Terug naar de vest!« geboden sommige hoplieden; de klokken klepten

alarm; men stroomde naar de wallen. Het gerucht was geene logen;

doch het was den Spanjaarden geen ernst, de stad te bestormen. Slechts

wilden zij de bezetting door een loozen aanval pogen terug te houden,

naar de schepen te snellen. Vreemd intusschen, dat de vijand op

dezen dag slechts achtmaal losbrandde, daar men daags te voren nog

driehonderd acht en vijftig schoten geteld had. Wilde hij geen verder

kruit verspillen tegen eene stad, die hij reeds meer dan half in zijne

macht waande? Was Frederik tot een verdrag geneigd, dat de Haarlemmer

zonder huiveren of blozen kon aannemen? Had hij door verraad of

list ontdekt, dat er ontzet zou aanrukken, en wilde hij dus zijne

krachten sparen om grooter vernieling aan te richten? Hoe het zij,

na 10,402 schoten tusschen Kruis- en Janspoort, en 400 van den Hout-

en Meerkant, sedert de belegering had de laatste losbranding zich

doen hooren: de Vliegen van Namen schenen voor altijd verstomd.

Na een pijnlijk doorgebrachten nacht, die geene hulp met zich

voerde, brak de Maandag van den zesden Juli aan. Iederen dag poogde

niet slechts de predikant Symonsz de belegerden door godsdienstige

woorden moed en troost in te spreken; maar ook zij, die aan de oude

leer getrouw waren gebleven, stroomden iederen dag, ook weer dezen

morgen, naar de kerk aan het Begijnhof en andere kapellen. Roomsch

en onroomsch toch waren in Mechelen, in Zutphen en Naarden door de

Spanjaards omgebracht; roomsch en onroomsch vreesden en verachtten

Alva; en wat stond Haarlem niet te wachten, dat sinds zeven maanden

aan den vijand zooveel duizenden der beste soldaten had gekost?

--»Spijs! wij sterven van honger!«--riep intusschen eene wanhopige

menigte door al de wijken der stad, terwijl in de kerken door Ripperda,

Kenau en anderen vurige gebeden werden opgezonden.

--»Brood!--brood! of wij moeten allen vergaan!« was het dof en wanhopig

gekerm. En het schouwspel hier en daar was hartroerend. Men verbeelde

zich eenige mannen, vrouwen en kinderen met oogen, waarin reeds de

dood met het half vernietigde leven kampt. Op de markt, in de Ramen,

en op eene menigte andere plaatsen liggen schimmen gehurkt op den

grond neder, en krabben en wroeten er met uitgeteerde vingers in,

om er plant of kruit uit te rukken en het gretig te verslinden. Ginds

wil een andere hoop de geslotene hal in de Spekstraat binnenstormen,

niet om er vleesch te zoeken, maar om wellicht nog eenige schenkels

van de geslachte paarden van Wielmaker en anderen machtig te worden

en er als honden aan te knagen. Een dof geschreeuw echter, op eenige

schreden afstands, drijft hen weder huilend, als jakhalzen voort.

--»Spijs gevonden! mondkost daar!« galmt het, en zoo snel als de voeten

het uitgemergelde lijf willen dragen, rent een zestal op eene andere

menigte aan die tast, schopt en graaft in een hoop asch en vuilnis,

waar men eene groene struik ontdekt heeft.

--»Terug! het is onze buit!« schreeuwt men, en terwijl de hongerigen

met de eene hand de nieuwe aandringers afkeeren, wroeten zij met de

andere in den walgelijken hoop; iedere wortel, dien men vindt, elke

stronk, die men te voorschijn haalt, zinkt onvermaald in de holle maag,

niet om die maag te voeden, maar om de leege ruimte te vullen.

--»Heere Christus! ik sterf....« gilt eene vrouw, die een paar

minuten te voren een dier harde, onverteerbare voorwerpen verslonden

heeft. »Mijne kinders! O heilige moeder Gods! geef hun brood!«

Stuiptrekkend valt zij op den grond neder. Bij haar heeft de honger

nog geene zinneloosheid, geene razernij doen ontstaan. Maar op de

reeds langdurige folterende pijn in den omtrek der maag is plotselijke

verzwakking, machteloosheid gevolgd. De prikkeling van haar zenuwgestel

heeft stuiptrekkingen doen geboren worden; bij een vernieuwden aanval,

dien haar krachteloos lichaam niet kon weerstaan, bezwijkt zij en

wordt binnen weinige minuten, te midden eener haar omringende schaar,

de prooi van den dood, die haar reeds zoolang bestormd heeft.

--»De hongerdood zal ook ons lot wezen!« roepen eenigen; en terwijl

een paar geraamten het lijk van de straat wegnemen, slepen de anderen

zich voort om elders hetzelfde walgelijk voedsel machtig te worden.

--»Zoo waar als God leeft, er is nog vleesch in de stad!« roept een

zeventigjarige, in lompen gewikkelde grijsaard, die zich op eens uit

de Peuzelaarsteeg bij een kleine schaar in de Frankestraat voegt. »Er

is nog vleesch, zeg ik, mannen! en ons rest geen afgekloven been meer.«

--»Waar? waar?« schreeuwen allen tegelijk, »bij wien? In wat huis?«

--»Dat weet ik niet,« is het antwoord, »maar Jakob Loenis heeft voor

twee en dertig stuivers eene koelever gekocht. Hij wil liet niet

klappen, bij wien.«

--»Naar zijn huis! hij moet het ons zeggen,« klinkt het. »Is er voor

geld nog eten te krijgen, dan gaan wij op roof uit; dan beuken wij

't lombardhuis op.«

--»Naar Jakob Loenis!« schreeuwde men, »hij moet klappen, wie hem de

koelever heeft geschaft.« Watertandende, bij de gedachte aan zulk een

voortreffelijk voedsel, sleepten de slachtoffers zich verder voort,

terwijl nu en dan de uitputting sommigen dwong, eene korte poos uit

te rusten, ten einde nieuwe, ingebeelde kracht te verzamelen.

Intusschen is eene andere menigte naar het wachthuis bij de Kruispoort

getrokken, om aan de soldaten en dienstdoende burgers eenige kruimels

brood of moutkoek af te smeeken. Nikolaas Bernaards en Vardeur hebben

er de wacht; een, door beiden reeds ontworpen voornemen zal er binnen

weinige oogenblikken onherroepelijk besloten worden.

--»Ja, kerels, deelt met hen,« roept Vardeur, »en vandaag schaf

ik de andere spijs,--dat zweer ik. Uit de Spaansche klauwen zullen

wij voedsel scheuren, en krijgen wij geen mondkost in onze macht,

dan slaan wij de tanden in hun vleesch.«

--»Ook wij rukken uit!« roepen eenige soldaten, terwijl zij met de

magere vuist op hun rapier slaan, »wij schaffen ons mondkost; wij

vallen den Spanjaard als spoken te lijf.«

--»Maar wij hebben geen kruit meer,« zegt een der Walen, »de Spanjaard

zal ons neerblazen als onweerbaar wild.«

--»Wat raast gij?« roept Vardeur, »rest ons dan geene kling, geene

piek of musketkolf meer?.... Als eene zee storten wij op hen in,

en verd.... zal ik wezen, als ik geen buit in de stad sleep. Maar

wee den schelm, die er een woord van verkraait.«

--»Die zal niet van honger vergaan, dien zullen wij radbraken!«

laat het zich hooren. En weldra is het besluit genomen, dat men,

ten getale van twintig, gedurende den middag een uitval buiten de

kleine Houtpoort zal doen. Zwaar woog wel bij sommigen en vooral bij

Bernaards, de gedachte, dat men Ripperda's bevel wederstreven en zich

alzoo strafbaar zou maken; doch men hoopte daarentegen zijne gramschap

te zullen ontwapenen, wanneer men eens zoo gelukkig mocht zijn, eenigen

buit binnen de benarde veste te brengen, en--het besluit stond vast.

Terwijl des namiddags de predikant Sijmonsz in de St.-Bavo'skerk

voor de saamgevloeide menigte optrad en misschien den bijbeltekst uit

psalm negen en zestig behandelde: »verlos mij, o God! want de wateren

zijn gekomen tot aan de ziel,«--trokken Vardeur en Bernaards met

de hunnen buiten de kleine Houtpoort. Nauwelijks ziet hen de vijand

uit de eerste schans in den Hout, of op bevel van den capitan aldaar

snellen een tiental ruiters met gevelde lansen hen tegemoet.

--»Voorwaarts!« beveelt Vardeur, »'t leven of de dood!« Zoo snel

als de voeten het verzwakte lijf willen dragen, stormen de soldaten

onverschrokken op de ruiters, en deze, van hunne meerderheid overtuigd,

wederkeerig op de uitvallers aan.

--»Spanje! Spanje!« roepen de ruiters, en uit holle kelen galmt hun

het antwoord toe: »Vivent les Gueux!«

--»Halt!« beveelt opeens Vardeur, toen de Spanjaarden nog ongeveer

veertig schreden van hen verwijderd zijn; »laat hen naderen, en dan op

't front en in de flank op hen aan, als de gieren op een lijk!«

Nauwelijks zijn hen de ruiters tot spieslengte genaderd of bijna

te gelijker tijd storten twee der uitvallers gewond neder; doch nu

springt Vardeur als een razende, uitgehongerde dog op den voorsten aan.

--»De dood!« roept hij hol en dof, en ofschoon de lans van den

Spanjaard hem eene wonde in den linkerarm toebrengt, valt hij hem met

zijn zwaard zoo geducht en onstuimig te lijf, dat de ruiter een paar

seconden waggelt en vervolgens uit den zadel stort. Hetzelfde gelukt

ook aan Bernaards, en twee der uitvallers zich ijlings van de twee

paarden meester makende, snellen er in vliegenden galop mee naar de

kleine Houtpoort.

--»Valt aan! slaat alles dood!« schreeuwt Vardeur, »sterven of buit!«

En opnieuw wanhopig en woest een ruiter bespringende, worden de

overigen van links en rechts, van voren en achter door de uitvallers

omsingeld. Slechts de woede, slechts de razernij der vertwijfeling is

tot zulk een aanval in staat. Tien ruiters tegen vijftien voetsoldaten;

maar tien forschgespierde mannen tegen vijftien schimmen--het leven

tegen den dood. Maar terwijl er daden zijn, die alleen door beleid

en moed kunnen volvoerd worden, zoo zijn er ook, waarin alleen

roekeloosheid of wanhoop de overwinning behalen kan. Hetzij zich

aan de schans in den Hout geene meerdere ruiters bevonden; hetzij de

vijanden een tiental hunner meer dan genoeg rekenden, om eene kleine,

uitgeteerde schaar te verdelgen, men zag geene verdere Spanjaarden te

voorschijn komen. Ook was hunne worsteling met Vardeur en de zijnen

vreeselijk, maar kort.

--»Sterf, Spaansch gebroed!« schreeuwt hij, »de wilde Geuzen zijn

nog niet dood!«

--»De wolf durft den buffel wel aan!« zegt een Waal, die den

linkervoet in den stijgbeugel van een der ruiters zet, en hem met

razende verbittering bij den strot grijpt.

Het is een huiveringwekkend schouwspel. Hier wordt een der uitvallers

door een ruiter doorstoken; hij spartelt onder de hoeven van het

paard, dat, door een ruk aan de teugels, terugspringt, of brieschend

op de achterbeenen steigert, terwijl een ander der wanhopigen den

ruiter ten halve uit den zadel scheurt, en op die wijze eene hevige

terugwerking en botsing ontstaan doet. Daar heeft er een de lans van

een Spanjaard in de magere doch nog krachtige vuist gegrepen; met wild

rollende oogen brengt zijne andere hand den vijand slag op slag toe;

intusschen grijpt een zijner makkers denzelfden Spanjaard van achter

aan en dringt hem het staal in den rug. Hopman Bernaards worstelt met

een ruiter, dien hij reeds in de knie heeft getroffen; doch terwijl de

kans een oogenblik weifelend schijnt, grijpt een zijner soldaten den

Spanjaard bij den linkervoet; vervolgens rukt hij hem met eene kracht,

die hij zelf niet waant te hebben, van het paard af, dat trappelend

en hinnikend ruiter en aanvaller wondt. Maar niemands verbittering

evenaart die van Vardeur. Zijn staal schijnt een gevleugelde bliksem;

akelig brandend rollen zijne oogen. Geen zwaardslag komt neer, die niet

met een schorren vloek vergezeld gaat. Zijne borst hijgt van afmatting;

maar hij voelt die niet, zijne tanden knarsen; zijne lippen trillen;

hij ademt niets dan wraak over de vijanden, die zijne krijgsbroeders

uithongeren; hij heeft gezworen, dat hij buit meebrengen of sterven

zal; dien eed wil hij volvoeren. Twee der ruiters zijn intusschen

geweken, aan twee anderen gelukt het, eenige seconden later, zich

insgelijks aan de woede der hongerigen te ontrukken; maar te eerder is

nu ook het lot van het overige viertal beslist. Terwijl een hunner door

Bernaards van zijn paard gerukt en doorstoken wordt, stormt Vardeur

op een anderen aan, evenals een bulhond op de horens van den stier,

en brengt hem een zoo doordringenden slag op het hoofd toe, dat deze

wankelt en neerstort. Ook de twee anderen sneuvelen door de hand der

Haarlemmers; doch op dat tijdstip verheft zich op eens het geroep:

»Spanje! Spanje!«

--»Daar stuift ons een gansch vendel tegemoet,« roept Bernaards,

»terug naar de vest!«

--»Leven de wilde Geuzen!« roepen de Haarlemmers, die zich van de

paarden der ruiters meester maken; »naar de vest!«

Met achterlating van twee dooden, trekt Vardeur met de zijnen terug;

en ofschoon de Spanjaarden in grooten getale aanstormen, om zich

op hen te werpen, zijn ze weldra binnen de vest in veiligheid, en

schimpend klinkt den vijand naar het hoofd: »Wilt ge de paarden terug,

haalt ze dan binnen de stad.«

--»Daar hebt ge nu brood!« roept Vardeur, het met bloed bedekt rapier

boven zijn hoofd zwaaiende; »boet nu den razenden honger! vult nu de

holle maag!«

--»Leve Bernaards! leve Vardeur met zijne kloeke soldeniers!« klinkt

het, en zoo groot is de geestdrift der hongerigen, dat zij de mutsen

en hoeden omhoog werpen, en aan verrukte krankzinnigen gelijk zijn.

--»Ruiterlijk gedeeld!« roept men, »en den mondkost gekookt.«

--»Daar is geen tijd toe; dat duurt te lang,« is het antwoord, »rauw

in de maag.«

--»Schiet dood de paarden, en ieder zijn rantsoen,« roept men.

--»Het is mondkost voor de soldeniers!« laten eenige Walen hooren,

die niet eens aan den uitval hebben deelgenomen, en eenigen hunner

wilden zich reeds met een der paarden verwijderen.

--»Voor burgers en soldeniers!« schreeuwen mannen en vrouwen, »wij

hebben altemaal deel aan den buit.«

--»Gij liegt het, gespuis! gij hebt er uw lijf niet om gewaagd,« voeren

ettelijke soldaten hun tegemoet. Plotseling heerscht er een onstuimig

getier met hevige worsteling vergezeld. De soldaat wil zijne rechten

doen gelden als krijgsman en uitvaller; de burgers verwijten dezen,

dat zij hem reeds maanden aan maanden hebben gevoed, en dat hij hen

thans van honger wil doen vergaan. Schril zijn de kreten uit de holle

borst; het is het klotsen der baren tegen het strand,--de storm,

die uit verschillende holen losbarst. Vergeefs trachtte Vardeur de

plotseling ontvlamde woede te bedaren; vergeefs, dat hij hun met

bittere woorden van verontwaardiging den ondank over den wanhopigen

uitval verwijt. Men scheurt en raast, vecht en worstelt als hongerige

wolven om den buit, en Vardeur vervloekt het oogenblik, dat hij,

over 's volks ellende bewogen, aldus zijn leven en dat zijner makkers

gewaagd heeft.--Maar te midden van dit tooneel verschijnt Ripperda,

en--het is, alsof de storm voor een oogenblik gestild wordt.

--»Wat hebt gij gedaan?« roept hij op ontzagwekkenden toon; »waar

zijn de schuldigen, die mijn bevel hebben weerstreefd?«

Dreigend en toornig rolt zijn oog nu naar den eenen, dan naar den

anderen kant. Met dat oog doorzoekt hij de menigte en vervolgens baant

hij zich plotselijk door een dichten hoop den weg tot aan de plaats,

waar Vardeur zich bevindt.

--»Onzinnige, wie gaf u last tot dat stuk?« roept

Ripperda. »Gehoorzaamheid en plicht hebt gij vertrapt. Leg af uw

rapier; ik beveel het.«

Vardeur had iets dergelijks voorzien, en zijn besluit genomen. Zij

die meenden, dat zijn woeste aard zich in uitdrukkingen van wrevel en

verbittering zou botvieren, zagen zich in hun gevoelen bedrogen,--zij

kenden het menschelijk karakter niet in zijne schakeeringen.--Vardeur

was oogenschijnlijk een rotsige, woeste grond; en echter lag er, schoon

diep bedolven, hier en daar een edele steen in verspreid. Dat was

blijkbaar, toen hij, door den kommer en het knagend leed der burgers

bewogen, het dolle besluit nam om hun spijs te verschaffen. Maar

hij gevoelde, dat hij eene strafbare daad had uitgevoerd, en, als

krijgsman begreep hij, dat hij Ripperda's gezag voor het oog der

menigte moest handhaven.

--»Ziedaar mijn rapier!« was zijn antwoord, dat, zoo het nog bitterheid

ademde, slechts veroorzaakt werd door een smartelijk gevoel; »ik heb

schuld; en of ge 't mij in de borst mocht stooten, er zou geen euvel

aan begaan zijn; ik heb de krijgstucht verschopt.« Dit zeggende bood

hij Ripperda zijn zwaard aan, dat van de punt tot aan het gevest de

bloedige sporen droeg, hoe het op de Spaansche ruiters gewoed had; doch

Ripperda, niet minder verwonderd, dan de hem omringenden, aarzelde

het aan te nemen. Ook zijne gramschap scheen eensklaps gestild,

en hij wilde zijne vorige vraag herhalen, toen hopman Bernaards,

hem insgelijks zijne kling toereikende, op roerenden toon zeide:

»heer Ripperda! ziedaar ook mijn rapier; de schuld, die op hem kleeft,

hecht ook op mij; doch het is God bekend, dat wij niet met opzet onzen

plicht hebben vergeten. Het broodgeschrei van vrouwen en kinderen

spoorde ons aan; en schoon de krijgsraad het doodvonnis uitspreke--het

menschelijk gevoel zal het ons niet aanrekenen tot schuld.«

--»Wat menschelijk gevoel wordt onverpoosder geschokt dan het mijne?«

sprak Ripperda, meer smartelijk dan heftig. »Gij kent de zwaarte

niet van de taak, die op mijne schouders ligt. Ziet nu om u heen;

de honger twist om den buit, dien gij gekocht hebt met gevaar voor

de reeds zoolang verdedigde vest.«

--»Vervloekt is het schuim van volk, voor wien ik het stuk bedreef,«

sprak Vardeur, den donkeren blik wendende naar de plaats, waar eene

menigte volks een der ruiterspaarden gedood had en met wilde gebaren in

het rauwe vleesch de tanden willende slaan, »dat zijn de ellendigen,

die voor den middag, als wormen in 't stof kropen; en nu razen zij

als dollen, die hunne ketens hebben vertrapt.«

--»Zij lijden zwaar,« sprak Bernaards, »en schoon ik aan jammer en

verschrikking gewoon ben, vlijmt het mij bitter door de ziel. In

den naam van God, heer Ripperda! reken het ons niet aan als

wederspannigheid; medelijden alleen deed ons de roekeloosheid begaan.«

--»Ja,« zeide Ripperda, »wie het dapperheid noemt, kent den zin niet

van dit woord. Heb ik niet dag aan dag zoo menigen uitval beraamd? Zoo

er nog profijt was te wachten, ik zelf zou niet aarzelen, het heetst

gevaar in den mond te gaan; want mijn hart breekt bij de ellende;

maar als razenden uit te vallen in strijd met krijgstucht en wettig

gezag.... Bij God en den prins! dat gij nooit in de vest waart

gekomen.«

--»Spreek niet aldus, heer!« hernam Bernaards, innig getroffen, »ik ben

een Geus en heb nooit het gevaar geschroomd. Ik heb berouw, maar dit

zweer ik, ik zal het uitwisschen door dapperheid en moed. Beveel--en

ik alleen ga den dood tegemoet; ik smeek het u af, laat mij vergoeden

wat ik misdaan heb; hopman Bernaards moet den bevelhebber Ripperda

waardig zijn.«

--»En voor mij zal er zaligheid wezen hier noch daar,« sprak Vardeur,

»zoo een stuk vol koenheid het dolle feit niet voor eeuwig vergeten

doet. Beveel--en ik stuif in de tent van don Frederik, stoot hem den

dolk in het lijf en ik leg zijn vervloekten kop u voor de voeten,«

--»Houd op met uwe onzinnige taal,« sprak Ripperda, »uit een hart,

waarin zulke felle driften koken, moeten dampen oprijzen, die 't hoofd

bedwelmen; maar het is gebeurd; de vijand weet nu, dat de razernij

in al de wijken rondgiert; hij weet nu, dat er de honger woedt, en

hij spot reeds met de witte vaan op den toren. Eilaas! dien nood hebt

gij hem kond gedaan, en schimpend roept hij, dat hij door gebrek zal

verwinnen, wat onwinbaar was door kruit en rapier.«

Duidelijk was het op Ripperda's gelaat te lezen, dat zijne ziel door

bitter leedgevoel over den nood der burgers bestreden werd, en het

berouw van Bernaards ontwapende zijne gramschap. Maar van een reeds

door hem gevormd plan wilde nu ook zijne snelle beradenheid van

karakter gebruik maken.

--»Welnu,« zeide hij tot Bernaards, »wisch het dolle stuk dan uit

door waarachtig moedbetoon. Kom binnen een uur bij mij, en gij zult

de taak hooren, die ik u toevertrouw.«

--»Het moge zijn, wat het wil, heer!« sprak Bernaards, »ik ben

terstond bereid.« Met vaste schreden verwijderde zich Ripperda naar

zijne woning; en terwijl Brederode, Van Duivenvoorde, Van der Laan

en anderen het volk allengs tot bedaren brachten, schreef hij een

brief aan den prins.

Met korte doch krachtige woorden schetste hij hem den algemeenen

nood, met de bede om tegen den avond van den volgenden dag eenige

levensmiddelen aan de Ton, in den mond van het Spaarne en de Meer boven

het Huis van Heemstede te zenden, aangezien het water tot aan de lippen

gerezen was. Hij, die zich met de overbrenging van dit geschrift en

vier duiven belastte, was niemand anders dan Nicolaas Bernaards. Met

geestdrift nam de moedige Geus deze taak op leven en dood op zich;

en de uitkomst toonde, dat het vermetele waagstuk hem evenzeer, als

vroeger aan Jeronimo Tseraarts en Houtin, gelukt was. Ook hij ontkwam

door het midden van Bossu's vloot; hij staafde dus zijne woorden, dat

hij den roekeloozen uitval door moed en beleid zou uitwisschen;--en

al ware het slechts door dit enkele feit, zoo heeft Nicolaas Bernaards

zich de herinnering van den nakomeling waardig gemaakt.

Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 3 van 3) · 第 9 / 19 题