VIJFDE HOOFDSTUK.

Met verlies van drie hunner hadden de Spanjaarden daags daarna weder

een vergeefschen uitval op de runderen gedaan; daarentegen had een

landman, wien de vijand eene koe ontnomen had, de stoutheid om geheel

alleen zich in den Hout te wagen en met een fraai Andalusiesch paard

terug te keeren, dat hem ruimschoots zijn verlies vergoedde.

Maar de Woensdag van den zeven en twintigsten van Bloeimaand moest

voor Haarlem een dag zijn, die veel roem bezoedelen--die met eene

zwarte kool zou worden aangeschreven.

Het was een verrukkelijke lentedag. Men verplaatse zich voor een

oogenblik op dien duintop, waar de weg buiten de Zijlpoort, langs de

Brouwersvaart, heenvoert. Men beklimme den Witten blink, die zijn

blank en luisterrijk hoofd reeds van de tijden der Caninefaten zoo

statig verhief en wiens roem evenzeer door den God van Arcadië als

de schoone Najaden bezongen werd.

Misschien, lezer, zaagt ge van die hoogte wel eens op Schoten,

op Bloemendaal; op dien Aardenhout, of dat Zandvoort, dat uit de

golven der trotsche Noordzee schijnt te duiken. Maar gij zaagt dat

panorama nooit op zoo schoon een lentedag als op dien van den zeven

en twintigsten Mei des jaars 1573.

Zie! In den vroegen ochtend werden de wolken met kleuren afgezet en

smolten goud en purper schitterend ineen, terwijl de veldbloempjes

aan den blink haar geurig morgenoffer toewademden. Maar de zon is

reeds hooger aan het azuurgewelf. De dag schijnt nog schooner te

worden. Het is, als wreekt zich de natuur over de verwoesting, welke

de Spanjaard van rondom heeft aangericht; want het smaragdgroen van

het veld en het purper, dat door de twijgen van het geboomte blinkt,

vertoonde zich nooit zoo prachtig als thans; het is, alsof de vogelen

nooit schooner zongen in de schaduwrijke takken, waaruit de donder

van het geschut hen reeds zoo dikwijls verjoeg.

Maar in Haarlem? Het is, alsof dat reusachtig duingevaarte er breede,

donkere slagschaduwen op werpt. Binnen die benarde muren ontdekt

uw oog een contrast met de verwijderde omstreken. Dáár lispelt een

frisch koeltje, hier woedt de orkaan,--dáár ruischt een beekje en

slingert zich door eene vallei van bloemen,--hier schuimt en bruist

een stroom, die den stevigsten dam doet bezwijken; dáár wordt eene

zachte vonk in de ziel gelegd,--hier blaakt een vuurberg, en gloeiende

lava wordt uit de randen en kloven geperst; dáár is het majestueuze

stilte,--hier een huiveringwekkend rumoer.

In Haarlem slinken de korenhoopen tot schier te tellen korrels; weldra

zal er geen kruimel broods meer zijn. De armen! hoe verheugd zijn ze,

als de winter, die hun geen brood gaf, door de lente vervangen wordt;

op die lente volgt de zomer, die de korenaren doet rijpen--die hun

brood schenkt. Maar laat het daarginds lente en zomer zijn--in Haarlem

bloeit geen enkel bloempje; in Haarlem golft de korenaar niet: een

monster, de naderende honger, grijnst hen aan. Zie die woeste Walen! de

plunderzucht vlamt in hun oog; reeds heffen zij oproerige kreten aan;

eene wrijving, eene botsing en--de losbarsting zal vreeselijk zijn.

Nog grooter, nog scherper is de tegenstelling in de gevangenis, waar

sinds bijna drie weken Quirijn Dirksz zich een akelig lot spelt. In

die gevangenis schiet de Meizon geen enkelen straal; geen lommerrijk

geboomte weeft er een groenen hemel boven zijn hoofd; geen tapijt

van bloemen ligt er uitgespreid voor zijne voeten. En voor wien is

de lente weldadiger dan voor den grijsaard; een jeugdige trek komt

op zijn gelaat, als zij spruitjes en bladeren schept; waggelend

strompelt hij naar buiten, om een nieuw leven in te drinken, en hij

keert krachtig terug. Maar Quirijn Dirksz is door winter en nacht

omringd; niets dan zwarte wolken pakken zich dichter en dichter boven

zijn hoofd; hij hoort niets dan het geklots der baren, het loeien

van den Novemberstorm; één schok slechts en--die storm, die golven

doen hem vergaan!

Gescheiden van zijne dochter, doch met meester Lambrecht Jacobs

van Roosveld in denzelfden kelder, hadden beiden van den dag hunner

gevangenneming af zich meer dan eens in bittere klachten over hun

toestand uitgelaten. Maar bij het telkens kariger wordend voedsel,

dat zich natuurlijk ook tot hen uitstrekte, werden die klachten

al bitterder, en wanneer Talesius' ziel niet vol ware geweest van

gloeienden godsdienstzin, dan zouden de sombere kerkermuren meer dan

eens getuige zijn geweest van zijne verwenschingen.

--»Christus, mijn Heiland! moet ik hier gedoemd wezen, tot den

hongerdood?« sprak Talesius, toen het reeds lang middag geweest was

en men hun den ganschen dag nog geen voedsel gebracht had. »Is dat

het loon voor mijn streven naar de reinheid Uwer Kerk? Is dat mijne

vergelding, omdat ik de schoonheid van Uw huis heb bemind en de

woonplaats van Uwe heerlijkheid?«

--»Het wordt mij zeer kwellend, dat onverpoosde reppen over de Kerk,«

sprak Roosveld, »vraag veeleer, of er brood is.«

--»Als de stad geen brood meer heeft,« hernam Talesius, »dan rest er

nog in mijn huis; maar zóó ver reikt de hand der bitterheid, dat men

mijne vrouw niet toelaat, mij te voeden met wat het mijne is. En van

waar anders dat haastig gebrek, dan door het getal soldeniers, die,

in spijt der hardnekkigheid, toch zwichten moeten voor de macht van

hunnen koning en heer?«

--»'t Is niet zwaar te gissen, dat het mijn en dijn weldra

woorden zullen wezen zonder klank, zoo zij het al niet zijn,« sprak

Roosveld. »De gang van uwe vrouw naar dezen kelder zou haar dood wezen,

zoo zij althans mondkost bij zich had. Ik zie niets dan nog donkerder

nacht voor ons te gemoet. Eéne zaak evenwel zou ons mogelijk nog tot

profijt kunnen wezen.«

--»Hoe moet ik dat verstaan?« vroeg Talesius.

--»In dezen zin,« was het antwoord; »afwerping van ons geloof en

overgang tot de leer van den man Luther....«

--»Booswicht!.... dat in eeuwigheid niet!« riep Talesius, en op

's grijsaards gelaat kwam het donker vuur der verachting met een

heiligen gloed van eerbied voor de leer zijner vaderen. »Wee den

afvallige van het waarachtig en eenig geloof,« ging hij voort, »zoo

gewis als Christus leeft, zoo zullen al dezulken vervloekt zijn.«

--»Zoo dacht ook ik er over,« zeide Roosveld, »in de dagen, toen wij

Adriaansz, den factoor van Trouw moet Blijken, en andere ketters met

pijnbank en strop konden straffen; ja, nog lange daarna liet ik mij

bedotten door zulke gedachten. Maar ik heb ze wederroepen, omdat ze

gelijk zijn aan een dorren rotsgrond; gij ziet nu in, wat leed zij

ons hebben gebracht.«

--»Vloek en schande over hem, die aldus spreekt,« zeide Talesius.

--»Dien vloek en die schande zal ik wel torsen,« hernam Roosveld,

»en ik zeg het luide: zoo men mij de vrijheid, op zulke conditiën

geven wil, dan zweer ik de kerkleer van Rome, hoe onfeilbaar gij haar

moogt noemen, gansch af.«

--»Christus, mijn Heiland!« riep Talesius, terwijl eene koortsachtige

huivering door zijne ziel ging, »tref mij niet in deze ure met den

toorn, dien Gij op hem werpen zult. Gij, wiens tempel ik steeds

getracht heb zuiver te bewaren. Gij weet het, dat de felste pijn

mij niet een woord zou doen herroepen van de zalige leer, die nooit

vergaan zal,--dat ze mij geen steen zal doen afbreken van de Kerk, die

sedert eeuwen vaststaat en waartegen geen geweld iets vermogen zal.«

In de hem omringende duisternis hief hij eerst de handen biddend naar

boven, bracht vervolgens het zilveren kruisje, dat op zijne borst hing,

aan de lippen, en zeide toen op half hoorbaren toon: »Jezus, mijn

Heer! is dit heilig kruis niet het teeken Uwer Goddelijke berusting,

van Uw bitteren doodstrijd en het wichtig offer, dat gij ons gebracht

hebt? Geprezen zij Uw naam in alle eeuwigheid!«

Ja, dat heilig kruis is een zoo heerlijk, een zoo treffend zinnebeeld

van lijden en zelfopoffering; het oefent zulk een heiligen invloed

uit op den weedom der ziel en het waarschuwt zoo krachtig, zoo luide

tegen de nietigheid onzer verlangens; maar het hart, waarop het al dien

invloed doet gelden, moet godvruchtig, moet rein zijn als de dauw des

hemels; het moet vol zijn van die godsvrucht, die even verdraagzaam

is als de waarachtige wijsbegeerte; het moet vreemd zijn van het

bijgeloof, dat slechts onverdraagzaamheid en dweepziekte teelt. En in

de borst van Talesius blaakte steeds het vuur der onverdraagzaamheid

met vernielenden gloed. Evenals door opborreling, door koking, het

overvloeien der lava ontstaat, zoo werd zijn gloeiende ijver eene

dweepende geestdrift, die als een ongebreideld paard voortrende,

om ten laatste het bedrogen slachtoffer van zichzelven te worden.

--»Het moeit mij, dat ge van 's Heeren kruis geen grooter geduld

leert,« zeide Roosveld bitter. »Belijd het even ruiterlijk als ik;

gij hebt er berouw van in uw gewisse, dat gij deze stad door kwade

praktijk onder 's konings macht hebt willen brengen. Nu wordt het

u bang in 't gemoed, en gij weet niet, waar gij ruste zult zoeken,

omdat de rust niet te vinden is. Hoort ge dien storm niet, meester

Dircksz? Hoort ge die donderslagen niet?«

--»Laat af met die onzinnige godslasterlijke taal,« zeide

Talesius. »Bijster slecht kent gij mijn gemoed, zoo gij er

berouw in waant over eene zaak, die mij enkel grieft omdat zij

niet gelukt is. Kon ik de stad, waarvoor ik gedurig wakende was,

nog in deze ure onder 's konings macht brengen, ik zou het werk

volvoeren. Berouw!.... ja, het rouwt mij fel, dat ik Haarlem niet uit

de hand van den ketter gescheurd heb, toen mij nog de volle macht

was. Het rouwt mij, dat Haarlem zijn waarachtig geloof en wettigen

heer is afgevallen, dat het in de geschiedrol van den godsdienst voor

eeuwig zal geschandvlekt staan.«

--»Gij zijt in droevige dwaling; gij misleidt u zelven,« sprak

Roosveld. »Helaas! dat ik naar uwe vervloekte woorden ooit het oor

heb geneigd. Ik ontwaak uit mijn slaap; ik ben wakker geworden om

mijne schuld te erkennen; ik ben een verrader; maar tienvoud grooter

verrader zijt gij. Uwe slechte praktijken en kwade zonden hebben mij in

't verderf gesleurd.«

En in dien donkeren kerker trokken zich de handen van Roosveld

krampachtig samen, evenals wilde hij zich wreken op de grijze kruin,

die onder zijn bereik stond; maar die vuisten raakten zijn eigen

hoofd aan, uit berouw over de dwaasheid, dat hij nog olie had laten

uitstorten in de vlam van zijn eigen gemoed.

Onder die taal van schuldbesef, verbittering en onverzettelijkheid

begon de dag ten avond te neigen. Buiten Haarlem's wallen was die

dag verrukkend schoon geweest, maar nog heerlijker die avond. De zon

zou weldra haar afscheid nemen en het scheen, alsof door de achtbare

stilte van rondom de aarde een dankoffer bracht aan het licht, dat

haar den ganschen dag zoo weldadig beschenen had. Maar buiten die

vest het leven in al zijne zachtheid! binnen Haarlem de dood in al

zijne wreedheid. De tegenstelling was groot.

Verscheidene schepelingen, soldaten en burgers waren in den laatsten

nacht en vroeger gevangengenomen. Ook was een doopsgezinde van

Amsterdam, Jan Smit geheeten, den Spanjaard in handen gevallen; maar

daar hij hardnekkig weigerde, tegen de Haarlemmers als roeier te

dienen, was hij naar het Huis Ter Kleef gezonden. De avond begon te

naderen; de slangstukken, die zich twintigmaal hadden laten hooren,

zwegen. Maar op eens vertoont zich daar voor het oog der belegerden een

ontzettend schouwspel. Eenige schreden achter de eerste vijandelijke

batterij, buiten de Kruispoort, ziet men eene vervaarlijke galg: eene

korte poos later hangen er verscheidene der ongelukkige gevangenen aan,

sommigen bij het hoofd, anderen aan de voeten, terwijl het gegil der

overigen, die geboeid op den achtergrond staan, duidelijk te kennen

geeft, dat hun binnen weinige seconden een zelfde lot wacht. Een

oogenblik, maar ook slechts een oogenblik staren zij, die zich op den

wal en de halvemaan bevinden, deze strafoefening aan, en plotselijk,

als moest aller afschuw zich te gelijker tijd lucht geven, laten zich

uit één mond de kreten hooren: »wraak wraak!«

--»De dood aan de verraders,« schreeuwt en tiert men, snelt naar de

gevangenis, opent met geweld den hoofdingang, en dondert vervolgens

op de deuren der kelders en kamers. Op den tweeden der maand was er

door de Zijlpoort een vijftienjarige knaap met acht pond buskruit

binnengekomen, voorgevende, door de Leidsche regeering gezonden te

zijn. Eenige dagen later bekende hij evenwel, dat verraad zijn doel was

geweest, zoodat hij tot geeseling en brandmerk werd veroordeeld. Thans

echter zou zijn lot erger zijn. Ook bevond zich in 't gevangenhuis nog

een monnik, de vrouw van een Waalschen soldaat, benevens vijf soldaten

die men in den Hout of in den voorlaatsten nacht gevangen had genomen;

behalve deze, Talesius met zijne dochter Marritje, Roosveld en Van

Groeneven, welke laatste tot geeseling en verbanning veroordeeld

was. In een vrij goed vertrek, waar vroeger eenige oude wapenrustingen

hadden gelegen, bevond zich ook nog Venavides, voortdurend onzeker

van zijn lot, daar Frederik geweigerd had, hem tegen Magdalena van

Duivenvoorde in te wisselen.

Aan al die gevangenen werd nu de dood gezworen, om den Spanjaard

geene wreedheid schuldig te blijven.

Welk een toestand voor Talesius en Roosveld, op de deur van wier

gevangenis het meeste geweld werd gedaan. Reeds van ver hadden

zij den storm hooren naderen, en nu vernamen zij dat ijzingwekkend

geschreeuw van: »dood! wraak!« op weinige schreden, in de gang van

het gevangenhuis, van nabij.

--»Dat geldt mij!« sprak Roosveld, »'t volk schreeuwt om brood,

en in ons vleesch zullen zij de tanden slaan.«

--»Christus, mijn Heiland! sta mij bij!« bad Talesius, luid en

wanhopig, »gij hebt Petrus uit de gevangenis geleid; red ook mij,

die voor de zuiverheid waakte van uwe Kerk.«

--»Vloek over uwen kop, dat ik uwe snoodheid deelachtig ben geweest,«

sprak Roosveld; en in een oogenblik van verbittering hem met de

hand bij de borst grijpende, riep hij op schrillen toon: »booze

verrader! gij zult het volk toeschreeuwen, dat gij verleid en in dit

leed hebt gebracht!«

--»Heilige moeder Gods, behoed mij!« riep Talesius, terwijl een

dreunende slag de deur deed kraken, en de planken ten halve uit de

naven wrong.

--»Hier zit de moorder van Adriaansz!« klonk het, »'t is nu ook een

tijd van justitie!«

--»De strop voor de verraders!« schreeuwden anderen, en een nieuwe

slag op de deur deed eene der planken wijken, waardoor men nu de

woestelingen zien kon. Maar van hen zag Talesius niets. Ginds uit

den linkerhoek verscheen voor hem een vreeswekkende wraakengel; deze

hield eene met bloed bevlekte rol in de hand, en met bloedige, vurige

letters las Talesius op die rol de namen van zoovelen, die hij, door

zijn onverdraagzamen godsdienstijver, door zijn hardnekkig karakter

in leed had gestort. Maar in donkerrooden gloed las hij den naam van

Hendrik Adriaansz, en aan het benedengedeelte der rol vonkelde het

woord: »verrader van Haarlem.«

--»Christus! ga niet met mij in 't gericht!« sprak Talesius, terwijl

de ingang tot zijne gevangenis wordt verbrijzeld en het volk naar

binnen dringt.

--»Naar den wal met de verraders!« klinkt het; te gelijker tijd

grijpen eenige ruwe gespierde vuisten Talesius en Roosveld aan, en

alle wederstand zou vruchteloos geweest zijn. Maar Roosveld opent

den mond en wil eene laatste poging aanwenden, om zijn leven te redden.

--»Gij vordert mijn dood,« zegt hij, »en ik heb hem verdiend, maar

van alle kwaads, dat ik deed, is Quirijn Dircksz de schuld; hij heeft

mij bedrogen; ik zweer een geloof af, dat hij tot een geloof van den

booze maakte. Mannen van Haarlem! voert mij niet in den dood!«

--»'t Euvel, dat gij gebrouwd hebt, komt op uw kop,« schreeuwt men

hem echter toe, »loos profijt zou 't ons wezen, als ge de kap om den

tuin hingt. Ge zijt een verrader als hij.«

--»Zoo waar als God leeft, ben ik vrij van verraad; Quirijn Dircksz

draagt al de schuld.«

--»Als ik verraad dreef, dan heeft hij er deel aan,« zegt deze,

»maar ik streefde naar niets dan naar de vrijheid en den welstand

der stad. Mannen van Haarlem! 't zal u bang wezen in den oordeelsdag,

als gij de hand aan mijn grijs hoofd slaat.«

--»Dat niet; maar wij zullen de hand aan uw nek slaan,« sprak de

brouwersknecht Heinsz, met een woesten oogopslag, »voort, naar den wal;

de strik is gereed.«

Onder het onophoudelijk getier van menschen, in wier borst de Spaansche

wreedheid op eens een helsch vuur heeft ontstoken, drijft men de

twee rampzaligen voort. Doch nauwelijks is men, de Zijlstraat uit,

op de markt gekomen, waar reeds Van Groeneven en de andere gevangenen

gebracht zijn, of daar grijpt een tooneel plaats, zoo roerend en vol

schrik, dat geen schilder het in één tafereel zou kunnen schetsen,

zonder een deel van den groep te doen verloren gaan. Nauwelijks

heeft Talesiu's vrouw het opzet der burgers vernomen, of als eene

krankzinnige ijlt zij naar de markt, waar de bagijn Ursula, hare

dochter, reeds voor de menigte op de knieën is gevallen en om genade

bidt. Onder smartgejammer dringt zij door den hoop heen en omvat hare

dochter; maar op datzelfde oogenblik verschijnen Talesius en Roosveld,

en krampachtig klemmen moeder en dochter zich aan den sidderenden

grijsaard vast.

--»Doodt mij, maar niet hem,« riep zij wanhopig, »Moorders! laat af;

beef voor de wrake Gods! Quirinus, klem u aan mij--ik laat u niet

van mij losscheuren. Weg!--eerloos is het, te moorden tegen hem,

op wien men overmacht heeft. Groote God! sta mij bij.«

Maar hare radelooze woorden worden overschreeuwd.

--»Laat af!« klinkt het echter op eens met nadruk. »Laat af, mannen

van Haarlem!« Te gelijker tijd verschijnt burgemeester Van der Laan

onder den onstuimigen hoop, terwijl Van Vliet, schout Van Dordt en

anderen van de magistraat zich bij en nevens hem bevinden. Eene wijl

staren de meest verbitterden den man aan, dien zij zooveel liefde en

eerbied toedragen; een oogenblik verstomt het getier op hunne lippen,

en van dat oogenblik maakt Van der Laan gebruik.

--»Dappere verdedigers!« spreekt hij, »maakt u niet schuldig aan

moord, of, zoo waar als God leeft, voor altijd verliest gij uw

roem. Dat zou een te gruwelijk en onvergeeflijk stuk wezen. Bedenkt

het! bloedstorting buiten gerecht of oorlog zal zwaar te verantwoorden

zijn.«

Eene lange rede ware even dwaas als vruchteloos geweest; want reeds

waren er ettelijken onder den hoop, die bij zijne laatste woorden

uitroepen: »Hun bloed kome op onzen kop! wij zullen 't boeten--niet

gij.«

--»In eeuwigheid zal het niet te verantwoorden wezen, noch door u,

noch door mij,« herneemt Van der Laan. »Wee, die de hand uitstrekt

tot moord!«

Nauwelijks heeft Van der Laan dit gezegd, of eenigen willen aflaten;

doch tegelijk springt iemand met een rapier in de eene en een musket

in de andere hand, op hem aan: in zijne oogen brandt een donker

vuur; de aderen van aangezicht en voorhoofd zijn als blauwe koorden

opgezwollen en iedere gelaatstrek drukt verbittering en wraakzucht

in den hoogsten graad uit. Zoo iemand, dan staafde hij het gezegde,

dat een achtbaar gelaat des booswichts wrevel opwekt.

--»Wat kalt gij van moord?« schreeuwde hij. »'k Zal verdoemd wezen,

als aan die schavuiten geen recht wordt gedaan. Naar de vest en zie

de wreedheid van den Spanjaard. Tsa, mannen, wie gereed is, toeve

niet! oog om oog, tand om tand.«

--»Heere Christus! genade,« roept Talesius' vrouw, »heilige moeder

Gods, ontferm u zijner. Moorders! laffe moorders! wat heeft hij

gedaan? Zoo gij uw honger wilt boeten, slaat dan de tanden in mijn

vleesch. Zijn dood zal eeuwig branden op uwe ziel.«

--»Mijn vader!« roept Ursula, »om den wil der heilige maagd, wees

moedig en sterk in het eenig geloof aan onzen Heere Jezus! Streef

naar den dood, zoo als gij geleefd hebt--hou en trouw aan de leer,

die tot zaligheid voert.«

--»Snoer den mond, kloosterheks,« schreeuwen een paar der hevigst

verbitterden de vrome non toe, wier boezem onder den weerstand tegen

de woestelingen reeds ten halve ontbloot is en de zichtbare sporen

draagt van den kamp, om zich vast te klemmen aan haren vader.

--»De dood aan 't verradersgebroed!« klinkt het op den hoek van de

Smedestraat, die men inslaat, om door de Kruisstraat de Kruispoort

te bereiken.

--»De strop aan de moorders van mijn vader!« roept een der zonen van

Hendrik Adriaansz, den factoor der Rederijkkamer, vroeger op eene

zoo onvergeeflijke wijze door Talesius, Roosveld en Van Groeneven

ter dood gebracht. Nauwelijks hebben de mannen en vrouwen, die als

eene aanstortende zee volgen, de akelig bleeke gestalte van dien zoon

aanschouwd, of van links en rechts en uit het midden des volks groeit

het geschreeuw aan, evenals de zee nog in woede toeneemt, wanneer de

storm uit eene andere streek op haar aangiert,--en luid klinkt het

nu van alle kanten: »de dood aan de moorders van Adriaansz.«

Geene genade, Talesius! de koord wacht u! De glans der zon, die

zoo heerlijk de schepping heeft beschenen, verguldt reeds den toren

van St.-Bavo'skerk. Maar uwe naar den hemel gerichte blikken zien

in de met goud omboorde wolkjes niets dan opeengehoopte dampen,

als de rampspoeden van eene ten onder gebrachte stad. In dat zacht

geruisch van den avondwind hoort gij niets dan het schor gehuil van

den storm. Dit oogenblik is verschrikkelijk! Van alle kanten niets

dan bittere verwijtingen wegens vroegere handelingen van geloofshaat,

wegens dwang gevolgd door pogingen tot verraad in verband met den

Spanjaard. Geen zweem meer van de vroegere eerbiedige vrees, die

hij als rechter in de schepenbank inboezemde, of wanneer hij als

burgemeester met achtbaarheid en nadruk zijne bevelen gaf. Geen

mededoogen met eene vrouw, die aan hem vastgeklemd, de lucht met

hare wanhoopsklachten vervult:--niets dan hoon en ruwe bespotting

tegen de maagdelijke Ursula, die hem door tranen en gebeden smeekt,

de martelkroon te dragen voor Rome's geloof, en die zich aan zijn

hals laat voortsleuren. En wie nadert daar, om in Talesius' vollen

beker nog een droppel alsem te storten? Het is Hasselaar; ook in zijn

oog ziet men bitterheid. De vaandrig dringt zich door de menigte,

nadert hem en ziet hem wrevelmoedig aan.

--»Meester Quirijn Dircksz!« roept hij hem toe, en Talesius wendt

het verwrongen aangezicht naar den jongeling, »meester Dircksz! nu

is 't een andere tijd dan toen ge mijn vader te dooden zocht door

naschrijving aan den schout van Kampen. Heugt u die booze rank nog,

waarvan gij geene vrucht hebt geoogst? 't Is nu óók een tijd van

justitie.«

Dat was geene logen. Talesius had Dirk Hasselaar, den vader, wegens

diens godsdienstige begrippen van het leven willen berooven: doch de

schout van Kampen was edelmoedig genoeg, hem te waarschuwen, en Dirk

Hasselaar sneuvelde vervolgens onder graaf Lodewijk in den slag van

Jemmingen, waar hij door een Spaansch ruiter doorstoken werd. Maar de

edelmoedigheid van den schout van Kampen wischte de daad van Talesius

niet uit. De herinnering welde op in het gemoed van den zoon en--het

bittere verwijt was geuit. Doch wij vergeven het den jongen held,

omdat hij er te gelijker tijd berouw over gevoelde en omdat in lateren

leeftijd de gulhartige bekentenis van dat berouw meer dan eens over

zijne lippen kwam.

--»Hasselaar! dat was laag,« zegt hij in zich zelven, »Quirijn Dircksz

moet gered worden. Naar Ripperda. Naar den wal Hasselaar! Dáár is

uwe plaats.«

IJlings verlaat hij den dollen hoop; een edeler vuur dan ooit brandt

in zijn oogen en, als voortgezweept, snelt hij met het musket naar

den wal.

--»Kenau Simonsz!« roept hij zijne moei toe, terwijl hij naar zijn

adem hijgt. »Waar is Ripperda? de woestaards gaan voort! Zij hebben

den oudburgemeester en al de gevangenen uit de kelders gehaald;

de strop wacht hun. Er is geen band of orde meer.«

--»Hoe!« roept Kenau, »is Ripperda er dan niet? En gaat niemand hen

te keer?«

--»Zij dreigen zelfs burgemeester Van der Laan en Stuiver met den dood;

de storm zal niet te stillen zijn.«

--»Ripperda is gewond!« roept Maria van der Laan, die op dit oogenblik

insgelijks naar Kenau toesnelt, »het volk neigt naar niemand het oor.«

--»Ripperda gewond? Dan gaat Kenau Simonsz hen te keer,« roept zij

met vuur, »misschien heeft het schuim van volk nog ontzag voor eene

vrouw. Brechta Proosten! neem mijne plaats in op de vest.« En met

haar rapier in de hand, wil zij den wal verlaten, terwijl het vuur

van moed, dat in hare oogen schittert, nog verlevendigd wordt door

de vlam der verontwaardiging.

--»Om Godswil, waag u niet!« roepen Henrica van Vliet en Geertruida

van Brederode als uit een mond. »De vrouw van Quirijn Dircksz en Ursula

worden bij de haren rondgesleept; 't volk is verblind door de wraak!«

--»Als het schip ten gronde dreigt te gaan, moet het roer te vaster

worden omklemd,« roept Kenau. »Naar mij zullen de woestelingen

hooren. Al moest ik sterven--ik ga hen te keer.«

Niets is in staat, de fiere aanvoerster terug te houden, nu zij weet,

dat Ripperda gewond is en dat het gemeen ongebreideld voortholt. Maar

te midden van het getier, dat van de Smedestraat wordt overgevoerd,

naderen eenige mannen van het gele vendel de vest, en deelen in haast

mede, dat Ripperda midden onder den dollen hoop is, en dat het hem

gelukken zal, hen tot bedaren te brengen.

--»Goddank!« roept nu Hasselaar tot zijne moei. »Blijf dus op den

wal! Wel heeft Brederode het bevel, maar Ripperda verlaat zich ook

op u.«

--»Op dan, vrouwen van Haarlem!« roept Kenau, »waken ook wij voor

de vest!«

Nauwelijks had Hasselaar de woedende menigte verlaten of de

verbittering schijnt zich nog meer lucht te geven.

--»Waar is de Spanjaard?« klonk het, »al heeft hij riddertuig om den

hals, hij moet aan den strop.«

Opeens ontstaat er grootere beweging onder den hoop, evenals weinige

droppels water het vloeiende, opborrelende metaal met geweld uit den

smeltketel doen springen. De menigte bevindt zich op dat oogenblik

vlak voor het huis van den hopman der galei--van Gerrit de Jong,

in de Smeestraat.

--»Daar is de Spanjool!« laat zich uit sommiger mond hooren.

--»Naar de vest met den don!« is de weerklank op dit geroep. Doch

men heeft zich bedrogen.

--»Ripperda!« fluistert de een. »Ripperda!« roept een ander, en

binnen een paar seconden hoort men de stem van Haarlem's bevelhebber

zelven. »Ja, daar is Ripperda!«

Velen had het reeds bevreemd, dat hij niet eerder was gekomen. Doch al

spoedig sloeg die bevreemding tot de hoogste bewondering over, toen

men hoorde, dat hij gewond was. Teruggekeerd van den noodlottigen

uitval in den voorlaatsten nacht, gevoelde hij des morgens hevige

pijn in den rechterschouder. Eerst toen liet hij zich aan de bekomene

kwetsuur gelegen liggen, bij de gedachte, dat de kogel in het vleesch

was blijven zitten. Zonder er een woord over te spreken, had hij zich,

na op Brederode het bevel te hebben overgedragen, persoonlijk naar

meester Florisz begeven en dezen ernstig doen beloven er aan niemand

van te zullen reppen. Het niet rond, maar scherphoekig lood werd uit

de wonde gehaald; en in weerwil der hevige pijn, in weerwil zelfs van

een aanval van koorts, bezocht Ripperda de wallen en onderhield zich

als altijd met de verdedigers. Maar op het oogenblik, toen de burgers

in de kelders waren gedrongen, toen Boreel, hopman Gerrit van der Laan

en Cornelis Mattheusz Schatter naar zijn huis snelden,.... toen werd

aan Ripperda, onder eene hevige koorts, het verband gelegd. Toen kon

het gebeurde niet meer geheim blijven. Nauwelijks hoort hij, wat er

plaats grijpt, of snel rukt hij zich uit de hand van meester Florisz

los, doet zijne wapenrusting aan en ijlt met drift uit zijn huis.

--»Ja, daar is Ripperda!« roept hij, en dringt met al zijne geestkracht

in het midden van den dichten hoop.

--»Houdt op, mannen van Haarlem; staat Ripperda te woord,« zegt hij,

»eischt gij recht? Wilt gij wraak? Wendt u dan tot mij.«

--»Wraak--niets dan wraak; dat is recht,« roepen er een paar tegelijk,

»en wreken zullen wij ons door den strop.«

--»Maar wat wilt gij met die gevangenen?« vraagt hij ernstig doch

bedaard.

--»Dat zijn de schelmen, door wie wij onze wraak op den Spaanschen

beul zullen koelen.«

--»Dat zult gij niet, zoolang mijn gezag geldt,« zegt Ripperda met

nadruk, »of zoo een booswicht met eene toorts uw huis in vlam zette,

zoudt gij u dan wreken op de toorts? Wie mannen van eer zijn, staan

Ripperda te woord.«

--»Dat ben ik--dat zijn wij!« laten verscheidene stemmen tegelijk

hooren.

--»En wie van u beloofde mij gehoorzaamheid, toen ik in den Doele tot

de burgers van Haarlem sprak?« laat hij er ijlings op volgen. Doch

slechts twee stemmen gaven het antwoord: »Wij!«

--»En die belofte zoudt ge nu met den voet trappen, door laag geweld?«

spreekt hij; »voor altijd uw roem en eer verliezen, die door heel

Holland weerklinkt? Bedenkt, dat met de eer alles verloren is. Kent

uw plicht, mannen van Haarlem! Gehoorzaamheid aan Ripperda, die borg

voor u staat bij den prins!«

--»Voor Ripperda willen wij in den dood!« roept men, »maar wraak op

deze schelmen; 't zijn de verraders van onze stad.«

--»Dan zullen zij gestraft worden naar wet en recht!« herneemt de

bevelhebber, »maar slaat de hand niet als moordenaars aan hen; want

dat zweer ik bij God en den prins--streng zal hij gestraft worden,

die zijn rapier tot een moordstaal misbruikt!«

--»Het is geen moord; het is bloed voor bloed!« roept er een, »daarom

dragen wij het rapier.«

--»Vervloekt is het rapier, dat zich tegen wet en gezag keert,« zegt

Ripperda, »schande en verderf voor Haarlem, als men zóó het recht

met den voet zou verschoppen. De wreedheid van den vijand geeft u

geen recht, om uwe wraak te koelen op gevangenen, die in de macht

der justitie zijn, en over wie de wet uitspraak zal doen.«

Ripperda's laatste woorden bleven niet zonder indruk, en Talesius

hiervan gebruik makende, zeide luide tot hem:

--»Zoo waar als Christus leeft, zult gij Hem mijn dood

verantwoorden. Al wat ik deed, was tot Haarlems welzijn; er kleeft

geene schuld op mijn ziel.«

--»Nog eens, mannen van Haarlem! laat de hand van hen af!« zeide

Ripperda krachtig. »Eischt eene andere, maar edele wraak; dan zal

Ripperda u rugsteunen en in den dood voor u gaan.«

Voor een oogenblik schijnt de storm te bedaren; want van mond tot

mond verspreidt zich nu ook, dat de bevelhebber gevaarlijk gewond is

en dat hij dit verzwegen heeft om in de harten der burgers geen enkel

vonkje van hun moed uit te blusschen. Maar nauwelijks hoort Heinsz

het gemompel, om naar de gevangenis terug te gaan, of hij roept op

dof dreigenden toon:

--»Weg met Ripperda, die verraders in vrijheid stelt!« Tegelijk nadert

hij den Fries met een dier stoute gebaren, welke bij een oproer zoo

geducht zijn en hem grimmig aanziende, schreeuwt hij donderend:

--»Naar de galg met het gespuis! verdoemd, wie 't weerstreeft!«

--»Ik weerstreef het, laffe moorder, die recht en plicht schendt!«

roept Ripperda, en ziende, dat een paar anderen Heinsz willen

ondersteunen, laat hij er met al den nadruk van zijn bevelhebbersrang

op volgen: »Op voor Ripperda! grijpt den rebel!«

Zijn broeder Asinga en Horenmaker willen zich op die woorden van

Heinsz meester maken; doch deze als een aangeschoten wilde stier op

den Fries aanspringende, onder den uitroep »hel en dood!« wil hem

een slag met zijn musket toebrengen. Maar nu schiet opeens al het

overwicht van den bevelhebber, al de moed van den ongeschokten held

met vuurstralen uit Ripperda's oogen. Nu is hij niet enkel de warme

vaderlander, die in den Doele 's volks zin voor vrijheid te meer

deed ontbranden; nu is hij niet enkel de dappere verdediger, die in

den storm op de wallen den vijand afsloeg; nu is hij ook de koene

bevelhebber, die den storm van het oproer te keer gaat,--die weet,

dat er oogenblikken zijn, waarin willekeur en geweld door volkomene

schrikinboezeming alleen kunnen beteugeld worden,--dat daar, waar

balsem niet baat, het mes van den wondheeler soms heilzaam is.

--»Sterve, wie mij aanrandt!« zegt hij, en terwijl hij den woesteling

met de eene hand het zware musket ontrukt, brengt de andere hand met

het platte van het rapier hem een zoo forschen slag op het hoofd toe,

dat Heinsz een kreet van gramschap en pijn uitstoot en bedwelmd op

den grond stort.

--»Dat is doodslag aan de burgers van Haarlem!« roepen twee anderen,

grijpen Ripperda bij den arm en willen hem zijn wapen ontwringen. Tot

nog toe had de Fries rustig op zijne plaats gestaan; maar nu men

hem zijne kling wil ontnemen, springt hij eene schrede voorwaarts,

werpt met een schok één der bespringers voor zijne voeten, doet den

anderen, door een breeden houw op den arm, insgelijks neervallen en

laat, dreigend, aan de overigen het zwaard in de oogen blinken.

--»Terug tot orde en plicht!« roept hij, met een vuur van

verontwaardiging en edelen toorn op het gelaat, »toont u weer de

brave burgers en helden van Haarlem, die slechts den vijand te keer

gaan--geen laffe moorders. Gehoorzaamheid aan Ripperda, of vreest

zijne straf!«

En nu dalen een paar armen, die zich tegen hem willen opheffen, neder;

een paar gebalde vuisten ontsluiten zich; want de edele gramschap

van den dapperen Fries boezemt hun ontzag in. Nu eens zien zij den

geduchten Heinsz aan, die als levenloos op den grond ligt, terwijl

de tweede aanrander, als eene half vertrapte slang voor Ripperda's

voeten kruipt; dan weder staren zij op den bevelhebber, die geen

voet terugdeinst, maar rustig en onversaagd elken aanval schijnt af

te wachten, en van sommigen laat zich de uitroep hooren: »Terug naar

de gevangenis met de verraders! Gehoorzaamheid aan Ripperda!«

--»Wraak op den Spanjaard, niet op dezen!« laten anderen hooren;

en werkelijk gaan nu de meesten naar de gevangenis terug. Zulk een

krachtdadig te keer gaan van oproer en schennis hadden zij niet

verwacht: Ripperda's beleid en ridderlijke onverschrokkenheid,

misschien de vrees voor eene gelijke straf, schijnen hen ontwapend

te hebben; de woede schijnt te bedaren; het is, alsof men terug wil

keeren tot gehoorzaamheid en plicht, en met de woorden: »hij heeft

recht!« gaan de meesten weder langzaam naar de gevangenis.

Maar hetgeen wij daar schetsten, was niet ongelijk aan eene

aardbeving. Opeens toch opende zich de grond; men voelde schokken,

die van angst deden sidderen; de onderaardsche kolk spuwde vlam en

rook; de zon werd verdonkerd; dof geraas klonk; vernieling dreigde in

't rond. Een oogenblik daarna--de schokken verflauwden; de vlammen

namen af, men zag geene rookwolken meer; er heerscht een oogenblik

rust.... Maar het is de rust van den dood. Opeens dreunt het meer dan

ooit; nieuwe kolken openen zich; de gansche omtrek staat in gloed; de

reeds losgewrikte steenen worden geheel van hunne voetstukken gerukt,

en zij, voor wie reeds de hoop begon te lichten, zijn plotseling

bedolven in een graf van puin.

De meesten, niet allen keerden terug; want zoo gloeiend was de

verbittering over de wreedheid van den Spanjaard, dat sommigen nog

aarzelen, in weerwil van Ripperda's koene handelwijze, dat sommigen nog

woorden van geweld en oproer doen hooren. Dat ziet de bevelhebber van

de stad, en--hij begrijpt, dat het smeulend vuur nog niet gebluscht is.

--»Wat schuilt gij nog te hoop, mannen?« zegt hij op ronden toon,

waarvan de gramschap geweken is. »Of zou het te verantwoorden zijn

voor God en den prins, wanneer gij de handvesten en wetten der stad

aldus had geschonden? Streng zou de straffe geweest zijn, en weg ware

uw roem, die nu door heel het vaderland weerklinkt. Op, mannen van

Haarlem! naar de vest; denkt aan den storm op den wal, aan den uitval

in het Bosch! Op, voor Ripperda! voor de vrijheid en 't vaderland!«

En in nog menig wraakzuchtig brandend oog neemt de gloed af; nog vele

oproerige rimpels verdwijnen; en aan sommiger mond ontsnapt de uitroep:

»Voor Ripperda! Ripperda heeft gelijk! Hun dood zou ons geen profijt,

maar wel nadeel doen! Naar de vest!«

Op het oogenblik echter, dat velen op het punt zijn naar de vest

terug te keeren, verneemt men, op het einde van de kleine Krocht

afkomende, een onstuimig geraas en geschreeuw. Eenige Walen, die

reeds den ganschen dag uit hoofde eener te geringe toedeeling van

spijs en drank, oproerige woorden hebben doen hooren, naderen den

dichten hoop en schreeuwen: »Verraad, verraad! men heeft ons aan den

Spanjaard verkocht.«

--»Weg met het Spaansch gebroed!« laten anderen hooren: »aan de galg

met de verraders!«

--»Leest, mannen, leest!« roept een lange, holoogige Waal, met

vermagerde trekken en wilde, over het aangezicht slingerende

haren. »Leest dat geschrift. Stompwijk is zoo flus tot den vijand

overgegaan.«

Dat was waarheid. Stompwijk, het rumoer en den opstand ziende,

begreep maar al te zeer, dat het dringend tijd was, zich voor de

woede van het volk uit de voeten te maken, daar het, bij den dood van

Talesius en Roosveld, niet onbekend zou blijven, hoe hij medeplichtig

was aan het ontworpen plan. Maar alvorens hij naar het Spaansche

leger overliep, moest hij zich nog wreken op hen, die hij wegens

vroegere gebeurtenissen haatte, en die hij reeds gedeeltelijk bij de

Haarlemmers verdacht had gemaakt. In der haast schreef hij op een blad

papier dat ook anderen, die hunne straf misschien ontgaan zouden,

aan het verraad schuldig waren, en wel bepaaldelijk: de predikant

van de gasthuiskerk; Jasper; Reijer Roothoofd--gewezen oud-pastoor

van Spaarnwoude--en doctor Elsen. Het geschrift, met de namen van

dit viertal gaf hij aan een Waal, wel wetende, dat deze niet lezen

kon, en met den last, om het aan zijne woning te brengen. De Waal

echter argwaan opvattende, liet het geschrift aan zijne makkers lezen,

waardoor het binnen weinige oogenblikken verspreid en alle twijfeling

aan de verraderlijke handelwijze van Stompwijk geweken was.

Maar op eens schuilden er nu ook in de oogen van het volk vele

verraders in de stad, en Talesius en Roosveld waren er de hoofden

van. Deze wilden stad en burgerij in handen van den Spanjaard brengen

en hen even barbaarsch doen sterven als de ongelukkigen, die daar aan

de galg hingen. Het geschrift gaat van hand tot hand, en van velen

hoort men den gelijktijdigen uitroep:

--»Wij zijn omringd van verraad! Naar de galg! naar de galg!«

--»In de gevangenis met Elsen en zijne schavuiten!« roept de een.

--»Naar Roothoofd!« roept een ander, »hun huis onder den voet!«

--»Eerst executie aan deze! De belhamels het eerst!«--schreeuwen mannen

en vrouwen, terwijl een woest gedruisch de lucht vervult. Men keert

weer naar de Smeestraat terug; op nieuw sleurt men de gevangenen,

die zich reeds gered waanden, voort.

--»Heilige moeder Gods! wees mij nabij!« roept de vrouw van Talesius,

en weer slingert zij zich om den hals van haren ongelukkigen man,

terwijl zij met haar oog Ripperda en den onzichtbaren draad zoekt,

waaraan hare hoop en wanhoop over een afgrond hangen.

--»Weg met Ripperda; hun bloed kome op onzen kop!« tieren de

verbolgensten, toen Ripperda, met zijn rapier in de vuist, zich als

een dam voor het volk plaatst.

--»Moordt dan eerst Ripperda, eer ge plicht en eer schendt!« roept

de koene Fries. »Zoolang ik kan, ga ik geweld en moord te keer.«

Ontzagwekkend klinkt zijne stem; maar het oproer versmoort ze. Evenals

op zee de eene luchtstroom den anderen doet ontstaan--de eene golf

de andere in beweging brengt, zoo stuwt de een den anderen met steeds

klimmenden aandrang voort. En toch schijnt de aanpersende stroom den

dam, die door een enkelen is opgeworpen, niet zoo aanstonds te kunnen

doorbreken. Tweemaal heft Ripperda, als een muur pal staande, zijne

kling op, en tweemaal valt een der razenden voor zijne voeten. Maar op

eens hoort men uit den mond van Asinga en Horenmaker, die zich naast

hem hebben gedrongen, een uitroep van schrik. Eene doodsche bleekheid

komt op het gelaat van den aanvoerder van het gele vendel; het verband

op zijne wonde is losgesprongen; het bloed vloeit van tusschen zijne

kleeding over den pols en de vuist, die het zwaard omklemt.

--»Terug, mijn broeder! om Godswil, terug!« roept Asinga; en te

gelijker tijd slaat ook Horenmaker de beide armen om zijn heer

heen. Nog wil Ripperda zich losrukken om de muiters te keeren en

onwrikbaar vast te staan. Maar de wrevel op zijn aangezicht wordt

donkerder, en het bloed uit zijn arm vloeit sterker. Asinga ziet,

dat het volk, door al de drift van den hartstocht verhit, zijn leven

niet ontzien zal, en met hulp van Horenmaker en eenige mannen van

het gele vendel, ontrukken zij den Fries aan den aandrang des gewelds.

--»Weg met Ripperda, hij is geen burger van de stad!« schreeuwen

sommigen.

--»Aan den strop met de verraders! Voort naar de vest!« tiert men. En

nu den dam hen niet meer tegenhoudt, stuift het vergramde volk onder

een afgrijselijk geschreeuw voorwaarts. Vergeefs, dat burgemeester

Van der Laan, Stuiver, Kies en Van Vliet nog eene laatste krachtige

poging aanwenden; vergeefs dat zij, met gevaar van hun leven, de

verbitterden willen bedaren; elk hunner woorden schijnt nog eene

heviger vlaag van woede te zullen doen uitbarsten.

--»Waar zijn de mannen van 't gele vendel? Op voor Ripperda!« roept

deze, »nu of nooit!«

En hoe verzwakt door bloedverlies wegens het losgesprongen verband,

flikkert de moed meer dan ooit uit zijne oogen en kleurt zijn wangen

weer met een licht rood.

--»Nu of nooit!« herhaalt hij. »Asinga, Van Duivenvoorde! Op met de

mannen van 't gele vendel! Met de kling het geweld te keer!«

--»Met lijf en ziel!« zegt de Fransche edelman Bordet; want Van

Duivenvoorde gaat met den Eenoog het volk te keer, dat zich nu ook

van Venavides wil meester maken. »Voor onze eer en voor Haarlem! De

wapenen tegen 't geweld!«

--»Bij God en den prins!« zegt Ripperda. »Liever wil ik sterven dan

Haarlem's roem zien vertrapt. Voort, Asinga; verzamel eenigen van

't gele vendel, en ga naar den wal; die zullen mij hou en trouw zijn

tot in den dood!«

Te gelijker tijd snelt hij zelf met Horenmaker, Bordet en anderen

de Moerinnesteeg in. Opeens toch verspreidde het gerucht zich,

dat men Talesius en Roosveld bij de St.-Janspoort om het leven zou

brengen, terwijl voor de overige ongelukkigen de galg ter hoogte van

de Kruispoort stond opgericht. Op dat oogenblik echter ijlen Van der

Laan, Stuiver en Van Vliet op Ripperda toe.

--»Om 's Hemels wil, mijn heere Ripperda!« zegt de eerste op ernstigen,

dringenden toon, »ga hen niet met de wapenen te keer, of de ramp

zal nog deerlijker wezen. Al de Walen zijn het eens met hen; het zal

bloedstorting zijn zonder end.«

--»Ik vrees hen niet,« antwoordt Ripperda, »ik ben de bevelhebber

der stad, in naam van den prins.«

--»Ook ik vrees den dood niet, voor Haarlem's heil,« hervat Van der

Laan. »Maar een gevecht van burgers tegen burgers zal heel de stad

in vuur en vlam zetten, en toch zal men aan het gruwelijk stuk de

hand leggen.«

--»Gij moogt niet gaan,« zegt Van Vliet, »ik smeek het u af. Gij zijt

te noodig voor Haarlem, dan dat doodslag uw deel wezen zou.«

--»Gij deedt meer dan gij kondt,« spreekt Stuiver, »de menigte

is verblind door wraak, en ziet niet, in wat borst zij 't rapier

stoot. Laat die wraak uitwoeden; te grooter zal het berouw zijn!«

Met warmte drukt Van der Laan hem de hand, en allen smeeken hem zoo

vriendschappelijk, dat hij oogenblikkelijk het verband mocht laten

vernieuwen, totdat Ripperda eindelijk toegeeft en met dit doel een der

nabij gelegene huizen binnentreedt. Ondertusschen is de opschudding

algemeen; schot op schot wordt gehoord, vermengd met gevloek en

getier. Eenige Walen hebben strooien beelden gemaakt van nonnen en

priesters; in het gezicht van den Spanjaard slaan en doorsteken zij

die beelden onder weergalmend geschreeuw van wraak. De Spanjaarden

steken hunne stormhoeden op staken, en in het leger gaat een hoonend

geschater op, wanneer de Walen hunne musketten op die stormhoeden

afschieten, denkende, dat het vijanden zijn. De lucht weergalmt

van het spoorloos geraas; en het gespuis dreigt ieder met den dood,

die het verhinderen wil, met de wraakuitoefening voort te gaan.

Nauwelijks is een nieuw verband op Ripperda's wonde gelegd, of

Asinga snelt met een twintigtal soldaten van het gele vendel uit de

Cicilia-steeg hem tegemoet.

--»De wraak moet uitwoeden,« zegt hij tot zijn broeder. »Al de Walen

zijn tot weerstand gereed.«

--»Die ellendigen!« roept Ripperda. »Verwenscht zij het uur, waarop

de Waalsche soldeniers in deze vest kwamen. Ware ik liever gestorven,

dan had ik deze dag van schennis niet aanschouwd! Maar,« roept hij

opeens met dubbele geestdrift en moed, »meer dan ooit de wallen

bewaakt! Stompwijk is naar den vijand overgegaan: meer dan ooit

gewaakt voor de verdediging der stad!«

--»Al de posten zijn Goddank bezet!« spreekt Asinga.

--»Maar ik wil er mij persoonlijk van overtuigen en met eigene oogen

zien, of in dit hachelijk oogenblik geene maatregelen tot verdediging

verzuimd worden. Voort, naar de wallen! onze laatste ademtocht zij

aan Haarlem's behoud gewijd!«

Ondertusschen laat zich op den duur schot op schot hooren. Dat geknal,

schoon reeds sedert bijna zes maanden van dag tot dag herhaald, heeft

thans iets akeligs. Niet zonder reden; het bolwerk bij de Janspoort

tot aan de Kruispoort leverde een huiveringwekkend tooneel op. Reeds

waren de vijf soldaten benevens de Waalin en de knaap opgehangen; doch

ijselijker werd het schouwspel, toen men de hand sloeg aan mannen, die

nog kort geleden tot Haarlem's achtbaren magistraat hadden behoord,

die aanzienlijke en gewichtige ambten bekleed hadden en wegens rang

en stand in de maatschappij zoover verheven waren boven degenen,

die hen thans onder schimp en hoon, het leven benamen.

Tot het laatst toe zwijgend op het gevloek van 't volk, dat hij

verraderlijk het rapier tegen zijne stad had gevoerd, was Van Groeneven

reeds de eeuwigheid ingegaan. Hetzelfde lot wacht nu Roosveld en

Talesius.

Wel rijst bij den laatsten telkens de twijfel in de ziel op, of hij

in het oog der menschen niet zwaar heeft misdaan; wel roept hij de

vervlogene jaren en de jongste dagen terug; wel ziet hij de bleeke

schimmen van Adriaansz en anderen, de rol waarop in bloedige letters

het woord: »verrader van Haarlem,« vlamt. Maar telkens ook schijnt

dit alles zich weer in damp op te lossen; hij merkt het slechts

aan als het spel eener angstige verbeelding bij het naderen van een

onwaardigen dood. Neen! geene schuld kleeft op zijne ziel; er kan

geene schuld op kleven. Zijn godsdienst is te heilig, te vlekkeloos,

om tot misdrijf te voeren; die godsdienst heeft hij altijd warm,

vurig vereerd, beschermd, gehandhaafd in al zijn verheven zin, in al

zijne reinheid. Adriaansz was een snoodaard, die Christus lasterde en

de heilige waarachtige leer schond. Dirk Hasselaar, en zooveel anderen

waren ketters en verguizers van den tempel Gods. Filips van Spanje was

zijn heer; en streefde deze niet naar de glorie, om Gode behagelijk te

zijn? Versmaadde die niet een standbeeld op de aarde voor eene plaats

in den Hemel? Strafte die het lichaam niet, om de ziel te redden?--Kon

hij dus meer, om naar de inspraak van zijn gemoed te handelen, dan

door de poging om het verdwaalde Haarlem weer onder het gezag van

zijn koning en heer te brengen, die de rots, de steunpilaar van Rome

was?--»Neen! er kleeft geene schuld op mijne ziel,« sprak hij dan;

»wat ik deed, was tot eer van den godsdienst, tot welzijn dezer stad.«

--»Snoer den mond, verrader!« schreeuwde men hem toe, »wij ruiken

uwe trekken; gij hadt allen wel op de palei willen brengen, die

niet bogen voor 't crucifix. Maar 't is uit met uwe booze ranken;

't is nu óók een tijd van justitie.«

--»Genade, mannen broeders!« bad Roosveld, »wat ik deed, was in

weerspraak met mijn gemoed; Quirijn Dircksz' woorden hebben mij

geblinddoekt; hebt medelijden met mij, en ik zal u dingen zeggen van

wichtig profijt.«

--»Hij wil biechten,« riep een der woestelingen met een kouden,

spottenden lach, »welnu, de monnik is nog niet opgeknoopt; die zal

wel absolutie geven voor een zevenstuiversstuk.«

Een ruw gelach op deze woorden scheen te getuigen van sommiger bijval

over deze bespotting. Maar dat hoongelach was in scherpe tegenstelling

met de smart en de wanhoop van Talesius' vrouw: met geweld had men

haar van hem afgerukt, doch zij hield niet op met de vruchtelooze

pogingen, om zich opnieuw aan hem vast te klemmen.

--»Christus, mijn Heer!« kermde zij, »voorkom dezen gruwel.--Snoode

moorders! laat af met dit bloedgericht: laat mij los, laat mij

los.--Hij strekt mij de hand toe--voor het laatst. Moeder Gods! laat

mij die hand nog eens omklemmen! Quirinus! uwe ziel is vrij van

schuld.... Christus! doe ook mij sterven: voor mij is geen leven

meer....«

Onverpoosd zijn hare inspanningen om zich los te wringen; zij is aan

eene half verbrijzelde boot gelijk, die tusschen ruwe ijsschotsen

geklemd, door het geweld van den stroom nu eens eene kleinere dan

eene grootere speling krijgt, doch altijd tusschen de ijsklompen

gekneld blijft, om ten laatste geheel te worden verbrijzeld.

--»Al lang genoeg gewacht! zij hebben 't biechten toch niet in den

zin,« klinkt het nu. »De dood aan de moorders van Adriaansz! de dood

aan de verraders!«--

--»Spaart mijn leven, mannen broeders!« smeekt Roosveld nog eenmaal;

»al mijn have en goed zal het uwe wezen; ik zal de religie van

Rome afzweren, en mijn mond zal u vernoemen, wie de verraders der

stad zijn.«

--»Wat baat ons uw have of goed, als wij van gebrek zullen vergaan?«

schreeuwt men hem toe.

--»Gij zult er de eer niet van hebben, als een ketter in den dood te

gaan,« roepen anderen.

--»En uwe snoode makkers kennen wij al,« laat er een hooren, die den

strop in de vuist houdt, »morgen hangen zij naast u, of wij bewaren

hen tot mondkost als de honger ons drijft.«

Onder deze laatste woorden, die met het stormachtig geschreeuw der

overigen vergezeld gaan, wordt de doodelijke strik om Roosveld's hals

geslingerd en sleurt men hem de ladder op, den spot drijvende met de

smeekingen en beloften, door doodsangst uit zijn gemoed geperst.

Talesius intusschen slaat andermaal een blik op de menigte rondom de

galg en op de walgangen. Zijn dood is dan onherroepelijk besloten:

dat leest hij op de aangezichten van het gespuis: dat hoort hij in

het weergalmend geschreeuw; dat ziet hij aan de slachtoffers, reeds

opgesleurd naar het moordhout.--Reeds nadert er een met den strop

in de vuist, en op dat oogenblik stoot zijne wanhopige vrouw een

zoo luiden gil uit, dat zijne ziel er door verscheurd wordt.--Ook

de van hem afgerukte Ursula ziet het beslissend oogenblik dáár, en

ofschoon zij zich den weg tot haren grijzen vader niet meer banen

kan, roept zij met eene, als door hooger geestdrift bezielde stem:

»mijn vader! streef moedig naar den dood voor Christus! de Hemel is

geopend en de Heiland zit aan Gods rechterhand. Vader, ik zal uwe

uitvaart vieren: ik zal bidden voor uwe onschuldige ziel.«

--»Al de vigilies en zielmissen zullen hem niet uit de hel houden,«

schreeuwt haar iemand toe; »Quirijn Dircksz is een verrader en al de

verraders gaan in het eeuwige vuur.«

--»De strop! de dood!« klinkt het wild; doch nog vóór dat de koord

om 's grijsaards hals wordt geworpen, opent deze voor het laatst den

mond en spreekt luide: »Dat zeg ik u, voor Gods troon! Ik sterf gerust

in mijn plicht en in een geloof, dat waarachtig is: gij moogt beven,

boosdoeners; want in den Hemel zal er streng gericht over u zijn. Ik

zal u dagen voor Christus' rechterstoel.«....

--»Sterve de moorder van Adriaansz! de verrader, van de stad!« klinkt

het nu onstuimiger; de oogen branden; twee ruwe vuisten vatten hem

aan; op eens wordt de grijsaard aan het schandhout geslingerd, en

nog eens en voor het laatst hoort men den uitroep van zijne lippen:

»Christus! ontvang mijne schuldvrije ziel!«

Nauwelijks hangt de ongelukkige, of de zielssmart zijner vrouw slaat

tot wanhoop, tot razernij over. Terwijl Ursula eensklaps onder de

galg, met weedom de oogen naar den hemel heft en snikkende bidt,

dat zij evenzoo zalig mocht sterven als haar vader, rukt de moeder

zich uit het volk los; met al de kracht der krankzinnigheid slaat

zij de handen in hun aangezicht, rijt en scheurt zich de kleederen

aan flarden en geeft hare smart, in zinnelooze woorden van verwijt

en verbittering, lucht. Nu vreest, nu siddert zij niet meer; zij is

verblind van wanhoop. Maar de menigte hoort in hare woorden niet

den razenden weedom eener vrouw; zij hoort er slechts klanken in,

die te meer verbitteren en de wraak aanblazen.

--»De dood aan al het gebroed!« galmt het wild; en als komt bij allen

eensklaps een zelfde besluit op, grijpen een tiental woestaards de

moeder en Ursula met duivelsche wreedheid aan.

--»Gesmoord dat gespuis!« schreeuwt de eene.

--»Zij zijn dol!« tiert een schippersgezel. »Hun de voeten gespoeld!«

Nu sleurt men de twee rampzaligen, die de lucht van haar gegil doen

weergalmen, van den walgang naar de aangrenzende Bakenessergracht,

waarover toen, langs de vest, en dus rechtuit, eene brug liep, ter

hoogte waar thans het wed in de Jansstraat begint, en niemand is er,

die het opzet weerstreeft. Ook zou iedere poging daartoe vruchteloos

zijn geweest. Menschen, in een geringen stand van de maatschappij

geboren en opgevoed, hebben naar vulkanen gelijkende hartstochten,

wanneer hun band verbroken wordt. Dan toch is iedere vonk van

edelmoedigheid uitgebluscht, ieder zaadje van vergevensgezindheid

verstikt, dan vorderen zij altijd eene bloedige wraak.

Nauwelijks is men, ter hoogte van het tegenwoordige wed, aan

de Bakenessergracht gekomen, of moeder en dochter worden door de

woedendsten aangegrepen en in het water geworpen. Geene woorden van

vertwijfeling, geen verscheurend gegil, geen radeloos handenwringen

kan de menigte van deze dubbelen moord terughouden. Onder schimpend

getier, hoon en godslasterlijk gevloek worden de ongelukkigen versmoord

en--binnen weinige seconden is een huisgezin vernietigd, waartegen

de haat des volks reeds zoolang heeft gesmeuld.

En na dit alles heeft nog de storm niet uitgewoed. Stompwijk heeft

nieuwe slachtoffers aangewezen, en de verbittering slaat zelfs geloof

aan de woorden van een booswicht, wanneer zij er voedsel voor hare vlam

in vindt. De predikant van de Gasthuiskerk, doctor Elsen, Jasper en

Reijer Roothoofd zijn dan ook verraders; men vraagt niet naar bewijzen;

het woord verrader is genoeg, om naar hunne huizen te snellen en hen,

zoo al niet te dooden, dan toch gevangen te nemen. Wet en orde zijn

toch eenmaal aangerand en verscheurd; wat zal de dolzinnigen verder

terughouden in hunne vaart?

Toen de menigte voor de woning van hopman De Jong, in de Smeestraat,

verder voorttrok, heerschte er in en bij het raadhuis niet weinig

gewoel. Men zocht ook den Spanjaard Venavides in handen te krijgen.

--»Waar is de Spaansche hond?« schreeuwt men elkander toe; »als de

schelm 't ontgaan is, steken wij het raadhuis in brand.«

--»'t Is een dag van executie!« roepen anderen, »zuiveren wij de stad

van al 't gebroed.«

--»Toomt uw moedwil en wrevel op dezen Spanjaard,« zegt Van

Duivenvoorde, die geen middel onbeproefd laat om het volk met al de

zachtheid van zijn karakter tot bedaren te brengen. »Hij is zijne

gevangenis niet ontgaan, maar er is borg voor zijne veiligheid

gesteld.«

--»Dat raakt ons niet,« roept men. »'t Is een Spanjaard, die onze

broeders vermoordt; 't is een vijand van de stad, wij vorderen zijn

lijf en zijn leven....«

--»Bij den rechtvaardigen God,« herneemt Van Duivenvoorde, »hoort één

woord uit mijn mond: de dood van dezen vijand zou gansch Haarlem in

dieper leed storten. Eed- en woordbreuk jegens hem zal het doodsein

wezen voor allen, die in 's vijands macht zijn....«

--»Die don kan onze broeders niet redden,« roept men, »toch vinden

allen den dood door den strop: van zijn leven hebben wij geen profijt.«

--»Naar de galg met den Spanjool!« hoort men, en van de liefde en

toegenegenheid, welken men Van Duivenvoorde steeds toedroeg, schijnt

geen zweem meer te bestaan. Men schijnt er niet aan te denken, hoe

in het leger des vijands--zooals men toen nog meende--zijne vrouw nog

altijd tusschen leven en dood zweeft, en al had Van Duivenvoorde hun

dit thans willen herinneren, dan nog zou het misschien even vruchteloos

zijn geweest.

--»Beukt op de deuren en sloten!« tiert men, de zware musketkolven

dreigend omhoog zwaaiende, en in verschillende richtingen door elkander

rennende, »al de hoeken doorzocht! geen pardon voor den Spanjaard.«

Met aangezichten, waarop een donker vuur gloeit, stormt nu een zestal

den steenen trap op, die naar het vertrek van Venavides leidt; doch

nog hebben zij slechts weinige schreden gedaan of zij zien zich

door een man in hunne vaart gestuit. Onverschrokken snelt hij op

hen aan, en toch is het geduchte slagzwaard, dat hij in de manhafte

vuist geklemd houdt, niet opgeheven. Men verbeelde zich een leeuw,

die door zes tijgers dreigt besprongen te worden en die hij met al

zijne meerderheid als koning der dieren, te gemoet treedt, niet

om zelf den aanval te doen, maar om het oogenblik af te wachten,

dat zich die vijanden brullend op hem werpen; dan eerst zal hij hun

zijne klauwen doen gevoelen.

--»Wien zoekt gij--wat wilt gij?« vraagt hij op beslisten toon.

--»Den don!« antwoordt een hunner, »hier moeten wij wezen; hier is

de verblijfplaats van den schelm!«

--»Daar hebt gij hem!« herneemt hij, »wilt gij ook hem den dood der

schande doen sterven?«

--»Gij zijt het niet, dien wij zoeken,« is het antwoord, en luide

ontsnapt, met eene soort van verbazing, de uitroep aan hun mond:

»Gij zijt de Eenoog, u zoeken wij niet. Den Spanjool!«

--»Gij zoekt den moord,« spreekt de onbekende; want niemand anders

dan deze was het, »maar ik ben het, die borg bleef voor zijn leven,

en dat leven zal ik beschermen ten koste van het mijne.«

Iets dergelijks hadden de wraakzuchtigen niet verwacht. Twee hunner

hadden in den storm van Louwmaand en in den gedenkwaardigen uitval

van Lentemaand aan zijne zijde gevochten. Zij waren getuigen geweest

van zijne onnavolgbare dapperheid; en ofschoon zij in dit oogenblik

van verbittering zijn gevreesden arm niet duchtten, werden zij toch

aangegrepen door een gevoel van heimelijk ontzag, dat zich met den

eerbied paarde, dien men hem reeds toedroeg in de eerste dagen van

het beleg. Wie was hij, die op de meesten een zoo zonderbaren invloed

uitoefende? Het was geene liefde, geene genegenheid, zooals men anders

voor Van der Laan en Duivenvoorde gevoelde; het was geen schuldige

eerbied, zooals men Ripperda toedroeg, het was een meer gedwongene

eerbied, maar toch een zoodanige, die vermogen scheen uit te oefenen,

waar de liefde voor Van der Laan en het ontzag voor Ripperda het

doel misten. Desniettemin was thans de zucht om de wreedheid van den

Spanjaard te vergelden, zoo hevig, dat twee hunner in weerwil van

zijne woorden zich gereed maakten om door te dringen, uitroepende:

»Wij eischen den don, niet uw leven.«

--»Zoo waar als ik leef,« hernam nu de onbekende, zonder nog het

tweesnijdend zwaard op te heffen, »zoo gij u den weg naar zijn verblijf

anders dan over mijn lijk baant! Met dit rapier verdedig ik zijn leven

tot mijn laatsten droppel bloeds. Sterven kan ik, maar mijn woord

van eer breken nooit. Kiest! ik ben Venavides of ik ben de Eenoog.«

--»Uw dood geeft ons geen baat,« zegt nu een hunner.

--»Hij spreekt recht,« liet een ander hooren, »dat woord van borg

moet ongeschonden blijven.«

--»Dat dan de don in de hel brande, zonder dat wij hem den dood

aandoen,« zeide een derde; en, als vereenigden zich allen met dezen

wensch, zoo klonk het nu uit hun mond: »van hier, mannen! naar de

Schachelstraat!«

Inderdaad was nu in een oogenblik het raadhuis verlaten, hetzij dan

uit eerbied voor den vreemde, hetzij uit vrees voor diens geduchte

kling, en nauwelijks had de menigte zich verwijderd, of het raadhuis

werd door eenige manschappen bezet, ten einde eene tweede aanranding

desnoods met gewapende macht te wederstaan.

In de woning van doctor Elsen had dan ook al spoedig eene aandoenlijke

gebeurtenis plaats. Nauwelijks had Boreel vernomen, hoe Stompwijk

zijn overgang naar den vijand nog misdadiger had gemaakt door zijne

wraakgierige poging om anderen in leed te dompelen, of zijn besluit

om den ongelukkigen doctor te redden, was genomen. Op eens stond de

grijsaard, diens folterende vrees, zijne Anna hem levendig voor den

geest, en al zou hij den vader slechts met verlies van zijn eigen

leven hebben kunnen redden, dan zou hij geene minuut geaarzeld

hebben. IJlings had hij zich naar de Schachelstraat begeven, en in

Anna's huis. Daar stond hij dan weder, waar hij sinds zooveel weken

den voet niet gezet had; daar zag hij dan weder haar.... Maar al die

beelden van herinnering waren thans vluchtig, of liever, zij werden

door de donkere stormwolk, die reeds naderde, verdrongen, en met

eene ernstige, doch zachte stem riep hij uit: »Anna! het geldt uw

vader! ik kom u tot hulpe zijn.«

--»Symon!« riep het meisje, zenuwachtig de armen aan hem vastslaande,

»heilige Maria! wat zal het mij zijn...?«

--»Bedaar, Anna! ik wil uw redder wezen. Waar is uw vader?«

--»O God! hij ligt daar.... benauwd door schrik over het rumoer.... Hij

schijnt van 't leven beroofd.«

--»Hij moet voort uit dit huis, geen tijd valt te spillen,« sprak

Boreel, en met weinige woorden deelde hij haar mede, wat er plaats

greep, en wat de gevolgen zouden kunnen zijn.

--»Groote God! dat zal zijn dood wezen,« riep Anna, de handen

wringende en beurtelings een smeekenden blik naar omhoog en op den

geliefde werpende; »Symon! dat zal de deerlijke vervulling wezen van

uwe vroegere voorspelling....«

--»Geen vertraag, Anna! beveiligen wij uw vader voor het gespuis;

hij moet uit deze woning worden gebracht....«

Dit zeggende, trad Boreel naar het vertrek, waar de doctor, door de

dienstmaagd en twee geburen bijgestaan in een bewusteloozen toestand

verkeerde, terwijl het zweet op zijn voorhoofd parelde, en er tusschen

zijn gelaat en dat van een doode geen onderscheid zichtbaar was.

--»Uit dit huis moet hij onvertraagd!« sprak Boreel en met al het vuur

van zijn edel gemoed, met al den spoed, waartoe het gevaar drong,

trachtte hij de vrouw van den schrijnwerker, die aan de linkerzijde

van des doctors huis woonde, te bewegen, den vader eene schuilplaats

te verleenen, totdat de woede der menigte zou bedaard zijn. Maar,

als verschrikt, sprong deze eene halve schrede terug en terwijl zij

het teeken des kruises maakte, riep zij uit: »De Heere beware mij

voor zoo een gevaar! de rabauwen zouden hem vinden en mij doodslaan.«

--»Heilige moeder Gods!« riep de andere, »streeft het volk naar dit

huis, dan moet ik van hier, of geldt het ook mij?«

Zonder naar de verdere woorden van Boreel te luisteren, vloden beiden

met angstige gebaren uit het vertrek naar het voorhuis; het was,

als dreef een booze geest haar plotseling uit de woning, waar zij

nog een oogenblik te voren eenige deelneming betoond hadden, als niet

vermoedende, dat dit met gevaar vergezeld was.

--»Rampzaligen!« sprak Boreel, »maar wees moedig! Anna! ik blijf

bij u.«

--»Mijn vader!« kermde Anna, »ik heb het voorzien, in wat ramp gij zult

storten. Het zal uw leven gelden; ik hoor reeds het getier. Symon! wat

wilt gij doen tegen dit geweld?«

Met korte woorden deelde Boreel haar een plotseling genomen besluit

mede, waarvan de uitvoering nabij was; want reeds hoorde men duidelijk

het geschreeuw der menigte: »naar de Schachelstraat!--daar woont ook

een Spanjool!«--en weldra rinkinkten de geweerkolven vlak voor de

woning van den doctor.

Boreel had zich naar het voorhuis begeven, en in Anna's ziel was

eensklaps een plan tot rijpheid gekomen, voor welks uitvoering hare

gloeiende ouderliefde de waarborg was. Wie haar ooit verweten had,

dat haar gemoed te teeder, te lafhartig was om zich onder Kenau's

vendel te scharen, die zou gelogenstraft worden. Aan de angstige

dienstmaagd bevolen hebbende, zich naar het bovengedeelte van het

huis te begeven, had zij een rapier ter hand genomen, en naast haren

bewusteloozen vader geknield, deed zij, met de oogen ten hemel,

deze gelofte: »Heilige maagd Maria, dat zweer ik plechtig, dat ik

zijn leven verdedigen zal, tegen wie het aanrandt, dat men hem niet

dooden zal dan ten koste van mijn bloed.«

Nauwelijks was deze gelofte gedaan, of zij hoorde een zwaren slag

met den klopper op de deur toebrengen, maar ook te gelijker tijd den

doffen uitroep: »Niet gewacht tot men opendoet!--beukt de deur stuk!«

Reeds maakten een paar handen zich gereed om al de zwaarte der

musketkolven op de deur te doen nederkomen, toen Boreel, deze hevige

aanranding niet afwachtende, eensklaps de deur opende en op mannelijken

doch tevens kalmen toon de vraag deed: »Mannen van Haarlem! wat is

uw wil?«

Verwonderd, hem te zien, die hen zoo menigmaal op de vest of bij

eenigen uitval had aangevoerd, wierp de eene een donkeren blik op

den anderen, doch als lazen zij wederkeerig op elkanders aangezichten

reeds het antwoord, eer het uitgesproken was, riepen een paar tegelijk:

»Den ouden schelm moeten wij hebben, die heult met den Spanjaard.«

--»Zijn oude nek moet aan den strop gelooven,« schreeuwde een ander,

in wiens holle blikken een donker wraakvuur brandde, »wie zijt gij,

die voor den verrader in de bres springt--Spanjaard of Geus?«

--»Vraag den vijand, wie ik ben,« sprak Boreel; »het zal hem nog wel

heugen, dat ik een geuzenrapier voer,« en dit zeggende, sloeg hij

met de hand op het gevest van zijn degen, zonder het wapen nog uit

de scheede te halen.

--»De schelm Stompwijk droeg ook een geuzenrapier,« liet dezelfde

stem hooren, »wij zijn omringd van verraad. Aan 't licht met den

Spaanschgezinde, of wij vallen in huis.«

--»Een blijk, dat de meester van dit huis verraad heeft gepleegd,«

sprak Boreel, »en bij den prins en Ripperda! ik stel hem zonder

vertraag in uwe hand.«

--»Hier!« schreeuwden verscheidenen tegelijk, en woest en driftig

zwaaide een hunner het geschrift van Stompwijk boven zijn hoofd.

--»Wie is zoo deerlijk geblinddoekt, dat hij een verraderswoord

gelooft?« sprak Boreel met nadruk en waardigheid. »Bij de zaligheid

mijner ziel zweer ik, dat de booswicht van enkel haat brandt tegen

dezen man.«

--»'t Is gelogen!« riep er een, »wij kennen de schobbejakken wel,

die ons aan duc D'Alf verkoopen.«

--»Neen! hij heeft recht,« riep een ander, »kwalijk betrouwd, die op

euvels bouwt.«

--»Hier met den grijskop!« riep een kloekgebouwde schipper, en terwijl

hij onder een vloek, met zijne musketkolf op den grond sloeg, scheen

hij op het punt, de deur binnen te stormen.

Dit geluid trof ook het oor van Anna, toen zij daarbinnen de heilige

maagd vurig en met eene van ouderliefde gloeiende ziel, om uitkomst

smeekte; doch tevens herhaalden hare lippen de heilige belofte en

terwijl zij het rapier vaster in de maagdelijke hand klemde, scheen

zij eene cherub, die Gods altaar voor iedere bezoedeling bewaakte.

Veel heeft de man van moed en geestkracht gewonnen, wanneer te

midden van opstand zich slechts ééne stem vóór hem verheft; en alles

hangt er slechts van af, die stem tot zijn nut aan te wenden. Boreel

had gehoord, hoe een enkele hem bijviel; op het gelaat van anderen

hetzelfde bespeurende, en ongaarne tot den stap van geweld overgaande,

riep hij nu op krachtigen toon: »Wie is er, mannen van Haarlem! die

een verrader vertrouwt?«

--»Hij heeft recht,« lieten eenigen hooren.

--»In de gevangenis met hem; daar moet hij zich zuiveren,« sprak er

een, en te gelijker tijd stemden de meesten met hem in.

--»Welnu,« sprak Boreel, »erge krankte heeft meester Elsen aangegrepen;

maar dat zweer ik op mijne eer en bij Ripperda, dat heden of morgen

aan uw eisch zal voldaan worden,--en 't zal hem niet zwaar vallen,

van zich af te werpen, wat hem een verrader heeft aangedicht.«

In den aanvang aarzelden sommigen der meest verbitterden om zich deze

belofte te laten welgevallen; anderen, die 's krijgsmans woord van

eer meer op prijs wisten te stellen, hielden er zich mede tevreden;

en onder een dof gemompel van den eenen, en luid gevloek van den

anderen kant, verlieten de oproerlingen weldra de woning, waar moed

en beleid verbittering en wraakgevoel hadden afgekeerd.

Op den hoek van den Anegang en de Warmoesstraat liet zich nu het

rumoer hooren; doch de woning van doctor Elsen was verlaten; en

met den uitroep: »Geen gevaar meer, Anna!« snelde Boreel naar het

binnenvertrek terug, om beiden zijne hulp te betoonen.

--»Godlof!«--stamelde het meisje, terwijl zij gloeiende van

dankbaarheid, hem met beide armen omstrengelde. »Godlof, Symon! en

hoe zal ik u genoeg danken?--Dat was een bange stond;--maar gij hebt

mijn vader gered.--Heb dank, heilige maagd! mijn gebed is verhoord.«

--»Ik had een heviger storm gevreesd,« sprak Boreel; en hij, die

zooeven moedig eene menigte losbandigen tegenging, voelde zich thans

van aandoening geschokt bij de heilige tranen van dankbaarheid en

ouderliefde, die van Anna's wangen stroomden. In al zijne volheid trad

nu weder het tooneel der smartelijke scheiding, de strijd tusschen

liefde en krijgsmansgevoel, de bange krachtige worsteling van tegen

elkander aandruischende machten voor zijn geest....

--»Maar 't is tijd van handelen,« sprak hij in zich zelven, en terwijl

hij Anna, in haar overstelpend gevoel, zachtkens uit zijne armen

loswond, zeide hij: »Gij hebt mijn woord gehoord, Anna! dat moet

heilig zijn; maar uw vader!.... nog is hij onbewust van zijn doen;

er moet hulp worden geschaft.«

Nu naderde hij den doctor, die op eenige zachte kussens op den grond

uitgestrekt lag, en wiens flauwe ademhaling alleen tot bewijs strekte,

dat het leven dat zwakke lichaam nog niet verlaten had. Maar nog had

hij zich niet ten halve tot hem gebogen, toen Anna zich bij de borst

van den grijsaard op de knieën nederwierp en met zachte stem uitriep:

»Heilige moeder Gods! ik dank u.« Vervolgens raakte hare zachte hand,

met de lichtheid van een donsveder, de hand en het voorhoofd van

haren vader aan, en de hoop straalde in haren blik, dat hij weder

spoedig tot zijne bewustheid zou terugkeeren. Zoo menigmaal toch

had zij hem uit een schijnbaren dood zien ontwaken; en zij zelve

was dan de frissche dauwdrup voor het kwijnend, half verstorven blad

geweest. Maar nu had zij het woord gehoord, dat Boreel aan de menigte

had toegesproken!.... Haar vader naar de gevangenis!.... Hemel! dat

woord was heilig, dat moest vervuld worden; maar hoe? Zij sidderde,

terwijl zij beurtelings op Symon, op den vader blikte.

--»Het moet,« stamelde zij, »maar de Heer zal kracht geven naar

kruis. Heilige Maria, dat smeek ik.«

--»Anna!« fluisterde Boreel haar toe, en uit zijne gebogen houding

oprijzende, gaf hij haar een teeken, om zich met hem uit het vertrek

te begeven. Te gelijker tijd verscheen nu weder de dienstmaagd,

nog angstig als eene ree, die wel de honden niet meer achtervolgen,

doch die zich nog niet veilig acht voor nieuw gevaar.

--»Stil!« zeide Boreel, den vinger aan zijn mond brengende, toen de

dienstmaagd hare gemengde gewaarwordingen door uitroepingen aan den

dag wilde leggen, »bij den Meester!.... wees niet meer bang.«

--»Ik moet nu voort,« sprak Boreel tot Anna, »ik vermag hier niet

te toeven; want schoon de donkerheid invalt, nog brengt de avond

aan de stad geene rust aan. Ik hoor nog het leven in de verte en

mogelijk kan ik ook anderen tot hulpe wezen in 't gevaar. Beangst

u nu verder niet al te zeer, Anna! Wat uw vader nog dreigen mag,

zal wel afgedreven worden; 'k zal nu middel beramen wat te doen staat.«

--»Symon!« sprak het meisje. »Na de heilige maagd, is al mijn

vertrouwen op u: ik zal u niet terughouden van uw plicht,--o,

moogt gij ook anderen zoo groote weldaad bewijzen, als gij mij hebt

gedaan. Symon! ik dank--ik dank u; de moeder Gods zij met u.... en

ook met mij.«

Dat laatste sprak Anna veel zachter uit: maar des te warmer was de druk

harer hand, toen de jonkman zich verwijderde, na de herhaling, dat hij

op verdere middelen ten opzichte van haren vader peinzen zou.--Beiden

gevoelden diep op dat oogenblik; want ook het verledene sprak luide op

den bodem van hunne ziel, en toch werd er door Boreel, door Anna geen

enkel woord van gerept. De beker van het tegenwoordige was te zeer met

edik gevuld om er nog alsemdroppelen van vroegere dagen in te mengen;

en--Boreel was niet naar de woning van de geliefde gesneld.--Hij was

er heengedreven door plichtgevoel en de volle bewustheid, dat de man,

op wien wraakzucht en haat zouden neerkomen, geen verrader was. Hij

had het dreigend gevaar willen afkeeren van het huis, waar aan zijn

edel hart eene grievende wonde geslagen was, en wij zagen in hoeverre

zijn edel voornemen bekroond werd.

Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 3 van 3) · 第 6 / 19 题