Ook Pellikaen had Matthijszen nog een laatste woord gebracht; ook
burgemeester Stuiver en Hasselaar hadden in den geest van Ripperda tot
hem gesproken, een laatst vaarwel van hem gehoord,--en in den laten
avond van dienzelfden dag was hij ingesluimerd in den langen slaap.
Dienzelfden dag had men ook in de tent van don Frederik eenige
Spaansche ridders en aanvoerders, met eene sombere tint op de bruine
aangezichten, woorden van bitter leedgevoel hooren uitspreken. Tegen
den avond toch had Vimi eene mijn doen springen, waarbij verscheidene
vijanden om het leven waren gekomen; en het zelden missend geweer van
Hasselaar had een ander offer geveld:--Bartholomeo Compocassio van
Pisaure was door den vaandrig getroffen. Frederik gevoelde maar al te
zeer den bitteren slag van dit verlies, dewijl Compocassio algemeen
vermaard was als bouwkundige, doorleerd wiskunstenaar en zeer ervaren
in de belegeringstaktiek. Hij moest erkennen, dat de koning den dood
van dien Italiaan bijzonder, maar toch minder zou gevoelen dan hij,
aangezien de belegeringsoperatiën er uiterst door benadeeld konden
worden. Maar sedert een paar dagen was er versterking in het leger
aangekomen en dit vergoedde eenigszins het verlies; want het was
eene versterking van vijf duizend man; het waren twee regimenten
uit Italië, onder bevel van Lopes de Figueroa, het regiment van
St.-Philippus geheeten, het andere onder bevel van Lopes de Acuna,
het regiment van St.-Jacob genoemd. Er waren vier vendels ruiterij bij,
en duizend Bourgondiërs, die in den Hout gelegerd werden, stonden onder
de aanvoering van den baron Chevraux. De Acuna, die het beleid over
den heertocht had gehad, was als wakker krijgsman beroemd; de troepen
hadden op de reis veel ontbering en vermoeienis uitgestaan, vooral door
een aanhoudenden regen van nagenoeg vier weken, gedurende welken tijd
de Acuna zich nooit met zijne vilten hoofd- en scheenplaten had willen
dekken, om aan zijne soldaten door gehardheid het beste voorbeeld te
geven. Duizend musketiers, met Louis Gajetan aan het hoofd, waren dus
vooruitgezonden, ten einde den hertog aangaande de komst der overigen
gerust te stellen, die dan ook eenige dagen daarna plaats had.
De een en twintigste Mei kostte aan negen belegerden en eene heldin van
Kenau, die aarde naar den wal droegen, het leven. Doch men wreekte dit
des avonds door een uitval in den Hout, dewijl men toen twee Spanjaards
doodschoot en er een gevangen in de stad bracht. Met dien gevangene
had echter iets plaats, dat den edelmoedigen, ridderlijken geest van
Ripperda doet uitblinken. Een dag later namelijk, nadat de vijanden
op de runderen der belegerden aangevallen waren, doch met verlies
van twee ruiters hadden moeten terugwijken, had Ripperda vernomen,
dat een vijandelijk hopman aan het gevaar blootstond van opgelicht te
worden, wanneer men buiten de Schalkwijkerpoort uitviel. Aanstonds liet
hij den gevangene bij zich komen, gaf hem twee der onlangs geslagene
halve Haarlemsche daalders,--eene noodmunt van zestien stuivers--en
een tarwebrood; met de boodschap aan den hopman, dat men hem zou
overvallen, eer hij dit brood had genuttigd. Met dat brood en dat
geld werd de gevangene teruggezonden; en dit mocht inderdaad een
zeldzaam geluk heeten, daar wraak en weerwraak bijna de algemeene
leuzen waren. Het eischt geen betoog, dat de hopman nu voor zijne
veiligheid waakte, en den Haarlemmer in zijn hart grootmoedig noemde,
doch men wist nu tevens in het Spaansche leger, dat de Haarlemmers nog
geen broodsgebrek hadden, en dat zij, door het slaan van noodmunten,
te kennen wilden geven, nog geenszins tot de overgave der stad besloten
te zijn.
De vrees van sommigen, dat de belegeraar de stad met vuurkogels
zou beschieten, werd verwezenlijkt. Het was de dag, dat het lijk
van Matthijszen ter aarde werd gebracht. Veel grooter dan bij een
der vroeger gesneuvelden, was de toeloop van de ingezetenen bij deze
treurige plechtigheid. Ieder wist in welke betrekking Matthijszen tot
de familie van den ongelukkigen Van Schagen stond; hoe hij herhaalde
malen bij den storm of den uitval, zich als een held had gekweten, en
hoe hij ook altijd voor de belangen der stad had geijverd. De andere
verdedigers waren spoedig aan hunne wonden gestorven; Matthijszen
was nog lange dagen door de hevigste smarten gefolterd geworden; doch
zelfs te midden van dat lijden, nog stervend, was zijne ziel vervuld
met de gedachte aan Haarlem's heil en vrijheid. Talrijk waren de
vrienden en verdedigers, die zijne lijkbaar volgden, en zelfs in het
oog van menigen hopman zag men een traan glinsteren, bij de gedachte
aan het verlies van den wakkeren man. Maar opeens, terwijl de trein
langzaam en treurig grafwaarts ging, terwijl in iedere straat een
kort of lang gesprek over hem plaats had, en er menige stille bede
voor de rust van den gesneuvelden held over de lippen kwam, opeens
hoorde men een schot, en gierden er een paar gloeiende kogels door de
lucht. Algemeene schrik en verwarring maakten zich van de gemoederen
meester, en dit groeide niet weinig aan, toen zich kort daarop bij
den hoek der Stoofsteeg in de Koningstraat de kreten van: »brand!«
lieten hooren. Het kwam aan de Haarlemmers echter zonderling voor,
dat er niet meer dan acht dier kogels werden geschoten; vandaar,
dat het spoedig gelukte, den brand meester te worden, en vervolgens
nam men de noodige zorg om zich zooveel mogelijk tegen deze nieuwe
verwoesting te wapenen, terwijl de vijand het waarschijnlijk niet
bij deze eerste proef zou laten berusten.
Den Spanjaarden was het sinds lang een doorn in het oog geweest,
dat kapitein Beaufort de schans Rustenburg nog in zijne macht
had. Het was daarom dat zij, veertien dagen na de gevangenneming
van Quirijn Dirksz, des namiddags uit de Fuik er op aantrokken en
een gevecht begonnen. De aanval was onstuimig. Reeds hadden zij de
loopschans ter zijde en aan den overkant in hunne macht, toen Boreel,
Tseraarts en Rosoni met eenige soldaten uit de stad te hulp snelden
en niet minder forsch op hen aanvielen. Oogenblikkelijk sneuvelde
de Spaansche aanvoerder Sanchio de Lodoigna, benevens een paar
officieren en zeven soldaten. Dit was het sein tot de vlucht naar
hunne schansen: daar deze echter in schuiten plaats had, werden er
nog ten minste veertig vijanden zwaar gekwetst. Terwijl dit plaats
greep, naderde de vaandrig Jan Dirkszoon Schatter met eenig buskruit,
om het onder de verdedigers rond te deelen; doch het ongeluk wilde,
dat dit kruit vuur vatte, waardoor Tseraarts, met nog eenige anderen,
deerlijk gebrand en buiten gevecht werden gesteld. Dit ongeluk werd
nochtans verzoet door een buit van ruim tweehonderd gouden kronen,
bestaande in eene gouden keten om den hals van Sanchio de Lodoigna,
waaruit bleek, dat deze Spanjaard ridder was geweest der orde van
Calatrava. Zegepralend trok men binnen Haarlem terug, en van de
Rustenburger Schans bleef voorts het Hollandsche vaandel wapperen,
dat den Spanjaard reeds zoolang een onverdraaglijk gezicht geweest was.
Wel verre nochtans, dat deze vernieuwde nederlaag den vijand
afschrikte, kwamen eenige musketiers en haakschutters daags daarna
van alle kanten aanstormen om de koeien van de stad af en naar hunne
schans te verjagen. Reeds hadden zij er zeven in hunne macht, doch
Hasselaar, Michiel en Vardeur vielen zoo koen op hen aan, dat zij
niet alleen den buit moesten laten varen, maar met een verlies van
zeven dooden terugtrokken, terwijl hen schimpend de kreten naklonken:
»zeven Spanjolen voor zeven koeien! drinkt gij de melk, wij drinken
uw bloed; vivent les Gueux!«
En zoo, na verschillende gevechten en handelingen van minder of
meerder belang, komen wij aan eene grootere gebeurtenis. Meer en
meer poogde de vijand den geringsten toevoer te beletten; de galeien
op de Meer werden meer en meer versterkt; zelfs had men tachtig,
vroeger gevangene geuzen, gedwongen, er als roeiers op te dienen. Het
gebrek aan kruit begon van dag tot dag toe te nemen; bijna was het
laatste verschoten, en--om nieuwen voorraad te krijgen, moest er een
vermetele stap gedaan worden. De daartoe bestemde avond van den vijf
en twintigsten Mei, de avond, die in veler gemoed angst en zorg zou
brengen, was gekomen. Die avond was donker, doch in het sterrenbeeld
van Cassiopeia zag men duidelijker dan ooit het luchtverschijnsel, dat
reeds zooveel maanden als onbeweeglijk aan den hemel had gestaan. Het
was eene nieuwe, tot dien tijd toe, onbekende ster, waarover zelfs
de beroemde sterrenkundige, Gemma, geene verklaring kon geven,
toen Alva hem bij zich ontbood. Zij, die den St.-Bartholomeusmoord
ontsnapt waren, vergeleken het bij de ster van Jezus, en men voerde
Karel IX tegemoet: »Vrees, tweede Herodes! de ramp, die u deze ster
verkondigt!« De Engelschen pasten het luchtverschijnsel toe op den
dood en de vergoding van Maria Stuart. De Nederlanders merkten het
aan voor eene goddelijke waarschuwing tegen Alva, en talloos waren
de bijgeloovige indrukken, welke het algemeen teweegbracht. Ook dezen
avond hielden sommigen het voor een teeken, dat de onderneming slecht
zou afloopen, terwijl anderen juist het tegendeel dachten.
Het kon ongeveer elf ure zijn, toen Ripperda met de manschappen van
het gele vendel, en vele anderen aan de Schalkwijkerpoort geschaard
stond en gereed was, uit te trekken. Tot nog toe was hij niet in
persoon bij eenigen uitval geweest. Wel had hij die telkens beraamd
en belegd; doch de groote zaak, die op hem als gouverneur rustte,
verbood streng zijne tegenwoordigheid bij ieder gevecht buiten de
stad, waartoe het overigens niet aan moedige en ervarene aanvoerders
ontbrak. Thans echter stond Ripperda aan het hoofd; want bij deze
allerbelangrijkste onderneming werd zijne tegenwoordigheid dringend
vereischt. De officieren en soldaten schenen er fier en trotsch op,
dat hij in hun midden stond;--doch aan de hoplieden alleen was het
doel van deze nachtelijke onderneming bekend.
--»Kruit moeten wij hebben, maar wij zullen moorden ook,« sprak
Vardeur, »en daarom gaat Vardeur mee. 't Is een donkere nacht, maar
toch licht genoeg, om de schobbejakken te kelen. Wee den Spanjool,
die in mijne handen valt; van nacht ben ik eens recht belust naar
Spaansch bloed.«
Hij wilde meer zeggen, toen juist aller gelaat zich naar den toren
van de St.-Bavo's-kerk wendde:--want op eens zag men aan den laatsten
omgang eene kleine vuurbaak, of eigenlijk eene fakkel verschijnen,
waardoor de toren voor een gedeelte het schijnbaar voorkomen aannam,
alsof hij in lichte-laaie stond.
--»Daar hebt ge den vuurduivel!« sprak Lancelot van Brederode,
»de scheepssoldeniers hebben niet te schromen, dat zij hem niet in
't vizier zullen krijgen. Men zou hem kunnen aanschouwen van den
Moorddam af.«
--»Leven de geuzen!« riep Vardeur, zich met moeite bedwingende om
zijne forsche stem ver beneden den gewonen toon te houden; »'t is
tijd, om de bulhonden te muilbanden.« En de hand aan het gevest van
zijn rapier slaande, toonde hij de drift, die in hem brandde, om op
de Spanjaarden los te gaan.
--»Stilte!« gebood Ripperda! »Als de fakkel daalt, zal dit het sein
wezen, en--ik ga u voor.«
--»Stilte!« fluisterde men nu van het eene gelid tot het andere,
terwijl de onderscheidene aanvoerders hunne plaatsen aan de flanken
of in het midden der gelederen hernamen.
--»Brave burgers en soldeniers!« sprak nu Ripperda tot die manschappen,
welke het dichtst bij de Schalkwijkerpoort stonden geschaard. »Deze
onderneming is van overgroot gewicht. Na den middag is eene duif
van de vloot in de stad gekomen met de tijding, dat men ons nieuwen
voorraad van kruit schaffen zal. Gij weet, wij zijn van links en rechts
omsingeld; geen klein waagstuk is het, dwars door den Spanjaard heen
te breken; maar de soldeniers van de schepen hebben er den moed toe,
en gij allen moed om hen te ondersteunen. Dat stuk geschiedt dezen
nacht; vandaar het licht aan den toren, en weldra zal de fakkel het
sein wezen tot den uitval op de schansen. Voorzichtigheid en wakkerheid
zij onze leus, en bedenkt--ondersteuning aan de scheepssoldaten moet
de hoofdzaak zijn.«
--»Voor Haarlem! voor Ripperda! de dood aan den Spanjaard!« zou het
geklonken hebben, wanneer het bevel tot stilte niet ware gegeven;
doch thans kwam het half hoorbaar op veler lippen; en het kostte
den krijgslieden moeite, hun vurigen aard te bedwingen. Eene korte
poos nog en--de stilte van den nacht zou vervangen wezen door een
oorverdoovend alarm.
Nog een paar minuten stonden de musketiers en haakschutters in de
donkerheid van den nacht. Zoo zij de brandende lonten hunner geweren
niet bedekt hadden gehouden, zou men in die talrijke menigte, op
eenigen afstand gezien, ontelbare glimwormen gewaand hebben, die in
eene lange maar bepaalde ruimte, gedurende eenige oogenblikken hun
rustpunt hielden. Maar al die gestalten, van welke op eene korte
verwijdering, niets te bespeuren is, staren schier onverpoosd op
het licht aan den toren en--op eens daalt de fakkel als eene dunne
vuurzuil, eenige voeten naar beneden, rijst echter weder ijlings en in
dezelfde gedaante naar omhoog en--de Schalkwijkerpoort wordt ontsloten.
Gedurende eenige minuten trekt de dichte kolom in stilte voort;
maar een weinig later is de stem van Ripperda het sein tot een
algemeen rumoer:
--»Trompetters, blaast! Tamboers, roert de trom!« beveelt hij, en
nauwelijks is dat bevel gegeven, of de luide tonen der trompetten
vereenigen zich met het dof geroffel der trommels en het weergalmend
geschreeuw: »Vivent les Gueux! voor Haarlem, voor Holland!« Te
dier tijd liep de Schalkwijkerweg langs het Spaarne tot aan de Jan
Pittemans-schans. Daar verwijderde zich deze van het Spaarne links af,
en liep alzoo voort tot in de Haarlemmermeer. Met voorbedacht daverend
krijgsgewoel trok men alzoo eene poos buiten de Schalkwijkerpoort
voort; doch eenige schreden voorbij de hoogte gekomen, waar men
tegenwoordig de buitenplaats Meerlust aantreft, laat zich opeens
een krachtig halt uit den mond van Ripperda hooren, en de kolom
houdt stand.
--»Voor Haarlem! voor Holland!« zegt hij nu en--al de hoplieden
verstaan er den zin van. Spoedig wordt vervolgens de geheele schaar in
drie afdeelingen gesplitst. De eerste, door hem zelven aangevoerd,
trekt over het weiland op het fort Stella aan; de tweede, met
Lancelot van Brederode aan het hoofd, snelt in schuinsche richting,
ter rechterzijde, naar de sterkte Corredon, terwijl de laatste,
aangevoerd door Van Duivenvoorde en den Franschen edelman Bordet,
nog eenige schreden ver den weg naar Zuidschalkwijk achtervolgt, om
weldra dwars over den tegenwoordigen Romolenpolder de schans Salvator
aan te vallen.
--»Spanje, Spanje!« galmt het weldra uit de schans Stella, en weinige
seconden zijn verloopen, of men verneemt uit die schans de losbarsting
der slangstukken.
--»Wij zijn gehoord!« zegt Boreel, die zich bij Ripperda bevindt.
--»Door den vijand ja, maar nog niet door het volk van den prins,«
antwoordt Ripperda, »vergeefs is het stuk, zoo zij niet in aantocht
zijn op de stad.«
--»Ik ducht, dat zij de zaak niet zullen beleggen, wegens de
donkerheid,« sprak Pellikaen, altijd hinderpalen vreezende, waar een
ander, minder moedig dan hij, die niet zag.
--»Wie revelt van donkerheid?« sprak Ripperda, onder het voorwaarts
gaan. »Onvergeeflijk voor eeuwig, indien men zoo wichtig een voornemen
niet uitvoert. Voor de donkerheid zal het torenlicht de baak zijn.«
--»Hoort!« riep Boreel, »is dat de geuzenmarsch niet?«
--»Neen! 't Is de marsch van den Spanjaard uit de schans Corredon,«
zeide Pellikaen. Doch toen men oplettender wilde luisteren, lieten
zich uit meer dan eene schans tegelijk weder de slangstukken hooren,
en dit duurde een paar minuten onverpoosd voort.
--»Trompetters, blaast! tamboers, roert de trom!« gebood Ripperda,
en bijna te gelijkertijd weergalmden de schelle en doffe tonen van
het geuzen- en prinsenlied over het Spiering- en Haarlemmermeer,
terwijl de daverende muziek nu en dan overstemd werd door den donder
van het geschut.
--»Aanval, verrassing, overrompeling!« waren de algemeene vermoedens
in de linie der schansen, welke de vijanden van de Fuik af tot aan
het Spaarne tegenover den Haarlemmerhout hadden aangelegd; hen in
dit vermoeden te brengen, was Ripperda's leus, toen hij uittrok,
en vooral hen in dit vermoeden te versterken, terwijl hij in drie
afdeelingen schijnbaar den aanval op de drie voornaamste schansen
wilde doen. Vandaar dat wijd en zijd weerklonken geraas als van een
onweder bij nacht. Dat is misleiding, Spanjaards! Men zal u in die
schansen niet overrompelen; de bemanning der schepen voert buskruit
naar de stad aan; maar de kans, om dat waagstuk te zien gelukken, zou
hopeloos zijn, wanneer het niet door moed en beleid van de Haarlemmers
ondersteund wierd.
Een oogenblik houdt het geraas op, en--naar de zijde van Ripperda
worden nu duidelijk de tonen van den geuzenmarsch overgevoerd.
--»Dat zijn zij, en al dichtbij,« roept Ripperda, »de
stormmarsch! voorwaarts!«
Met versnelden marsch rukt men op de Stella aan, en het komt Ripperda
voor, alsof hij reeds het gewoel van een gevecht hoort, dat door Van
Duivenvoorde aan het fort Salvator gevoerd wordt.
--»Spanje, Spanje!« klonk het intusschen van de linkerzijde en voor
het front; en nu zag men op verschillende afstanden kleine vuurvonken,
die zich met snelheid bewogen en heen en weer schenen te dansen.
--»Dat zijn Spaansche musketiers!« riep Vardeur, die de achterhoede
uitmaakte.--»Spaansch bloed, Spaansche buit, soldeniers!«
--»Het zijn hier geene groene moffen!« liet een der soldaten hooren,
»en wat baat ons de buit, als er geen mondkost meer is....«
--»Zwijg, kerel!« riep Vardeur, »als er geen mondkost meer is, dan
slaan wij de tanden in den Spanjaard. Scherpt ze dus maar en snoert
den mond.«
Nauwelijks had hij dit gezegd, of een musketkogel floot rakelings
voorbij zijn hoofd; en terwijl hij onwillekeurig eene dier bewegingen
maakte, welke in dergelijk geval den mensch ingeboren zijn, ofschoon
zij meest altijd te laat plaats hebben, vloekte hij tevens op den
onzichtbaren vijand, welke hem bijna getroffen had.
--»Vuur!« hoorde men nu duidelijk uit de schans Stella, en de vonken
schenen zich te vermeerderen. Dit was ook werkelijk het geval;
doch die vonken waren niet slechts de brandende lonten van Spaansche
musketiers, maar ook van het scheepsvolk, dat zoowel in een paar booten
als over land reeds gedeeltelijk tot op dat punt was doorgedrongen,
terwijl eenigen, wien dit niet gelukt was, dichter bij de Meer met
de Spanjaarden handgemeen waren.
--»Voor 't vaderland, valt aan!« liet Ripperda hooren. »Met eenige
manschappen links!« beval hij aan Boreel en Pellikaen. »Vuur,
haakschutters! houdt het op de schans aan. Trompetters, blaast!«
Terwijl deze bevelen opgevolgd worden, trekt Ripperda aan het hoofd der
overigen regelrecht op eene breede sloot aan, waar de manschappen van
de vloot reeds in een gevecht zijn gewikkeld en niet voorwaarts durven,
wanende, dat de hen tegemoet trekkende Haarlemmers vijanden zijn.
--»Vivent les Gueux!« is de roep van links en van rechts; want
niet alleen de uitvallers, maar ook de Spanjaarden doen dien kreet
weergalmen, daar zij thans het plan der onderneming doorgrond hebben
en begrijpen, dat zij het volk van den prins in nog grooter verwarring
moeten brengen.
--»Mannen van Haarlem! van Ripperda!« roepen velen uit een mond, ten
einde de schepelingen van hunne tegenwoordigheid te verwittigen, doch
het geschut uit de naastbijgelegen schansen, zoowel als het donderend
geschreeuw der vijanden zelven, belet, dat men de waarschuwingskreten
hoort of genoeg onderscheiden kan, van welken kant zij komen, om met
zekerheid voorwaarts te gaan. Te meer worden zij daarvan teruggehouden,
toen een paar met kruitzakken beladene manschappen op eenige schreden
afstands van den dichteren drom, eensklaps gewond nedervallen en
uitroepen: »Terug! 't zijn Spanjaards, die ons te lijf vallen.«
Schier op hetzelfde tijdstip gieren nu ook de kogels der schepelingen
op het volk van Ripperda aan, en gelukkig, dat de duisternis het juiste
treffen belet, daar anders menige vriend de onschuldige oorzaak van
den dood zijns vriends ware geweest.
Groot is de verwarring, die er binnen weinige oogenblikken van
rondom plaats grijpt. Hier de krachtige bevelen van Ripperda,
die echter vruchteloos zijn, daar de schepelingen ze niet hooren
of er geen vertrouwen instellen. Daar het gevloek van Vardeur, die
zijne woede niet kan koelen. Ginds dat oorverscheurend geschreeuw
van »Espana!« en »Vivent les Gueux!« uit den mond der vijanden, om
de verwarring te vermeerderen. Van de linkerzijde het gedonder der
slangstukken uit de schansen, zonder dat een kogel treft. Van Haarlem
insgelijks schot op schot van de wallen bij de Kruis- en Janspoorten,
om de belegeraars te misleiden. Onder het midden van hen, die het
buskruit naar de stad willen voeren, het onophoudelijk geroep: »Sta
bij, Ripperda! staat bij, mannen van Haarlem!« terwijl nu en dan
een hunner door een kogel getroffen, neervalt, of een dof geplas
in het water doet hooren en er, zonder de hulp van zijne makkers,
weldra een akeligen dood vindt. Vergeefs de vuurbaak aan den toren;
vergeefs het onverpoosd geschreeuw, dat de schepelingen den weg naar de
Schalkwijker- en Leidsche waterpoort zouden voortzetten. Zij meenen,
alom door vijanden omringd te zijn, en--de meesten deinzen weder naar
de schepen terug. Maar het jammerlijkst van alles is, dat zij hier
en daar de kruitzakken in het water werpen, eensdeels, opdat ze den
Spanjaard niet in handen zouden komen, anderdeels, opdat men minder
belemmerd den terugtocht naar de Meer zou kunnen aannemen.
Dat is teleurstellend en noodlottig voor Haarlem. Het gebrek aan
leeftocht is niet zoo verschrikkelijk als het vooruitzicht, dat de
verdedigers weldra de schoten hunner vijanden niet meer zullen kunnen
beantwoorden,--dat zij, tot hun verderf geene mijnen meer zullen
doen springen,--dat de musketiers en haakschutters op de vest den
Spanjaard niet meer door het gekapt lood zullen doen vallen.
Die gedachte vervult geheel en al de ziel van Ripperda. Hij hoort en
ziet aan de golvende beweging der lichtvonken, dat nog verscheidene
mannen van de prinselijke vloot zich den weg naar de stad trachten
te banen, en--zijn besluit is genomen.
--»Nu of nooit!« roept hij uit, »wij moeten hun van nabij doen weten,
dat wij mannen van Haarlem zijn.«
Zonder hun antwoord af te wachten, verdwijnt hij in de duisternis
en werpt zich met zijn rapier tusschen de tanden geklemd, in het
water. Dit water is minder breed dan diep; doch Ripperda schroomt
den dood niet. Zoo hij nog maar een gedeelte van het buskruit binnen
Haarlem kan voeren, dan heeft hij gedaan, wat hij kon, al moest hij
zelf er het leven bij laten.
--»Valt aan!« roept hij reeds te water zijnde, nog Boreel toe; doch
geen tien voeten is hij van den kant verwijderd, of een kogel suist
naar zijn hoofd.
--»Ik ben Ripperda!« roept hij overluid--opdat het volk van de schepen
niet op hem zou vuren, maar terwijl hij het uitroept, voelt hij zich
door een kogel in den rechterschouder getroffen, en zijn hoofd zinkt
onder water. Aanstonds haalt hij het echter weer boven, en zijne
wonde niet achtende, roep hij andermaal nog luider: »Ik ben Ripperda!«
--»Gij zijt een Spaansche hond!« dondert hem eene schorre stem toe,
en terwijl hij aan den overkant op het half verdronken en met slootjes
en kleine grachten doorsneden land den voet zet, verheft zich eene hand
met een verre-jager gewapend, om hem op het hoofd te treffen. Ripperda
weet nochtans, door snel naar de linkerzijde te springen, den slag
te ontduiken, en zijn rapier in de hand nemende en het boven zijn
hoofd zwaaiende, voegt hij de zwarte gestalte krachtig toe: »Ik ben
Ripperda! dat zweer ik bij den prins.«
--»Leven de Geuzen!« is nu het antwoord, »maar wat baat het? De helft
van 't kruit is al naar den duivel. Holla, makkers! niet op den loop.«
--»Waar is uw aanvoerder?« vraagt Ripperda.
--»Dood!« antwoordt men kortaf, terwijl een drietal anderen insgelijks
te voorschijn springen en er een verward geschreeuw van onderscheidene
stemmen gehoord wordt.
--»Geen tijd gespild!« zegt Ripperda; »voort, naar de stad!--Daar is
geen kruit meer.«
--»Voort, voort!« laat het zich nu onder de nog achtergeblevene
schepelingen hooren; »'t zijn de mannen van Haarlem, daar ginds,
't Is de Spanjaard niet.«
--»Voor Haarlem!« weergalmt het. In een oogenblik weten nu allen,
dat hun tocht daar ginds door het volk uit de stad gedekt wordt; en
in plaats van naar de Meer terug te keeren, slepen en sleuren zij de
kruitzakken nu weder voort; uit nog twee schuiten is de vracht niet
in het water geworpen, en deze wordt nu met gezamenlijke kracht over
de slooten en het gebroken land voortgezeuld, terwijl nu en dan eenige
kogels hen over het hoofd snorren.
Intusschen heeft Ripperda, uit wiens wonde het bloed vloeit, weder op
dezelfde wijze den overkant der vaart bereikt, waar Boreel en Vardeur
handgemeen zijn met de Spanjaarden.
--»Staat bij!« roept hij, »kruit was het doel van den tocht! Wat wij
redden kunnen, mag niet verloren gaan.« En terwijl eenigen met het
reeds in handen bekomene naar de stad trekken, is men gezamenlijk
bezig om het overige te ontladen. Dat is eene gevaarlijke taak, en
de kogels snorren links en rechts. Ten laatste echter heeft Ripperda
de zekerheid, dat er niets meer te redden is--dat hij zijn plicht
heeft gedaan.
--»Terug!« roept hij, »trompetters, den aftocht!« IJlings wordt aan
dit bevel gehoorzaamd, en de trompetten blazen het schelle sein voor
Van Duivenvoorde en Brederode, om insgelijks terug te trekken. Vardeur
alleen schijnt te aarzelen, om zonder dat hij eenige Spanjaards om
hals heeft gebracht, het bevel op te volgen; weldra evenwel volgt hij
vloekend de overigen, en--de uitvallers trekken naar de stad terug,
zonder dat zij worden nagezet.
Zoo zou dan de onderneming ten eenenmale vruchteloos geweest zijn,
als Ripperda door zijn krachtdadig besluit de overige, reeds tot de
vlucht gereed zijnde schepelingen, niet teruggehouden had. Ook zou
men niet binnen de stad komen, zonder dat hij nog een blijk gegeven
had van zijn ridderlijk gemoed.
Een geruim eind weegs voortgegaan zijnde, laat zich opeens aan den
anderen kant van het water een klagend geroep om hulp hooren. De nacht
is nog even donker: men ziet dus niets; maar het hulpgeschreeuw groeit
aan, en nu onderscheidt men, dat het in de Spaansche taal wordt gedaan.
--»'t Zijn Spanjaards, die in den modder steken!« roept Vardeur,
»laat de honden smoren.«
--»'t Kan volk van de schepen wezen,« zegt Ripperda, »maar wie ook,
wij moeten hun helpen; het is aan de overzij.« Na de noodige bevelen
gegeven te hebben, om onverwijld met het overige kruit naar de stad
te trekken, zwemt hij andermaal het water over en Vardeur, met sommige
zijner manschappen volgen hem na.
--»Heilige moeder Gods! sta mij bij,« klinkt het dof en in het
Spaansch; en nog een tiental schreden verder gegaan zijnde, wordt
hetzelfde hulpgeroep uit meer dan een mond herhaald. Ripperda met
eenige der soldaten zien, eenigszins links af, eene tamelijk diepe
slijksloot, waaruit vier Spanjaarden--die er tot aan den hals waren
ingezonken bij het achtervolgen van de eerste schepelingen naar de
stad--zich te vergeefs pogen te redden.
--»Wie zijt gij?« schreeuwt hun Vardeur toe, terwijl hij reeds zijn
rapier uitstrekt, om hen van kant te maken.
Geen antwoord; want, gelijk zij later verklaarden, hadden zij
besloten, zich liever in den modder te smoren, dan den Geuzen in
handen te vallen.
Doch eer nog Vardeur zijne vraag geheel geëindigd heeft, beveelt
Ripperda krachtig: »Vriend of vijand, staat hen bij!«
--»Eerder hale mij satan, eer ik een Spanjaard red,« spreekt Vardeur,
en zoo blakend was sommiger haat in die dagen tegen alles, wat onder
Alva stond, dat de soldaten aarzelen, Ripperda te gehoorzamen, voor
wien ieder evenveel eerbied heeft als ontzag.
--»Staat bij,« herhaalt Ripperda, bijna dreigend, »ik beveel het.« En
op deze woorden maken een viertal met halve pieken gewapende soldeniers
zich gereed, hunnen vijanden hulp te bieden; maar tegelijkertijd laat
nu ook eene stem dier vijanden hooren:
--»Vreest niet, makkers! Hier is Ripperda.« In een oogenblik zijn
de Spanjaarden door behulp der pieken uit de sloot getrokken; en
nauwelijks staan zij daar in den donker tot aan den hals met slijk
bedekt, of dezelfde Spanjaard vraagt luid: »Wie uwer is Ripperda?«
--»Hier hebt gij hem,« antwoordt hij zelf.
--»Ik ben die capitan,« herneemt de geredde, »dien gij gewaarschuwd
hebt, te zullen oplichten. Ik heb het niet afgewacht; want ik begreep,
in uwe handen te zullen vallen. Ik heb uwe edelmoedigheid geroemd,
en heb er thans op nieuw het blijk van. Wij hadden gezworen, liever
ons zelven te dooden, dan in 's vijands handen te vallen; maar toen
ik hoorde, dat gij, mijnheer, ons wildet bijstaan, kwamen wij terug
van dat voornemen. Ik stel mij gerust in handen van een zoo ridderlijk
bevelhebber als gij.«--
Na deze woorden maakte Ripperda's volk zich reeds gereed, hen
krijgsgevangen te nemen; toen de Fries op nog korter, maar niet minder
fieren toon antwoordde: »Gij zijt vrij, señor!--en ook uwe makkers
zijn vrij. Keer naar uwe schansen terug.«
--»Hel en dood! dat gedoog ik niet,« sprak Vardeur, bij zichzelven,
en terwijl hij zijn rapier van woede in de vuist klemde, zeide hij,
Ripperda naderende: »Mijn heere! zoudt gij die rakkers en schelmen
vrijlaten? Valt een onzer in hunne klauwen--dien wacht de strop....«
--»Ik ben Ripperda,« viel deze op forschen toon in: »hem, dien ik
bevecht, dood of neem ik gevangen, zoo ik het kan; maar hij, dien
ik red, vriend of vijand, is vrij. Ga Spanjaard, en gij soldeniers,
voorwaarts! naar de stad!«
--»Viva Ripperda!« liet de Spaansche capitan hooren, terwijl hij
zich echter met de zijnen zoo snel mogelijk verwijderde. Zoo spoedig
als het kon, trok ook Ripperda over het gebroken land naar de stad,
zich weinig bekommerende over de verbittering van Vardeur, wiens
ruw en wraakzuchtig gemoed onvatbaar was voor het ridderlijke en
grootmoedige van Ripperda.
Het mocht den capitan en zijne drie soldaten echter niet gelukken,
de hun geschonkene vrijheid te behouden. Onder het naar Haarlem
terugtrekkend krijgsvolk van Lancelot van Brederode vallende, voerden
deze hen gevangen binnen de stad. Van de uitvallers werden slechts vijf
manschappen gemist; doch de schepelingen verklaarden, dat het getal
hunner dooden wel twintig bedroeg, zonder te weten, hoeveel er onder
den terugtocht naar de Meer nog gesneuveld of gevangen genomen waren.
Volgens berekening echter zou het binnengevoerde kruit de
verdediging weer veertien dagen kunnen rekken--doch de hoop, om
een dergelijken invoer te vernieuwen, zou wel voor altijd vervlogen
zijn. Donkerder en donkerder ook werden de wolken, die zich boven
Haarlem hadden samengepakt; en zij, die in het schijnbaar onbeweeglijk
luchtverschijnsel niets dan onheil zagen, kregen er niet weinig
voedsel door voor hun bijgeloof.