EERSTE HOOFDSTUK.

Twee dagen na den onvergetelijken uitval in den Hout verloren de

belegerden Dirk Brazeman, den luitenant van Lancelot van Brederode,

die door een musketkogel in de borst was getroffen. Intusschen klonk

de roem der Haarlemmers door heel Nederland; doch de overwinning

werd niet weinig vergroot en men schreef zelfs aan den graaf Van

Nassau de onwaarheid, dat ook Otto van Eberstein, Fronsberger en

Liques gesneuveld waren. Maar wat te dien tijde, in evenredigheid,

geen minder naam maakte, was de stoute daad van een vrijbuiter. Echte

waaghalzen waren de vrijbuiters, die het leger van Frederik niet zelden

afbreuk deden, hetzij op schaatsen, hetzij met hunne roei-jachten. Zij

hadden den toren van Westzanen tot bespiedingsplaats. Vandaar konden

zij de schepen zien, die telkens uit Amsterdam levensmiddelen naar het

Spaarne en het Huis Ter Kleef aanvoerden. Dan kwamen zij van achter

de dijken en door de daarin gemaakte openingen den buit bespringen

en behaalden meer dan eens groote voordeelen.

Zoo trok in het laatst van Maart een kornet van honderdvijftig

speerruiters of lanciers van Amsterdam naar het Huis Ter Kleef. Na

den dooi had veel regen den dijk langs het Y niet alleen glibberig

gemaakt, maar de grond was ook zoo week, dat de paarden slechts

stapvoets konden rijden en hier en daar nog diep in den modder

zakten. Twee roei-jachten, met achttien koppen bemand, hadden zich

op het Y achter een rietkraag verborgen; en 't Hoen, die reeds drie

jaren lang het Y en de kusten voor den Spanjaard onveilig had gemaakt,

was hun aanvoerder. Nauwelijks had 't Hoen gezien, dat de ruiters

zich op dat vak van den dijk bevonden, waar zij aan beide zijden

door het water waren ingesloten, of hij gaf zijne bevelen. Met het

eene jacht in den voortocht blijvende, springt hij met zeven der

zijnen op den dijk. Vier hunner, met lange pieken gewapend, stellen

zich in het front, terwijl het tweede gelid, met musketten voorzien,

zich gereed houdt om, bij genoegzame nadering der ruiters, een zeker

schot te doen. Weldra zijn er vier gevallen en daar hunne pieken veel

korter zijn, kunnen zij geene genoegzame vaart maken. Zij deinzen; de

musketiers laden opnieuw; de ruiters wenden achterwaarts; doch nu zijn

ook de vrijbuiters op den dijk aan de Amsterdamsche zijde gesprongen,

en ook daar worden de ruiters op dezelfde krachtige wijze ontvangen

en teruggedreven.

De Spanjaarden dus van weerskanten ingesloten, van de eene zijde naar

de andere gedrongen en reeds door de langere pieken getroffen, eer de

hunne de vrijbuiters kunnen bereiken, wenden opnieuw; doch van voren

en van achter ontmoeten zij den dood; het eene paard na het andere

blijft in het slijk zitten; zij verdringen elkander op het glibberige

pad, en wie niet valt door de pieken of musketten der manschappen van

't Hoen, wordt van het paard afgeworpen en door zijne makkers in den

modder vertrapt. Weldra is het geen gevecht meer; het is een moord;

de eene Spanjaard sneuvelt na den anderen en--Haarlem heeft een kornet

kloeke speerruiters minder te bevechten; achttien vrijbuiters hebben

honderdvijftig Spanjaarden vernield. De paarden zijn hun buit; deze

worden met de wapenen en de kostbaarheden in de roei-jachten geladen;

doch het meerendeel aan touwen gebonden, bereikt al zwemmende den

Westzaander Overtoom, en men zegt, dat deze dieren te Purmerend voor

een aanzienlijken prijs werden verkocht. Geen wonder, dat de naam

van 't Hoen daarna den Spanjaarden met nog meer schrik in de ooren

klonk. De heer van Liques verlangde dien held eens te zien, bood hem

vrijgeleide, en--'t Hoen aarzelde niet, als een tweede Fabricius,

in diens legertent te komen. Niet weinig was Liques verwonderd,

slechts een eenvoudig huisman, schoon met moedigen oogopslag, in hem

te zien. Hij bood 't Hoen geschenken aan, die deze echter weigerde,

met de woorden: »de tijd kon wel eens komen, dat hij zijne gunst niet

zou afslaan.« Inderdaad geraakte hij later in handen van den vijand, en

toen had hij het aan Liques te danken, dat hij, zonder eenig rantsoen,

vrijgelaten werd.

Welk eene schakel van worstelingen sinds den aanvang van het

beleg! De laatste dagen van Maart vooral waren belangrijk. Op

Zondag den negenentwintigsten liet don Frederik den Hoogendijk bij

het huis Ter Hart doorgraven. Nu stevende Bossu met drieendertig

Amsterdamsche schepen en zeven galeien, die daags te voren aan gene

zijde van Osdorp waren gevaren, de Meer op, en spoedig begon hij met

het opwerpen eener schans nabij de Fuik. Dit was eene noodlottige

tijding voor de Haarlemmers; want door het insluiten van de Fuik

moesten zij het water voor de stad als verloren beschouwen. Ripperda

verzamelde oogenblikkelijk eenige vrijwilligers, die zich onder bevel

van kapitein Binkhorst en Maurignault met de derde galei op de Meer

waagden. De eersten, die zich als vrijwilligers aanboden, waren de

vaandrig Hasselaar en zijn broeder Nicolaas. Op hun voorbeeld was er

weldra een genoegzaam getal, en onder een hevigen wind bracht men de

galei te water, om den vijand het opwerpen der schans la Goleta, nabij

de Fuik, te beletten. Het doel werd echter verijdeld; want niet alleen

waren de Spanjaarden reeds te ver met het werk gevorderd; maar deze

met talrijke overmacht op de galei aanvallende, waren de Haarlemmers,

ten einde niet geheel ingesloten te worden, gedwongen op de Kaag aan

te sturen. Vandaar gelukte het den vaandrig, zich den weg naar Leiden

te banen, waar zijn moed weldra op eene zware proef zou worden gesteld.

Na de nederlaag in den Hout had de vijand den capitan Martijn de

Rason er met een uitgelezen vendel heengezonden, alsook de schans

Capres laten opwerpen, ongeveer ter hoogte van de tegenwoordige

herberg »het Haantje« op den Zijlweg, ter plaatse waar de scheiding

is tusschen Haarlem en het dorp Overveen. Op den laatsten Maart had

hij ook de Fuikschans la Goleta voltooid; maar in weerwil van het

doel om daardoor aan de stad allen toevoer af te snijden, kwam er op

den eersten jaardag der inname van den Briel, nog eene met buskruit

geladene schuit binnen, ofschoon dit eigenlijk over het verdronken

land plaats had. Reeds daags daarna kwamen al de vijandelijke schepen

van de Fuik en onderhielden er den ganschen dag een levendig vuur,

zonder dat er van beide zijden manschappen sneuvelden.

De vijand wel ziende, dat de toevoer nog niet geheel belet was, liet

nu, meer nabij de stad, het fort Ruoda opwerpen, tegenover hetwelke,

in de nabijheid der gracht, de belegerden eene vrij stevige schans

aanlegden, waardoor de Spanjaarden gedwongen waren, meer verdedigender-

dan aanvallenderwijze te handelen.

Intusschen was er van weerszijden eene mijn gesprongen, zonder

groot nadeel teweeg te brengen. De mortieren tegen de Kruis- en

Janspoorten zwegen; de vijand wilde nu enkel voor altijd Haarlem den

toevoer van levensmiddelen beletten. Hij had twee bruggen over de

rivier geslagen, de eene (reeds vroeger) over het Noorder-spaarne,

nabij de zeven molens, de andere over het Zuider-Buiten-spaarne, ter

hoogte van de tegenwoordige buitenplaats Zuiderhout en tegenover de

zoogenaamde Spanjaardslaan. Het oogmerk daarmede was om de gemeenschap

te onderhouden en de belegerden te nauwer in te sluiten.

Deze laatste brug te vernielen, ten einde zich daardoor een anderen

weg naar de Meer te openen of liever om den eenigen, nog geschikten

weg te behouden, was de taak, die voor de belegerden een heilige plicht

werd. Met dit doel namen dan ook op den negenden April nagenoeg honderd

schepen van de prinselijke vloot van de Kaag koers naar de Fuik. De

Haarlemmers dit ziende en op ontzet hopende, voeren zonder tijdverzuim

met twaalf schepen en een waterschip naar den Hout, om de brug door

te zeilen en te vernielen. Dit waterschip was wel een log gevaarte

van honderdacht voet lang, maar ook daardoor ongeschikt om op een eng

vaarwater te wenden. Met een sterken en gunstigen noordoostenwind voer

het echter met volle zeilen en eene zoo volle vaart op de brug aan, dat

het er onbewegelijk in bleef vastzitten. Het tweede, een karveelschip,

geraakte ongelukkig aan den grond, en de bemanning geen kans ziende

de schepen te herkrijgen, verliet deze. Intusschen waren tweehonderd

soldaten buiten de Leidsche Waterpoort getrokken, om den vijand in den

Hout aan te vallen. Maar, wel verre, dat zich daar de onlangs behaalde

overwinning vernieuwde, moesten zij voor de overmacht terugwijken. Nu

sprong de bemanning van het water- en karveelschip overboord, en aan

sommigen gelukte het nog, met eene schuit aan land te worden gezet. De

overigen ziende, dat de schepen verlaten werden en de stevige brug

niet week, trokken vechtenderhand, met een verlies van zeven hunner,

stadwaarts terug. De vloot van den prins intusschen bij de Fuik

liggende, schermutselde met de vijandelijke Amsterdammers; doch de

felle noordoostenwind en het grof geschut aan de Fuikschans le Goleta

maakten, dat er niet rechtstreeks gevochten werd. Tegen het invallen

der schemering zeilde de vloot dan ook naar de Ton en het Spijkerboor,

waar zij echter nog een paar malen verontrust werd, terwijl er ook

nog dienzelfden avond een klein gevecht aan den Zomerweg plaats had.

Onophoudelijk waren de Spanjaarden voortgegaan met het opwerpen eener

linie van schansen, strekkende over of liever van het Spaarne bij den

Haarlemmerhout tot aan de Fuik. Hier verhief zich het fort Stella

tegenover dat van Salvator, welke beide door de sterkte Corredon

bestreken konden worden. Verder Sol en Luna, benevens andere. Maar

in allen gevalle was het waarheid, dat op den tienden April eenige

boden uit de Schalkwijkerpoort naar de prinselijke schepen gezonden,

gedrongen waren, terug te keeren, dewijl er reeds toen niemand meer

buiten de stad kon, zonder groot gevaar van in 's vijands handen

te vallen.

Dat was voor de belegerden eene donkere, onheilspellende stip aan den

gezichteinder hunner hoop.--»Wij zijn ingesloten!« die maar klonk

somber in de ooren der verdedigers. »Verderf dreigt ons!« dat was

er de echo van, die weder door andere echo's werd nagebauwd. Doch

uit bijna aller mond klonken ook de woorden: »Den moed verdubbeld en

vereenigd met list!«

Twee dagen later waren de schepen van den prins te Heemstede. De

Haarlemmers meenende, dat er eenig volk aan land zou worden

gezet, trokken ter hunner hulp met een vendel soldaten buiten de

Zijlpoort. Vijfhonderd man begaven zich buiten de Leidsche Waterpoort

en een paar honderd, aangevoerd door hopman Vader en Steenbach, buiten

de Schalkwijkerpoort. De schepen naderden evenwel niet en de vijand te

gelijker tijd onstuimig aanvallende, moest men terugkeeren, hetgeen met

zooveel overijling plaats had, dat de beide Duitsche hoplieden door

de musketten hunner eigene soldaten gewond werden. Inmiddels hadden

aan de Kruispoort een achttal Spanjaarden de ongerijmde stoutheid

om met twee vaandels op het bolwerk te komen en uit te roepen:

»victoria! victoria! de stad is ons!« Het spreekt echter schier van

zelve, dat zij nog spoediger teruggedreven werden, terwijl een hunner

aan den voet der borstwering over de kling werd gejaagd.

»List met moed!« was de algemeene leus. Hierop werd reeds twee dagen

later het zegel gedrukt, daar er dien nacht en den volgenden, midden

door het vijandelijk leger, zes boden van den prins door de Zijlpoort

binnen de stad kwamen en de tijding brachten, dat zijne excellentie

allen mogelijken bijstand zou verleenen. Drie dier boden keerden

weder dwars door het leger terug.

Die eerste hulp bestond in het aankomen van eenige nieuwe troepen met

buskruit. Hunne aanvoerders waren de beroemde commissaris Jeronimo

Tseraarts, de Waalsche hoplieden Rosoni en Dotin, een Fransch edelman

Bordet, en een uit Henegouwen ontvlucht edelman, Malignai genaamd,

die èn wegens hunne bekende verdiensten èn wegens het gevaarlijke van

hunnen tocht, met dubbele geestdrift welkom werden geheeten. De andere

hulp, daags daarna, bestond in het aan land zetten van twee duizend

van 's prinsen schepelingen, op den hoek van de Vijfhuizen (sinds

lang met Nieuwerkerk en andere plaatsen, behalve de Vijfhuizerhoek,

in de Meer verdwenen) met het doel om den vijand aan te grijpen. De

Haarlemmers vernamen echter deze tijding te laat om er gebruik van te

kunnen maken. Maar in den nacht van Zaterdag op Zondag den negentienden

van Grasmaand toonde de hopman der Schotten, Beaufort, dat hij in moed

voor geen der Haarlemmers behoefde te wijken. Met eenige Schotten

en burgers, allen in witte hemden gekleed (hetgeen men camisade of

hemd-tocht noemde) de Schalkwijker- en Spaarnwouderpoort uitgetrokken,

liep hij gansch Rustenburg af, versloeg een half vendel Spanjaarden,

veroverde vier standaarden en bracht evenzooveel gevangenen, onder

welke zich een edelman van 's-Hertogenbosch bevond, binnen de stad. Wel

poogden des anderen daags de vijanden aan de Fuik, zoowel te water

als te land, Rustenburg te hernemen; doch zij werden op de vlucht

geslagen. Onder het geschut van deze schans was het, dat de koeien der

belegerden buiten de Spaarnwouder- en Schalkwijkerpoort veilig gingen

weiden, en hoewel de Spaanschen er dikwijls eene onderneming tegen

waagden, kwam het in handen krijgen van eenige ervan hun gewoonlijk

duur te staan.

Evenals in het begin der maand elf gevangen vijanden buiten de

Schalkwijkerpoort werden gehangen en men eene vrouw verdronk, zoo

eindigden ook de in de schans Rustenburg gevangen genomenen hun leven

door den strop. Het was eene gedurige worsteling tegen worsteling,

wraak tegen wraak. Het kleine gevecht van den tweeentwintigsten

April op de Meer leidde evenmin tot eenigen uitslag, als twee dagen

later de uittocht van eenige soldeniers naar het Spijkerboorgat,

en daags daarna een poging van den vijand om zich weder van

Rustenburg meester te maken. Aan beide zijden sneuvelden soldaten;

doch de stip aan den gezichteinder bleef even donker. Het is waar,

acht dagen te voren was een waaghals uit de stad, midden door 's

vijands leger en onder een kogelregen, naar de vloot gegaan. Drie

dagen later hadden vier anderen bijna hetzelfde gewaagd en waren

weder behouden teruggekeerd. Ook waren op Zaterdag daaraanvolgende

vierentwintig burgers met eenig buskruit binnen de stad gekomen,

en vier hunner andermaal teruggezonden. Doch bij dat alles zweefden

dreigende gevaren boven het hoofd der vermetelen, en de levensmiddelen

en krijgsbehoeften, op die wijze binnengevoerd, waren ontoereikend

voor de behoeften. Groot was bijgevolg de blijdschap, toen men vier

dagen voor het einde der maand twee met buskruit geladene schuiten

binnen de stad zag komen, te meer, wijl zij met ongelooflijke moeite

en zwaren arbeid over velden en door sloten waren aangevoerd en de

musketten der loerende vijanden hen onophoudelijk met den dood hadden

bedreigd. Doch daarentegen ging de zon van Woensdag daaraanvolgende,

voor een huisgezin binnen Haarlem treurig onder.

Het was ongeveer vier ure in den middag, toen eenige hoplieden in het

wachthuis aan de St.-Janspoort bijeen zaten. Sommigen waren officieren

van de Haarlemmer schutters; dat zag men aan hunne olijfbruine mutsen,

aan de lange stootdegens, die aan bandelieren hingen, niet onaardig

met rozenrood gestreept. De Spanjaarden hadden dien ganschen dag nog

geen enkel schot gedaan, en schenen dit ook niet voornemens. Men zat

er dus tamelijk gerust bijeen, en velen waren er bij, die dezen dag de

wacht niet hadden, doch zich enkel naar het wachthuis hadden begeven

om met hunne makkers een weinig te kouten; want de vriendschap, welke

er tot dusverre onder hoplieden van zoozeer afwijkende karakters van

alle tongen en natiën bestaan had, was zeer opmerkelijk. Ofschoon de

meesten, die daar in het wachthuis bijeenzaten, kloeke mannen waren,

alleszins geschikt om de kracht der slagen en stompen van dien tijd

te breken, liep Lancelot van Brederode wel het meest in het oog. Zijn

hoog, glad voorhoofd en het mannelijk schoon van zijn gelaat, vereenigd

met het voorrecht van sterkte en vlugheid, boden een schitterend

geheel aan van al de uiterlijke hoedanigheden, waarmede wij ons de oude

helden voorstellen, en waarbij zijn ruwe toon bijzonder afstak; doch

het was eene gulle, hartelijke ruwheid, die bij zijne krijgsmakkers

meer ingang vond dan fijne hoftaal. De meesten toch, die men daar

bijeenzag, waren even ruw en ongenadig, waar zij haatten, maar ook

trouw, waar zij lief hadden,--driftig van aard, maar warm van hart,

onverbiddelijk voor hunne vijanden, maar oprecht voor hunne vrienden,

en er lag iets treffends in die gulle mededeelingen tusschen personen,

die meerendeels geene betrekking tot elkander hadden, dan dat zij

voor ééne zaak streden--voor de vrijheid van Haarlem en Nederland.

--»Die heeft mijn kloeke briefdrager voor 't vuur van de hel

weggehaald,« zeide Lancelot van Brederode, toen hij eene der flesschen

Malvezij opende, welke zijn knecht Alewijn de Jager over het gebroken

land in de stad gevoerd en zoo even, op last van zijn heer, in het

wachthuis had gebracht. »Al ziet hij er uit als een schaapskop,

't is toch een kerel van vuur en staal, die niet één, maar drie man

staat. Komaan mijne heeren Bordet en Malignai! 't is nu niet à la

santé de notre bon seigneur Joncre Willem, 't is nu op uw salut, dat

wij eene teug willen proeven. Proeven, zeg ik, want het zijn de dagen

van pasteien en vette kapoenen niet meer, en wij zullen niet doen

als de broeder van den Rijngraaf, die zich aan de Malvezij te barste

dronk;--die dagen zijn voorbij, nadat duc D'Alf de Haarlemmer geuzen

is komen bestoken. Salut, mijne heeren van Bergen en Henegouwen! want

de Spanjaard heeft het slecht op u verzien!«

--»Zeer slecht, mijnheere!« zeide Bordet, terwijl hij het aangebodene

glas in de hand nam en een dreigenden blik naar den kant van het Huis

Ter Kleef sloeg, »maar niet slechter dan ik op hem. Toen ik hoorde,

hoe de heer Van Dolhain, bij zijne vergeefsche poging tot ontzet van

Bergen, den boeren in handen gevallen was, en met een jachtmes van

een hunner er vier versloeg, toen riep ik uit: »jammer, dat die vier

geen Spanjaarden waren.«

--»Voor ieder viertal, dat ik om hals kan brengen, wil ik een jaar

levens missen,« zeide Malignai, insgelijks het glas opnemende, »maar ik

zou vergeten, u bescheid te doen, mijnheere Brederode! Onze vriendschap

en trouw in Haarlem; de dood aan de Spanjaards, zooals don Juan het

in Tunis den Turken doet! een lang leven voor al de geuzen en ketters!«

--»Die dronk is goed,« zeide Vardeur, »maar ik zal er ook eens een

instellen:« »Leve duc D'Alf!«--En nu lachte hij zoo krassend met

een vloek vergezeld, dat zijn ironische dronk niet eens behoefde

verklaard te worden door het slot: »dat wil zeggen--op het rad,

van nu af totdat satan hem den penning tien betaalt.«

--»Pardieu! dat is een krachtige dronk,« zeide Bordet, »maar daar

monsieur duc D'Alf er al zooveel om hals heeft gebracht, zouden

de havikken en gieren wel bij zijn lijk treuren. Laten wij liever,

als mannen van eer, hem den penning tien betalen.«

--»In Londen heb ik al gehoord, dat duc D'Alf een beruchte gelddief

is,« zeide Summado, »de Engelsche kooplui in Vlaanderen, wier geld hij

verbeurd heeft verklaard en in zijn zak heeft gestoken, weten er ook

van te spreken; maar, mijnheer Brederode, wat is toch eigenlijk die

tiende penning, of Alcavala, zooals wij, Engelschen, zouden zeggen?«

--»Dat zou een lang relaas wezen,« was het antwoord, »maar ik wil het

u in 't kort zeggen: wat vertrapping van vrijheid en conscientie niet

vermocht, dat deed de tiende penning. Wij hadden onze portie gal en

hyzop lang gedronken; want wij Hollanders zijn een vat van lijdzaamheid

en geduld; maar dat vat raakte vol; één droppel deed het vocht van

bitterheid overloopen, en die droppel was de penning tien. Nu weet ge

genoeg! Maar gij spraakt daar van de Turken, mijnheer Malignai. Aan

het opbreken van 't beleg van Malta hebben wij het te danken, dat

de koning tot elken prijs in ons land de ketters wil uitroeien. Doch

dat gaat zoo vlot niet; zij komen als de paddestoelen voor den dag,

en de meesten zijn voor den Spanjaard vergiftig ook.«

--»De nacht van St.-Bartholomeus heeft hen in mijn Frankrijk ook

nog niet uitgeroeid,« zeide Bordet. »Sancerre bijvoorbeeld heeft er

eenige honderden, en ofschoon de gouverneur van Berry, La Châtre,

het hardnekkig belegert, kost het hem menigen kop. Dat beleg heeft

al veel overeenkomst met dat Haarlem: beiden houden zich wakker en

duren al bijna evenlang. Wij willen er eens op drinken, krijgsmakkers,

dat de vijand van beiden moge aftrekken met bebloeden kop, of dat de

belegerden sterven als mannen van eer!«

--»Waarom niet?« hervatte Brederode, andermaal zijn glas vullende:

»dat men ook in Sancerre den belegeraar versla, zooals de vrijbuiter

't Hoen het de speerruiters deed,--zooals de Haarlemmers het den

Spanjaard deden in 't Bosch.«

--»Zes maanden soldij had ik willen missen,« zeide Bordet, »zoo ik bij

dien uitval had mogen zijn. De glorie van dien dag klinkt door tot in

mijn land. Jammer maar, dat in plaats van dien Spanjaard Venavides,

don Frederik zelf niet in het net is geraakt. Die Venavides moet een

man van eer zijn.«

--»Grooter jammer,« hervatte Brederode, »dat de buit zoo door

de vingers is gedropen; ik ben zoo min bang voor goede sier als

dronken Claasjen--ik durf ook den buit wel aan, zooals bij 't Vlie,

maar men moet den tijd aanzien, en bedenken, dat wij zoo wat gelijk

zijn aan rotten in den klem. Waarom met 't goud en zilver de soldij

van pionniers en busschieters niet vermeerd? Of is zes stuivers per

dag voor de delvers geen schraal loon, en hebben de busschieters wel

meer dan acht gulden in de maand, schoon ze voor vrij wat heeter oven

staan te gapen?«

--»Voor een deel is er toch profijt van getrokken,« merkte Matthijszen

aan. »Willem Duks en zijne drie gezellen hebben van den magistraat

reeds zesendertig pond gehad, tot vereering, omdat ze met gevaar naar

de schepen van den prins zijn geweest; en aan de vierenvijftig burgers,

die 't geschut in de vest hebben gesleept, zal ook vereering worden

gedaan. Aan mijnheer Ripperda en anderen zijn zilveren wijnkannen

geschonken; bij 't kwade vergete men 't goede niet.«

Op dat oogenblik werd het gesprek eenigszins afgebroken door de komst

van hopman Vader, aan wien velen als uit één mond naar den welstand

zijner vrouw vroegen. Na het droevig ongeval namelijk met Maria van

Schoten, was hare zuster Magdalena wonderdadig aan den dood ontsnapt,

en het scheen, alsof de Vliegen van Namen het op die woning in de

Zoetestraat hadden gemunt. Een paar dagen geleden toch was door de

ijzeren tralie van het huis een zware kogel in het woonvertrek en

op het bed van Magdalena gevlogen en was vervolgens, in zijn loop

gebroken zijnde, in de kamer gesmoord, zonder noemenswaardige schade

aan te richten.

--»Zij is wel, God lof!« antwoordde Vader, »voor zooveel zij het wezen

kan na den jammerlijken dood van Maria. God heeft ons wonderbaar voor

nieuwen rouw bewaard: de kogel hangt al met eene ijzeren keten aan

de tralie, ten toon; dat is uit dankbaarheid en tot heugenis.«

Allen wenschten den oprechten Duitscher hartelijk geluk met de

zonderlinge bewaring zijner vrouw, en vervolgens bracht men het gesprek

weder op het groote onderwerp--de gelukkige en roemrijke herwinning

van de Fuik--waarbij gansch Haarlem zooveel belang had. Hetzij echter,

dat aan den Schotschen luitenant Cuningham, die zich door de vernieling

der kat zoo verdienstelijk had gemaakt, dit herhaald gesprek begon

te vervelen, hetzij hij dit voordeel eenigszins aan zijn landgenoot

Beaufort misgunde, hij zeide althans:

--»Bij St.-George! zwijg toch van die Fuik en Rustenburg: het is

al Rustenburg en Fuik wat men hoort. Ware ik van het begin af hier

geweest, ik had dat ding, wat gij Fuik noemt, wel met vuurduivels

bezet, dan zou ons de pas langs de Meer niet zijn afgesneden. Maar

wat zegt gij ervan, vriend Summado! zouden ze in Engeland en Schotland

tegenwoordig ook over Fuiken redeneeren?«

--»Ik denk het wel niet,« antwoordde de Brit. »Na het steekspel

van Greenwich is alles in een marmottenslaap overgegaan. De hertog

van Norfolk denkt er niet meer aan om met Maria van Schotland te

trouwen. Hij is tot asch verteerd. Hertog François vrijt niet hard

om de hand van de schoone Elizabeth. Bij St.-George!--en ik heb

meer recht om er bij te zweren, dan gij,--alles is pover en dood;

en ziedaar de reden waarom wij binnen de wacht van de St.-Janspoort

te Haarlem zitten.«

--»En,« voegde Cuningham er bij, »ieder uur gereed zijn, om tegen

de invoerders van de Alcavale te vechten, alsof wij die verduivelde

schatting moesten betalen. Maar het begint er niet beter voor ons

uit te zien. Het kon wel gebeuren, dat ik geen 97 jaar zal worden,

zooals mylord van Pawlet, en dat ik de aardige kermissen en de lieve

Schotsche dansmeisjes niet meer zien zal.«

--»Welnu, gij hebt er uw deel van gehad;--de dood ziet in Schotland

en Engeland even bleek als in Haarlem. Als hij komt, denk ik, dat

gij wel, evenals ik, hem staan zult. Ik ten minste ben niet bang voor

hem. Maar hoe of onze vriend Beaufort het op Rustenburg maakt?«

--»De Rust zal er hem wel niet doen roesten, denk ik. Doch kijk onze

Waal eens: »hij schiet vuur uit zijn neus,« zooals de dichter zegt.«

De Waal, dien Cuningham bedoelde, was kapitein Vimi, een kort,

ineengedrongen man met donkerkleurige gelaatstint en koolzwarte

haren. Hij was bedaard, voorzichtig en ervaren, doch uiterst gezet

op strenge krijgstucht, en zijne drift was onbeperkt, wanneer een

zijner soldaten die overtrad.

--»Ik kom hier, kameraden!« sprak hij, »om u te waarschuwen. Gij

herinnert u den moord van den eersten Maart. Welnu, de booswichten

zijn ontdekt en ik heb hen doen vatten. Zij moeten gestraft worden.«

--»Wie zijn het?« vroegen eenigen als uit een mond.

--»Mecchels, dien ik verdacht hield en Vervan. In het kwartier bij

den snijder, waar zij thans zijn, komen dezen middag drie hunner

makkers en dwingen de vrouw beteren mondkost af, dan zij geven kan. De

leerjongen komt op last van den snijder mijne hulp inroepen. Ik begeef

er mij heen en, in een aangrenzend vertrek luisterende, hoor ik het

rumoer. Zij waren dronken, en ik hoor Vervan met een zwaren vloek

tot Mecchels zeggen: »Snijd haar den hals af, zooals gij het aan die

oude tooverheks deedt,« en het antwoord volgt: »grijpt gij ze dan

maar weer bij den strot.« Nu hoor ik bedreigingen, hulpgeschreeuw

en--stuif het vertrek binnen, waar drie der deugnieten de vrouw van

den snijder willen mishandelen. Aanstonds laten zij af; en ik heb hen

doen opsluiten. Maar geen halfuur geleden, of een tiental belhamels,

even dronken als zij, hebben mij onstuimig hunne loslating geëischt,

en mij den dood gezworen zoo ik het wagen durf, een hunner makkers

te doen straffen.«

--»Straf, zoo waarachtig als wij leven,« zeide de Waalsche hopman

Dotin, die niet minder gestreng was dan Vimi »de twee booswichten

vooral verdienen den strop.«

--»Dat is het voorspel van grooter kwaad,« zeide Pellikaen. »Eene

vinnige straf zou de aanleiding kunnen wezen tot dolle muiterij. Gewis,

als zich het zwarte spook van oproer laat zien, dan zal het jammer zijn

zonder einde.« En wanneer Pellikaen niet in het bijzijn van zoovelen

ware geweest, zou hij het donkerst tafereel van zijne zwaarmoedigheid

en angstige voorgevoelens hebben opgehangen.

--»Wat spreekt gij aldus?« zeide Vimi. »Straf is een breidel, en ik

zweer het, zij zullen hunne straf niet ontgaan.«

--»Waar zou het heen, lieten wij ons gezag niet gelden?« sprak

Dotin. »Mecchels bovenal is het aanstekendst als de pest: laat hem

vrij--gedaan is 't met ons gezag.«

--»Maar uw gansche vendel,« hernam Pellikaen, »is wild en

losbandig. Wat zult gij doen, wanneer hunne weerbarstigheid zich niet

meer beteugelen laat?«

--»Niemand kent dat vendel beter dan ik,« antwoordde Vimi, »het is

als een wild en koppig paard, dat met de kinketting moet geprangd

worden. Het is een rauwe hoop van opgeraapte Luikerwalen; maar hoe

weerbarstig ze zijn, ik vrees hen niet, op mijne eer! al stond man

voor man tegen mij op, de booswichten zullen de koord niet ontgaan.«

--»En ik zal u rugsteunen, kameraad!« sprak Dotin.

--»Daarom kwam ik hier,« zeide Vimi; »ik heb u mijn plan gezegd en gij

allen moet mij op handslag beloven, dat gij ieder sein tot rebellie

straffen en strenge tucht zult handhaven.«

--»Gewis, dat beloof ik, dat zweer ik,« riepen de meeste hoplieden

als uit een mond.

--»Een woord,« liet Matthijszen hooren, en aller oogen waren op

hem gericht, »hoe grimmig de tronies mogen wezen, een onvergeeflijk

stuk moet gestraft worden; en of het Haarlemmer, Duitscher of Waal

zij, ik zal den toom niet in slappe hand houden. Maar laat ons niet

verzuimen met mijnheere Ripperda te spreken: dit is onze allereerste

en schuldige plicht.«

--»Wel gezegd!« riepen allen; want ieder had eerbied voor de

geestkracht en den moed van Ripperda, en bovenal Matthijszen, hoezeer

hij nog dagelijks van de moeder zijner Maria de bittere woorden moest

hooren, dat Ripperda de schuld was van Van Schagen's dood en dat die

moord hem eeuwig op het geweten zou branden.

De gesprekken namen thans eene andere wending; Pellikaen en Matthijszen

hadden het wachthuis verlaten en wandelden nu voor hetzelve in de

frissche lentelucht heen en weer.

--»Weet gij niet,« vroeg Matthijszen, »of onze kloeke scherpschutter

Hasselaar spoedig terugkeeren zal. Gisteren ging de spraak, dat hij

den vijand in handen was gevallen.«

--»Daarvan kan niemand iets weten, zoo Ripperda het niet weet,«

viel Matthijszen hem in de rede. »Maar in Leiden zal hem het hart

wel sterk naar zijne magen in Haarlem trekken, en hij heeft courage

genoeg om een stouten stap te doen.«

--»Dat heeft hij; maar ik droomde van nacht, dat hij bij het Huis

Berkenrode gevangen is genomen, en ik vrees, dat mijn droom ook

zal uitkomen.«

--»Altijd vol bekommering en lichtgeloovigheid!« hernam Matthijszen;

»dat zijn twee kwalen, waaraan ge getrouwd zijt. Wanneer zult ge toch

dien ballast eens van u afwerpen?«

--»Het is geene bekommering zonder grond,« hervatte Pellikaen; »of

heb ik den dood van onzen vriend Vlasman niet vooruit gevoeld? En

niet lang meer, vriend, of het zal ook met ons gedaan wezen.«

--»Welnu, als dat Gods wil is voor het welzijn van onze stad--ik

vrees den dood niet.«

--»En wat zal het met onze stad dan worden? De donkere dagen naderen

meer en meer, en alsof dat nog niet genoeg was--nog worden we bedreigd

door verraad. Of zou ik niet weten, dat de magistraat groote suspicie

heeft op mr. Quirijn Dirksz en Lambrecht Jacobsz? Maar....gij zit in

de vroedschap en moogt er dus niet van reppen.«

--»Ik weet, dat er suspicie bestaat,« hernam Matthijszen. »Maar zijn

de twee bewakers niet met hun lijf borg, dat er bij meester Quirijn

niemand toegelaten wordt?«

--»Wat zou die scherpe bewaking?« zeide Pellikaen. »Gisterenavond nog

was er groote oploop voor de deur. Men wil Marritje, zijne dochter,

hebben zien ingaan bij Stompwijk. Er worden lagen onder onze voeten

gelegd.«

--»Die wij zullen weten te verijdelen,« sprak Matthijszen op vasten

toon. »Weg met alle vrees! Laat ons geene musschen en spreeuwen wezen,

die zich verschuilen als de storm opsteekt, maar laat ons arenden zijn,

die te hooger opvliegen, hoe harder de wind blaast. De tijd is te

kostbaar, om dien met praatjes over losse geruchten te verbeuzelen;

en wat er van aan is, dat zullen Ripperda en Van der Laan wel uit

den weg ruimen. Over wat anders gesproken: tegen den avond zou ik

in den Hout een paar posten zien te lichten: vraag aan Ripperda,

of gij er mee op uit moogt. Dit zou u afleiding bezorgen.«

--»Dat waagstuk zal wel geene vrucht dragen,« zeide Pellikaen, »er

staan nu Spanjaards op post, en die slapen niet. Maar ik ben bereid,

al was het maar enkel om u te toonen, dat ik geen zwaar hart zonder

courage ben.«

--»Dat hebt ge den laatsten van Louwmaand getoond,« zeide Matthijszen,

»en als 't beleg nog van langen duur moet wezen, dan hoop ik, dat gij

't nog dikwijls toonen zult. O, Pellikaen!« en hij sloeg hem hartelijk

op den schouder, »dag op dag voel ik den lust aangroeien om nog eens

zoo'n dag als de vijf en twintigste Maart te beleven. Zie, leven en

sterven voor het vaderland, is mijn leus: maar kon ik zoo een dag

voor mijn leven koopen, ik gaf het graag ten beste....«

--»Kijk--daar komt onze Eenoog,« zeide Pellikaen, »wat gaat hij

driftig.«

--»Hij komt op ons aan,« sprak Matthijszen. Werkelijk naderde hen

de onbekende, en de beide officieren vluchtig groetende, vroeg hij

haastig: »Hebt gij Van Duivenvoorde niet gezien? Ik vond hem niet in

de Smedestraat, en Ripperda verlangt hem te spreken.«

--»Hij is zooeven hier geweest, maar daarop naar den Pijntoren gegaan,«

zeide Matthijszen.

--»Dan vind ik hem misschien daar,« was het antwoord, en even vluchtig,

doch beleefdelijk groetende, snelde hij weer aanstonds voort.

--»Een raadselachtig man!« zeide Pellikaen, »maar ik begrijp het al:

ik heb gehoord, dat Van Duivenvoorde den Spanjaard Venavides in de

gevangenis heeft gesproken, en dat aan don Frederik diens uitwisseling

voor zijne vrouw zal worden voorgeslagen.«

--»Gij hoort altijd meer dan een ander,« merkte Matthijszen aan;

»maar, dat is mij bekend, dat Venavides een edel en dapper man is.«

--»Onze Eenoog meet althans zijn lof zeer uit,« hernam Pellikaen;

»maar zie eens, wat stapt hij driftig aan! Hoe rad is hij weer ter

been, na de hevige krankheid, die hem aangreep, daags na den grooten

uitval in den Hout. Hij houdt zich weer vol ijver met zijne duiven

bezig, naar ik hoor, en hij zal zeker wel met dien voorslag naar het

leger gaan? Of zult gij het soms doen? Maar ik zou wel durven wedden,

dat het vergeefsche moeite zal wezen.«

--»Ik zal eene andere taak op mij nemen,« zeide Matthijszen, »er

moet noodig een bode naar de schepen van den prins afgaan; dat is een

gevaarlijk werk geworden; maar ik heb Ripperda mijne dienst aangeboden,

en met Gods hulp hoop ik, dat het werk mij gelukken zal.«

--»En wanneer zal dit zijn?«

--»Overmorgen, geloof ik.«

Nog spraken zij er eene poos over, en zooals altijd zag Pellikaen

er bezwaar in, en noemde het een waagstuk, ofschoon hij zelf niet

geaarzeld zou hebben, dat waagstuk te ondernemen. Matthijszen

daarentegen wist ieder bezwaar uit den weg te ruimen, en zoo al

pratende keerden zij weder naar het wachthuis terug, geenszins

vermoedende, dat voor Matthijszen de dag zoo noodlottig zou zijn, en

dat aan ieder voornemen van dien moedigen verdediger nog denzelfden

dag een slagboom zou worden gesteld.

Tamelijk gerust waren de hoplieden daar bijeen. Enkelen zaten te

troeven of pikuet te spelen. Anderen spraken over godsdienstige

verschilpunten. Lancelot van Brederode gewaagde over zijn gesneuvelden

luitenant Brazeman, over de onthalzing van Jan van Blois van Treslong,

een bloedverwant zijner vrouw, door Alva; hij verhaalde van zijne

tochten als bevelhebber van de Geuzenvloot, of vertelde de gebeurtenis

van Polyxena, de dochter van den graaf Van Mansfeld--hoe zij, bij

Hendrik van Brederode, op het Huis te Vianen logeerende, door Palemedes

van Chalon was geschaakt geworden. Nu en dan ging de bierkan rond;

de buitenlandsche hoplieden koutten over hun vaderland, of brachten

eene teug aan hunne veraf zijnde bloedverwanten en vrienden: men dronk

op de spoedige en behoudene terugkomst van den vaandrig Hasselaar;

men bracht menigen dronk aan de wakkere vrouwen van Kenau's vendel,

sprak over vroegere en nog te doene uitvallen, over de mijnen en

vooral over de tegenmijnen; want--niet verre van het wachthuis waren de

delvers rusteloos bezig met graven en wroeten in den schoot der aarde.

Wel heerscht op de wallen, op de halvemaan schijnbare stilte; wel laten

de mortieren of musketten zich niet hooren: geen krijgsgeschreeuw

weergalmt er; geene stormladders worden beklommen; vriend en vijand

schijnen de wapenen te hebben neergelegd.

Schijn. Verwissel het daglicht voor de schemering: betreedt de

tegenmijnen! daar ziet gij leven, beweging; een bedrijvig tooneel. Daar

loert, daar ondermijnt men; daar is de spade van den delver onverpoosd

werkzaam om zich een doortocht te banen; daar dragen donkere gestalten

de voorwerpen aan, die weldra ontvlamd, een daverenden slag zullen

doen hooren; die eensklaps, eer gij het vermoedt, den grond zullen

doen sidderen, en vriend of vijand vernielen. Dan zal die stilte

vervangen worden door gewoel.

Het was ongeveer zeven ure, toen kapitein Vimi, uit de wapenplaats

eener verdedigingsmijn in het wachthuis terugkeerende, aan zijne

makkers te kennen gaf, dat er spoedig eene ontploffing zou gehoord

worden.

--»Wij hebben onder den bedekten weg den vijand ontmoet,« sprak hij;

»onze pionniers hebben op een vijandelijken mijntak gestooten; ik

heb hen doen terugtrekken.«

--»Bij Ripperda! dan staat de Spanjaard op glad ijs,« riepen eenigen

tegelijk, »dan wordt het nacht voor hem.«

--»Vervolgens hebben wij nabij den gang des vijands eene kleine

dampmijn geladen en onzen mijntak, zoo goed en zoo spoedig als de

omstandigheden dit toelieten, versperd en opgestopt: de Spanjaard

denkt, dat wij hem den voortgang willen beletten, maar zal spoedig

den dood vinden.«

Zoo was het. De vijand naderde om den hinderpaal te vernielen. De

verdedigers waren inmiddels op de gezegde wijze aan het werk

gegaan. Zij hadden, onder aanvoering van hopman Dotin, eene met

kruit gevulde kist aangevoerd, en niet zoodra waren de Spanjaards

in genoegzamen getale bezig om zich een weg te banen, of onder een

dreunenden slag sprong de mijn vaneen--en don Frederik telde vijftig

zijner beste krijgslieden minder.

--»Vivent les Gueux!« klonk het bijna ter zelfder tijd, en het

gerucht dezer nederlaag verspreidde zich weldra door gansch Haarlem;

jong en oud stroomde naar de wallen, vele krijgslieden sprongen op

de borstweringen, en de luide kreten der belegerden lieten zich tot

in de vijandelijke schansen hooren, waar men even spoedig van de

noodlottige gebeurtenis onderricht was.

--»Vuur uit de slangstukken!« beval men daar, »wraak over den dood

dezer dapperen! wraak op de rebellen!«

--»Weest achtzaam!« beval Ripperda, die in een oogenblik naar den

wal was gesneld; »van de borstweringen af. Terug, mannen van Haarlem!«

IJlings werd de vermaning opgevolgd; en gelukkig, dat men achter de

borstweringen en schanskorven terugtrok; want geen vijf minuten waren

verloopen, of de slangstukken gaven vuur. Maar het scheen besloten,

dat de Spanjaarden niet geheel ongewroken zouden blijven. Gerrit

van Schagen, een bloedverwant van Christoffel, werd bij de eerste

losbarsting door een kogel in de borst getroffen. Het oogenblik

zijner wonde was dat van zijn dood: maar ter zelfder tijd zonk ook

Matthijszen onder den uitroep: »dat geld mijn leven!« op den grond

neer; want met Pellikaen en een paar anderen zich achter Van Schagen

bevindende, werd hij door het ijzer in den linkerarm getroffen.

Een kreet van schrik en smart liet zich hooren; want toen Ripperda

en Pellikaen toesnelden, gudste het bloed uit de wonde en men zag met

ontzetting, dat de arm even boven den elleboog, bijna geheel van het

ligchaam was afgerukt.

--»Meester Florisz--te hulp!« riep Ripperda; doch ter gelijker tijd

toesnellende, poogde hij den eersten bloedstroom te stelpen.

--»Hulp, mannen, staat bij!« riepen Pellikaen en anderen, die inmiddels

evenals Ripperda, door het stevig omwinden van doeken, het bloedverlies

trachten tegen te gaan.

--»Dat geldt zijn leven« sprak Pellikaen, »geene redding zal hier

doenlijk zijn.«

--»Meester Florisz? Meester Claasz! gezwind of het is te laat,«

riep men hier en daar.

En terwijl eenigen Van Schagen te hulp snelden, hielden anderen zich

met Matthijszen bezig; maar vooral getuigde Ripperda's krachtdadige

bijstand van zijne innige belangstelling in den braven verdediger.

Binnen weinige minuten had er op dat gedeelte der stad een levendig,

maar aandoenlijk tooneel plaats. Oud en jong, mannen, vrouwen en

kinderen snelden aan; want in een oogenblik had zich de droevige

gebeurtenis door de naastbijgelegene wijken verspreid.

--»Wie is er dood?« riepen sommigen, die nog niet wisten, wie er

getroffen waren.

--»Steekt de handen uit en staat bij!« spraken anderen, die naar

hunne huizen vlogen om eene draagbaar of windsels te halen.

--»Terug--terug!« lieten eenige gewapende burgers hooren, »de kogels

vliegen over ons hoofd!«

--»Daar komt meester Florisz!« klonk het opeens, toen men den

heelmeester door de menigte zag heendringen.

--»Hij is al dood! 't Is al met Van Schagen gedaan!« zeiden een paar

vrouwen, die weder terugdrongen, tot schreiens toe aangedaan. Het is

Matthijszoon, die in de vroedschap is,« hoorde men. »Jezus Maria--ze

zeggen, het is met hem gedaan.«

--»Och, lieve Heer!« klaagde men, »moest het hem zóó vergaan? En dat

op dezen dag! na zooveel wakker verweers; hoe dikwijls is hij den

vijand met kloekheid te lijf geweest.«

--»Toen hij viel, greep hij nog met de hand naar zijn goed rapier,«

sprak een ander, »wat het een man vol courage was.«

Inmiddels gaven de slangstukken onverpoosd vuur. De meeste hoplieden

waren uit het wachthuis toegeschoten, en op Ripperda's bevel, deden

zij de menigte zooveel mogelijk uiteengaan. Toen mr. Florisz en de

andere chirurgijn, Jan Claasz, kwamen, droegen de burgers den heer Van

Schagen reeds van de plaats des ongeluks af, en zijn eerste woord was:

»hij is dood!«

Dit was zoo; Van Schagen had, na de bekomene wonde, geen minuut meer

geleefd; Matthijszen daarentegen gaf door een gesmoord en smartelijk

gesteen te kennen, dat hij nog leefde. Ook hij werd door eenige burgers

weggedragen en Ripperda, benevens andere officieren, vergezelden den

stervenden held. Reeds waren de bloedverwanten en vrienden van Van

Schagen insgelijks op het gerucht toegesneld, en bij iedere schrede,

die men vorderde, hoorde men uitboezemingen van diepe smart, deelneming

en schrik. Niemand had dien dag zulk eene ramp voorzien; te grooter

was dus de algemeene verslagenheid. Maar terwijl die bloedverwanten

tot het lijk doordrongen, terwijl de een er de handen samenwrong, de

andere half wezenloos den trein volgde, legden tevens ook de meeste der

aanwezigen toch de grootste deelneming voor Matthijszen aan den dag,

en tot aan zijne woning toe, vergezelde hem eene menigte van allerlei

rang en stand, vol deernis over den vermoedelijken dood van een even

rechtschapen vroedschapslid, als moedigen verdediger der wallen.

--»Wat zal het zijn, meester Florisz?« vroeg Ripperda, toen men den

zwaargewonde in zijne woning had gebracht, »wat denkt gij over zijn

toestand, die mij diep in 't gemoed grijpt.«

Mr. Florisz schudde met het hoofd, en toen Ripperda zijne vraag had

herhaald, antwoordde hij fluisterend:

--»De dood, mijnheere! de dood! voor zulk eene kwetsuur is geene

heeling. Mogelijk nog eenige dagen levens, maar--het einde de dood.«

--»Haarlem!--Maria--Ripperda!« dit waren de eenige woorden, welke nu

en dan flauw of met een dof gekreun over de stervende lippen kwamen; en

terwijl de heelmeester het verband legde, vreesde men ieder oogenblik,

dat de levensdraad reeds afgesneden werd.

--»Haarlem! gij vraagt offers waarbij het hart bloedt,« sprak Ripperda,

met diep en edel gevoel, »maar iedere ramp zal ons sterker doen worden;

tegenspoed is de smeltkroes, waarin de mensch wordt gezuiverd; uit

den nacht van tegenspoed zal het licht der vrijheid opgaan.«

--»'k Heb het voorzien,« zeide Pellikaen. »De stormwind groeit aan;

de wolk boven de stad wordt donkerder. Haarlem zal niet het kerkhof

van den Spanjaard--het zal zijn eigen graf zijn.«

Zoo sprak Ripperda, zoo sprak Pellikaen. Hoeveel verschil, hoeveel

tegenstelling in beider karakters. Ripperda, de vaste rots, maar

toch de rots, waaruit eene rijke, frissche bron springt, alsof de

hand van Mozes die had aangeraakt. Pellikaen, de treurwilg met pal

staanden tronk, maar neerhangende, beweeglijke takken. En toch hierin

aan elkander gelijk, dat beiden den storm tarten en niet ontworteld

worden door het geweld van den stroom.

Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 3 van 3) · 第 2 / 19 题