XIV.

Waarin de gebeurtenissen te Quiquendone zulk een vaart nemen,

dat de inwoners, de lezers en zelfs de schrijver een onmiddellijke

ontknooping vorderen.

Dit laatste voorval doet zien tot welk een hoogte de opgewondenheid van

de Quiquendonsche bevolking gestegen was. Wie had ooit kunnen denken,

dat de twee oudste vrienden der stad en daarbij de vreedzaamste,--vóór

de treurige bezoeking,--zoo op elkander gebeten konden worden! En dat

eenige minuten slechts nadat hunne oude sympathie, hun zacht karakter,

hun kalme levensbeschouwing daarboven op den toren weder de overhand

hadden gekregen!

Toen dokter Ox hoorde wat er al zoo in het stadje omging, kon hij zijn

blijdschap niet inhouden. Hij was het volstrekt niet eens met zijn

assistent, die zag dat het niet goed ging. Ook zij, trouwens, deelden

in de algemeene overspanning. Zij waren niet minder overprikkeld dan

de overige bevolking en geraakten waarlijk ook, evenals de burgemeester

en de wethouder, aan het kibbelen.

Evenwel moet erkend worden, dat de voorname quaestie, de quaestie

van den dag al de andere verdrong en de voorgenomen duels verschoof

totdat de zaak met de inwoners van Virgamen was uitgemaakt. Niemand

had het recht zijn bloed nutteloos te vergieten, want het behoorde

immers tot den laatsten druppel aan het bedreigde vaderland.

Want inderdaad waren de omstandigheden ernstig en kon men niet

teruggaan.

Niettegenstaande al het oorlogsvuur, dat in hem brandde, meende de

burgemeester Van Tricasse den vijand niet te moeten aanvallen zonder

hem te waarschuwen. Hij had dus den veldwachter, heer Hottering naar

Virgamen gezonden en de inwoners gerechtelijk aangemaand hun voldoening

te geven voor de overtreding in den jare 1195 op het grondgebied van

Quiquendone begaan.

De overheid van Virgamen had er in het eerst geen flauw begrip van

gehad, waarvan er toch eigenlijke sprake was en den veldwachter,

in weerwil van zijn officieel karakter zonder complimenten buiten de

gemeente laten brengen.

Toen zond Van Tricasse een der aides-de-camp van den

generaal-banketbakker, den burger Hildevert Shuman, een flinken vent,

vol geestkracht, die aan de overheid van Virgamen het origineel bracht

van het procesverbaal, opgemaakt in 1195 door den burgemeester Natalis

Van Tricasse.

De regeering van Virgamen barstte uit in lachen en het ging met den

aide-de-camp precies op dezelfde manier als met den veldwachter.

De burgemeester belegde toen een vergadering van de notabelen der

stad. In deze vergadering werd besloten in den vorm van een ultimatum

een flinken brief op te maken, waarin de casus belli duidelijk

werd uiteengezet en een uitstel van vier en twintig uren aan de

schuldige stad gegeven werd om de beleediging, Quiquendone aangedaan,

te herstellen.

De brief werd verzonden en kwam eenige uren later terug, in kleine

stukjes verscheurd, die als zoovele beleedigingen beschouwd werden. De

inwoners van Virgamen kenden van langen datum de lankmoedigheid der

Quiquendoners en gaven geen zier om hunne vorderingen, hun casus

belli en hun ultimatum.

Er bleef dus nu niets anders over dan het lot der wapenen te laten

beslissen, den god der veldslagen aan te roepen en, volgens Pruisische

manier, de inwoners van Virgamen aan te tasten voordat zij nog geheel

gereed waren.

Dit was het besluit van den raad in een plechtige zitting, waar het

met ongekende hevigheid toeging, zoo zelfs, dat het in een vergadering

van gekken, een vereeniging van bezetenen of een club van razenden

niet oproeriger had kunnen toegaan.

Zoodra de oorlogsverklaring bekend was, verzamelde de generaal Jan

Orbideck zijne troepen, twee duizend drie honderd drie en negentig

zielen, want de vrouwen, de kinderen en de grijsaards hadden

zich bij de strijdbare mannen gevoegd. Alle scherpe of kneuzende

voorwerpen waren wapenen geworden. Al de geweren uit de stad waren

opgevorderd. Men was er vijf meester geworden waarvan twee zonder hanen

en zij werden aan de voorhoede uitgedeeld. De artillerie bestond uit

de oude veldslang van het kasteel, genomen in 1339 bij den aanval op

Quesnoy, een der eerste vuurmonden, in de geschiedenis vermeld, en

die sedert vijf eeuwen geen schot gelost had. Gelukkig evenwel voor

hen die het stuk zouden bedienen, waren er geen projectielen om het

te laden, maar, zooals het daar was, kon dit oorlogstuig den vijand

nog genoeg vrees aanjagen. Wat de blanke wapenen aangaat, deze waren

geput uit het museum van oudheden, steenen strijdbijlen, knodsen,

werpspiesen, pertizanen, enz. en mede uit de bijzondere arsenalen,

algemeen bekend onder den naam van keukens. Doch de moed, het gevoel

van recht, de haat jegens den vreemdeling, de wraakzucht moesten in

de plaats treden van tot meerdere volkomenheid gebracht oorlogstuig

en--men hoopte het althans--de mitrailleuses en de achterlaadkanonnen

van den tegenwoordigen tijd vervangen.

Bij de revue die gehouden werd, ontbrak geen enkele burger aan het

appel. Generaal Orbideck, niet zeer vast op zijn paard, dat niet te

vertrouwen was, viel driemaal voor het front van het leger er af,

maar hij stond weder op zonder zich bezeerd te hebben, hetgeen als een

gunstig voorteeken beschouwd werd. De burgemeester, de wethouder, de

commissaris van politie, de vrederechter, de ontvanger, de bankier, de

rektor, kortom al de notabelen der stad marcheerden aan het hoofd. Er

werd geen traan gestort, noch door de moeders, noch door de zusters,

noch door de dochters. Zij zetten hunne mannen, hunne vaders, hunne

broeders tot den strijd aan en volgden hen zelfs in de achterhoede,

onder kommando van de moedige Mevr. Van Tricasse.

De trompet van den omroeper Jan Mistrol klonk; het leger stelde zich

in beweging, verliet het plein onder het uiten van woeste kreten en

richtte zich naar de poort van Oudenaarde.

Op het oogenblik dat het hoofd der colonne buiten de muren der stad

zou treden, vloog hem een man tegemoet.

»Houdt op! houdt op! gij dwazen!" riep hij. »Houdt de wapens op! Laat

me de kraan sluiten! Gij dorscht nu naar bloed! Ge zijt goede,

vredelievende burgers! Dat ge zoo vol vuur zijt, is alleen de schuld

van mijn meester, dokter Ox! 't Is een proefneming! Onder voorwendsel

u een verlichting met oxy-hydrogeengas te geven, heeft hij...."

De assistent was buiten zich zelven, maar hij kon niet uitspreken. Op

het oogenblik dat het geheim van den dokter hem zou ontsnappen,

stortte zich dokter Ox zelf, in onbeschrijfelijke woede, op den

ongelukkigen Ygeen en sloot hem den mond met vuistslagen.

Dat gaf een gevecht. De burgemeester, de wethouder, de notabelen,

die op het gezicht van Ygeen waren blijven staan, op hunne beurt door

hunne verbittering medegesleept, wierpen zich op de twee vreemdelingen,

zonder een van beiden te willen hooren. Dokter Ox en zijn assistent,

getrokken, geslagen, mishandeld, zouden op bevel Van Tricasse zoo

naar de gevangenis gesleept worden, toen....

Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2) · 第 41 / 47 题