X.

Waarin men zien zal, dat de epidemie de geheele stad aantast en welke

uitwerking zij teweegbrengt.

In de nu volgende maanden werd het van kwaad tot erger en breidde

de epidemie zich van uit de huizen tot op de straat uit. De stad

Quiquendone was onherkenbaar geworden.

En, wat nog het vreemdste natuurverschijnsel was, niet alleen het

dierenrijk, maar ook het plantenrijk ontsnapte niet aan den algemeenen

invloed.

Volgens den gewonen loop der dingen, zijn de epidemieën speciaal,

want zij die den mensch treffen tasten de dieren niet aan en zij die de

dieren treffen, verschoonen de planten. Heeft men ooit gezien, dat een

paard door de pokken werd aangetast of een mensch door de runderpest en

krijgen de schapen de aardappelziekte? Maar hier schenen al de wetten

der natuur omgekeerd. Niet alleen waren het karakter, het temperament,

de denkbeelden der bewoners en bewoonsters van Quiquendone veranderd,

maar ook de huisdieren, honden of katten, koeien of paarden, ezels

of geiten, alles verkeerde onder dezen epidemischen invloed, en 't

scheen dat zij volkomen van aard veranderd waren. De planken zelve

»emancipeerden" zich, als men ons deze uitdrukking wel wil veroorloven.

In de tuinen, de moestuinen, de boomgaarden toch deden zich

allervreemdste verschijnselen op. De klimplanten klommen met meer

stoutmoedigheid. De struiken werden boomen. De zaden, nauwelijks

gezaaid, vertoonden kleine groene puntjes en in hetzelfde tijdsverloop,

wonnen ze in duimen wat vroeger, onder de gunstigste omstandigheden,

ze in strepen wonnen. De asperges werden twee voet hoog; de artisjokken

werden zoo groot als meloenen, de meloenen zoo groot als pompoenen,

de pompoenen zoo groot als de groote klok uit den toren, die negen

voet in diameter mat. De kolen waren kreupelboschjes en de paddestoelen

parapluies.

Met de vruchten ging het denzelfden weg op als met de groenten. Één

aardbei was genoeg voor twee menschen en één peer voor vier. De

trossen druiven waren zoo groot als de enorme tros, die voorkomt

op het zoo prachtig beschilderde doek van Poussin »de terugkeer der

afgezondenen naar het beloofde land."

Hetzelfde was het geval met de bloemen: de groote viooltjes

verspreidden doordringerder geuren, de buitengewoon groote rozen

schitterden met levendiger kleuren, de seringen vormden binnen

weinige dagen ondoordringbare kreupelbosschen; geraniums, madelieven,

dahlia's, camelia's, rhododendrons, maakten zich van de paden meester

en verstikten elkander! Het snoeimes schoot hier te kort. En de

tulpen, de vreugde der Vlamingen, wat brachten ze de liefhebbers in

verrukking! De waardige Van Bistrom viel op zekeren dag van louter

ontroering bijna omver, toen hij in zijn tuin een eenvoudige tulipa

gesneriana van enorme, monsterachtige, reusachtige grootte zag, waarvan

de bloemkelk tot nest diende van een gansche familie roodborstjes!

De geheele stad kwam toeloopen om die wonderbaarlijke bloem te zien

en gaf haar den naam van tulipa quiquendonia.

Maar, helaas! al kwamen die planten, die vruchten, die bloemen

zichtbaar vooruit, al toonden alle gewassen een voorliefde kolossale

afmetingen aan te nemen, al bedwelmden de glans hunner kleuren en het

doordringende hunner geuren den reuk en de blikken, zoo verwelkten

zij daarentegen snel. De lucht, die zij opslorpten, verbrandde ze

maar al te spoedig en ze stierven weldra, uitgeput, verwelkt, verteerd.

Dat was het lot van de vermaarde tulp, die na eenige dagen van glans

en luister verkwijnde!

Op dezelfde wijze ging het al spoedig met de huisdieren, van den

huishond tot de zwijnen in den stal, van het kanarievogeltje in de

kooi tot den kalkoen in den hof.

Nu waren die dieren in gewone tijden al even flegmatiek als hunne

meesters. Honden en katten leidden meer een plantenleven dan dat ze

werkelijk leefden. Nooit sprongen ze in 't rond van blijdschap, nooit

werden ze door een aandoening van toorn in hunne kalmte gestoord. De

staarten bewogen zich niet levendiger, dan alsof ze uit brons waren

gegoten geweest. Sedert onheuglijke tijden had men van geen krabben of

bijten gehoord. Wat de dolle honden betreft, deze beschouwde men als

denkbeeldige dieren, die onder de griffoenen en andere fantastische

dieren uit de Openbaring moesten gerangschikt worden.

Maar welk een verandering in die weinige maanden, waarvan we de

geringste voorvallen trachten op te teekenen! Honden en katten begonnen

hunne tanden en klauwen te laten zien. Men was verplicht, tengevolge

van herhaalde aanvallen, eenigen af te maken. Men zag voor het eerst

in de straten van Quiquendone een paard op hol gaan, een os zich met

de horens naar omlaag op een zijner natuurgenooten werpen, een ezel

omvervallen met de pooten in de lucht en een gebalk uitgalmen, dat

niets »dierlijks" meer had, een schaap, zelfs een schaap tegen het mes

van den slager dapper de karbonaden verdedigen, die het in zich droeg!

De burgemeester Van Tricasse was verplicht politie-verordeningen

uit te vaardigen tegen de huisdieren die, door razernij aangetast,

de straten van Quiquendone onveilig maakten.

Maar, helaas! zoo de dieren gek waren, de menschen waren niet wijs

meer!

Geen leeftijd was van de plaag verschoond.

De zuigelingen werden zeer spoedig onverdraaglijk, die wezentjes die

tot nog toe zoo gemakkelijk waren groot te brengen en voor het eerst

moest de kantonrechter Honoré Syntax zijn kroost met de roede straffen.

Op de school ging het ook vrij oproerig toe en wierpen de jongens

elkander met dictionnaires naar het hoofd. Men kon ze niet meer op de

banken houden en zelfs de onderwijzers, die ze met allerlei taakwerk

overlaadden, deelden in de algemeene overprikkeling.

Nog een ander vreemd verschijnsel was het, dat al die inwoners

van Quiquendone, die tot nog toe altijd zoo matig waren, en wier

voornaamste voedsel uit melkspijzen en zoetigheidjes bestond, zich nu

werkelijk in eten en drinken te buiten gingen. Hun gewone leefregel

was hun niet genoeg meer. Iedere maag was een afgrond geworden, dien

men met enorme hoeveelheden spijzen en dranken moest trachten te

dempen. Het verbruik der inwoners was verdriedubbeld. In plaats van

twee maaltijden, nam men er zes. De stoornissen in de spijsvertering

waren ontelbaar. De wethouder Niklausse kon zich niet verzadigen. De

burgemeester Van Tricasse kon zijn dorst niet stillen en was altijd

half dronken.

Kortom, dagelijks openbaarden zich de meest verontrustende

verschijnselen en deed zich de toekomst donker voor.

Onophoudelijk kwam men dronken menschen tegen en onder deze dronken

lieden, dikwijls notabelen.

De geneesheer Dominicus Custos had het verschrikkelijk druk met

allerlei maagstoornissen en zenuwachtige aandoeningen, wel een bewijs

van de groote prikkelbaarheid, waaraan de zenuwen der bevolking leden.

De vroeger zoo stille straten van Quiquendone, die tegenwoordig zoo

druk waren, want niemand kon thuis blijven, waren nu het tooneel van

dagelijksche woordenwisselingen en zelfs twisten.

De politie moest versterkt worden, teneinde de rustverstoorders in

toom te houden.

Er moest een gevangenis in het gemeentehuis ingericht worden, die

dag en nacht met oproermakers was opgevuld. De commissaris Passauf

was bekaf.

Er gebeurde iets, dat nog nooit gebeurd was,--binnen den tijd van twee

maanden werd er een huwelijk gesloten. Een ongehoord feit! De zoon

van den ontvanger Rupp huwde met de dochter van de schoone Augustine

de Rovère en dat binnen slechts zevenenvijftig dagen na haar hand

gevraagd te hebben!

Nog andere huwelijken werden beslist, die anders jaren lang zouden

uitgesteld zijn. De burgemeester kon er zich geen begrip van vormen

en ook zijn dochter, de lieve Suze, leed aan dezelfde kwaal en zou

spoedig aan zijn handen ontsnappen.

Wat onze waarde oude tante betreft, ze had waarlijk den commissaris

Passauf durven polsen over een vereeniging, die haar toescheen alle

elementen in zich te bevatten van geluk, fortuin, wederzijdsche

achting, jeugd!...

Om de maat vol te meten, had er tot overmaat van ijselijkheid,

een duel plaats! Een wezenlijk duel met pistolen, en nog wel met

ruiterpistolen, op vijf en twintig pas! En tusschen wie? Onze lezers

zullen 't nauwlijks kunnen gelooven!

Tusschen den heer Frans Niklausse, den zachtaardigen hengelaar en

den zoon van den rijken bankier, den jongen Simon Collaert.

En de onschuldige oorzaak van dit duel was niemand anders dan de

dochter van den burgemeester, op wie Simon dol verliefd was en die

hij aan niemand ter wereld wilde afstaan.

Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2) · 第 37 / 47 题