DERDE HOOFDSTUK.

Daags na de gevangenneming van meester Quirijn Dircksz Talesius, op

den tienden Mei, trachtte weder een vendel Spanjaards van de Fuik

en Pittemans-schans een dertig stuks koeien in handen te krijgen;

doch niettegenstaande zij ze reeds in hunne macht hadden, gelukte het

aan de stoutheid van tien stedelingen, hun het vee weder te ontnemen,

hetgeen drie dagen later van weerszijden herhaald werd. Dit, zoowel

als het binnen de stad komen van een briefdragend duifje, Woensdag

en Donderdag daaraanvolgende, bracht geene geringe blijdschap teweeg;

want in weerwil der omsingeling, kon op deze wijze de briefwisseling

met den prins levendig worden gehouden; en de raadselachtige Eenoog

had zijne duiven zoo tilvast doen worden, dat zij aan de belegerde

vest menige dienst zouden kunnen bewijzen.

Sedert eenige dagen waren er zware slagregens gevallen. Dit, zoowel

als het gedurig graven van den vijand, was oorzaak, dat er bij de

Kruispoort een gedeelte van een mijngang instortte, waardoor drie

der belegerden gedood werden. Terwijl nu daags daarna, onder geleide

van dertig soldaten, een post naar de vloot vertrok, kwam tot aller

blijdschap Hasselaar weder binnen Haarlem, en het was, alsof de moed

door de komst van dien jongen held nog verhoogd werd.

Maar ofschoon men op den zeventienden der maand de Fuikschans veroverde

en des nachts bij Jan Pitterman's huis, na het ombrengen van twee

schildwachten, een kleinen buit behaalde, waren velen in bittere

droefheid over eene plotselinge verandering van Matthijszen's toestand.

Sinds drie dagen had zich de koorts weer met fellen aanval vernieuwd;

ook had het losspringen van het verband op de wonde eenig bloedverlies

en verzwakking tengevolge gehad. Maar toch zonk hij niet weder in

dien akeligen bewusteloozen toestand van de eerste dagen; zijn geest

bleef helder, en hoewel meester Florisz hem het stilzwijgen opgelegd

had, was zijne stem bij enkele woorden met Maria of broeder Johannes

zoo helder, dat de lijder te dien opzichte zelfs niet door de minste

ongesteldheid scheen aangetast.

Reeds tweemaal had zich Hasselaar aan zijne woning aangemeld, doch

hoeveel warme vriendschap en achting de jonge vaandrig hem toedroeg,

was hij op verzoek van den heelmeester nog niet bij hem toegelaten

geworden.

Dat was een treurige omkeer, na de ontwaking uit een schijnbaren

doodslaap--na een dagelijksch toenemend herstel gepaard met levendiger

hoop en moed. Het was de vernieuwde aangreep van een heimelijken

vijand, die door al de aderen rondsloop. En dat deze zich slechts

in eene hinderlaag verborgen had gehouden, dat besefte Matthijszen

thans levendiger dan iemand; dat was daarom te treffender, wijl hij

gevoelde, dat die vijand bij vernieuwden aanval overwinnaar zou zijn.

--»Vrome vader!« zeide de zieke tot den Augustijner-broeder, die

aan zijn bed zat, »eer Maria wederkomt, moet ik een woord tot u

spreken. Alles zegt mij duidelijk, dat ik den dood heb te wachten. Hij

is niet ver af.«

--»De mensch kan geen borg wezen voor het leven of den dood van een

ander,« zeide Johannes, »maar toch valt het niet te loochenen, dat

zulke voorspelling bedrieglijk kan zijn.«

--»Maar bij mij is ze niet bedrieglijk,« hernam Matthijszen, »mijn

leven is opgeëischt, en de overgaaf van deze zwakke vest zal ik niet

vermogen te ontgaan.«

--»Ik wijs u op broeder Lucas in het convent!« hernam de kloosterling;

»ook hij werd gedrukt door een gelijk bezwaar; en de opwelling

der doodsgedachte nam van dag tot dag toe; ook wij allen zagen zijn

overlijden tegemoet; en zie, al langer dan een jaar is hij in volkomene

gezondheid, zijn plicht aan de kranken doende en vervullende iedere

taak, die hem is opgelegd.«

--»Uwe woorden mogen waar zijn, vrome vader; maar zoo iets is een

zeldzaam geval. Wel is mijn geest helder en mijne stem niet flauw;

maar ik voel, hoe de vijand van het leven omsluipt in mijn binnenste:

tegen zijn aanval zal elke verdediging zonder kracht zijn.«

--»Ge moet rustig wezen en stilzwijgen, mijn zoon: dat spreken vermoeit

u; en meester Florisz heeft het verboden.«

--»Er rust geen plicht op mij, om hem daarin ter wille te zijn; ware

het dus, ik zou hem niet weerstreven. Ik ben meester Florisz dank

schuldig, dat hij mij tot hulpe is geweest, en ik ben het ook u,

waarde vader! maar weerhoudt mij niet in het spreken; want weldra

zal ik stil wezen, als het graf, dat mij wacht.«

Op dit oogenblik werd de deur der ziekenkamer zachtkens geopend; de

gestalte der bejaarde huishoudster vertoonde zich en gaf aan broeder

Johannes een wenk. Deze stond van zijne plaats op en naderde haar.

--»Eerwaarde vader!« fluisterde zij, »daar is weder de jonge borst

Hasselaar; hij haakt met groote begeerte, om aan het bed te komen,

en bidt er zoo ernstig om, dat het mij niet van 't hart mag, hem te

doen heengaan.«

--»Meester Florisz heeft het verboden, Griete! de kranke moet alleen

wezen.«

--»Maar hij wil niet wijken,« hernam de huishoudster, »hij geeft er

de hand op, dat zijn mond niets zal reppen, en dat de aanschouwing

van mijn meester hem genoeg zal wezen.«

--»Vader! wat is er? Zeg het mij Griete!« liet zich de stem van

Matthijszen hooren; want zoo fijn en scherp was zijn gehoor, dat de

minste beweging hem niet ontsnapte. »Is de vaandrig er? Dat hij tot

mij gelaten worde.«

--»Mijn zoon!« zeide nu Johannes, »wees gedachtig, dat de zorg voor

uw welstand mijn plicht is. Het mag niet zijn.«

--»Neen, ik moet den braven borst zien en hooren,« sprak Matthijszen,

»ieder, die tot mij komt, moet ik zien; want spoedig zullen allen aan

mijn oog zijn onttrokken. Griete! wilt gij trouw wezen aan uw meester,

totdat hij sterft?«

De oude dienstbode antwoordde met een snikkend ja!

--»Zoo sluit gij voor niemand, wie er aankomt, de deur; het gezicht

en de spraak van mijne vrienden zullen mij troostelijk wezen, hoe

bitter ook het afscheid mag zijn.«

--»'k Zal doen naar uw verlangen, mijn meester!« sprak Griete, en

met tranen in de oogen begaf zich de oude sloof naar het voorhuis.

--»Als het dan uw uiterste begeerte is, zoo zwijg ik,« sprak Johannes,

»en ik bid de heilige moeder Gods, dat het u niet tot nadeel zij.«

Bijna op hetzelfde oogenblik trad nu Hasselaar het vertrek binnen,

en op zijn jeugdig gelaat las men innig leedgevoel, dat hij den

ouderen krijgsmakker op deze plaats moest bezoeken. Maar aan dat

leedgevoel paarde zich tevens eene soort van eerbied, dien de

bescheiden jongeling van verdienste voorzeker altijd dan gevoelt,

wanneer de even verdienstelijke vriend van rijpere jaren een braaf,

edel mensch is.

Hasselaar sprak niet, als dacht hij, dat de vriend sliep; maar

te gretiger zocht zijn levendig oog om het gelaat te zien, waarop

vaderlandsliefde en moed waren te lezen.

Matthijszen sprak dus het eerst--en die woorden hadden iets treffends,

iets roerends.

--»'k Ben nog niet ingesluimerd, Hasselaar!« zeide hij, »schroom niet

te spreken; 't is mij groote vreugd, u nog eens te zien, eer ik de

wereld verlaat.«

--»Wat droevige woorden gij daar spreekt,« was het antwoord. »Goddank,

dat ik tot u mocht komen: het ware mij anders eene bittere grieve

geweest. Ik hoop, dat uwe heeling aanstaande zij, en dat gij dra met

uwen jongen vriend weer naar den wal streeft.«

--»Heb dank voor deze hoop,« zeide Matthijszen, »maar zij zal te leur

worden gesteld. Ik zal den voet niet meer zetten op Haarlem's vest;

ik zal de hand niet meer aan het rapier slaan.«

--»Dat zijn sombere woorden, vreemd aan uw mond,« hernam de vaandrig,

»zoo menige kogel heeft u verschoond; waarom zoudt ge dan ook niet

kunnen ontslippen aan uwe krankheid?«

--»Neen, ik voel het; mijne polsslagen zijn geteld, en niet groot

meer is het getal. Maar wat rep ik over mij zelven!--Wat het mij tot

vreugd is, Hasselaar, dat ge zoo groot een gevaar ontgaan zijt! Laat

het mij hooren uit uw eigen mond.«

--»Het heeft weinig te zeggen, mijn vriend! Laat er mij veeleer de

woorden van sparen: zij mochten u vermoeien.«

--»Gansch niet, het zal mij niet hinderen. Veeleer zal het mij

aftrekken van droevige gedachten over haar, die zoo teer aan mij

verkleefd is.« En op veel zachter toon dan zijne eerste woorden,

sprak hij den zoeten naam: »Maria!«

--»Welaan! als 't u vergenoegen kan,« sprak Hasselaar, op zachten doch

verstaanbaren toon, »de zaak is korter dan ge misschien denkt. 't Is u

bekend wat mij naar Leiden dreef; weldra vernam ik, dat de terugtocht

met grooter gevaar verzeld was, maar toch trok mij 't hart naar

mijne bloedverwanten en vrienden in Haarlem: ook restte mij luttel

teergelds, en ik had verkeerde rekening gemaakt op den dank van den

predikant***, schoon mijne moeder hem eertijds meermalen ter sluik

gehuisd en gastvrij bejegend had. Nu was Zijne Doorluchtigheid binnen

Leiden en grootelijks om briefdragers verlegen, daar de zaak van te

wichtige aangelegenheid was om haar toe te vertrouwen aan een duifje,

dat lichtelijk weer door de Spaansche musketten kon geschoten worden,

en waardoor alles ware uitgelekt. Toen ik er de tijding van hoorde,

bood ik ruiterlijk mijne dienst aan....«

--»Zooals ik van u verwachtte,» viel Matthijszen hem in de rede,

»omdat ik weet, dat vrees voor gevaar u vreemd is.«

--»Meet mijn dienstaanbod niet te groot uit,« hernam de jongeling;

»want hevig was het verlangen, dat mij terugdreef naar Haarlem. Maar

hoor:

--»Hebt ge courage tot sterven, jonge borst?« vroeg mij Zijne

Excellentie.

--»Ik vrees den dood niet, als hij tot nut kan zijn van Haarlem,«

was mijn antwoord.

Toen stelde Zijne Doorluchtigheid mij brieven aan den magistraat, aan

Ripperda en Tseraarts ter hand, en die brieven waren gekokerd in lood.

--»Zweer mij, jonkman!« sprak hij, »dat gij, betrapt wordende van

den vijand, en in 't uiterste gevaar zijnde, dezen koker in het water

zult werpen.«

Ik toonde mij gewillig, maar het slot van de taak was forscher:

--»En zweer mij ook,« voegde Zijne Excellentie er bij, »dat gij u 't

leven zult benemen, eer de vijand u door pijn tot bekentenis dwingt,

op wat plaats 't gezonken lood schuilt.«

--»En ge deedt dat koene stuk?« vroeg Matthijszen; »gewis, de neef

van eene Kenau Simons heeft dien eed gedaan.«

--»Waarom niet?« hervatte de vaandrig, »het was voor Haarlem. Gevangen

wordende, had ik toch aan den strop moeten gelooven. Ik aanvaardde

dan de boodschap onder belofte, onder eede, en--ik nam de reis

aan. Eensdeels te voet, andersdeels zwemmende; nu eens beloerd, dan

belaagd en achtervolgd, ben ik door 's vijands wachten heengeslipt,

en ik heb groote aanleiding tot dankbaarheid, dat ik ongedeerd binnen

de stad ben gekomen.«

--»Voorwaar! die koene stap is grooter lof waard, dan men u ooit

geven kan,« zeide Matthijszen, »brave vriend! of ge gevoelen mocht,

wat vuur van geestdrift er in mij brandt.«

--»Als 't gevaar had genepen, weet ik nog niet, hoe mijne zinnen

zouden geweest zijn;« hernam Hasselaar; »maar ik geloof, dat ik houw

en trouw zou geweest zijn aan mijn woord.«

--»Bij Ripperda! gij hadt geen seconde gedraald: ik ken u te wel,«

sprak Matthijszen, de klamme hand uitstrekkende, om zachtkens de hand

te drukken van zijn jongen vriend, »nog eens, uw moed was groot.«

--»Men noemt zoo licht moed, wat niet dan eigenbelang of plicht is,«

zeide Hasselaar; »de liefde voor mijne moeder en mijne moei dreef mij

naar de stad, en het was mijn plicht bovendien. Of heb ik het vaandel

en het musket niet aangegrepen voor Haarlem? Is het mijn plicht niet,

dat vaandel op den wal te laten zien? Met mijn musket den vijand

af te weren? Is het mijn plicht niet, iederen dag en ieder uur voor

Haarlem in den dood te gaan? Ben ik bovendien, zooals gij zelf zegt,

den neef van Kenau Simons niet?«

Op dat oogenblik was het, dat Maria met hare moeder aan de woning

van den geliefde verscheen, en ofschoon beiden eene wijl met de oude

Griete in het voorhuis vertoefden, had Matthijszen haar maar al te

wel gehoord.

--»Maria!.... o, moeder Gods!« zeide hij zacht, de hand van Hasselaar

warmer drukkende, »haar heb ik het droevig woord nog niet toegesproken,

en toch moet het; want mijn levenseind is niet ver af.«

--»Och ik bid u, mijn zoon!« sprak de Augustijner-broeder Johannes,

met een innig gevoel van deelnemende zorg, »stel u tot rust; want uw

lichaam is te zwak tot weerstand van vermoeienis.« Te gelijker tijd

de hand van den lijder, ter hoogte van den pols, in de zijne nemende,

bemerkte Johannes met inwendige smart, dat de koorts andermaal in

aantocht was.

--»Gewis, mijn vriend! de goede kloosterbroeder heeft recht,« zeide

Hasselaar, »gij moet rust nemen, en ik wijk van uw bed, om u spoedig

weder te zien.«

--»Heb dank voor uwe deelneming,« sprak Matthijszen, »maar toef niet

te lang; want weldra zal het met mij gedaan wezen. Hasselaar!« voegde

hij er bij, »zeg aan Ripperda, Van der Laan en Kenau, dat het mijne

warme begeerte is, hen vandaag nog eens tot mij te zien.«

--»'k Zal doen naar uw verlangen,« sprak de jonkman; hem vervolgens

andermaal zachtkens de hand drukkende; met den vurigen wensch tot

eene beterschap, die niet vervuld zoude worden, verliet hij hem; en

terwijl er een traan in zijn zacht oog blonk, zeide hij in zichzelven:

»Eilaas! het graf toeft hem.«

In het voorhuis stonden nog Maria en Hadewij, als waren zij in

tweestrijd om het ziekenvertrek binnen te treden. De blik, dien Maria

op hem wierp, doorsneed hem de ziel; en de held, die gevaar noch dood

vreesde, dankte den Hemel, dat Maria den moed niet scheen te hebben,

hem te vragen: Hasselaar! wat denkt gij van hem?

Met een diepbewogen gemoed ijlt Hasselaar de straat op, waar de een

door den anderen kruist, of waar sommigen eene groep vormen en met

gebaren en woorden over eene zaak van aangelegenheid spreken. Want

het is de achttiende Mei; zooeven heeft de magistraat aan de burgers

bekend gemaakt, dat, volgens opgave van den proviandmeester Deijman,

het dagelijksch rantsoen voor ieder man op één, en voor vrouwen

en kinderen op een half pond tarwebrood was gesteld,--dat sommige

vrouwen zich met moutkoeken moesten behelpen, zoowel als zij,

die aan het rantsoen niet genoeg hadden, daar er geen roggebrood

meer voorhanden was; terwijl voorts de brouwers geen duurder bier

mochten brouwen dan van een gulden de ton. Ripperda daarentegen had

bevolen, dat de bastions uitgediept en de walgangen, zooveel als de

omstandigheden dit toelieten, versmald zouden worden, ten einde met de

aldus verkregene aarde de borstweringen zooveel mogelijk buitenwaarts

te verbreeden. Deze maatregel was noodzakelijk; het ravelijn nam

daardoor niet alleen twee vademen in dikte toe, maar men behoefde nu

ook minder vrees te voelen voor den schadelijken invloed der kleine

tegenmijnen op de eigene werken. Het was een treffend gezicht, weder

honderden met onverwrikten moed aan dit werk de hand te zien slaan,

honderden, aan wie zoo even nog het bericht in het oor had geklonken,

dat de voorraad van levensmiddelen weldra zou uitgeput zijn.

En welk een contrast vormde dat gejoel van daarbuiten met de stilte

binnen het ziekenvertrek.

Daar was meester Florisz weder verschenen, terwijl Maria met een

strak en somber gelaat aan het hoofdeinde zat. Hij behoefde niet te

bevestigen, wat broeder Johannes van het weder aannaderen der koorts

had opgemerkt. Geen half uur was verloopen of men zag de duidelijken

kenteekenen van de intrede. Die huivering vergezeld met huidkramp, dat

zware en matte van het hoofd, die kille vingertoppen, dat loodblauwe

van nagel en lip, die schijnbaar zwakke pols getuigden ervan,--en

weldra oefende zij een zichtbaren invloed uit op den lijder.

--»'t Is onvergeeflijk,« zeide de heelmeester ontevreden, »dat men

mijn raad niet stipt achtervolgd heeft; op zulk eene wijze is al mijne

hulp ijdel en onnut; de koorts is geboren uit geweldige vermoeiing,

of, zoo al niet, dan is zij er ten minste overmatig door verhaast.«

Nu schudde hij het hoofd, trad naar den lijder, voelde hem den pols,

bezag hem ernstig, en trad vervolgens weer terug, terwijl hij andermaal

het hoofd schudde.

--»Zij gaat ras voort,« sprak hij gemelijk en verdrietig, »de huidkramp

neemt toe, het hoofd heet, de wangen als vermiljoen, pols vol en hard,

de oogen glinsterend en de slapen gloeiend; een halfuur nog--en de

rauwheid is dáár.«

--»Gij dwaalt, meester!« zeide Matthijszen, met sneller ademhaling,

en met de hand aan het hoofd, waar hij pijn gevoelde, »zoomin als

gij de schuld zijt van een nieuwen aanval, zoomin ben ik het. Reeds

lang voor den middag voelde ik, dat mij de koorts weer zou aantasten:

en--ik heb mij niet vergist: zij zal nochtans de laatste wezen.«

En aan dat woord laatste gaf hij al den nadruk, dien hij er mede

bedoelde, om Maria voor te bereiden. Dat woord moest haar uitlokken

tot eene vraag, wijl het zooveel dubbelzinnigs behelsde; doch Maria

hechtte er aanstonds de beteekenis aan, die haar angstig gemoed haar

ingaf en, nadat meester Florisz weder vertrokken was, zeide zij met

eene schroomvallige stem:

--»Hendrik! wat zin heeft uw woord?« Zij vatte de klamme hand van

den zieke in de hare, en het was, alsof ook haar eene koortshuivering

door de ziel ging.

--»Maria! het zal mijne laatste koorts zijn,« herhaalde hij, en hij

behoefde er niets anders bij te voegen, daar de toon, waarop het

uitgesproken werd, geene twijfeling overliet aangaande de zekerheid

van den zin.

--»Hendrik! bij de heilige moeder Gods! wat spreekt gij?« zeide

het meisje, »dat is een ijselijk woord van uwe lippen. Herroep dat,

zoo ge niet wilt, dat ik reeds nu verzinke in de diepte van smart.«

--»Maria, of ik het herroepen mocht om uwentwille! maar dat vermag ik

niet; want ik voel het, hier zal ons de band van liefde niet verbinden;

dáár.... Maria! wel dáár....« Van de hand, die zij werktuigelijk

in de hare geklemd had, verhief zich een der vingers naar omhoog,

als wilde hij het verblijf aanwijzen, dat zijn mond niet genoemd had.

--»Hendrik! wat grieft, wat scheurt ge mij het hart vaneen; spreek

zoo droevig niet! Dat zou te fel eene smart wezen na zoo frisch eene

opluiking van hoop.«

--»Maria! laat uw hart niet verscheurd wezen. Wat zal ik u vleien met

een zoet bedrog van beterschap?--Wees moedig zooals ik ben; hier is

het de overgaaf van de zwakke vest; daar zal het de herwinning zijn.«

--»Moeder, moeder! hoort gij dat somber woord?« sprak Maria, terwijl

zij Hadewij met zichtbaar zielswee aanstaarde.

--»Maria! op aarde woont enkel leed: wij moeten het dragen,« zeide

Hadewij, »en gelukkig is hij, dien het niet prangt in 't gewisse,

dat hij anderen leed heeft gedaan.«

Dat waren woorden, die diepe droefheid verrieden, maar droefheid in

een gemoed, dat door de bitterste ramp gedrukt, minder aandoenlijk,

minder gevoelig is geworden voor eene nieuwe ramp, omdat geene het

zoo zwaar meer toeschijnt, dan het reeds geleden heeft,--omdat de

scherpste hoeken eener andere smart in hare werking afstompen en dus

die wonden niet meer kunnen toebrengen, welke zij in anderer boezem

slaan; en wanneer zulk een gemoed door nieuw leed getroffen wordt, dan

doen beelden van vroegeren kommer, opnieuw in treurige werkelijkheid

verrezen, den alsem der bitterheid opwellen.

Zoo was het ook met Hadewij. In plaats dan, dat Maria's hart een straal

van vertroosting opving, werd zij nog dieper neergedrukt, en in haar

oog sprong nu een traan, die langs hare bleeke wang op het klamme

laken vloeide. Dat was een somber, dat was een diep-treurig oogenblik,

nog vermeerderd door den zonneschijn, welke door de kleine in lood

gevatte vensterruiten in de kamer drong, daar de zware gordijn voor

het raam geene vrije speling aan dat licht toeliet, eene phantastische

gedaante op de sponde vormde, schier volkomen gelijk aan het beeld,

dat wij ons van den dood voorstellen.--

--»Och, moeder! zie mij niet zoo donker aan,« bad Maria; »doe die

sombere gedachten van hem wijken. Hendrik!--gij hebt dat woord immers

niet gesproken? Gij zult beter worden, niet waar?«

--»Maria!« zeide Matthijszen, »mijn geest is helder; maar de nevel

zal weldra komen; ontroof mijn moed niet door uwe droefheid. Laat

mij bidden, Maria! voor u, die nablijft, opdat het u wel ga: laat

mij bidden, Maria! voor uwe moeder. Dat ook zij mij de hand toereike!«

--»O God! het knelt mij zoo zwaar,« nokte zij, en meer dan een traan

vloeide op het bed; »weg met die holle gestalte, ik ben er schuw van,«

en smeekend zag zij naar den Augustijner-broeder, en wees op het

phantastische voorwerp, dat zich daar nog altijd op de legerstede

vertoonde. Broeder Johannes begreep haar, en zich naar de gordijn

begevende, deed hij, door eene beweging aan het koord, het akelige

beeld vluchten. Maar schoon dat beeld vlood, bleef echter het wezen

van den dood rondom het bed waren.

--»Er is geene opluiking van hoop meer,« prevelde meester Florisz,

toen hij andermaal met artsenijen terug was gekomen. »Verdraaiing van

de oogen,--de appels onbeweeglijk, benauwende hik, bevende pols,--de

koking is voorbij, geene opluiking van hoop meer.«

Meester Florisz zag juist. Na de rauwheid, zooals men in die dagen

het tijdperk van de hitte en koude noemde, was van lieverlede de

hitte tot een zekeren graad geklommen; en het niet vermeerderen der

verschijnselen, sinds het tijdperk der toeneming, bewees, dat de

koorts op hare hoogte was gekomen. Ongewoon snel hadden zich echter

nu de laatste verschijnselen opgedaan, waarvan meester Florisz sprak;

en ieder wist dat deze gevaarlijk waren.

Hadewij had voor een oogenblik de hand van den lijder aangegrepen,

wiens onleschbare dorst, in weerwil van het onverpoosd drinken, niet

kon gestild worden. Op eens trok zij hare hand terug, en half hoorbaar

kwamen nu de woorden van hare lippen: »Mijn echtgenoot gemoord!.... en

nu ook hij naar het graf. Christus, mijn Heer, kan dat Uw wil zijn?«

Eenige minuten daarna scheen Matthijszen voor een oogenblik te

sluimeren, en toch was het nog de laatste sluimering niet. Bad

hij wellicht? Het kon zijn; want zijn levenswandel was die van den

held en christen geweest. Maar dat zag men zichtbaar, dat de vrome

kloosterbroeder zich kruiste en voor het heil van den kranke zijn gebed

opzond;--dat Maria voor hetzelfde aandoenlijk beeld, waar zij vroeger

voor dankte, ook thans geknield, warm, vurig bad;--en in dat oogenblik

van droefheid, van stilte, van aanbidding, hoorde men gerucht in het

voorhuis:--eenige seconden nog en--binnen het ziekenvertrek kwamen

Ripperda, Van der Laan, Kenau en Van Duivenvoorde.

Hasselaar had niet verzuimd, het verzoek van zijn vriend te vervullen;

geen hunner had geaarzeld, zich voor eene wijl van zijn gewichtigen

post als het ware los te scheuren, om nog eenmaal bij den stervende

te zijn.

Nu scheen het, dat Matthijszen niet gesluimerd had; dat hij slechts

Maria had willen sparen voor nog dieper indrukken van leed; want

niet zoodra was Ripperda het bed genaderd, of zijn matte blik nam

een levendiger gloed aan, en op de zachte vraag: »hoe is het u,

brave vriend?« antwoordde hij met duidelijke stem:

--»Heb dank, mijn heere! dat gij mijn wensch hebt vervuld. En zie ik

niet Kenau Simons en Van Duivenvoorde?«

--»Zij vergezellen mij,« sprak Ripperda, »en dat zou ook geschied

wezen uit eigen beweging, zonder uw verzoek.«

--»Maar ik vreesde niettemin,« sprak Kenau, »dat vreemder bijzijn u

tot hinder zou strekken.«

--»Gansch niet,« sprak Matthijszen, »'t Is mij zeer troostelijk en tot

groote vreugd, bij het bitter besef, dat ik de vrijheid van Haarlem

niet overleven zal. O! of gij voelen mocht, hoe fel het mij smart, dat

ik in duisternis wegzink, eer voor Haarlem dat helder licht aanbreekt!«

--»Heilige maagd!« sprak Hadewij in zichzelve, »dat gaat hem dieper aan

't hart, dan het lot van mijn kind; en dat spreekt hij tot den moorder

van mijn echtgenoot, dien ik daar aanschouw voor mijne oogen. Maar

die moorder zal niet heengaan uit dit vertrek, eer ik wraak over hem

uitgesproken heb....« En de blik, dien Hadewij op Ripperda sloeg,

was de blik van scherpe, bittere zielesmart.

--»Gij hebt meer gedaan, dan uw plicht van u eischte!« zeide Ripperda;

»zoo de dood uw leven opvraagt, dat God nog verhoede, dan moogt gij

de overgave doen, rustig voor u zelven, en onbekommerd, dat een ander

u iets verwijt.«

--»'t Faalt mij niet aan moed tot den dood,« hernam Matthijszen, »maar

't grieft mij, dat ik uit het midden van gevaar word weggerukt. Op

die smart, op die teleurstelling had ik niet gerekend.«

--»De held is ook op smarten en teleurstellingen gewapend,« zeide

Kenau, want ze volgen elkander als de golven van de zee. Standvastig

ons lot te dragen, is de grootste wijsheid, en het geloof in eene

betere wereld te herleven, de rijkste hoop.«

--»Ja, zoo mag Kenau Simons spreken,« zeide Matthijszen, »bij wie mijn

moed, mijne kracht wegzinkt in 't niet. Maar Maria beklemt mij. De

donkere dagen zijn voor Haarlem gekomen, en ik zal haar, die mij zoo

lief is, in die donkerheid niet tot verdediging kunnen zijn.«

--»En is Wigbolt Ripperda, is burgemeester Van der Laan, is Kenau

Simons er dan niet meer?« vroeg de heldin, uit wier oog thans een moed

straalde, als had de natuur haar tot macht en bevelvoering gekenmerkt.

--»Die woorden verlichten mij,« hernam Matthijszen. »Vergeef

mij, zoo ik u miskende, moedige vrouw. Kenau Simons! mijn heere

Ripperda! belooft gij mij dus, dat gij Maria tot bescherming zijn

zult? Dat gij ook hare moeder verdedigen zult tegen geweld?«

--»Dat beloof ik u,« antwoordde Kenau. »Leg uwe hand in de mijne.«

Matthijszen deed het, en nu bracht Kenau zijne hand aan haar hart. »Gij

voelt dat hart kloppen,« sprak zij, »het is het hart eener vrouw,

waarin de Hemel een diep gevoel heeft gelegd: aan dat hart zal uwe

Maria moederlijke bescherming vinden, wanneer dit zijn moest. En hier

voelt gij het gevest van mijn rapier; dat is het rapier, aangegrepen

door eene zwakke vrouw, die nochtans sterk kan zijn. Ook met dit rapier

wil ik haar verdedigen, wanneer de taal eener vrouw dit niet vermag:

ik zal voor haar waken, dag en nacht; gij kunt dus gerust zijn;

want Kenau Simons belooft het u plechtig voor het aanschijn van God.«

--»Ook op mijne eer,« sprak Ripperda en zijne hand strekte zich

reeds uit, om die van den zieke te drukken en eene dure belofte uit

te spreken. Doch eensklaps, als door eene slang gestoken, verhief

Hadewij zich met eene schrikbarende gemoedsbeweging van haren stoel;

met de hoogste uitdrukking van bitterheid en snerpend wee bracht

zij hare rechterhand op Ripperda's mond, en toen met een gelaat,

dat onbeweeglijk bleef als het marmeren hoofd van Medusa, riep zij

op somberen toon uit:

--»Geene belofte uit uw mond. Uwe hulp zou mij tot straf wezen.--Gij

hebt mijn echtgenoot vermoord, en moogt zelf toezien als de kreet

van wraak zal opgaan tegen u.«

Ontzettend klonken die woorden aan de sponde van eenen stervende,

in de ruimte van een vertrek, dat weldra met floers behangen zou

zijn;--en zij klonken te schriller, omdat geene van gramschap

sidderende lippen ze uitspraken, maar omdat zij geperst werden uit

de diepte van onheelbare smart.

--»Mijn kind!--Maria!« zeide zij nu, het meisje hartstochtelijk aan

haar hart drukkende, »uw Hendrik sterft; hij zal u dus niet beveiligen

tegen geweld, maar zweer mij, zweer mij het hier, dat gij al de hulp

zult afwijzen, die de moorder uws vaders u ooit mocht aanbieden....«

--»Moeder.... wat gij mij fel de ziel verscheurt!....« klaagde

Maria, »deze woorden in dit uur.... ik sidder; dat kan, dat vermag

ik niet.... O, wees niet onvergeeflijk! heb mededoogen; Ripperda is

de moorder mijns vaders niet.«

En Maria wilde zich uit haars moeders armen losrukken, om naar

de legerstede van den geliefde te snellen, maar Hadewij hield haar

vaster omkneld; haar boezem hijgde, en de blik, dien zij op Haarlem's

verdediger wierp, scheen te zeggen: »Zijt gij zijn moordenaar niet? wie

is het dan?«

Ripperda stond daar, niet ontroerd, niet verschrikt over een bitter

verwijt, dat alleen de nieuwe oprijting eener felle wonde hem kon

toeduwen; maar hij stond daar, bewogen, getroffen over een tooneel

aan het bed van den lijder, wiens laatste polsslagen klopten.

--»Vrouw!« sprak hij met de armen op de borst over elkander geslagen,

»dat verwijt, zoo schamper en zonder grond, vergeef ik aan uwe bittere

smart. De ziel van Ripperda is vrij van alle schuld aan zijn lot. Wat

de bevelvoerder van Haarlem deed--hier is het de plaats niet om er

zich over te verantwoorden. Maar weet,« voegde hij er bij, »dat die

bevelhebber een Fries is; de tijd zal hem rechtvaardigen; hij deed

zijn plicht in de oogen van den prins, en--hij kan zich verantwoorden

voor God.«

Maar nog raakten deze woorden slechts de oppervlakte van Hadewij's

gemoed. Nieuwe smart kwam op hare lippen en zij wilde nieuwe woorden

van bitterheid spreken; doch de Augustijner-broeder hield haar terug.

--»Laat rustig en vreedzaam sterven, op wien de hand van den dood

drukt,« zeide hij tot haar, »haten wij niet, wie ons in leed brachten,

opdat wij kinderen mogen zijn van onzen Vader in den Hemel. God

beproefde zelfs zijne heiligen door tegenspoed en droefheid; wees dus

rustig en gelaten; dat smeek ik u bij de heilige moeder Gods, die het

hart verlicht en beveiligt.« En terwijl de brave kloosterling deze

woorden sprak, scheen een straal van heilige kalmte op zijn voorhoofd

te schitteren; het was, alsof die woorden van de lippen eens engels

der liefde ruischten.

--»Och! of ge kampen mocht tegen de droefheid uwer ziel!« sprak Van

Duivenvoorde. »Het lot der dagen, die wij beleven, prangt ook zwaar

op mijn hart; maar ik leg mijn leed in de hand van God, vol vertrouwen

dat het wezen zal tot mijn heil.«

En de taal van Johannes, doelende op Christus' zachtmoedige

vergevensgezindheid bij smadelijke miskenning, maar vooral ook de

taal van Van Duivenvoorde vond weerklank in Hadewij's ziel. Daar

stond toch een man tegenover haar, die door den storm van het lot

bestreden werd, tegen wien de golven van het leed aanklotsten. Bedacht

Hadewij dit? Vergeleek zij slechts vluchtig hare ramp met die van

Van Duivenvoorde? Of oefende diens edel, minzaam en kalm gelaat--dat

gelaat, waarop geen zweem van leed, van weedom zichtbaar was, een

plotselingen invloed op haar uit? Hadewij zag hem eenige seconden strak

aan, wierp toen een blik op Ripperda, een blik op Maria en de sponde,

en waggelde vervolgens langzaam naar een aangrenzend vertrek, doch niet

zonder deze laatste woorden te doen hooren: »Heilige God! hij deed Van

Schagen in een afgrond storten, en op dezen kleefde geene schuld....«

Maar terwijl Van Duivenvoorde en de Augustijner-broeder haar in dat

aangrenzend vertrek volgden, en Maria, op de bede van den geliefde

bij hem bleef, had er daar een even aandoenlijk als verheven tooneel

plaats.

--»Och, mijn heere!« zeide Matthijszen, en men merkte op, dat zijne

stem flauwer werd, »vergeef het aan de smart, die uit haar sprak,

en doe mij de belofte, waarin zij u weerstreefde. Maria! gij wilt

dit immers? Gij wilt die hulp niet terugwijzen?....«

--»Hendrik!.... mijn hart wraakt hem niet,« antwoordde zij snikkend,

»maar wie kan mij tot hulpe wezen dan God?«

--»De mensch kan het middel zijn tot betooning van Gods bijstand,«

sprak Ripperda, met waardigheid, »en zoo ik dit werktuig ware, geen

gemoed dan het mijne, zal vuriger streven naar de rust en den troost

van uw hart.«

--»Heb dank!« zeide Matthijszen, terwijl hij zachtkens Maria's hand

drukte, ten teeken, dat er een gewicht van zijne borst was gewenteld,

»maar nog deze wensch,« ging hij voort, »Haarlem's donkere dagen zijn

reeds gekomen; en mijn hart zegt mij, dat de moed op zware proef zal

worden gesteld; velen zullen wankelen in het uiterst uur; maar gij,

Ripperda, gij Van der Laan! belooft mij, eer ik voor Haarlem sterf,

dat gij, in dat uiterst uur pal staan zult voor den roem en het heil

mijner stad: te lichter zal mij dan de dood zijn.«

Zoo men gezien had, hoe de lijder, bij deze bede, zich inspande

om meer uitdrukking, meer verheffing aan zijne stem te geven; zoo

men gezien had, hoe toen een laatste maar levendiger gloed in die

brekende oogen flikkerde, hoe de matte hand zich krachtiger bewoog,

als wilde zij zich om een rapier klemmen, dan zou men uitgeroepen

hebben: »wee den lafaard, die zich thans geen held gevoelt.«

Maar na die bede was het, dat ook al de geestdrift, al de moed, al

de onbezwekenheid van eenen Ripperda zich met sprekende trekken op

het stout gelaat teekenden. »Licht valt het, te sterven te midden

der overwinning,« sprak hij, »zwaarder valt een dood als deze.«

Statig en eerbiedwekkend hief hij vervolgens de rechterhand, die

op het bed rustte, naar omhoog, en op helderen en toch zachten,

op plechtigen toon sprak hij toen: »Ik zweer bij God en den prins,

mijnen heer, aan het doodbed van een braaf en wakker man, dat ik

moedig en opbeurend bij de bangheid zal zijn, en ongeschokt bij 't

gevaar. Hoe het donkerder moge worden voor Haarlem, het zal niet donker

worden in mijne ziel. Ik zal onwrikbaar staan op den wal en binnen de

stad:--zoo ik met mijn leven Haarlem's heil en vrijheid kan koopen,

ik zal niet aarzelen met de teruggaaf van een leven, dat mij slechts

geschonken werd als leengoed. En zoo u dit tot troost zijn kan--hoor

het dan in uwe laatste ure: »Wiens standvastigheid moge wankelen,

ik zweer het, met Gods hulp wankelt de mijne nooit.«

Na het uitspreken dezer woorden, ook door Kenau en Van der Laan

gedeeltelijk bevestigd, zag Matthijszen, hoe de hand van Haarlem's

bevelhebber zich in die van Haarlem's burgemeester en heldin sloot,

als een verbond--vernieuwd aan het krankbed van eenen stervende, wiens

leven, evenals het hunne, aan den godsdienst en de vrijheid gewijd

was. Het was een aandoenlijk, een treffend gezicht--die vrouw en die

mannen, met al het fiere, al het groote hunner ziel op het gelaat,

aan de legerstede van een held, om wiens lippen reeds de dood zweefde,

doch wiers geest nog zoo helder en levendig werkzaam was voor het heil

van zijn vaderland. En naast hen de teedere Maria, beurtelings met

het oog naar de hemel, of naar hen, of naar den stervende gericht,

wel door weedom bestreden; maar toch geschraagd door hetgeen zij

hoorde, door hetgeen zij zag. Den stervende, met al zwakker en

flauwer wordende stem te hooren stamelen: »o, mijn Heiland! dat

Haarlem vrij moge zijn! Ripperda! Van der Laan! Kenau!« vervolgens op

nog zachter maar ook teederder toon, dat lieflijke woord: »Maria!«

bij herhaling van zijne lippen te hooren, en dan weder eene korte,

doodsche stilte.... dit alles was een indrukwekkend, een roerend

tooneel, dat niet licht uit de ziel verloren zou gaan. Het was de

levensuitgang van een held,--een plechtig verbondsoffer bij een offer

des doods,--de eed van helden aan den rand van een graf.

Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 3 van 3) · 第 4 / 19 题