Waaruit opnieuw blijkt, dat men van een verheven plaats alle
menschelijke nietigheden beheerscht.
»Wat zeg je?" vroeg burgemeester Van Tricasse den wethouder Niklausse.
»'k Zeg, dat deze oorlog noodzakelijk is," antwoordde de wethouder
op vasten toon, »en dat het tijd is om onze beleediging te wreken."
»En ik," antwoordde de burgemeester kwaad, »ik zeg, dat als de
bevolking van Quiquendone niet van deze gelegenheid gebruik maakte
om haar recht te handhaven, ze onwaardig zou zijn haar naam te dragen."
»En ik, 'k houd staande, dat we onmiddellijk onze troepenmassa moeten
verzamelen en haar vooruit moeten brengen."
»Ei! mijnheer, ei!" antwoordde Van Tricasse, »en spreekt u zoo
tegen mij?"
»Tegen u, mijnheer de burgemeester, en u zult de waarheid hooren,
hoe hard ze ook zij."
»En u zult haar zelf hooren, mijnheer de wethouder," gaf Van Tricasse
buiten zich zelven ten antwoord, »want ze zal beter uit mijn mond
komen dan uit den uwe! Ja! mijnheer, ja, nog langer te wachten zou
schande zijn. Sedert negen honderd jaar wacht de stad Quiquendone
op het oogenblik van weerwraak en zeg nu wat je wilt, of 't je kan
schelen of niet, maar we gaan op den vijand los."
»O! praat je zoo?" antwoordde de wethouder Niklausse
heftig. »Welnu! mijnheer, als 't je niet bevalt mee te gaan, zullen
we zonder u er op los gaan."
»De plaats van een burgemeester is voorop, mijnheer."
»En die van een wethouder ook, mijnheer."
»Je beleedigt me met je woorden en werkt me onophoudelijk tegen,"
riep de burgemeester uit, wiens vuisten zich balden.
»En je beleedigt wederkeerig door aan mijn vaderlandsliefde te
twijfelen," riep Niklausse uit, die zich ook slagvaardig stelde.
»'k Zeg u, mijnheer, dat het Quiquendonsche leger binnen twee dagen
marschvaardig zal zijn!"
»En ik zeg nog eens, ik, mijnheer, dat er geen achtenveertig uren
zullen verloopen, voordat we tegen den vijand optrekken!"
Men zal uit dit gesprek gemakkelijk zien, dat beide sprekers juist
hetzelfde denkbeeld voorstonden. Beiden wilden den veldslag, doch hun
overspannen gemoedstoestand bracht hen aan 't twisten en Niklausse
verstond Van Tricasse niet en Tricasse verstond Niklausse niet. Ware
hunne meening omtrent deze ernstige aangelegenheid verdeeld geweest
en de burgemeester had liever oorlog, de wethouder daarentegen liever
vrede gehad, zou de twist niet heviger hebben kunnen zijn. De twee
oude vrienden keken elkander verwoed aan. Aan de versnelde beweging
van hun hart, aan hun rood gelaat, aan hunne vernauwde pupillen, aan
het trillen hunner spieren, aan hun stem, bevende van ingehouden toorn,
begreep men dat ze op het punt stonden zich op elkander te werpen.
Maar een groote klok, die sloeg deed gelukkig de tegenstanders tot
bezinning komen op het oogenblik dat zij handgemeen zouden worden.
»Daar slaat het eindelijk," riep de burgemeester uit.
»Wat slaat er?" vroeg de wethouder.
»Wel, het uur om naar den klokketoren te gaan."
»'t Is waar en of 't u bevalt of niet, ik ga, mijnheer!"
»Ik ook."
»Laat ons gaan!"
»Laat ons gaan!"
Uit deze laatste woorden zou men allicht hebben opgemaakt, dat er een
ontmoeting zou plaats hebben en de twee tegenstanders zich naar het
terrein zouden begeven, maar dat was volstrekt het geval niet. Men
was overeengekomen, dat de burgemeester en de wethouder--werkelijk de
twee voornaamste notabelen uit de stad--zich naar het stadhuis zouden
begeven, dat zij daar den zeer hoogen toren zouden beklimmen en van
den omloop het omliggende land zouden verkennen, teneinde zoodanige
strategische beschikkingen te nemen als dienstig zouden zijn voor de
beweging hunner troepen.
Alhoewel zij het nu hieromtrent volkomen eens waren, hielden zij niet
op elkander onderweg de grootste hatelijkheden toe te voegen. Men
hoorde op straat hunne twistende stemmen, maar al de voorbijgangers
verkeerden in dezelfde driftige stemming als zij en daarom lette men
er niet op. In deze omstandigheden zou een bedaard mensch als een
monster beschouwd zijn.
Toen de burgemeester en de wethouder in het portaal van den toren
waren aangekomen, was hun woede ten top gestegen. Zij waren nu niet
rood meer, maar bleek. Hoewel zij het steeds eens waren, had die
vijandige woordenwisseling hun krampen in het lijf bezorgd en men
weet dat bleekheid het bewijs is van een grenzenloozen toorn.
Onder aan den smallen trap had er een ware uitbarsting plaats. Wie
zou voorgaan? Wie zou het eerst den wenteltrap beklimmen? De waarheid
verplicht ons te zeggen, dat er een kleine schermutseling plaats had
en dat de wethouder Niklausse, geheel uit het oog verliezende wat hij
zijn meerdere, den eersten overheidspersoon der stad verschuldigd was,
Van Tricasse ruw op zijde duwde en het eerst den smallen trap opvloog.
Beiden klommen nu naar boven, eerst vier treden tegelijk, elkander de
gemeenste scheldwoorden naar het hoofd werpende. Men had waarlijk alle
reden om te vreezen, dat boven op dien toren, die drie honderd zeven
en vijftig voet hoog was, een noodlottige ontknooping zou plaatshebben.
Maar de twee vijanden waren spoedig buiten adem, en klommen na
een minuut, bij de tachtigste trede, nog slechts met moeite, en
al hijgende.
En toen,--'t was misschien een gevolg hunner kortademigheid,--was
hun toorn nog wel niet bedaard, maar uitte ze zich niet meer in een
stroom van onbehoorlijke benamingen. Zij zwegen nu, en vreemd genoeg,
scheen het wel, dat hun drift bedaarde naarmate zij hooger klommen. Een
zekere kalmte maakte zich van hun geest meester. Het opbruisen hunner
hersenen bedaarde als dat van een koffiekan, die men van het vuur
neemt. Hoe kwam dat?
Wij kunnen geen antwoord hierop geven, maar waar is het, dat, toen
de twee tegenstanders, op twee honderd zes en zestig voet boven
het niveau, een zeker portaal bereikt hadden, zij gingen zitten en
werkelijk veel bedaarder geworden, elkander niet meer boos aankeken.
»Wat is dat hoog!" zei de burgemeester, zijn rood gelaat met zijn
zakdoek afvegende.
»Zeer hoog!" antwoordde de wethouder. »U weet, dat we veertien voet
hooger zijn dan de St. Michiel van Hamburg?"
»Welzeker weet ik dat," antwoordde de burgemeester op hoogmoedigen
toon, te vergeven aan den eersten magistraatspersoon van Quiquendone.
Na eenige oogenblikken zetten de twee notabelen hun reis naar boven
voort, onderwijl nieuwsgierige blikken door de schietgaten in den
muur van den toren werpende. De burgemeester had zich aan het hoofd
van de karavaan gesteld, zonder dat de wethouder de minste aanmerking
gemaakt had. Toen Van Tricasse bij de drie honderd vierde trede geheel
afgemat was, gebeurde het zelfs, dat Niklausse hem zeer dienstwillig
een douwtje in de lendenen gaf. De burgemeester liet hem zijn gang gaan
en boven op den omloop van den toren aangekomen, zei hij vriendelijk:
»Dank je, Niklausse, tot wederdienst bereid."
Zooeven nog onder aan den toren, waren het twee wilde beesten, gereed
elkander te verscheuren en nu boven gekomen, waren het twee vrienden.
Het was prachtig weer en men was in de Meimaand! De zon had alle dampen
verdreven. Welk een reine, heldere lucht! De blik kon in een wijden
omtrek de kleine voorwerpen onderscheiden. Op weinige mijlen slechts
zag men de glinsterend witte muren van Virgamen, hare roode daken,
en hare in den glans der zon schitterende torens. En dat was de stad,
bij voorbaat gewijd aan al de verschrikkingen van plundering en brand!
De burgemeester en de wethouder zaten bij elkander op een klein bankje,
als twee goede luidjes, wier zielen door nauwe vriendschapsbanden
innig met elkander verbonden waren. Al hijgende, keken zij en toen
riep na eenige oogenblikken van stilte de burgemeester uit:
»Hoe schoon!" waarop de wethouder antwoordde:
»Ja! 't is prachtig. Dunkt u ook niet, mijn waarde Van Tricasse,
dat het veeleer de bestemming is van de menschheid op zulke hoogten
te wonen, dan op de korst van onzen aardbol rond te kruipen?"
»Zoo denk ik er ook over, mijn waarde Niklausse," antwoordde de
burgemeester. »Men gevoelt hier beter de uitingen der natuur. Men
geniet haar met zijn gansche wezen! Op zulke hoogten moesten
philosophen gevormd worden en daar, verheven boven de nietigheden
dezer wereld moesten de wijzen wonen!
»Willen we den omloop eens rondgaan?" vroeg de wethouder.
»Laten we den omloop eens rondgaan," antwoordde de burgemeester.
En de twee vrienden wandelden gearmd rond en, even als vroeger,
elkanders vragen eerst na lange tusschenpoozen beantwoordende,
richtten zij hunne blikken naar alle punten van den horizont.
»'t Zal minstens zeventien jaar geleden zijn, dat ik hier boven op
den toren geweest ben," zei Van Tricasse.
»'k Geloof niet, dat ik er ooit geweest ben," antwoordde de wethouder
Niklausse, »en 't spijt me, want het gezicht is prachtig van deze
hoogte! Ziet ge hoe bekoorlijk de Vaar zich daar tusschen de boomen
heen slingert?"
»En verderop de heuvels van St.-Hermandad! Hoe schoon vertoonen
ze zich in het verre verschiet! Ziet ge daar die boomen, door de
natuur zoo schilderachtig gegroepeerd! O! de natuur, de natuur,
Niklausse! Kunnen menschenhanden ooit met haar wedijveren!"
»'t Is een verrukkelijk gezicht, mijn beste vriend," antwoordde de
wethouder. »Zie de kudden in de groene weiden grazen, die ossen,
koeien, schapen..."
»En de landlieden, zich naar de velden spoedende, als herders van
Arcadië. Er ontbreekt hun slechts een schalmei!"
»En boven dat uitgestrekte, vruchtbare land, welft zich de schoone,
blauwe, onbewolkte hemel! O! Niklausse, men zou hier dichter worden! 'k
Begrijp waarlijk niet dat St.-Simeon, de pilaarheilige, niet een van
de grootste dichters der wereld geweest is."
»Dat komt misschien omdat zijn zuil niet hoog genoeg geweest
is!" antwoordde de wethouder met een zacht glimlachje.
Op dit oogenblik stelde zich het klokkespel in beweging. De
helderklinkende klokken speelden een harer meest welluidende
liederen. De twee vrienden waren verrukt.
Toen sprak de burgemeester op zijn ouden, bedaarden toon, »wat zijn
we ook boven op den toren komen doen?"
»'k Geloof waarlijk," antwoordde de wethouder, »dat we ons door onze
droomerijen laten wegsleepen..."
»Wat zijn we hier toch komen doen?" herhaalde de burgemeester.
»We zijn hier de zuivere lucht komen inademen, die nog niet door de
menschelijke zwakheden bedorven is," antwoordde Niklausse.
»Welnu, willen we dan nu maar weder naar beneden gaan, vriend
Niklausse?"
»Goed, vriend Van Tricasse, laten we weer naar beneden gaan."
De twee notabelen sloegen nog een laatsten blik op het prachtige
panorama, dat zich voor hunne oogen ontrolde; toen ging de burgemeester
vooruit en begon met langzamen en afgemeten tred af te klimmen. De
wethouder volgde eenige treden achter hem. De twee notabelen kwamen
op het portaal waar ze zich bij het naar boven klimmen hadden
opgehouden. Daar reeds begonnen hunne wangen te gloeien. Zij hielden
een oogenblik stil en hernamen hunne afgebroken nederdaling.
Na verloop van een minuut, verzocht Van Tricasse Niklausse wat
langzamer te loopen, aangezien hij voelde dat hij op zijn hielen zat
en »hem dit hinderde."
Het deed hem zelfs meer dan hinderen, want twintig treden lager,
beval hij den wethouder te blijven staan, omdat hij eerst een beetje
vooruit wilde gaan.
De wethouder antwoordde, dat hij geen lust had om voor het pleizier
van den burgemeester te blijven staan wachten.
Van Tricasse van zijn kant antwoordde hierop niet zeer vriendelijk.
De wethouder maakte nu een beleedigende zinspeling op den leeftijd
van den burgemeester, door familieoverleveringen bestemd om een tweede
huwelijk aan te gaan.
De burgemeester klom nog twintig trappen naar beneden en waarschuwde
Niklausse driftig, dat dat maar zoo niet ging.
Niklausse antwoordde, dat hij dan in alle geval vooruit zou gaan,
en, daar nu de trap zeer smal was, had er een botsing tusschen de
twee notabelen plaats, die zich nu in diepe duisternis bevonden.
De woorden domoor en lomperd waren nog de zachtste, die toen gewisseld
werden.
»We zullen eens zien," schreeuwde de burgemeester, »we zullen eens
zien, welk figuur je in dien oorlog maken zult; 'k geloof niet,
dat je een van de voorsten zijn zult!"
»In alle geval vóór jou, ingebeelde gek!" antwoordde Niklausse.
Op deze wijze ging het nog eenigen tijd voort en eindelijk was het
alsof ze aan het vechten waren...
Wat gebeurde er toch weder? Hoe waren die gemoederen zoo schielijk
veranderd? Waarom waren de schapen van den omloop twee honderd voet
lager tijgers geworden?
Hoe het zij, toen de bewaarder van den toren zulk een helsch leven
hoorde, opende hij de benedendeur, juist op het oogenblik dat
de tegenstanders, gekneusd, met de oogen uit het hoofd, elkander
wederkeerig de haren uittrokken, of liever de pruiken afrukten.
»Je zult me voldoening geven!" riep de burgemeester uit, met de
gebalde vuist onder den neus van zijn tegenstander.
»Wanneer je maar wilt!" gilde de wethouder het uit, in dreigende
houding.
De bewaarder, die zelf woedend was,--waarom is niet bekend,--vond
niets vreemds in dit twisttooneel. 'k Weet niet welke persoonlijke
overprikkeling hem drong partij te kiezen. Maar hij hield zich in
en verspreidde in de gansche buurt de tijding, dat er spoedig een
ontmoeting zou plaats hebben tusschen den burgemeester Van Tricasse
en den wethouder Niklausse.