Ach! 'k hoor die uitgevaste leeuwen
Om luttel voedsel kermend schreeuwen.
Helmers.
Nadat men des anderen daags opnieuw de zwarte vlag op den toren
had geheschen, verspreidde zich ongeveer een uur later door gansch
Haarlem de tijding: »Er is schrift van den prins! van nacht komt er
spijs en ontzet!«
--»Wat revelt gij, dwazen!« zeiden echter de moedeloozen, want ofschoon
inderdaad een duifje deze tijding had aangebracht, was men reeds al
te zeer aan teleurstelling gewoon, dan dat men er geloof aan zou slaan.
--»De hongerdood zal ons lot wezen,« riepen velen.
--»Eerlijk verdrag met den vijand is beter dan te sterven van gebrek,«
lieten anderen hooren. En op het onstuimig aanhouden der huurlingen
werd er weder met den vijand gesproken, doch met geene andere bedoeling
en geen ander gevolg dan den eersten keer.
Vergeefs nochtans trokken des nachts de belegerden, met witte hemden
over hunne rustingen, de stad uit; want ofschoon zij verscheidene
uren lang op de aankomst der prinselijke schepen wachtten, vertoonde
zich geen enkel vaartuig, en--hopeloos keerde men binnen de vest
terug. Tegen den avond van den volgenden Zondag echter liet zich
onverwachts het gerucht hooren: »Schepen van den prins! onze verlossers
zijn in aantocht!«
--»De stad uit!« klonk het; »ter hulp!« Maar nog was men geen vijftig
schreden buiten de Schalkwijkerpoort, of van alle kanten verhief zich
het geschreeuw: »De vijand bestormt den wal.«
--»Terug naar de vest!« geboden sommige hoplieden; de klokken klepten
alarm; men stroomde naar de wallen. Het gerucht was geene logen;
doch het was den Spanjaarden geen ernst, de stad te bestormen. Slechts
wilden zij de bezetting door een loozen aanval pogen terug te houden,
naar de schepen te snellen. Vreemd intusschen, dat de vijand op
dezen dag slechts achtmaal losbrandde, daar men daags te voren nog
driehonderd acht en vijftig schoten geteld had. Wilde hij geen verder
kruit verspillen tegen eene stad, die hij reeds meer dan half in zijne
macht waande? Was Frederik tot een verdrag geneigd, dat de Haarlemmer
zonder huiveren of blozen kon aannemen? Had hij door verraad of
list ontdekt, dat er ontzet zou aanrukken, en wilde hij dus zijne
krachten sparen om grooter vernieling aan te richten? Hoe het zij,
na 10,402 schoten tusschen Kruis- en Janspoort, en 400 van den Hout-
en Meerkant, sedert de belegering had de laatste losbranding zich
doen hooren: de Vliegen van Namen schenen voor altijd verstomd.
Na een pijnlijk doorgebrachten nacht, die geene hulp met zich
voerde, brak de Maandag van den zesden Juli aan. Iederen dag poogde
niet slechts de predikant Symonsz de belegerden door godsdienstige
woorden moed en troost in te spreken; maar ook zij, die aan de oude
leer getrouw waren gebleven, stroomden iederen dag, ook weer dezen
morgen, naar de kerk aan het Begijnhof en andere kapellen. Roomsch
en onroomsch toch waren in Mechelen, in Zutphen en Naarden door de
Spanjaards omgebracht; roomsch en onroomsch vreesden en verachtten
Alva; en wat stond Haarlem niet te wachten, dat sinds zeven maanden
aan den vijand zooveel duizenden der beste soldaten had gekost?
--»Spijs! wij sterven van honger!«--riep intusschen eene wanhopige
menigte door al de wijken der stad, terwijl in de kerken door Ripperda,
Kenau en anderen vurige gebeden werden opgezonden.
--»Brood!--brood! of wij moeten allen vergaan!« was het dof en wanhopig
gekerm. En het schouwspel hier en daar was hartroerend. Men verbeelde
zich eenige mannen, vrouwen en kinderen met oogen, waarin reeds de
dood met het half vernietigde leven kampt. Op de markt, in de Ramen,
en op eene menigte andere plaatsen liggen schimmen gehurkt op den
grond neder, en krabben en wroeten er met uitgeteerde vingers in,
om er plant of kruit uit te rukken en het gretig te verslinden. Ginds
wil een andere hoop de geslotene hal in de Spekstraat binnenstormen,
niet om er vleesch te zoeken, maar om wellicht nog eenige schenkels
van de geslachte paarden van Wielmaker en anderen machtig te worden
en er als honden aan te knagen. Een dof geschreeuw echter, op eenige
schreden afstands, drijft hen weder huilend, als jakhalzen voort.
--»Spijs gevonden! mondkost daar!« galmt het, en zoo snel als de voeten
het uitgemergelde lijf willen dragen, rent een zestal op eene andere
menigte aan die tast, schopt en graaft in een hoop asch en vuilnis,
waar men eene groene struik ontdekt heeft.
--»Terug! het is onze buit!« schreeuwt men, en terwijl de hongerigen
met de eene hand de nieuwe aandringers afkeeren, wroeten zij met de
andere in den walgelijken hoop; iedere wortel, dien men vindt, elke
stronk, die men te voorschijn haalt, zinkt onvermaald in de holle maag,
niet om die maag te voeden, maar om de leege ruimte te vullen.
--»Heere Christus! ik sterf....« gilt eene vrouw, die een paar
minuten te voren een dier harde, onverteerbare voorwerpen verslonden
heeft. »Mijne kinders! O heilige moeder Gods! geef hun brood!«
Stuiptrekkend valt zij op den grond neder. Bij haar heeft de honger
nog geene zinneloosheid, geene razernij doen ontstaan. Maar op de
reeds langdurige folterende pijn in den omtrek der maag is plotselijke
verzwakking, machteloosheid gevolgd. De prikkeling van haar zenuwgestel
heeft stuiptrekkingen doen geboren worden; bij een vernieuwden aanval,
dien haar krachteloos lichaam niet kon weerstaan, bezwijkt zij en
wordt binnen weinige minuten, te midden eener haar omringende schaar,
de prooi van den dood, die haar reeds zoolang bestormd heeft.
--»De hongerdood zal ook ons lot wezen!« roepen eenigen; en terwijl
een paar geraamten het lijk van de straat wegnemen, slepen de anderen
zich voort om elders hetzelfde walgelijk voedsel machtig te worden.
--»Zoo waar als God leeft, er is nog vleesch in de stad!« roept een
zeventigjarige, in lompen gewikkelde grijsaard, die zich op eens uit
de Peuzelaarsteeg bij een kleine schaar in de Frankestraat voegt. »Er
is nog vleesch, zeg ik, mannen! en ons rest geen afgekloven been meer.«
--»Waar? waar?« schreeuwen allen tegelijk, »bij wien? In wat huis?«
--»Dat weet ik niet,« is het antwoord, »maar Jakob Loenis heeft voor
twee en dertig stuivers eene koelever gekocht. Hij wil liet niet
klappen, bij wien.«
--»Naar zijn huis! hij moet het ons zeggen,« klinkt het. »Is er voor
geld nog eten te krijgen, dan gaan wij op roof uit; dan beuken wij
't lombardhuis op.«
--»Naar Jakob Loenis!« schreeuwde men, »hij moet klappen, wie hem de
koelever heeft geschaft.« Watertandende, bij de gedachte aan zulk een
voortreffelijk voedsel, sleepten de slachtoffers zich verder voort,
terwijl nu en dan de uitputting sommigen dwong, eene korte poos uit
te rusten, ten einde nieuwe, ingebeelde kracht te verzamelen.
Intusschen is eene andere menigte naar het wachthuis bij de Kruispoort
getrokken, om aan de soldaten en dienstdoende burgers eenige kruimels
brood of moutkoek af te smeeken. Nikolaas Bernaards en Vardeur hebben
er de wacht; een, door beiden reeds ontworpen voornemen zal er binnen
weinige oogenblikken onherroepelijk besloten worden.
--»Ja, kerels, deelt met hen,« roept Vardeur, »en vandaag schaf
ik de andere spijs,--dat zweer ik. Uit de Spaansche klauwen zullen
wij voedsel scheuren, en krijgen wij geen mondkost in onze macht,
dan slaan wij de tanden in hun vleesch.«
--»Ook wij rukken uit!« roepen eenige soldaten, terwijl zij met de
magere vuist op hun rapier slaan, »wij schaffen ons mondkost; wij
vallen den Spanjaard als spoken te lijf.«
--»Maar wij hebben geen kruit meer,« zegt een der Walen, »de Spanjaard
zal ons neerblazen als onweerbaar wild.«
--»Wat raast gij?« roept Vardeur, »rest ons dan geene kling, geene
piek of musketkolf meer?.... Als eene zee storten wij op hen in,
en verd.... zal ik wezen, als ik geen buit in de stad sleep. Maar
wee den schelm, die er een woord van verkraait.«
--»Die zal niet van honger vergaan, dien zullen wij radbraken!«
laat het zich hooren. En weldra is het besluit genomen, dat men,
ten getale van twintig, gedurende den middag een uitval buiten de
kleine Houtpoort zal doen. Zwaar woog wel bij sommigen en vooral bij
Bernaards, de gedachte, dat men Ripperda's bevel wederstreven en zich
alzoo strafbaar zou maken; doch men hoopte daarentegen zijne gramschap
te zullen ontwapenen, wanneer men eens zoo gelukkig mocht zijn, eenigen
buit binnen de benarde veste te brengen, en--het besluit stond vast.
Terwijl des namiddags de predikant Sijmonsz in de St.-Bavo'skerk
voor de saamgevloeide menigte optrad en misschien den bijbeltekst uit
psalm negen en zestig behandelde: »verlos mij, o God! want de wateren
zijn gekomen tot aan de ziel,«--trokken Vardeur en Bernaards met
de hunnen buiten de kleine Houtpoort. Nauwelijks ziet hen de vijand
uit de eerste schans in den Hout, of op bevel van den capitan aldaar
snellen een tiental ruiters met gevelde lansen hen tegemoet.
--»Voorwaarts!« beveelt Vardeur, »'t leven of de dood!« Zoo snel
als de voeten het verzwakte lijf willen dragen, stormen de soldaten
onverschrokken op de ruiters, en deze, van hunne meerderheid overtuigd,
wederkeerig op de uitvallers aan.
--»Spanje! Spanje!« roepen de ruiters, en uit holle kelen galmt hun
het antwoord toe: »Vivent les Gueux!«
--»Halt!« beveelt opeens Vardeur, toen de Spanjaarden nog ongeveer
veertig schreden van hen verwijderd zijn; »laat hen naderen, en dan op
't front en in de flank op hen aan, als de gieren op een lijk!«
Nauwelijks zijn hen de ruiters tot spieslengte genaderd of bijna
te gelijker tijd storten twee der uitvallers gewond neder; doch nu
springt Vardeur als een razende, uitgehongerde dog op den voorsten aan.
--»De dood!« roept hij hol en dof, en ofschoon de lans van den
Spanjaard hem eene wonde in den linkerarm toebrengt, valt hij hem met
zijn zwaard zoo geducht en onstuimig te lijf, dat de ruiter een paar
seconden waggelt en vervolgens uit den zadel stort. Hetzelfde gelukt
ook aan Bernaards, en twee der uitvallers zich ijlings van de twee
paarden meester makende, snellen er in vliegenden galop mee naar de
kleine Houtpoort.
--»Valt aan! slaat alles dood!« schreeuwt Vardeur, »sterven of buit!«
En opnieuw wanhopig en woest een ruiter bespringende, worden de
overigen van links en rechts, van voren en achter door de uitvallers
omsingeld. Slechts de woede, slechts de razernij der vertwijfeling is
tot zulk een aanval in staat. Tien ruiters tegen vijftien voetsoldaten;
maar tien forschgespierde mannen tegen vijftien schimmen--het leven
tegen den dood. Maar terwijl er daden zijn, die alleen door beleid
en moed kunnen volvoerd worden, zoo zijn er ook, waarin alleen
roekeloosheid of wanhoop de overwinning behalen kan. Hetzij zich
aan de schans in den Hout geene meerdere ruiters bevonden; hetzij de
vijanden een tiental hunner meer dan genoeg rekenden, om eene kleine,
uitgeteerde schaar te verdelgen, men zag geene verdere Spanjaarden te
voorschijn komen. Ook was hunne worsteling met Vardeur en de zijnen
vreeselijk, maar kort.
--»Sterf, Spaansch gebroed!« schreeuwt hij, »de wilde Geuzen zijn
nog niet dood!«
--»De wolf durft den buffel wel aan!« zegt een Waal, die den
linkervoet in den stijgbeugel van een der ruiters zet, en hem met
razende verbittering bij den strot grijpt.
Het is een huiveringwekkend schouwspel. Hier wordt een der uitvallers
door een ruiter doorstoken; hij spartelt onder de hoeven van het
paard, dat, door een ruk aan de teugels, terugspringt, of brieschend
op de achterbeenen steigert, terwijl een ander der wanhopigen den
ruiter ten halve uit den zadel scheurt, en op die wijze eene hevige
terugwerking en botsing ontstaan doet. Daar heeft er een de lans van
een Spanjaard in de magere doch nog krachtige vuist gegrepen; met wild
rollende oogen brengt zijne andere hand den vijand slag op slag toe;
intusschen grijpt een zijner makkers denzelfden Spanjaard van achter
aan en dringt hem het staal in den rug. Hopman Bernaards worstelt met
een ruiter, dien hij reeds in de knie heeft getroffen; doch terwijl de
kans een oogenblik weifelend schijnt, grijpt een zijner soldaten den
Spanjaard bij den linkervoet; vervolgens rukt hij hem met eene kracht,
die hij zelf niet waant te hebben, van het paard af, dat trappelend
en hinnikend ruiter en aanvaller wondt. Maar niemands verbittering
evenaart die van Vardeur. Zijn staal schijnt een gevleugelde bliksem;
akelig brandend rollen zijne oogen. Geen zwaardslag komt neer, die niet
met een schorren vloek vergezeld gaat. Zijne borst hijgt van afmatting;
maar hij voelt die niet, zijne tanden knarsen; zijne lippen trillen;
hij ademt niets dan wraak over de vijanden, die zijne krijgsbroeders
uithongeren; hij heeft gezworen, dat hij buit meebrengen of sterven
zal; dien eed wil hij volvoeren. Twee der ruiters zijn intusschen
geweken, aan twee anderen gelukt het, eenige seconden later, zich
insgelijks aan de woede der hongerigen te ontrukken; maar te eerder is
nu ook het lot van het overige viertal beslist. Terwijl een hunner door
Bernaards van zijn paard gerukt en doorstoken wordt, stormt Vardeur
op een anderen aan, evenals een bulhond op de horens van den stier,
en brengt hem een zoo doordringenden slag op het hoofd toe, dat deze
wankelt en neerstort. Ook de twee anderen sneuvelen door de hand der
Haarlemmers; doch op dat tijdstip verheft zich op eens het geroep:
»Spanje! Spanje!«
--»Daar stuift ons een gansch vendel tegemoet,« roept Bernaards,
»terug naar de vest!«
--»Leven de wilde Geuzen!« roepen de Haarlemmers, die zich van de
paarden der ruiters meester maken; »naar de vest!«
Met achterlating van twee dooden, trekt Vardeur met de zijnen terug;
en ofschoon de Spanjaarden in grooten getale aanstormen, om zich
op hen te werpen, zijn ze weldra binnen de vest in veiligheid, en
schimpend klinkt den vijand naar het hoofd: »Wilt ge de paarden terug,
haalt ze dan binnen de stad.«
--»Daar hebt ge nu brood!« roept Vardeur, het met bloed bedekt rapier
boven zijn hoofd zwaaiende; »boet nu den razenden honger! vult nu de
holle maag!«
--»Leve Bernaards! leve Vardeur met zijne kloeke soldeniers!« klinkt
het, en zoo groot is de geestdrift der hongerigen, dat zij de mutsen
en hoeden omhoog werpen, en aan verrukte krankzinnigen gelijk zijn.
--»Ruiterlijk gedeeld!« roept men, »en den mondkost gekookt.«
--»Daar is geen tijd toe; dat duurt te lang,« is het antwoord, »rauw
in de maag.«
--»Schiet dood de paarden, en ieder zijn rantsoen,« roept men.
--»Het is mondkost voor de soldeniers!« laten eenige Walen hooren,
die niet eens aan den uitval hebben deelgenomen, en eenigen hunner
wilden zich reeds met een der paarden verwijderen.
--»Voor burgers en soldeniers!« schreeuwen mannen en vrouwen, »wij
hebben altemaal deel aan den buit.«
--»Gij liegt het, gespuis! gij hebt er uw lijf niet om gewaagd,« voeren
ettelijke soldaten hun tegemoet. Plotseling heerscht er een onstuimig
getier met hevige worsteling vergezeld. De soldaat wil zijne rechten
doen gelden als krijgsman en uitvaller; de burgers verwijten dezen,
dat zij hem reeds maanden aan maanden hebben gevoed, en dat hij hen
thans van honger wil doen vergaan. Schril zijn de kreten uit de holle
borst; het is het klotsen der baren tegen het strand,--de storm,
die uit verschillende holen losbarst. Vergeefs trachtte Vardeur de
plotseling ontvlamde woede te bedaren; vergeefs, dat hij hun met
bittere woorden van verontwaardiging den ondank over den wanhopigen
uitval verwijt. Men scheurt en raast, vecht en worstelt als hongerige
wolven om den buit, en Vardeur vervloekt het oogenblik, dat hij,
over 's volks ellende bewogen, aldus zijn leven en dat zijner makkers
gewaagd heeft.--Maar te midden van dit tooneel verschijnt Ripperda,
en--het is, alsof de storm voor een oogenblik gestild wordt.
--»Wat hebt gij gedaan?« roept hij op ontzagwekkenden toon; »waar
zijn de schuldigen, die mijn bevel hebben weerstreefd?«
Dreigend en toornig rolt zijn oog nu naar den eenen, dan naar den
anderen kant. Met dat oog doorzoekt hij de menigte en vervolgens baant
hij zich plotselijk door een dichten hoop den weg tot aan de plaats,
waar Vardeur zich bevindt.
--»Onzinnige, wie gaf u last tot dat stuk?« roept
Ripperda. »Gehoorzaamheid en plicht hebt gij vertrapt. Leg af uw
rapier; ik beveel het.«
Vardeur had iets dergelijks voorzien, en zijn besluit genomen. Zij
die meenden, dat zijn woeste aard zich in uitdrukkingen van wrevel en
verbittering zou botvieren, zagen zich in hun gevoelen bedrogen,--zij
kenden het menschelijk karakter niet in zijne schakeeringen.--Vardeur
was oogenschijnlijk een rotsige, woeste grond; en echter lag er, schoon
diep bedolven, hier en daar een edele steen in verspreid. Dat was
blijkbaar, toen hij, door den kommer en het knagend leed der burgers
bewogen, het dolle besluit nam om hun spijs te verschaffen. Maar
hij gevoelde, dat hij eene strafbare daad had uitgevoerd, en, als
krijgsman begreep hij, dat hij Ripperda's gezag voor het oog der
menigte moest handhaven.
--»Ziedaar mijn rapier!« was zijn antwoord, dat, zoo het nog bitterheid
ademde, slechts veroorzaakt werd door een smartelijk gevoel; »ik heb
schuld; en of ge 't mij in de borst mocht stooten, er zou geen euvel
aan begaan zijn; ik heb de krijgstucht verschopt.« Dit zeggende bood
hij Ripperda zijn zwaard aan, dat van de punt tot aan het gevest de
bloedige sporen droeg, hoe het op de Spaansche ruiters gewoed had; doch
Ripperda, niet minder verwonderd, dan de hem omringenden, aarzelde
het aan te nemen. Ook zijne gramschap scheen eensklaps gestild,
en hij wilde zijne vorige vraag herhalen, toen hopman Bernaards,
hem insgelijks zijne kling toereikende, op roerenden toon zeide:
»heer Ripperda! ziedaar ook mijn rapier; de schuld, die op hem kleeft,
hecht ook op mij; doch het is God bekend, dat wij niet met opzet onzen
plicht hebben vergeten. Het broodgeschrei van vrouwen en kinderen
spoorde ons aan; en schoon de krijgsraad het doodvonnis uitspreke--het
menschelijk gevoel zal het ons niet aanrekenen tot schuld.«
--»Wat menschelijk gevoel wordt onverpoosder geschokt dan het mijne?«
sprak Ripperda, meer smartelijk dan heftig. »Gij kent de zwaarte
niet van de taak, die op mijne schouders ligt. Ziet nu om u heen;
de honger twist om den buit, dien gij gekocht hebt met gevaar voor
de reeds zoolang verdedigde vest.«
--»Vervloekt is het schuim van volk, voor wien ik het stuk bedreef,«
sprak Vardeur, den donkeren blik wendende naar de plaats, waar eene
menigte volks een der ruiterspaarden gedood had en met wilde gebaren in
het rauwe vleesch de tanden willende slaan, »dat zijn de ellendigen,
die voor den middag, als wormen in 't stof kropen; en nu razen zij
als dollen, die hunne ketens hebben vertrapt.«
--»Zij lijden zwaar,« sprak Bernaards, »en schoon ik aan jammer en
verschrikking gewoon ben, vlijmt het mij bitter door de ziel. In
den naam van God, heer Ripperda! reken het ons niet aan als
wederspannigheid; medelijden alleen deed ons de roekeloosheid begaan.«
--»Ja,« zeide Ripperda, »wie het dapperheid noemt, kent den zin niet
van dit woord. Heb ik niet dag aan dag zoo menigen uitval beraamd? Zoo
er nog profijt was te wachten, ik zelf zou niet aarzelen, het heetst
gevaar in den mond te gaan; want mijn hart breekt bij de ellende;
maar als razenden uit te vallen in strijd met krijgstucht en wettig
gezag.... Bij God en den prins! dat gij nooit in de vest waart
gekomen.«
--»Spreek niet aldus, heer!« hernam Bernaards, innig getroffen, »ik ben
een Geus en heb nooit het gevaar geschroomd. Ik heb berouw, maar dit
zweer ik, ik zal het uitwisschen door dapperheid en moed. Beveel--en
ik alleen ga den dood tegemoet; ik smeek het u af, laat mij vergoeden
wat ik misdaan heb; hopman Bernaards moet den bevelhebber Ripperda
waardig zijn.«
--»En voor mij zal er zaligheid wezen hier noch daar,« sprak Vardeur,
»zoo een stuk vol koenheid het dolle feit niet voor eeuwig vergeten
doet. Beveel--en ik stuif in de tent van don Frederik, stoot hem den
dolk in het lijf en ik leg zijn vervloekten kop u voor de voeten,«
--»Houd op met uwe onzinnige taal,« sprak Ripperda, »uit een hart,
waarin zulke felle driften koken, moeten dampen oprijzen, die 't hoofd
bedwelmen; maar het is gebeurd; de vijand weet nu, dat de razernij
in al de wijken rondgiert; hij weet nu, dat er de honger woedt, en
hij spot reeds met de witte vaan op den toren. Eilaas! dien nood hebt
gij hem kond gedaan, en schimpend roept hij, dat hij door gebrek zal
verwinnen, wat onwinbaar was door kruit en rapier.«
Duidelijk was het op Ripperda's gelaat te lezen, dat zijne ziel door
bitter leedgevoel over den nood der burgers bestreden werd, en het
berouw van Bernaards ontwapende zijne gramschap. Maar van een reeds
door hem gevormd plan wilde nu ook zijne snelle beradenheid van
karakter gebruik maken.
--»Welnu,« zeide hij tot Bernaards, »wisch het dolle stuk dan uit
door waarachtig moedbetoon. Kom binnen een uur bij mij, en gij zult
de taak hooren, die ik u toevertrouw.«
--»Het moge zijn, wat het wil, heer!« sprak Bernaards, »ik ben
terstond bereid.« Met vaste schreden verwijderde zich Ripperda naar
zijne woning; en terwijl Brederode, Van Duivenvoorde, Van der Laan
en anderen het volk allengs tot bedaren brachten, schreef hij een
brief aan den prins.
Met korte doch krachtige woorden schetste hij hem den algemeenen
nood, met de bede om tegen den avond van den volgenden dag eenige
levensmiddelen aan de Ton, in den mond van het Spaarne en de Meer boven
het Huis van Heemstede te zenden, aangezien het water tot aan de lippen
gerezen was. Hij, die zich met de overbrenging van dit geschrift en
vier duiven belastte, was niemand anders dan Nicolaas Bernaards. Met
geestdrift nam de moedige Geus deze taak op leven en dood op zich;
en de uitkomst toonde, dat het vermetele waagstuk hem evenzeer, als
vroeger aan Jeronimo Tseraarts en Houtin, gelukt was. Ook hij ontkwam
door het midden van Bossu's vloot; hij staafde dus zijne woorden, dat
hij den roekeloozen uitval door moed en beleid zou uitwisschen;--en
al ware het slechts door dit enkele feit, zoo heeft Nicolaas Bernaards
zich de herinnering van den nakomeling waardig gemaakt.