XIII.

Waaruit opnieuw blijkt, dat men van een verheven plaats alle

menschelijke nietigheden beheerscht.

»Wat zeg je?" vroeg burgemeester Van Tricasse den wethouder Niklausse.

»'k Zeg, dat deze oorlog noodzakelijk is," antwoordde de wethouder

op vasten toon, »en dat het tijd is om onze beleediging te wreken."

»En ik," antwoordde de burgemeester kwaad, »ik zeg, dat als de

bevolking van Quiquendone niet van deze gelegenheid gebruik maakte

om haar recht te handhaven, ze onwaardig zou zijn haar naam te dragen."

»En ik, 'k houd staande, dat we onmiddellijk onze troepenmassa moeten

verzamelen en haar vooruit moeten brengen."

»Ei! mijnheer, ei!" antwoordde Van Tricasse, »en spreekt u zoo

tegen mij?"

»Tegen u, mijnheer de burgemeester, en u zult de waarheid hooren,

hoe hard ze ook zij."

»En u zult haar zelf hooren, mijnheer de wethouder," gaf Van Tricasse

buiten zich zelven ten antwoord, »want ze zal beter uit mijn mond

komen dan uit den uwe! Ja! mijnheer, ja, nog langer te wachten zou

schande zijn. Sedert negen honderd jaar wacht de stad Quiquendone

op het oogenblik van weerwraak en zeg nu wat je wilt, of 't je kan

schelen of niet, maar we gaan op den vijand los."

»O! praat je zoo?" antwoordde de wethouder Niklausse

heftig. »Welnu! mijnheer, als 't je niet bevalt mee te gaan, zullen

we zonder u er op los gaan."

»De plaats van een burgemeester is voorop, mijnheer."

»En die van een wethouder ook, mijnheer."

»Je beleedigt me met je woorden en werkt me onophoudelijk tegen,"

riep de burgemeester uit, wiens vuisten zich balden.

»En je beleedigt wederkeerig door aan mijn vaderlandsliefde te

twijfelen," riep Niklausse uit, die zich ook slagvaardig stelde.

»'k Zeg u, mijnheer, dat het Quiquendonsche leger binnen twee dagen

marschvaardig zal zijn!"

»En ik zeg nog eens, ik, mijnheer, dat er geen achtenveertig uren

zullen verloopen, voordat we tegen den vijand optrekken!"

Men zal uit dit gesprek gemakkelijk zien, dat beide sprekers juist

hetzelfde denkbeeld voorstonden. Beiden wilden den veldslag, doch hun

overspannen gemoedstoestand bracht hen aan 't twisten en Niklausse

verstond Van Tricasse niet en Tricasse verstond Niklausse niet. Ware

hunne meening omtrent deze ernstige aangelegenheid verdeeld geweest

en de burgemeester had liever oorlog, de wethouder daarentegen liever

vrede gehad, zou de twist niet heviger hebben kunnen zijn. De twee

oude vrienden keken elkander verwoed aan. Aan de versnelde beweging

van hun hart, aan hun rood gelaat, aan hunne vernauwde pupillen, aan

het trillen hunner spieren, aan hun stem, bevende van ingehouden toorn,

begreep men dat ze op het punt stonden zich op elkander te werpen.

Maar een groote klok, die sloeg deed gelukkig de tegenstanders tot

bezinning komen op het oogenblik dat zij handgemeen zouden worden.

»Daar slaat het eindelijk," riep de burgemeester uit.

»Wat slaat er?" vroeg de wethouder.

»Wel, het uur om naar den klokketoren te gaan."

»'t Is waar en of 't u bevalt of niet, ik ga, mijnheer!"

»Ik ook."

»Laat ons gaan!"

»Laat ons gaan!"

Uit deze laatste woorden zou men allicht hebben opgemaakt, dat er een

ontmoeting zou plaats hebben en de twee tegenstanders zich naar het

terrein zouden begeven, maar dat was volstrekt het geval niet. Men

was overeengekomen, dat de burgemeester en de wethouder--werkelijk de

twee voornaamste notabelen uit de stad--zich naar het stadhuis zouden

begeven, dat zij daar den zeer hoogen toren zouden beklimmen en van

den omloop het omliggende land zouden verkennen, teneinde zoodanige

strategische beschikkingen te nemen als dienstig zouden zijn voor de

beweging hunner troepen.

Alhoewel zij het nu hieromtrent volkomen eens waren, hielden zij niet

op elkander onderweg de grootste hatelijkheden toe te voegen. Men

hoorde op straat hunne twistende stemmen, maar al de voorbijgangers

verkeerden in dezelfde driftige stemming als zij en daarom lette men

er niet op. In deze omstandigheden zou een bedaard mensch als een

monster beschouwd zijn.

Toen de burgemeester en de wethouder in het portaal van den toren

waren aangekomen, was hun woede ten top gestegen. Zij waren nu niet

rood meer, maar bleek. Hoewel zij het steeds eens waren, had die

vijandige woordenwisseling hun krampen in het lijf bezorgd en men

weet dat bleekheid het bewijs is van een grenzenloozen toorn.

Onder aan den smallen trap had er een ware uitbarsting plaats. Wie

zou voorgaan? Wie zou het eerst den wenteltrap beklimmen? De waarheid

verplicht ons te zeggen, dat er een kleine schermutseling plaats had

en dat de wethouder Niklausse, geheel uit het oog verliezende wat hij

zijn meerdere, den eersten overheidspersoon der stad verschuldigd was,

Van Tricasse ruw op zijde duwde en het eerst den smallen trap opvloog.

Beiden klommen nu naar boven, eerst vier treden tegelijk, elkander de

gemeenste scheldwoorden naar het hoofd werpende. Men had waarlijk alle

reden om te vreezen, dat boven op dien toren, die drie honderd zeven

en vijftig voet hoog was, een noodlottige ontknooping zou plaatshebben.

Maar de twee vijanden waren spoedig buiten adem, en klommen na

een minuut, bij de tachtigste trede, nog slechts met moeite, en

al hijgende.

En toen,--'t was misschien een gevolg hunner kortademigheid,--was

hun toorn nog wel niet bedaard, maar uitte ze zich niet meer in een

stroom van onbehoorlijke benamingen. Zij zwegen nu, en vreemd genoeg,

scheen het wel, dat hun drift bedaarde naarmate zij hooger klommen. Een

zekere kalmte maakte zich van hun geest meester. Het opbruisen hunner

hersenen bedaarde als dat van een koffiekan, die men van het vuur

neemt. Hoe kwam dat?

Wij kunnen geen antwoord hierop geven, maar waar is het, dat, toen

de twee tegenstanders, op twee honderd zes en zestig voet boven

het niveau, een zeker portaal bereikt hadden, zij gingen zitten en

werkelijk veel bedaarder geworden, elkander niet meer boos aankeken.

»Wat is dat hoog!" zei de burgemeester, zijn rood gelaat met zijn

zakdoek afvegende.

»Zeer hoog!" antwoordde de wethouder. »U weet, dat we veertien voet

hooger zijn dan de St. Michiel van Hamburg?"

»Welzeker weet ik dat," antwoordde de burgemeester op hoogmoedigen

toon, te vergeven aan den eersten magistraatspersoon van Quiquendone.

Na eenige oogenblikken zetten de twee notabelen hun reis naar boven

voort, onderwijl nieuwsgierige blikken door de schietgaten in den

muur van den toren werpende. De burgemeester had zich aan het hoofd

van de karavaan gesteld, zonder dat de wethouder de minste aanmerking

gemaakt had. Toen Van Tricasse bij de drie honderd vierde trede geheel

afgemat was, gebeurde het zelfs, dat Niklausse hem zeer dienstwillig

een douwtje in de lendenen gaf. De burgemeester liet hem zijn gang gaan

en boven op den omloop van den toren aangekomen, zei hij vriendelijk:

»Dank je, Niklausse, tot wederdienst bereid."

Zooeven nog onder aan den toren, waren het twee wilde beesten, gereed

elkander te verscheuren en nu boven gekomen, waren het twee vrienden.

Het was prachtig weer en men was in de Meimaand! De zon had alle dampen

verdreven. Welk een reine, heldere lucht! De blik kon in een wijden

omtrek de kleine voorwerpen onderscheiden. Op weinige mijlen slechts

zag men de glinsterend witte muren van Virgamen, hare roode daken,

en hare in den glans der zon schitterende torens. En dat was de stad,

bij voorbaat gewijd aan al de verschrikkingen van plundering en brand!

De burgemeester en de wethouder zaten bij elkander op een klein bankje,

als twee goede luidjes, wier zielen door nauwe vriendschapsbanden

innig met elkander verbonden waren. Al hijgende, keken zij en toen

riep na eenige oogenblikken van stilte de burgemeester uit:

»Hoe schoon!" waarop de wethouder antwoordde:

»Ja! 't is prachtig. Dunkt u ook niet, mijn waarde Van Tricasse,

dat het veeleer de bestemming is van de menschheid op zulke hoogten

te wonen, dan op de korst van onzen aardbol rond te kruipen?"

»Zoo denk ik er ook over, mijn waarde Niklausse," antwoordde de

burgemeester. »Men gevoelt hier beter de uitingen der natuur. Men

geniet haar met zijn gansche wezen! Op zulke hoogten moesten

philosophen gevormd worden en daar, verheven boven de nietigheden

dezer wereld moesten de wijzen wonen!

»Willen we den omloop eens rondgaan?" vroeg de wethouder.

»Laten we den omloop eens rondgaan," antwoordde de burgemeester.

En de twee vrienden wandelden gearmd rond en, even als vroeger,

elkanders vragen eerst na lange tusschenpoozen beantwoordende,

richtten zij hunne blikken naar alle punten van den horizont.

»'t Zal minstens zeventien jaar geleden zijn, dat ik hier boven op

den toren geweest ben," zei Van Tricasse.

»'k Geloof niet, dat ik er ooit geweest ben," antwoordde de wethouder

Niklausse, »en 't spijt me, want het gezicht is prachtig van deze

hoogte! Ziet ge hoe bekoorlijk de Vaar zich daar tusschen de boomen

heen slingert?"

»En verderop de heuvels van St.-Hermandad! Hoe schoon vertoonen

ze zich in het verre verschiet! Ziet ge daar die boomen, door de

natuur zoo schilderachtig gegroepeerd! O! de natuur, de natuur,

Niklausse! Kunnen menschenhanden ooit met haar wedijveren!"

»'t Is een verrukkelijk gezicht, mijn beste vriend," antwoordde de

wethouder. »Zie de kudden in de groene weiden grazen, die ossen,

koeien, schapen..."

»En de landlieden, zich naar de velden spoedende, als herders van

Arcadië. Er ontbreekt hun slechts een schalmei!"

»En boven dat uitgestrekte, vruchtbare land, welft zich de schoone,

blauwe, onbewolkte hemel! O! Niklausse, men zou hier dichter worden! 'k

Begrijp waarlijk niet dat St.-Simeon, de pilaarheilige, niet een van

de grootste dichters der wereld geweest is."

»Dat komt misschien omdat zijn zuil niet hoog genoeg geweest

is!" antwoordde de wethouder met een zacht glimlachje.

Op dit oogenblik stelde zich het klokkespel in beweging. De

helderklinkende klokken speelden een harer meest welluidende

liederen. De twee vrienden waren verrukt.

Toen sprak de burgemeester op zijn ouden, bedaarden toon, »wat zijn

we ook boven op den toren komen doen?"

»'k Geloof waarlijk," antwoordde de wethouder, »dat we ons door onze

droomerijen laten wegsleepen..."

»Wat zijn we hier toch komen doen?" herhaalde de burgemeester.

»We zijn hier de zuivere lucht komen inademen, die nog niet door de

menschelijke zwakheden bedorven is," antwoordde Niklausse.

»Welnu, willen we dan nu maar weder naar beneden gaan, vriend

Niklausse?"

»Goed, vriend Van Tricasse, laten we weer naar beneden gaan."

De twee notabelen sloegen nog een laatsten blik op het prachtige

panorama, dat zich voor hunne oogen ontrolde; toen ging de burgemeester

vooruit en begon met langzamen en afgemeten tred af te klimmen. De

wethouder volgde eenige treden achter hem. De twee notabelen kwamen

op het portaal waar ze zich bij het naar boven klimmen hadden

opgehouden. Daar reeds begonnen hunne wangen te gloeien. Zij hielden

een oogenblik stil en hernamen hunne afgebroken nederdaling.

Na verloop van een minuut, verzocht Van Tricasse Niklausse wat

langzamer te loopen, aangezien hij voelde dat hij op zijn hielen zat

en »hem dit hinderde."

Het deed hem zelfs meer dan hinderen, want twintig treden lager,

beval hij den wethouder te blijven staan, omdat hij eerst een beetje

vooruit wilde gaan.

De wethouder antwoordde, dat hij geen lust had om voor het pleizier

van den burgemeester te blijven staan wachten.

Van Tricasse van zijn kant antwoordde hierop niet zeer vriendelijk.

De wethouder maakte nu een beleedigende zinspeling op den leeftijd

van den burgemeester, door familieoverleveringen bestemd om een tweede

huwelijk aan te gaan.

De burgemeester klom nog twintig trappen naar beneden en waarschuwde

Niklausse driftig, dat dat maar zoo niet ging.

Niklausse antwoordde, dat hij dan in alle geval vooruit zou gaan,

en, daar nu de trap zeer smal was, had er een botsing tusschen de

twee notabelen plaats, die zich nu in diepe duisternis bevonden.

De woorden domoor en lomperd waren nog de zachtste, die toen gewisseld

werden.

»We zullen eens zien," schreeuwde de burgemeester, »we zullen eens

zien, welk figuur je in dien oorlog maken zult; 'k geloof niet,

dat je een van de voorsten zijn zult!"

»In alle geval vóór jou, ingebeelde gek!" antwoordde Niklausse.

Op deze wijze ging het nog eenigen tijd voort en eindelijk was het

alsof ze aan het vechten waren...

Wat gebeurde er toch weder? Hoe waren die gemoederen zoo schielijk

veranderd? Waarom waren de schapen van den omloop twee honderd voet

lager tijgers geworden?

Hoe het zij, toen de bewaarder van den toren zulk een helsch leven

hoorde, opende hij de benedendeur, juist op het oogenblik dat

de tegenstanders, gekneusd, met de oogen uit het hoofd, elkander

wederkeerig de haren uittrokken, of liever de pruiken afrukten.

»Je zult me voldoening geven!" riep de burgemeester uit, met de

gebalde vuist onder den neus van zijn tegenstander.

»Wanneer je maar wilt!" gilde de wethouder het uit, in dreigende

houding.

De bewaarder, die zelf woedend was,--waarom is niet bekend,--vond

niets vreemds in dit twisttooneel. 'k Weet niet welke persoonlijke

overprikkeling hem drong partij te kiezen. Maar hij hield zich in

en verspreidde in de gansche buurt de tijding, dat er spoedig een

ontmoeting zou plaats hebben tusschen den burgemeester Van Tricasse

en den wethouder Niklausse.

Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2) · 第 40 / 47 题