TWEEDE HOOFDSTUK.

Reeds vier dagen waren verloopen, en nog altijd had Matthijszen's

worsteling tusschen leven en dood voortgeduurd. Koortsen hadden dat

lichaam aangegrepen, en hare kracht vereenigde zich met de pijnen der

wonde om hem te ondermijnen. Maar de zesde dag was daar en--de koorts

keerde niet terug. Meester Florisz had opnieuw het verband gelegd,

en nadat de daardoor ontstane afmatting weder eenigszins tot rust was

overgegaan, gaf de heelmeester te kennen, dat er slechts dan hoop op

zijn behoud was, wanneer de koorts geheel achterbleef.

En wie was het, wien meester Florisz deze hoop toefluisterde? Was het

niet de geschokte, zwaar bekampte Maria, die dag aan dag, uur aan uur

aan de sponde van den geliefde gezeten, aan eene Maria in den hemel

zoo menige vurige bede voor zijne redding had opgedragen? Gelijk de

wind den kelk eener bloem doet buigen, zoo zat zij daar, door droefheid

nedergedrukt met de lijkkleur op hare wangen en waande elk oogenblik de

hand des doods te zien. Wel bewogen zich Matthijszen's blauwe lippen

bij den aanval en voortgang der koorts; maar ze bewogen zich niet,

om Maria slechts het ééne woord toe te fluisteren: »Maria!«

--»Of ik slechts dat ééne woord hooren mocht!« sprak zij dan in

zichzelve, »dat zou mij een schat van heil wezen. Maar, helaas! mijner

heugt hem niet meer; mijn beeld is hem ontnomen, mogelijk voor altijd.«

Als op donsen schoenen, waardoor zelfs het geringste geruisch vermeden

werd, naderde nu de eene dan de andere vriend den lijder. Gisteren

was het Ripperda; en het was een treffend tooneel, toen de kloeke

Fries daar stond bij het bed van een held, die reeds zooveel gevaar

had getrotseerd. Aandoenlijk was het, wanneer in dat mannelijk oog een

traan van medegevoel opwelde, terwijl beider mond stom bleef. Gisteren

ook was het burgemeester Van der Laan. En ook deze schaamde zich

den traan in zijn oog niet; want dan is de traan eene echte parel,

wanneer hij uit een gemoed komt, dat kracht genoeg heeft om den

last der tegenheden te dragen en zich door geene schrikbeelden te

laten ontzetten. En had hij, die daar bewusteloos tusschen leven en

dood zweefde, niet evenzeer de moeilijkheden van het stadsbestuur

helpen uit den weg ruimen, als voor Haarlem's vrijheid het rapier

aangegrepen? Maar hij zag noch Ripperda, noch Van der Laan: en al

had hij besef gehad van hunne deelnemende tegenwoordigheid, dan nog

zou hij de matte hand niet naar hen uitgestrekt, hun geen afgebroken

klank hebben kunnen toevoegen. Dan weder was het Kenau, die aan het

ziekbed verscheen; en dat vooral was een grootsch tooneel. Die vrouw,

zoo moedig, zoo stout, van den wal gesneld naar eenen doodelijk

gewonde. Haar het oog te zien slaan op hem aan wiens zijde zij even

dapper den vijand had afgekeerd, en in dat oog thans niets anders

te lezen dan alles, wat de vrouw als medelijdend, als teeder, als

gevoelvol zoo beminnelijk doet zijn. Haar schier den adem te zien

inhouden, opdat niets den lijder zou kunnen hinderen. Maar onder

dat tooneel, opeens het gebulder van 't geschut te hooren, als eene

tegenstelling met de stilte binnen het lijdensvertrek! Dan te zien, hoe

die kalmte, die rust op haar gelaat op eens overging in fierheid, hoe

de schijnbaar sluimerende moed weer opeens uit haar oog straalde--dat

was grootsch, dat was schoon.

Maar op dien zesden dag, toen geen nieuwe aanval der koorts zich

deed gevoelen, toen ook scheen de bewustheid van den lijder terug te

keeren. Behalve meester Florisz, die tweemaal daags een nieuw verband

legde, genoot Matthijszen de gedurige verzorging van Johannes, den

broeder-heremiet der St.-Augustijns-orde. Martinus van Herenthals,

de gardiaan van dat klooster, in de Achterstraat, noemde broeder

Johannes een der bekwaamsten en hulpvaardigsten van het gansche

convent. Inderdaad! hoeveel achting en eerbied de Alexianen--aldus

naar hunnen patroon Alexius geheeten--over het algemeen verdienden;

hoe verre zij boven zooveel nuttelooze kloosterlingen van dien tijd,

over het algemeen uitblonken, was broeder Johannes de meest geschikte

van allen om de op de orde rustende verplichting, de oppassing van

zieken en gekwetsten, te vervullen. Men verbeelde zich iemand met een

minzaam beschaafd voorkomen en fijne trekken, terwijl de eerder bleeke

dan blozende tint iets innemends aan zijn gelaat gaf. In zijne cuculla

of opene kap met mouwen, donkerzwart en het teeken van voortdurenden

rouw, zag hij er bovendien belangwekkend uit; doch eerst dan, wanneer

men zijne liefdevolle handelingen gadesloeg en zijne gesprekken

hoorde, eerst dan kon men begrijpen, dat de Augustijner-broeders uit

de Achterstraat waarachtigen eerbied verdienden en hun klooster wel de

uitzondering waard was, dat het keizerlijk plakkaat, tot afschaffing

van alle kloostergiften, zich niet tot deze orde uitstrekte.

--»Juffer!« zeide hij tot Maria, toen hij gezien had, dat Matthijszen

een weinig sluimerde, en toen beiden binnen een aangrenzend vertrek

waren gegaan, »de heilige maagd zij gedankt: er is een kleine straal

van hoop.«

--»Ik ducht, dat het zoet bedrog is, waarde vader!« antwoordde zij;

»hebt gij niet opgemerkt de twijfelmoedigheid van meester Florisz? en

alleen dan was er hope, sprak hij, wanneer de koorts gansch achterwege

bleef.«

--»Dankbaarheid past ons zelfs voor de geringste hoop,« hernam

Johannes, »één straal kan een licht worden, en één zaadje, in goeden

grond, gedijt tot een boom.«

--»Och! of ge kennis droegt aan zijn gemoed, zoo als ik, waarde

vader! gij zoudt met mij bidden tot de heilige moeder Gods. Zoo

wakker van hart; zoo ijverig in 't vervullen van zijn plicht, en

zoozeer strevende naar de vrijheid van Haarlem! Helaas! hoe dat het

mijner moeder van 't hart mag, hem te verwijten, wat zoo gruwzaam

mijn vader trof.«

--»Meet dit uwe moeder niet toe met de volheid van uwe droefheid. Hare

grief toch was bovenmate en als ons gemoed nieuwe aanleiding vindt

tot rouw, dan is het soms gelijk aan eene vlam, die door olie gevoed

wordt.«

--»Ja, het was een deerlijk lot, dat mijn vader trof; maar toch

voel ik geen wrevel tegen mijnheere Ripperda. Zoo hij buiten macht

en rede gegaan is, dan zal hij 't Hem moeten verantwoorden, die de

onvervalschte maat en schaal in de hand heeft.«

--»Oorbaar en verstandig gesproken. Laat ons niet treden in

het gericht over onzen broeder. Één leeft er, aan wien dit

toekomt. Maar.... bedrieg ik mij niet? hoor ik daar niet uw naam?«

Terwijl Johannes dit zeide, hield hij den wijsvinger op den mond,

en ijlde onhoorbaar naar den lijder.

--»Maria!«--liet zich daar eene stem hooren, en het was de stem van

Matthijszen, die nu te gelijker tijd een matten, flauwen blik op den

broeder sloeg.

IJlings was ook Maria het bed genaderd. Zij sidderde aan al hare leden,

toen de zachte toon van het woord Maria in hare ziel drong: en toch

voelde zij zich zoo gelukkig, als had een engel haar naam genoemd.

--»Hendrik!« lispelde zij, of liever, die naam scheen op een golvend

donsvedertje den geliefde tegemoet te ruischen. En Hendrik scheen

het te hooren; want zijn doffe blik nam de richting naar Maria,

en zachtkens bewoog zich zijne rechterhand, die zich misschien naar

haar uitgestrekt zou hebben, wanneer zij er de kracht toe gehad had.

--»God lof!« dankte Maria stil, »hij leeft, hij heeft mij gehoord;

dank heilige moeder Gods! dat is een straal in den nacht.«

Maar Johannes wenkte haar, dat zij het bed ongemerkt moest verlaten,

uit vrees, dat het gezicht op de geliefde den lijder vermoeien

zou. Maria gehoorzaamde dankbaar, en de bleekte op haar gelaat scheen

vervangen te worden door een licht rood.

--»Dank, heilige maagd Maria!« bad het vrome meisje, terwijl zij

eerbiedig eene knie boog voor dat aandoenlijk beeld van moederliefde

en moedersmart, dat op eene tafel in den hoek van het vertrek stond;

en in haar prijzen wij het, omdat zij niet knielde voor het beeld,

maar omdat zij, met al de volheid harer ziel knielde voor de moeder

van den Verlosser, en omdat zij dit deed met zooveel erkentenis voor

niets dan voor eene vluchtige, flauwe schemering in een donkeren nacht.

De wenk van broeder Johannes getuigde evenzeer van zijne zorg als

voorzichtigheid; want zóó doodelijk zwak was de lijder, dat hij niet

eens Maria's verwijdering bespeurde.

Maar langzamerhand begon Matthijszen de voorspelling van meester

Florisz, dat er geen balsem voor hem was, oogenschijnlijk te

logenstraffen. Niet alleen, dat hij zijne vrienden weer herkende,

hij sprak ook met hen. Hij sprak met Ripperda, met Van der Laan,

met Kenau!--Pellikaen zat uren aan zijne legerstede en Maria met hare

moeder was den meesten tijd bij hem, terwijl voor de eerste zich een

hemel van zaligheid ontsloten had.

Maar hoe meer zijne beterschap toenam, hoe vuriger zijn verlangen werd

om alles te weten, wat de veste betrof: die wensch vertoonde zich

met geestdrift op zijn verbleekt gelaat; en zoo ooit dan bewees hij

thans met hoeveel liefde hij voor het heil van Haarlem vervuld was,

en wat vuur van moed er in die matte borst woonde.

--»Hoe is het u, vriend?« vroeg Pellikaen, toen deze opnieuw aan zijn

bed verscheen, nadat broeder Johannes en Maria hem gezegd hadden,

hoe begeerig Matthijszen weer naar zijne komst verlangde.

--»Mijne beterschap wast aan,« antwoordde hij, »maar niets pijnt mij

zoozeer, dan dat ik niet zijn mag op de vest.«

--»Wees geduldig,« zeide Pellikaen, »hebt gij uw plicht wel ooit

verzuimd? En al had de dood u weggenomen, gij hadt genoeg gedaan voor

de verdediging der stad.«

--»Spaar daar de woorden van,« hernam Matthijszen. »Wie mag zich

beroemen, genoeg te hebben gedaan, eer het groote doel is bereikt--de

vrijheid der stad, de vrijheid van Holland?«

Pellikaen zeide niets, en hij bedwong zelfs den zucht, die bij de

vrees voor Haarlem's vrijheid in zijn gemoed oprees.

--»Maar zeg mij,« ging Matthijszen voort, »heeft de muiterij van de

Walen nog meer euvels gebrouwd? En is luitenant Paris in de plaats

gekozen van den wakkeren Margottin? Is Hasselaar nog niet in de

stad? en is er nog geen duivenpost aangekomen?«

Maar alvorens het antwoord op deze vragen neder te schrijven,

is het noodig met een enkel woord het gebeurde, sedert de laatste

mijnontploffing, mede te deelen.

Daags nadat Matthijszen gewond was geworden; waren eenige posten de

Schalkwijkerpoort uitgetrokken, en dat hunne gevaarvolle taak gelukt

was, bleek aan een sein van eene vuurbaak, welke de schepelingen

bij de vloot des prinsen hadden opgericht. Op dit en een ander sein

was daags daarna Margottin de vijanden in den Hout aangevallen; doch

reeds bij het eerste schot der Spaansche musketten was hij gesneuveld,

en het door hem aangevoerde vendel daarop onverwijld binnen Haarlem

teruggetrokken.

Het moeilijke, om het eene of andere binnen te voeren, nam van dag tot

dag toe. Dit bleek op den eersten van Bloeimaand, toen eenige moedige

gasten acht centenaars buskruit in de stad wilden brengen; want de

Spanjaarden op de twee schuiten, waarin het geladen was, aanvallende,

maakten er zich niet alleen meester van, maar het was bovendien nog een

geluk, dat de geleiders hun leven door de vlucht behielden. Geen wonder

dus, dat het verschiet voor de belegerden donkerder en donkerder werd,

en dat burgemeester Van der Laan met zijne ambtsbroeders al meer en

meer op maatregelen bedacht werd. Vooreerst werden er, schoon Haarlem

het recht der munt niet had, eenige zilveren stukken geslagen, waarop

de zinspreuk: »Vincit vim virtus« (de dapperheid heeft het geweld

overwonnen) in een lauwerkrans aan de eene zijde te lezen stond,

terwijl aan de andere de vier zilveren starren, met het krijgszwaard

onder het kruis, als wapen der stad prijkten. Deze werden boven de

waarde in omloop gebracht, met belofte, dit te eeniger tijd te zullen

vergoeden. Voorts werd er door den proviandmeester, Jan Pietersz

Deijman, en eenige leden der vroedschap, huiszoeking gedaan. Dit had

evenzeer bij arm als rijk plaats; doch de lijsten van opschrijving der

levensmiddelen gaven reeds toen de droevige zekerheid, dat de voorraad

niet groot was. Toen bepaalde men den prijs van een pond boter van

slechte kwaliteit op vier- en van een hoenderei op een halven stuiver.

Maar een nog grooter kwaad scheen het hoofd op te steken. Vimi en

Tseraarts, door Ripperda gemachtigd, hadden in den nacht van den

vierden Mei den schuldige aan den vroeger gepleegden moord door den

strop laten straffen; en gelijk men gevreesd had, hieven nu hunne

makkers kreten van oproer aan. Voor het oogenblik op Vimi zelven hunne

drift niet kunnende koelen, vielen zij Dotin en Tseraarts aan, en hen

met de musketten op de borst dreigende, eischten zij te weten, wie de

straf ten uitvoer gelegd had. Door de invrijheidstelling echter van

den medeplichtige, wiens misdaad nog niet rechtstreeks bewezen was,

werd de storm nog gestild. Maar in die stilte zag men den voorbode

van heviger storm; en de gevolgen staafden dit.

Twee dagen daarna hadden de Spanjaarden aan de Fuik zeven runderen

van de belegerden geschoten, dewijl ze dichter dan gewoonlijk in

de nabijheid hunner werken waren komen weiden, en ofschoon er drie

soldaten bij om het leven kwamen, poogden zij des anderen daags uit den

Hout er andermaal een aanval op te doen; dit werd hun echter door een

uitval der belegerden belet, terwijl men tevens betere voorzorgen nam,

omdat het verlies van dit vee aan de Haarlemmers een te gevoeligen

slag toebracht.

Inmiddels zwegen de vijandelijke slangstukken niet. Daags voor

Pinksteren sloegen, achtereen, vier kogels door den toren van de

St.-Bavo's kerk heen; en men zegt, dat dit aan de noordwestzijde, vlak

door het uurwerk en juist op het getal elf plaats had. Ook zegt men,

dat op dien dag de Spanjaards het geschut op den predikstoel richtten,

en dat toen de kogel geschoten werd, welke men in de kerk achter

en bezijden dien stoel in den muur nog altijd aan den vreemdeling

toont. In weerwil echter van de hevige losbarstingen, was na den dood

van Gerrit van Schagen verder niemand getroffen geworden.

In den daarop volgenden nacht trokken eenige met drie duifjes voorziene

boden, onder het geleide van een dertig soldaten naar de prinselijke

vloot en bereikten hun doel. Maar bij dit alles was aan geen invoer

van levensmiddelen te denken. Wel ontbrak het niet aan vermetelen,

die, in eene lichte linnen kleeding, zich zakjes aan den hals bonden,

een paar zinkroeren aan den riem hechtten en zich over het met slooten

doorsneden land, tusschen de schildwachten door, een weg baanden,

of er meer dan een om het leven brachten; doch weldra had zich de

Spanjaard gelijke verrejagers--zijnde een spietsvormig geweer, van

onder plat en met eene houten druif voorzien--aangeschaft; en er,

zich eveneens als zij van bedienende, om over plassen en slooten

te springen, werden sommige der waaghalzen achtervolgd en gevangen

genomen: ook was de hoeveelheid meel of buskruit, welke op die wijze

binnen de stad kwam, al zeer gering.

--»Onze wakkere Hasselaar is nog niet terug,« antwoordde Pellikaen,

»en ik vrees, wij zien hem niet meer; want voorzeker, hij is in

's vijands hand gevallen, en voor zulken is geen pardon.«

--»Waartoe u leed geschept door iets, waarvan de zekerheid faalt?«

zeide Matthijszen, »'t is een koene rustige knaap, die niet vervaard

is voor een klein gerucht.«

--»'t Is geene bangheid zonder grond,« zeide Pellikaen, »hoor, wat

de Spanjaard gisterenavond weer heeft uitgericht: na een schot van

de kat wordt bij de Kruispoort een bebloed hoofd uit de schansen

geworpen; de busschieter Cornelisz tilt het op van den grond, en

nu leest men op een blad perkament, dat er aan vastgehecht was,

deze woorden: »Dit is het hoofd van kapitein Anthonius Oliviers,

den schilder, die Bergen aan de Franschen verraden heeft.« Jammer,

dat zoo kloek een borst het bij de Diemerschans niet ontkomen is, «

hernam Pellikaen, »'t was eertijds een welbelegen stuk van hem, om duc

D'Alf als teekenaar van landkaarten en als spion te dienen. Duc D'Alf

liet zich fraai van hem bekouten. Zonder opspraak of argwaan te baren,

wist hij mooi te reppen en hoog op te geven van een tal van vrienden,

die hij binnen Bergen had, en dat deze tot verandering niet ongeneigd

waren. Zoo gelukte het hem licht, de stad uit 's vijands handen

te spelen; maar hij heeft er bitter loon voor ontvangen, en wee,

driemaal wee al degenen die, in Bergen geweest zijnde, den Spanjaard

in de strik vallen; het zal hun even zoo of nog erger vergaan.«

--»Met moed gekampt, om dat lot te ontgaan,« zeide Matthijszen.

--»En zoo als ik duchtte, is het meester Quirijn Dircksz en Lambrecht

Jacobs wedervaren,« ging Pellikaen voort, »zij zijn gisteren uit

hun huis weggehaald en op last van den magistraat en van Ripperda

naar den stadskelder gevoerd. Er moet zware suspicie op hen kleven,

zoo er al geene overtuiging is van verraad.«

--»Wat gij rept!.... het is dan waarheid?« viel Matthijszen hem in

de rede.

--»Gewis! en bovendien nog de dochter van Quirijn Dircksz. Zoo er

dus feit is van verraderij, moet ook zij handdadig wezen, anders heb

ik er geen begrip van.... Ja, de onweerswolken pakken zich opeen aan

alle kanten; een dreunende donderslag zal het zijn.«

--»En was er geen oploop onder het volk?« vroeg Matthijszen.

--»Gelukkig, dat het volk er niet op verdacht is geweest; ook was de

schemering al ingevallen; maar niet zoo ras waren zij in de kelder,

of velen schoolden te hoop, en toen hoorde men algemeen: »de dood

aan den verrader! 't is nu ook een tijd van justitie.«

--»Voorwaar, nu schroom ik zoozeer als gij voor hun lot!« sprak

Matthijszen. »Dat zijn zijne woorden van het jaar 1568: »nu is 't een

tijd van justitie!« Meester Quirijn Dircksz! nu ducht ik zeer voor

u; want die woorden zijn dan nog in de ooren van 't volk!.... en nu

wrijft men u verraad aan!....«

Op dit oogenblik naderde broeder Johannes het bed en gaf aan Pellikaen

een teeken, dat deze aanstonds begreep.

--»Maar het is nu genoeg gesproken,« zeide hij tot zijn vriend,

»'t mocht u te zeer vermoeien, en tot nadeel zijn.«

--»Neen, neen, mijn beterschap neemt hand over hand toe; eilaas! dat

het mij niet gegeven is, de hand weer aan het rapier te slaan.«

--»Wees geduldig,« zeide Pellikaen, »de Spanjaard is de veste nog

niet ontweken.«

--»En is er nog geen duivenpost aangekomen?« vroeg hij.

--»Nog niet; maar ik zal er u de tijding van brengen, wanneer het

zoo zijn zal. Het ga u wel; ik moet voort naar den Pijntoren.«

--»Nog één woord, Pellikaen! hoe is het met de kwetsuur van Steenbach

en Vader?«

--»Veel beter; zij hebben de hand al weer aan de kling.«

--»Ik benijd het hun; of ge wist, kompaan! hoe het mij smart, dat ik

hier weerloos lig, terwijl gij allen den Spanjaard tegemoet gaat. Dat

valt mij hard.«

--»Wees rustig en vol geduld,« zeide Pellikaen, maar zijn hart sprak:

»toch vrees ik voor hem! zoomin als ik, zal hij de vrijheid onzer

stad zien!«

Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 3 van 3) · 第 3 / 19 题