ZEVENDE HOOFDSTUK.

Reeds in den vroegen morgen van den zeventienden Juni zag men op de

vijandelijke kat een nieuw gevaarte. In plaats van de vier masten

met touwen, werd er thans een stevige dennestam in den grond geheid:

door middel eener soort van vijzels wond men nu een bak, aan den

vorigen gelijk, omhoog, en men kon duidelijk zien, dat deze door de

vijzels weer naar beneden kon worden gelaten. Aanstonds was de Schot

Cuningham gereed om ook dit gevaarte te vernielen, doch zijne pogingen

slaagden minder gelukkig op den stevigen dennestam.

Op den avond van dien dag volgde een donkere nacht. Onder begunstiging

van de duisternis, en van een korf duiven voorzien, begaven zich Houtin

en Tseraarts te Rustenburg scheep. Het jacht, waarmede zij vertrokken,

was met honderd kloeke roeiers en musketiers bemand. Door een algemeen

alarm van de belegerden om den vijand in den waan te brengen, dat

men een uitval wilde doen, gelukte het aan het jacht om zich door de

vloot van Bossu, ongezien, een weg te banen. Op verwijderden afstand

althans zagen de stedelingen al spoedig eene vlam oprijzen, en dit

was het afgesproken teeken, dat zij behouden in de Meer waren gekomen.

Ook kwam er reeds des anderen daags eene duif binnen de stad, met de

tijding van Houtin, dat de prins zich in Leiden bevond: dat Batenburg

Ouderkerk had moeten verlaten, dat echter de bevelhebber van Gorcum

Adriaan Vijg met vijfhonderd uitgelezene manschappen van Schoonhoven

naar Breukelen was gezonden, om de Vecht, boven den oorsprong van

de beide vaarten, te sluiten; dat hij zich aldaar reeds verschanst

en veertig soldaten op het Huis te Gruntestein gelegd had, waarna

hem vijf vendels Duitschers te scheep, met mondbehoefte en geschut

gevolgd waren; hij eindigde met de verzekering, dat de prins de goede

zaak zooveel zou bevorderen, als in zijn vermogen was.

--»Al die hulp zal in rook vergaan,« zeide Pellikaen in zich zelven:

»hongersnood en moord zal ons lot zijn.«

En erg neep reeds de honger. Het was op dien dag, dat in het huis

van Clement Corneliszen in 't Gulden Vlies, het gebraden vleesch van

een hond als eene lekkernij werd opgedischt; velen vonden reeds hun

voedsel in paardenvleesch, en een moutkoek werd reeds ter waarde van

zestien stuivers verkocht. Echter scheen de moed der burgers aan te

groeien. Rijk en arm maakte dien dag een aanvang met het opwerpen van

een nieuwen wal, strekkende van het St.-Margaretha-klooster tot aan

de Janspoort, en het was, alsof men de akelige zerk zag vervaardigen

voor een reusachtig graf.

Ook op den vier en twintigsten van Zomermaand kwam er andermaal eene

duif binnen: doch de tijding was niet zeer bemoedigend. Niet zoodra

toch was aan den vijand Batenburg's doel ter ooren gekomen, of de

proviandmeester van het Spaansche leger, Jean Baptista Taxis, die

zich toen te Utrecht bevond, begaf zich naar Breukelen op marsch. Met

twee vendels voetvolk, eene bende ruiterij van den burggraaf van

Gent en eenige soldaten van het slot, viel hij onze Duitschers zoo

onstuimig aan, dat zij het huis en de aangevangene schans verlieten,

die oogenblikkelijk door Taxis vernield werden.

Wel ondernamen de ingezetenen van Buren het doorsteken van den Lekdijk,

om daardoor het Sticht onder water te zetten, doch de heer Van Hierges,

stadhouder van Gelderland, was hun in den weg en verzekerde zich van

den dijk. Eéne hoop schoot er nu slechts over--het vervatten namelijk

van den toeleg van Vijg op Nieuwersluis. Doch ofschoon de prins hulp

beloofde, en men vruchteloos den toevoer van levensmiddelen naar

het vijandelijk leger poogde te verhinderen, groeide binnen Haarlem

het gebrek van dag tot dag aan en waren al de ruiterspaarden van

den ritmeester Enkhuizen reeds geslacht. »Brood!« was de smartelijke

bede van het kind tot de moeder; en zij vlijmde de moeder in de ziel;

want zij had geen brood: zij had slechts tranen voor haar kind.

--»Daar hebt gij brood, muiters!« riep de Spanjaard des anderen

daags, en een schot uit den driehoekigen bak trof bijna het hoofd

van Cuningham. Doch juist had deze eene kartouw laten richten, en

reeds met het achtste schot was de stevige stijl ten halve vernield;

het gevaarte daalde naar beneden, en van dat oogenblik af kon men

zich weder veilig op den walgang vertoonen. Geen Spanjaard durfde

meer het hoofd uit de loopgraaf steken; want al miste soms ook een

schutter het doel, wanneer Hasselaar zijn musket richtte, was het

met het leven van den vijand gedaan.

Vergeefs, dat in den laten avond van den volgenden Vrijdag

zeshonderd soldaten, met witte hemden over hunne rustingen, buiten de

Schalkwijkerpoort naar Rustenburg trokken, en dit ook den volgenden

nacht, nadat er weder eene hulpbelofte van den prins was gekomen, met

duizend man herhaalden, ten einde mondbehoeften op te sporen. IJdel

hun besluit, dat zij liever door het staal dan door den honger wilden

omkomen. Wel verschenen de prinselijke schepen op die twee dagen uit

de Kaag in het gezicht der stad, en trachtten daardoor den moed der

stedelingen levendig te houden: doch terwijl deze zich telkens moedig

gereed maakten om de Fuikschans aan te grijpen, lieten de schepen zich

telkens door de vloot van Bossu terugjagen en--er daagde geen ontzet.

Reeds hadden de vreemde troepen eenige burgers van het laatste, dat

zij nog hadden, beroofd, toen er weder eene duif binnenkwam, met de

tijding van spoedige hulp. Doch niemand durfde er meer op rekenen

en--de hulpbenden eischten onstuimig een verdrag met den vijand.

Het was op dien morgen, dat Ripperda zich naar de Kruispoort

begaf. Nauwelijks is hij op de markt, of hij ziet zich door eenige

soldaten, mannen, vrouwen en kinderen omringd, en dof klinken hem

de woorden tegemoet: »Verdrag, heer of brood! want wij moeten van

honger vergaan!«

Tegelijk dringt eene vrouw met loshangende haren en vermagerd gelaat

tot hem door, en op huilend biddenden toon roept zij uit:

--»'k Heb zeven kinders, die als raven om brood krassen. Niet

langer kon ik hun noodgekrijt hooren, en ik wilde mij van 't leven

ontdoen. Men heeft mij met geweld weerstreefd in het booze stuk;

maar ik zal niet aflaten; want hun geschrei valt mij harder dan de

dood. Brood, heer Ripperda, of gij hebt mij vermoord.«

Ripperda had het gebeurde reeds vernomen, en diep bewogen, antwoordt

hij: »Vrouw, mij rest niets meer; maar God spijst de raven, en hij

zal het ook uwe kinderen doen: morgen misschien daagt ontzet.«

--»IJdele hoop,--anders niet!« sprak een mannelijk geraamte, dat

de honger welsprekend maakte. »Ook de toeleg op Nieuwersluis is in

rook vergaan. De Spanjaard Valdez heeft alles in dien hoek bezet;

als voorheen krijgen zij mondkost en wij vergaan van gebrek.«

--»Gij dwaalt, zoo gij meent, dat de vijand overvloed heeft,« antwoordt

Ripperda. »Ik zeg u, dat hij fel geprangd is, en dat de pest onder hem

woedt. Nog kan de toevoer hem afgesneden worden, onze hulp is nabij.«

--»Neen! gij moet spraak met den vijand houden!« roept de een.

--»De Spanjaard is gezind tot goed verdrag,« voegt een ander er bij,

»daar heeft hij al driemaal blijk van gegeven. Beter een eerlijk

akkoord dan de rauwe hongerdood!«

Inderdaad had zich reeds driemaal iemand uit het Spaansche leger

aangemeld om voorslagen te doen. Maar Ripperda had hen afgewezen. Hij

wilde van geen verdrag hooren. De Fries huiverde bij die gedachte;

dan kwam al de valschheid der Spanjaarden hem in de zwartste verwen

voor oogen; dan dacht hij niet meer aan hun moed, maar enkel aan hun

tijgeraard; doch Ripperda was op alles gewapend. »Tijd winnen!« die

leus van den bevelhebber eener belegerde stad, was vooral de zijne;

in die bange oogenblikken besefte niemand zoozeer als hij het gewicht

van list en beleid.

--»Geen verdrag!« zeide hij, op vasten toon, toen het geroep om brood

onstuimiger werd. »Maar spijs zult gij hebben, nog dezen dag. Al de

ruiterspaarden zijn reeds geslacht: ook de mijne op een na; en dat

eene wilt gij niet. Maar ik schaf u spijs binnen een uur: iets rest

er nog. Laat mij gaan; gij hebt het woord van Ripperda.«

Het woord spijs was vermogender dan het woord verdrag. Onder een

hol gejuich begaf zich Ripperda naar het stadhuis, en met den

magistraat gesproken hebbende, werd binnen weinige minuten de

stadhuisklok geklept. Terwijl Ripperda zich naar de wallen begaf,

vloeide voor het raadhuis de menigte te zamen, en Van der Laan trad

te voorschijn. Aanstonds was het gejoel door stilte vervangen; en

weldra sprak de edele burgemeester hen in dier voege aan:

--»De nood klimt hoog, mannen broeders; maar moed, en vertrouwen

op God!--Meer dan eens hebben velen uwer hun leven gewaagd, te

midden van den vijand; dankbaar staan uwe namen aangeschreven; het

vaderland zal u eeren en beloonen. Ook de brave burger Wielmaker,

deed dit herhaalde malen; en de brave man deed nog meer. Eer hij

met brieven naar Zijne Excellentie vertrok, bood hij den magistraat

zijne paarden aan. »Dat zij geslacht worden en uitgedeeld, wanneer

de honger nijpt,« sprak hij: en die dag is gekomen. Dat elk uwer

met dankbaar gemoed zijn deel ontvange; en hoort het woord van den

magistraat: zij, aan wie de uitdeeling is toevertrouwd, zullen met

de strengste rechtvaardigheid handelen! dat hebben zij bezworen en

de Almachtige heeft dien eed gehoord. Zoowel het deel als de spijs

is gering, maar bedenkt, dat heel het vaderland op Haarlem het oog

houdt gericht; na de dagen van bangheid en gebrek zullen dagen van

rust en overvloed aanbreken; elk offer, dat gebracht wordt, zal zwaar

wegen bij den landzaat en nakomeling, en wanneer wij voor Holland

de vrijheid hebben bevochten, zal vreugde, geluk en roem ons aller

deel zijn. Gij spreekt van verdrag met den vijand; maar dat was

de taal van den honger, niet de taal van uw moedig hart; want gij

weet het, verdrag met den vijand is de dood. Moed en volharding dus,

mannen broeders! de taak van den prins is zwaarwichtig en eischt het

hoogste beleid; maar geen middel zal hij onbeproefd laten tot ontzet;

hij zal aantrekken tot onze hulp. En nu, weest den braven Wielmaker

gedachtig; want aan u allen dacht hij. Volharding en moed! vertrouwen

op God! voor het vaderland en de vrijheid!«

Op menig bleek gelaat kwam bij deze toespraak een blos van vreugde

te voorschijn; handen klapten; mutsen zwierden in de hoogte, en

uit één mond ging het geroep op: »leve de magistraat! Leve de brave

Wielmaker! Geen verdrag met den Spanjaard! Overwinning of de dood!«

Nadat vervolgens door den stadsbode aan de menigte was bekend gemaakt,

dat de uitdeeling aan de Hal zou plaats hebben, verliet de een na den

anderen de markt, en binnen weinige oogenblikken hadden de meesten

op de plaats der uitdeeling post gevat.

--»Ja, Jan Willemsz had altijd wat voor een ander over,« sprak de een,

en men bedoelde Wielmaker, die aldus bij zijn voornaam genoemd werd.

--»Dat zou ik meenen,« zeide een ander, »goed van hart en vol

courage--daar haalt er geen bij!«

--»Hij zal er zegen en overvloed voor hebben,« liet een derde hooren;

en hoezeer men in het hart, allen, die als boden of posten, meer dan

eens hun leven op het spel zetteden, hoogen lof toedroeg, was thans Jan

Willemsz Wielmaker de man, die allen overtrof. Geen scherper zwaard

dan de honger; geen krachtiger prikkel tot moedige daden. Maar ook

niets, dat de ziel zoo spoedig tot roekeloosheid en wanhoop of tot

moedelooze plannen doet overslaan.

Aandoenlijk was het te zien, met hoeveel gretigheid ieder het geringe

deel aangreep. De proviandmeester Deyman kende de behoefte van ieder

huisgezin; want de geringe voorraad was nog kort te voren opgenomen;

de portiën voor de walverdedigers en burgers waren bijna tot niets

gekrompen; doch strenge rechtvaardigheid had bij dat alles plaats;--en

nu er eene bijzondere portie paardenvleesch werd rondgedeeld--nu

straalden vreugd en dankbaarheid uit menigen hollen blik.

--»Leve Jan Willemsz! dat God hem zegene!« sprak men.

--»Leve Ripperda en de magistraat!« riepen anderen. »Naar de

Jansvest! steen en aarde voor den nieuwen wal!«

Sommiger honger was zoo groot, dat zij zich den tijd niet gunden om het

in hun huis te koken, maar er rauw de tanden insloegen. En wij--het

nageslacht dier moedige mannen uit den tachtigjarigen oorlog--kunnen

aan onze tafels met de keurigste spijzen het ons niet voorstellen,

dat paardenvleesch met graagte gegeten werd. Velen echter waren

er die, nadat zij gegeten hadden, te meer door den honger werden

gekweld. Anderen spraken met vuur van langgeledene maaltijden, waar

overdadig was opgedischt; iedere plaats, waar men vroeger lekker

ossenvleesch met wijn of bier genuttigd had, werd voor het geheugen

teruggeroepen, doch het genot van toen moest voor den nu gedeeltelijk

bevredigden honger verre wijken.

--»Ja, naar de Jansvest!« riepen de meesten. »De Spanjaard moet zien,

dat het ons nog niet aan kracht ontbreekt. Geen verdrag! geen akkoord.«

Inderdaad werd er dien ganschen dag met ijver gewerkt aan den nieuwen

wal van het St.-Margaretha-klooster tot aan de Janspoort. Honderden

malen kwam de naam van Wielmaker nog over de lippen; maar--het

ontzet van den prins daagde niet. Vergeefs bood men voor een zesponds

roggebrood de in dien tijd zoo hooge som van tien gulden. Dringender

en onstuimiger eischten de hulptroepen een akkoord met den vijand;

doch Ripperda was doof voor elke bede, voor iederen eisch. Toen

wendden zij zich tot den magistraat, en er werd dan ook op den

eersten Juli met den vijand een gesprek aangeknoopt. Doch duidelijk

blijkt het, dat dit alleen gedaan werd om de huurlingen tevreden

te stellen, en dat Ripperda's beleid er alleen op die voorwaarde

aan den magistraat vergunning toe gegeven had. Op dienzelfden dag

werd er door de Schalkwijkerpoort een Waal binnengebracht, die uit

eene der schansen was overgeloopen. Hij verklaarde, negentien jaar

oud te zijn en bevestigde de woorden van Ripperda, dat het gebrek

aan ammunitie en levensmiddelen in het leger van don Frederik even

groot was als dat der belegerden. Intusschen trokken de vijanden daags

daarna met al hun geschut naar de schansen, tegenover den Pijntoren en

Ravestein en beukten die zoo geweldig, dat de beide torens benevens een

gedeelte van het ravelijn omver werden geschoten. Ook gierde het ijzer

dwars door eene menigte huizen; doch ofschoon er twee vlotten in de

gracht werden aangevoerd, waarbij twintig vijanden het leven lieten,

bleef de storm, dien men des nachts doen wilde, achterwege. Dat

deze geen voortgang had, was wellicht mede toe te schrijven aan

het overloopen van een Schot, die den Spanjaard had verhaald, dat

de lijftocht voor de belegerden geen zes dagen meer zou strekken,

en--de vroegere stormen waren zoo bloedig en vernielend geweest,

dat de vijand voorzeker vreezen moest, die te herhalen.

Maar nu brak de ochtend van den derden Juli aan. Schitterend

verguldde de zon den toren van de St.-Bavo's-kerk en voorspelde

een luisterrijk schoonen dag. Maar haar glans en inkarnaat zouden

in scherpe tegenstelling zijn met de bleeke schimmen, die zich naar

de vesten voortsleepten. Voor Haarlem zou het zachte hemelsblauw in

dikke kruitwolken gehuld zijn, en de heete zon zou, ongezien, op de

uitgevaste lichamen branden.

Evenals altijd waren de wachthuizen bij de Kruis- en Janspoort,

alsook iedere post met verdedigers bezet. Maar aandoenlijk was het,

die bleeke en uitgehongerde krijgslieden in de vale schemering van

den ochtend op hunne posten te zien staan,--hen de magere hand aan

hun rapier of halve piek te zien vastklemmen, telkens wanneer zij

een verdacht gerucht hoorden. Als een hunner nu en dan zijne lont

vernieuwde en aanblies, dan werd er een vluchtig roode gloed op zijn

ingevallen aangezicht geworpen, en het was, alsof men dan den geest

van een afgestorvene de walpuinen van Haarlem als een graf zag bewaken,

waarin zijn lichaam reeds aan de vertering ten prooi was.

Even buiten het wachthuis, aan den Pijntoren, gingen Hasselaar en

Pellikaen naast elkander den walgang op en neder; de vaandrig hield de

hand aan den standaard, dien hij zoo dikwijls op den wal had geplant

en die nog nooit doorschoten was geworden.

--»Hebt ge lang geslapen, mijn vriend?« vroeg Hasselaar, »wat mij

belangt, ik heb geen oog gesloten.«

--»Zoowat een uur, naar ik gis;« antwoordde Pellikaen, »een droom

maakte mij wakker: ik zag enkel bloed, en henkers, die mannen en

vrouwen bij de haren grepen en de hoofden afsloegen. Het was gruwzaam,

Hasselaar! en men zegge niet, dat de slaap den honger verdrijft:

het is, alsof de zenuwen mijner maag met spelden worden geprikt.«

--»Zoo is 't ook bij mij,« sprak de vaandrig, »en opeens voel ik dan

soms eene machteloosheid, die ik niet kan tegengaan. Maar het moet,

Pellikaen! het moet.«

--»En toch hadt gij gisteren nog een stukje vleesch,« hernam de

andere. »Hasselaar!« ging hij voort, vleiend de hand op diens schouder

leggende, »gij hebt nog vleesch; deel met mij, Hasselaar! dan deel

ik met u mijn wijn.«

--»Gij weet,« zeide Hasselaar, »dat de lange vreemdeling zijne portie

deelt met den Spanjaard Venavides, omdat hij dien zijn woord gaf, voor

hem te zullen zorgen. Ik zou ook met u deelen; maar 't is God bekend,

dat ik niets meer heb,« voegde hij er bij, met de linkerhand op zijne

borst slaande; »mijne moei heeft gisteren het laatste pond verdeeld

onder die vrouw met zeven kinderen, en gij hadt het moeten zien,

Pellikaen, hoe de onnoozele schapen er gretig de tanden insloegen, en

hoe zij droevig jankten, toen het leste door de holle keel ging. 't

Sneed mij door de ziel; maar God loone er mijne moei voor. Zij en

Guurtje denken meer aan anderen, dan aan zichzelven en mijne moei zou

niet aarzelen, geen enkelen korrel meer te gebruiken, zoo zij er de

zekerheid voor koopen kon, dat Haarlem's moed niet wankelen zou.«

--»Het einde zal droevig wezen en deerlijk,« hernam Pellikaen;

»Matthijszen en Vlasman! gelukkig zijt gij in het donker graf, dat ge

Haarlem's kommer en ondergang niet aanschouwt. De roem der gesneuvelden

zal grooter wezen dan van hen, die nog de hand slaan aan het rapier.«

--»Wat revelt gij als een, wien geen moed meer rest,« zeide

Hasselaar. »Och, of wij allen zijn mochten, als mijnheer Bordet. Hij

is een Franschman met een Nederlandsch hart, onverwrikt als Ripperda,

standvastig als burgemeester Van der Laan en Stuiver. Gisterenavond

nog hoorde ik hem zeggen, dat aan een wakker man zooveel zwaars niet

overkomen kan, dat hem vergunnen zou om aan den moed den scheidbrief

te geven. En ik ben gewis, dat zijn hart evenals zijn mond spreekt;

och! of wij allen courage genoeg mochten hebben, om te sterven met

het rapier in de vuist.«

--»Daartoe zou de wil eensluidend moeten wezen, en ik ducht, dat

het niet zoo zijn zal,« sprak Pellikaen. »Schoon wij thans met den

Spanjaard hebben gesproken om tijd te winnen en het volk in rust te

doen blijven, zoo blijkt het klaar genoeg, naar wat kant de groote

hoop neigt.«

--»Ja, eilaas! het is minder zwaar, gevangenkelders op te beuken en

weerloozen naar de galg te slepen, dan met het zwaard in de hand te

vallen,«--zeide Hasselaar; »dat dacht ik reeds, toen ik de laagheid

beging, Quirijn Dircksz dat bitter verwijt te doen. Maar ik zweer,

Pellikaen! dat ik zal uitwisschen, wat mijne losse jeugd toen misdeed.«

Pellikaen wilde spreken, toen zich in het wachthuis opeens een

verward geschreeuw hooren liet. Aanstonds snelden beiden er heen, en

nu zag men een tooneel, dat levendiger van den honger getuigde dan de

uitvoerigste schildering. Een der Waalsche soldaten had een slapenden

Schot een stuk moutkoek ontnomen. Wakker wordende en met het ontwaken

tevens de prikkeling van den honger gevoelende, tastte hij driftig

naar dit armzalig overschot van den vorigen dag--en hij vond het niet.

Wanneer een gierigaard, bij het ontwaken, zijne ijzeren kist

opengebroken en zijn schat geroofd ziet, kan hij geene wanhopiger

of radeloozer kreten aanheffen. Schoon zonder moed, zou hij zich

ongewapend op de roovers werpen, en zich wonde op wonde laten

toebrengen, om aan de dieven den schat weer te ontrukken. Eveneens was

het met den Schot: doch gelijk de dieven meestal niet te vinden zijn,

zoo ontbrak hij ook hier.

--»Mijn mondkost is mij ontstolen,« riep de Schotsche soldaat, met

angstige en wilde gebaren;--»vervloekt de lage dief, die het heeft....«

Onder dezen uitroep fonkelden zijne blikken nu op den een dan op den

ander, als wilde hij er allen mee doorboren, om den dader te ontdekken.

--»Waarom hebt ge dan geslapen?« riep een zijner makkers hem toe;

en er lag iets kouds in deze vraag; »als ik iemand wist, die brood

had, en ik moest hem vermoorden om het te krijgen, ik deed het,

zoo de heiligen mij niet bewaarden.--Gij zijt een dwaas.«

--»Die van 's avonds nog overhoudt tot den naasten dag, heeft geen

honger,« riep een ander.

--»Gij kalt, zotskap!« riep hem een makker toe, »gij hebt gedroomd;

maar droomen is bedrog,--dat ziet gij.«

--»Ik zweer het--ik zweer het,« riep de Schot, terwijl hij nog eenmaal

wanhopig in zijn zak tastte, »een stuk moutkoek, zoo groot als de helft

van mijne hand. Geef het terug; ik sterf van honger: geef het terug.«

--»Daar hebt gij het,« schreeuwde een Waal op den achtergrond van het

wachthuis staande, en hij slingerde over de hoofden zijner makkers den

Schot een voorwerp toe, dat voor diens voeten nederviel.... IJlings

bukte deze en strekte de hand uit met geene mindere drift, dan

een hazenwindhond, die op een uit de struiken opspringenden haas

aanschiet. Maar men stelle zich de plotselinge gramschap van den

Schot voor, toen deze in plaats van het ontstolene eene rat aangreep,

welke men een paar uren te voren in het wachthuis had doodgeslagen.

--»Hel en dood!« roept hij uit; en evenals een hongerige tijger,

dien men een steen in plaats van een stuk vleesch voorwerpt, springt

hij op den ellendigen krijgsmakker aan die met zijn gemis zulk een

ontmenschten schimp drijft,--»lage dief! gij hebt mij bestolen; terug,

zeg ik, geef mij terug, wat het mijne is.« Tegelijk vat hij den Waal

bij den strot, en deze, op zulk een aanval niet genoeg verdacht,

heeft den noodigen tijd niet om te voorkomen, dat de hand zijne keel

omklemt. Reeds laat hij het dof geluid hooren van iemand, wien de adem

wordt toegewrongen; doch nu schieten Hasselaar en Pellikaen met eenige

soldaten den bedreigde ter hulp, en het gelukt hun, niet zonder moeite,

den Waal aan de gramschap van den Schot te onttrekken. Op datzelfde

oogenblik komt ook hopman Vimi te voorschijn, en nadat deze van het

gebeurde onderricht is, beveelt hij met zijne gewone dreigende stem,

allen verderen twist te staken. Maar op eens slaat nu de woede van

den Schot tot bittere zielssmart over. Weder gaat hij naar de plaats,

waar het ongedierte is neergeslingerd, en het met den voet eenige

schreden verschoppende, om er al zijn afschuw voor aan den dag te

leggen, barst hij bijna huilend los: »Zoo waar als God leeft, zal hij,

die de dief is, hier het eerst de tanden inslaan.«

Eene koortsachtige rilling schijnt bij deze woorden de meeste soldaten

aan te grijpen. Allen wenden de blikken naar het walgelijk voorwerp, en

in die blikken schijnt men te lezen, dat zij liever van honger zouden

vergaan, dan zulk voedsel gebruiken,--en toch heeft de toon van den

Schot iets zoo voorspellends en ernstigs, dat zij nog te meer huiveren

bij het ijselijk denkbeeld, hoe hij waarheid kon hebben gesproken.

Op roerenden en droevigen toon wil nu de Schot nog eene laatste

poging aanwenden om het geroofde stuk moutkoek, dat echter reeds lang

verslonden was, terug te bekomen, toen zich eene losbranding uit het

vijandelijk geschut hooren laat.

--»Op, mannen van Haarlem! in 't geweer!« klinkt het ijlings; en zij,

die zich nog in de wachthuizen bevinden, snellen naar de schier in

puin gevallen vesten.

--»Voor Haarlem, voor de vrijheid! Vivent les Gueux!« weergalmt het

langs al de platgebeukte muren! en de meesten zweren den Spanjaard

den dood, wanneer hij den storm mocht wagen. Zoo ooit, dan was het

thans een treurig, maar verheven schouwspel tevens, zooveel holoogige

en uitgevaste mannen naar de vesten te zien snellen. Hoezeer toch op

menig aangezicht, waarover vroeger alle aandoeningen plachten voorbij

te gaan, als dunne wolkjes over een lentehemel, thans diepe sporen van

leed zichtbaar waren, zoo schitterde toch uit veler hollen blik een

nog vuriger gloed; er waren er zelfs, op wier gelaat te lezen stond,

dat al de kracht van groote zielen tot hooger trap van werkzaamheid

was opgevoerd. Wanneer op dien dag een uitval kans tot redding

had aangeboden, dan waren de meeste gelederen naar buiten gestort,

evenals een stroom, die schuimend uit zijne onderaardsche holen te

voorschijn springt.

--»Vuur!« weergalmt het onverpoosd uit al de schansen der vijanden,

en de gansche omtrek dreunt van den nagebootsten donder. Maar vreest

niet, Spanjaarden! dat de slangstukken der verdedigers andermaal uwe

schansen zullen omwerpen. Het weinige kruit, dat hun nog rest, zal

niet aldus verspild worden. Maar zie door den damp naar Haarlem's

verbrijzelde borstweringen: daar staan Ripperda, Kenau en zooveel

anderen gereed, wanneer gij de bressen wilt indringen, gereed om voor

Haarlem te sterven.

--»Vuur op de muitersstad!« klinkt het van links en rechts; en de grond

schijnt te sidderen als bij eene aardbeving; want nog nooit gaven

op Haarlem de slangstukken zoo onafgebroken vuur. Maar den storm,

Spanjaard! den storm durft gij niet wagen. Gisteren toch zaagt gij

de zwarte vlag op den toren geheschen, tot sein aan de vloot van het

razend gebrek: en al te zeer gevoelt gij, wat gij van zulke helden,

in zulk eenen toestand te vreezen hebt. Gij schijnt het te vermoeden,

dat men slechts van verdrag sprak, om kostbaren tijd te winnen,

om de wanhoop van eenigen in toom te houden. Gij durft die helden,

aan geraamten gelijk, van nabij niet bespringen, want gij weet,

dat die geraamten de zeis van den dood voeren. Daarom zendt gij

slechts van ver uwe verwoesting. Maar dat geeft u geene lauweren;

want lauweren groenen slechts op eene steile, bijna ontoegankelijke

rots, waar het leven als aan een draad over den afgrond hangt.

Ofschoon men ieder oogenblik een storm verwachtte, had die echter

geene plaats; doch toen na den middag de slangstukken zwegen, waren

er duizend en acht schoten gedaan. Verscheidene der naburige huizen

lagen omvergeworpen en van de kruinen der ravelijnen was bijna niets

meer zichtbaar. Waar men het oog wendde, zag men niets dan gruis en

puin, maar te midden daarvan wapperden nog de vaandels van Ripperda

en Kenau Hasselaar, de vaandels waarop de zinspreuk als te lezen

stond: »de dapperheid kan niet verwonnen worden dan door dapperheid«

en uit het holle maar heilige graf van Haarlem steeg nog, onverzwakt,

de kreet op: »Voor het vaderland! Voor de vrijheid!«

Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 3 van 3) · 第 8 / 19 题