Waarin de bewoners van Quiquendone een heldhaftig besluit nemen.
Men ziet in welk een betreurenswaardigen toestand de bevolking van
Quiquendone zich bevond. De hoofden verkeerden in een onnatuurlijke
gisting. Men kende en herkende elkander niet meer. De vreedzaamste
menschen waren twistziek geworden. Men moest hen niet met den nek
aanzien, of ze zonden dadelijk getuigen op uw dak. Velen lieten
hun snorren staan en enkele echte vechtersbazen krulden ze aan de
punten om.
Onder dergelijke omstandigheden werd het moeielijk de stad te besturen
en de orde op de straten en in de openbare gebouwen te handhaven,
want de dienst was voor zulk een stand van zaken niet ingericht. De
burgemeester, onze waardige Van Tricasse, dien we zoo zacht, zoo kalm
en vreedzaam en zoo besluiteloos gekend hebben, was nu niet meer tot
bedaren te brengen. Zijn huis weerklonk den ganschen dag van zijn
bevelen. Onophoudelijk beknorde hij zijne agenten en zag in eigen
persoon nauwkeurig toe dat zijne orders strikt werden uitgevoerd.
Helaas! Welk een verandering! Waar was de kalmte, die vroeger in het
vriendelijke en rustige huis van den burgemeester, die goede Vlaamsche
woning, heerschte? Welke treurige huiselijke tooneelen hadden daar nu
plaats! Mevrouw Van Tricasse was kregelig, twistziek en kwalijknemend
geworden. Mocht het haar man al gelukken haar te overschreeuwen,
tot zwijgen kon hij haar niet brengen. De goede vrouw had met haar
prikkelbaar humeur op alles en allen wat aan te merken. 't Ging alles
verkeerd! Niets werd op zijn tijd gedaan! Zij gaf Lotje en zelfs tante,
haar schoonzuster de schuld, die, niet minder slecht gehumeurd, haar
scherpe antwoorden gaf. Natuurlijk hield Van Tricasse zijn dienstbode
Lotje de hand boven het hoofd, zooals men dat meermalen in de beste
huishoudens ziet. Van daar dan voortdurende verbittering van mevrouw
de burgemeesteres, hevige verwijten, woordenwisselingen, twisten,
tooneelen tot in het oneindige!
»Maar wat scheelt ons toch?" riep dan de ongelukkige burgemeester
uit. »Door welk vuur worden we toch verteerd? Zijn we dan van den
duivel bezeten? O! mevrouw Van Tricasse, mevrouw Van Tricasse! Je
verhaast mijn dood en zult maken, dat ik vóór u naar het graf gedragen
word en hoe zullen dan de overleveringen der familie worden nagekomen!"
Want de lezer zal zeker de vreemde bijzonderheid niet vergeten hebben,
dat de heer Van Tricasse weduwnaar moest worden en hertrouwen, om de
eenmaal tot wet geworden gewoonte niet te breken.
Evenwel bracht die eigenaardige gesteldheid der gemoederen nog
andere vrij zonderlinge uitwerkselen teweeg, die der vermelding
over waardig zijn. Die zenuwachtige overspanning, waarvan de
oorzaak voor als nog voor ons in het duister ligt, geleidde tot
allervreemdste physiologische verschijnselen, die men niet zou
verwacht hebben. Talenten, die anders verborgen zouden gebleven zijn,
kwamen nu voor den dag. Bij velen openbaarde zich een bijzondere
aanleg hier- of daarvoor. Kunstenaars met tot nog toe middelmatige
talenten, stelden zich onverwacht in een nieuw licht. Zoowel in de
politiek als in de letteren stonden eensklaps tot nog toe onbekende
mannen op. Redenaars behandelden de belangrijkste en moeielijkste
quaesties en deden een gehoor ontvlammen, dat trouwens zeer vatbaar
was om ontvlamd te worden. Uit de zittingen van den raad, ging de
beweging over in de openbare bijeenkomsten: er vormde zich een club
te Quiquendone, terwijl twintig dagbladen, de Guetteur de Quiquendone,
de Impartial van Quiquendone, de Radical de Quiquendone, de Outrancier
de Quiquendone, met vuur geschreven, de gewichtigste maatschappelijke
vraagpunten behandelden.
Maar naar aanleiding waarvan? vraagt men niet zonder reden. Naar
aanleiding van alles en van niets; naar aanleiding van den toren van
Oudenaarde, die overhing en dien sommigen wilden afbreken en anderen
wilden herstellen; naar aanleiding van de politieverordeningen,
door den raad uitgevaardigd en die kwaadgezinde hoofden trachtten
tegen te werken, naar aanleiding van het uitdiepen der beken en het
schoonhouden der riolen, enz. En als die onstuimige redenaars nu
alleen het stedelijk bestuur nog maar hadden aangevallen! Maar neen,
door den stroom medegesleept, holden zij maar voort en zouden ze, als
de Voorzienigheid niet tusschenbeide was gekomen, hunne stadgenooten,
een oorlog op den hals hebben gehaald.
Wat was het geval? Sedert acht of negen honderd jaar smeulde er
in de archieven van Quiquendone een zeldzaam schoone casus belli;
maar zij bewaarde hem met de grootste zorg, als een reliquie, en
werkelijk scheen hij eenige kans te hebben te verschimmelen en zijn
kracht te verliezen.
Ziehier hoe die casus belli was in de wereld gekomen.
Het is niet algemeen bekend, dat Quiquendone, in dat hoekje van
Vlaanderen, dicht bij de kleine stad Virgamen gelegen is. Het
grondgebied beider gemeenten grenst aan elkander.
Nu gebeurde het in 1135, eenigen tijd voor het vertrek van graaf
Baudouin naar het Heilige Land, dat een koe van Virgamen--wel
te verstaan, geen koe van een inwoner, maar een koe der
gemeente--zich verstoutte op het grondgebied van Quiquendone te gaan
weiden. Nauwelijks had het ongelukkige dier drie mondjes vol gras
verorberd, maar het wanbedrijf, de misdaad als men wil, was bedreven
en geconstateerd bij procesverbaal van dien tijd, want te dien tijde
begonnen de overheidspersonen de kunst van schrijven te leeren.
»Ter rechter tijd zullen we ons wreken," zei eenvoudig Natalis Van
Tricasse, de twee en dertigste voorganger van den tegenwoordigen
burgemeester, »en uitstel is geen afstel!"
De inwoners van Virgamen waren bij tijds onderricht. Zij wachtten en
dachten niet zonder reden, dat de tijd de herinnering der beleediging
wel zou uitwisschen en werkelijk leefden zij gedurende verscheidene
eeuwen in de beste verstandhouding met hunne buren van Quiquendone.
Maar zij hadden buiten den waard gerekend, of liever buiten die
zonderlinge epidemie, die, terwijl zij het karakter hunner buren ten
eenenmale veranderde, het uitgedoofde vuur der wraak in die harten
weder oprakelde.
Het was in de club van de Monstrelet-straat, dat de vurige advocaat
Schut eensklaps de quaestie te berde bracht, en zijne toehoorders
electriseerde door de uitdrukkingen en schilderingen te gebruiken, die
in deze omstandigheden in zwang zijn. Hij herinnerde de overtreding,
hij herinnerde het ongelijk, der gemeente Quiquendone aangedaan,
en waarvoor een natie »naijverig op haar rechten" geen verjaring
kon dulden; hij wees op de nog altijd gevoelde beleediging, op de nog
altijd bloedende wond; hij sprak van zekere eigenaardige bewegingen van
het hoofd der inwoners van Virgamen en die aantoonden hoezeer zij de
inwoners van Quiquendone verachtten; hij smeekte zijne landgenooten,
die misschien »onbewust" gedurende lange eeuwen die doodelijke
beleediging verdragen hadden, hij bezwoer »de kinderen der oude
stad" geen ander doel meer voor oogen te houden dan een schitterende
voldoening te verkrijgen! Eindelijk deed hij een beroep op de levende
strijdkrachten der natie!
Het is onmogelijk in woorden weer te geven met welk een geestdrift
deze taal, die voor Quiquendonsche ooren zoo nieuw was, ontvangen
werd. Het geheele auditorium was opgestaan en met luide kreten, de
armen uitgestrekt, vroegen alle toehoorders den oorlog. Nooit had
de advocaat Schut zulk een succes gehad en het moet erkend worden,
dat hij prachtig geweest was.
De burgemeester, de wethouder, al de notabelen, die deze gedenkwaardige
zitting bijwoonden, zouden zich vruchteloos tegen die vervoering
van het volk hebben kunnen verzetten. Trouwens hadden zij er ook
niet den minsten lust toe en, zooal niet harder, dan toch even hard,
schreeuwden ook zij:
»Naar de grenzen! Naar de grenzen!"
Daar nu deze grenzen slechts drie kilometers van de muren van
Quiquendone verwijderd waren, is het zeker, dat de inwoners van
Virgamen werkelijk gevaar liepen, want zij konden overmeesterd zijn,
alvorens den tijd gehad te hebben tot bezinning te komen.
Inmiddels scheen de achtbare apotheker Josse Liefrinck, onder deze
ernstige omstandigheden, alleen zijn zinnen bij elkander gehouden te
hebben, want hij maakte de opmerking dat er gebrek was aan geweren,
kanonnen en generaals.
Men antwoordde hem en liet dit antwoord van eenige handtastelijke
bewijsgronden vergezeld gaan, dat men die generaals, die kanonnen en
geweren wel zou vinden en dat het goed recht en de liefde voor het
vaderland voldoende waren en een volk onwederstaanbaar maakten.
Daarop nam de burgemeester zelf het woord en brak in een sierlijke,
voor de vuist uitgesproken redevoering den staf over die kinderachtige
zielen, die achter het masker der voorzichtigheid de vrees verbergen
en dit masker rukte hij af met een vaderlandslievende hand.
Men zou op dit oogenblik gezegd hebben, dat de zaal onder de
toejuichingen inviel.
Men vroeg stemming.
De stemming geschiedde bij acclamatie, en de kreten verdubbelden:
»Naar Virgamen! Naar Virgamen!"
De burgemeester nam op zich om het leger mobiel te maken en in den
naam der stad beloofde hij dengenen zijner aanstaande generaals,
die als overwinnaar zou terugkeeren, de eerbewijzingen der zegepraal,
zooals dit ten tijde der Romeinen plaatsgreep.
Evenwel wilde de apotheker Josse Liefrinck, die een eigen hoofd had,
en zich niet voor geslagen hield, ofschoon hij het werkelijk was,
nog een opmerking maken. Hij zei namelijk, dat te Rome de overwinnende
generaals niet in triomf werden ingehaald, of ze moesten vijf duizend
vijanden gedood hebben.
»Welnu! welnu!" schreeuwde het publiek in de grootste opgewondenheid.
»... En dat, daar de bevolking der gemeente Virgamen niet meer
beloopt dan drie duizend vijf honderd vijf en zeventig inwoners,
het moeielijk zou zijn, of men moest verscheidene keeren denzelfden
persoon dooden..."
Maar men liet den ongelukkigen logischen apotheker niet uitpraten en
gestompt en geslagen werd hij de deur uitgesmeten.
»Burgers," zei daarop Sylvester Pulmacker, een klein kruideniertje,
»burgers, laat dien laffen apotheker maar zeggen wat hij wil, ik
neem aan vijf duizend Virgamenaars te dooden, als ge mijne diensten
wilt aannemen."
»Vijf duizend vijf honderd!" schreeuwde een nog onversaagder
vaderlander.
»Zes duizend zes honderd!" hernam de kruidenier.
»Zeven duizend!" riep de banketbakker uit de Hemlingstraat, Jan
Orbideck, die op weg was zijn fortuin in de roomgebakjes te maken.
»Toegewezen!" riep burgemeester Van Tricasse uit, toen hij zag,
dat niemand hooger bood.
En zoo kwam het dat de banketbakker Jan Orbideck, de generaal,
opperbevelhebber der troepen van Quiquendone werd.