VII.

Waarin de »andantes" »allegro's" worden en de »allegro's" in »vivaces"

overgaan.

De gemoederen waren bedaard na het voorgevallene tusschen den advocaat

Schut en den geneesheer Custos. De zaak had geene gevolgen gehad. Men

had dus reden om te hopen, dat Quiquendone tot zijn gewone kalmte

zou terugkeeren, die een oogenblik door een onverklaarbaar voorval

was gestoord.

Inmiddels vorderde men snel met het leggen der buizen voor het

hydro-oxygeengas naar de voornaamste gebouwen der stad. Hoofdbuizen

en zijbuizen werden onder de straten van Quiquendone steeds

verder voortgeschoven. Branders waren er nog niet, want hunne

vervaardiging vereischte bijzonder veel zorg en moest in het buitenland

geschieden. Dokter Ox was hier en daar en overal, hij en zijn assistent

Ygeen lieten geen oogenblik verloren gaan; zij spoorden onophoudelijk

de werklieden aan, werkten aan de voltooiing der gasmeters en hielden

dag en nacht de reusachtige electrische batterijen in werking waarmede

het water ontleed werd.

De dokter was namelijk al aan het maken van zijn gas, ofschoon het

buizennet nog niet voltooid was, iets wat, tusschen ons gezegd,

wel wat vreemd scheen. Maar het zou niet lang duren, ten minste dat

mocht men hopen, of dokter Ox zou voor het eerst in den schouwburg

zijn prachtig licht laten schijnen.

Quiquendone bezat werkelijk een schouwburg, en inderdaad een fraai

gebouw ook. In- en uitwendig had het iets van alle bouwstijlen; het

had gelijkertijd iets van den Byzantijnschen, van den Romaanschen,

van den Gothischen en van den Renaissance-stijl; deuren met rondbogen,

spitsboogvensters, ster-rosetten, fantasie-klokketorentjes, kortom,

het was een staalkaart van alle mogelijke stijlen. Verwonderen

doet het niet, als men weet, dat het gebouw begonnen werd onder

den burgemeester Lodewijk Van Tricasse in 1175 en voltooid in 1837

onder den burgemeester Natalis Van Tricasse. Het bouwen had zeven

eeuwen geduurd, en achtereenvolgens hadden verschillende modes haar

invloed laten gelden. Toch was en bleef het een mooi gebouw, en bij de

Romaansche zuilen en Byzantijnsche gewelven, zou het nieuwe lichtgas

in het geheel niet misstaan.

In dien schouwburg van Quiquendone werd zoo wat van alles gespeeld,

vooral opera en opera-comique. 't Zou evenwel de vraag zijn, of de

componisten er wel hun eigen werk herkend zouden hebben, zoo zeer

had men het tempo veranderd.

In Quiquendone werd niets haastig gedaan, en dus moesten ook de

dramatische werken naar het karakter der Quiquendoners geschikt

worden. De schouwburg opende zijne deuren gewoonlijk te vier uren en

sloot ze te tien uren, maar in die zes uren tijds waren er nooit meer

dan twee bedrijven gespeeld. Voor Robert le diable, les Huguenots,

Guillaume Tell, enz. had men gewoonlijk drie avonden noodig, vanwege

de langzame wijze waarop die werken uitgevoerd werden. De vivaces

ontaardden in den schouwburg van Quiquendone in ware adagio's; de

allegro's werden tot in het oneindige gerekt. De vier en zestigste

wonnen het van de heele noten in andere landen. Een vlugge roulade

had, als ze naar den smaak der Quiquendoners uitgevoerd werd, den

gang van een plechtige kerkmis. Een losse triller moest uiterst

bedaard en volkomen gelijkmatig gespeeld worden, wilde hij de ooren

der dilettanten niet kwetsen. Om een voorbeeld te noemen: het vlugge

air, dat Figaro in de eerste acte van den Barbier de Séville bij

zijn optreden zingt, werd genomen met nommer 33 van den metronoom;

het duurde acht en vijftig minuten, en dan nog heette het, dat de

zanger er flink achter heenzat.

De artisten, die van buiten de stad kwamen, hadden zich natuurlijk

naar die mode moeten schikken, maar men betaalde hen goed en dus

klaagden zij niet; zij gehoorzaamden stipt aan den strijkstok van den

orkestdirecteur, die in een allegro nooit meer dan acht maten in de

minuut sloeg.

Maar welke toejuichingen wachtten ook niet de artisten, die het

publiek van Quiquendone in verrukking brachten, zonder zich ooit te

vermoeien! Het geheele publiek sloeg met geregelde tusschenpoozen de

handen in elkaar, hetgeen dan in de couranten »daverende toejuichingen"

heette. Een of twee malen zelfs zou wellicht de zaal onder die

bijvalsbewijzen ingestort zijn, indien men er niet in de twaalfde

eeuw geenszins tegen opgezien had flinke fondamenten te leggen.

Om voorts die levendige Vlamingen niet al te zeer op te winden, werd er

maar eens in den schouwburg gespeeld; dat gaf den acteurs gelegenheid

dieper in hunne rollen door te dringen, en aan het publiek om langer

te teren op de schoonheden der meesterwerken van dramatische kunst.

Op die manier ging het al langen tijd. De artisten van buiten waren

gewoon te Quiquendone een contract te sluiten, als zij wilden uitrusten

van de vermoeienis op andere tooneelen. Niets scheen eene wijziging

in die ingewortelde gewoonte aan te duiden, toen twee weken na de

zaak Schut-Custos een onverwachte gebeurtenis opnieuw de rust der

bevolking kwam storen.

Het was op een Zaterdag, dag van de opera. Er was nog geen sprake

van de inwijding van de nieuwe verlichting, zooals men allicht zou

denken; volstrekt niet, de pijpen kwamen wel reeds in de zaal uit,

maar er stonden nog geen branders op, en daarom wierpen nog altijd

waskaarsen haar zacht licht op het talrijk publiek dat de zaal

vulde. Te half een waren de deuren geopend en te vier uren was de zaal

reeds vol. Eén oogenblik was er een queue, die zich uitstrekte tot het

einde van het Stefanusplein, voor den winkel van den apotheker Josse

Liefrink. Zooveel belangstelling deed een prachtigen avond verwachten.

»Gaat ge van avond naar de comedie?" had dienzelfden ochtend de

wethouder aan den burgemeester gevraagd.

»Wel zeker," had Van Tricasse geantwoord, »en mevrouw Van Tricasse

gaat mee, en ook onze dochter Suze en de oude tante, die allen dol

zijn op muziek."

»Komt mejuffrouw Suze dus ook?" vroeg de wethouder.

»Zonder twijfel, Niklausse."

»Dan zal mijn zoon Frans wel maken, dat hij een van de eersten is,"

hernam Niklausse.

»Een vurig jongeling, Niklausse," merkte de burgemeester met waardigen

ernst op; »een heethoofd! Ge moogt wel oppassen met dien jonkman."

»Hij bemint, Van Tricasse; hij bemint uw bekoorlijke Suze."

»Welnu, Niklausse; hij zal haar krijgen, zoodra wij besloten hebben

dat dit huwelijk tot stand zal komen! Wat kan hij meer verlangen?"

»Hij verlangt niets, Van Tricasse; hij verlangt zeker niets, die

beste jongen! Maar dat is zeker, en meer zal ik er niet van zeggen,

dat hij niet de laatste zal zijn, die een plaatsbiljet haalt!"

»Ach, die ongeduldige, vurige jeugd!" riep de burgemeester, met een

glimlach aan zijn verleden terugdenkend. »Zoo zijn wij ook geweest,

waarde vriend! Ook wij hebben eenmaal bemind! Wij hebben in onzen

tijd ook queue gemaakt! Tot van avond dus, tot van avond! Zeg eens,

dat is een groot artist, die Fioravanti! Hij is hier dan ook prachtig

ontvangen. Die toejuichingen van Quiquendone zal hij niet licht

vergeten!"

Er was inderdaad sprake van den beroemden tenor Fioravanti, die door

zijn uitnemend talent, zijn volmaakte methode, zijn sympathieke stem

bij alle kunstliefhebbers in de stad ware geestdrift wekte.

In de laatste drie weken had Fioravanti met de Hugenoten een

ontzaglijk succes behaald. De eerste acte, opgevoerd naar den

smaak der Quiquendoners, had in de eerste week van deze maand een

ganschen avond ingenomen. De week daarna had de volgende acte, door

eindelooze andantes verlengd, den beroemden zanger een ware ovatie

bezorgd. Met de derde acte van Meyerbeer's meesterwerk was het succes

nog toegenomen. Nu had men er zich echter op gespitst Fioravanti in de

vierde acte te hooren, en die vierde acte zou hij dezen eigen avond

spelen voor een publiek, dat van ongeduld brandde. Dat was de acte

met het duo van Raoul en Valentine! Ach, die liefdezang voor twee

stemmen, breed en statig voorgedragen, dit bruisend hartstochtelijke

duet met zijn crescendo's zijn stringendo's, zijn animato's, zijn piu

crescendo's, langzaam, regelmatig, sleepend gezongen, welk een genot!

Te vier uren dan, was de zaal vol. Loges, parterre, galerijen waren

om 't meest bezet. Vooraan zaten de burgemeester Van Tricasse,

mejuffrouw Van Tricasse, mevrouw Van Tricasse en de goede oude

tante met een lichtgroene muts op. Een klein eind verder zat de

wethouder Niklausse met zijn familie, natuurlijk niet zonder den

verliefden Frans. Men zag er ook nog de familie van den geneesheer

Custos, van den advocaat Schut, van Honoré Syntax, de opperrechter,

van Norbert Soutman, directeur der verzekeringmaatschappij, van den

dikken bankier Collaert, die dol was op Duitsche muziek en ook zelf

wat aan muziek deed, van den ontvanger Rupp, van den directeur der

Academie, Jerome Resh, van den commissaris van politie en van tal van

andere achtenswaardige personen uit de stad, die hier evenwel niet

allen opgenoemd kunnen worden, als wij den lezer niet willen vervelen.

Gewoonlijk wachtten de Quiquendoners rustig het ophalen van het gordijn

af, hetzij onder het lezen der courant, hetzij dat ze zachtjes eenige

woorden onder elkander spraken; anderen weer zochten langzaam en zonder

gedruisch hunne plaats op, en enkelen wierpen een beschroomden blik

op de lieftallige schoonheden in het rond.

Op dezen avond echter, zou het voor een waarnemer duidelijk geweest

zijn, dat zelfs voor het ophalen van het gordijn een ongewone

levendigheid in de zaal heerschte. Men zag personen bewegingen maken

die zich anders nooit bewogen. De waaiers der dames werden met zeldzame

levendigheid gebruikt. Al die borsten schenen met een prikkelende

lucht gevuld te zijn, men ademde dieper en langer. Bij sommigen

schitterden de oogen, zelfs, om de waarheid getrouw te blijven, bijna

even sterk als de lichten, die dezen avond al bijzonder helder waren;

tenminste men zag helderder, ofschoon de verlichting niet sterker

was dan anders. Ja, als de verlichting van dokter Ox nu al werkte,

maar die werkte nog niet!

Het orkest was thans op zijn post en geheel voltallig. De eerste

viool had bij de verschillende lessenaars de ronde gedaan en een

bescheiden »a" aangegeven. De strijk- en de blaasinstrumenten

stemmen. De orkestdirecteur wacht slechts op het schelletje om de

eerste maat te slaan.

Daar klinkt de schel. De vierde acte begint. Het Allegro appassionato

van de entr'acte is volgens gewoonte gespeeld, zoo majestueus langzaam,

dat 't voor Meyerbeer zou geweest zijn om razend te worden, maar de

kunstliefhebbers van Quiquendone genoten er al de majesteit van.

't Duurt niet lang, of de orkest-directeur gevoelt dat hij zijne

executanten niet meer geheel meester is. Hij heeft moeite hen in te

toomen, dezelfde menschen die anders zoo gehoorzaam, zoo kalm zijn. De

blaasinstrumenten leggen eene neiging aan den dag om de beweging te

versnellen; ze moeten met vaste hand ingehouden worden, want anders

zouden ze de strijkinstrumenten vooruitgeraken, 'tgeen aan de harmonie

nog al zou schaden. De fagottist zelfs, de zoon van den apotheker

Liefrinck, anders zoo'n welopgevoed jongmensch, wil ook jagen.

Inmiddels heeft Valentine haar recitatief begonnen:

»Je suis seule chez moi..."

maar ze haast. De orkest-directeur en al zijne muzikanten volgen

haar--misschien zonder het te weten--in haar cantabile, dat breed

genomen moest worden want het is een 12/8 maat. Raoul verschijnt in

de deur op den achtergrond, maar nu verloopt tusschen het oogenblik

waarop Valentine naar hem toegaat, en dat waarop zij hem in hare kamer

ter zijde verbergt, geen kwartier, terwijl anders in den schouwburg

van Quiquendone dit recitatief van zeven en dertig maten ook juist

zeven en dertig minuten moest duren.

Saint-Bris, Nevers, Cavannes en de catholieke heeren zijn opgekomen,

misschien wel wat haastig. Allegro pomposo teekende de componist bij

dat gedeelte aan; nu gaan de heeren en het orkest wel allegro, maar in

het geheel niet pomposo, en in het ensemble-gedeelte van de prachtige

»samenzwering en zegening der wapenen" is er van geen matigen van het

allegro sprake. Zangers en muzikanten houden een wedren. De directeur

denkt er niet meer aan hen in te houden. Het publiek verlangt dat

trouwens ook niet; integendeel. Het is medegesleept, het neemt deel

aan de beweging, en die beweging komt overeen met de wenschen van

zijn hart.

»Des troubles renaissants et d'une guerre impie,

Voulez-vous, comme moi, délivrer le pays?"

Men belooft, men zweert het. Ternauwernood heeft Nevers tijd om

te protesteeren en te zingen, »dat hij onder zijn voorvaderen wel

soldaten telt, maar geen moordenaars." Men arresteert hem. Schout

en schepenen komen aanloopen en zweren inderhaast »allen tegelijk te

treffen." Saint-Bris maakt een relletje van het recitatief, waarbij de

catholieken tot wraakneming worden opgeroepen. De drie monniken, zwarte

mantels dragende met witte sjerpen, komen de deur van het vertrek

van Nevers binnenstormen, met verwaarloozing van de lessen van den

regisseur, die hun leerde zacht voort te schrijden. Al de aanwezigen

hebben reeds degens en ponjaarden getrokken, en het zegenen houdt

de monniken maar een ommezien bezig. De sopranen, tenoren en bassen

schreeuwen het allegro furioso. Daarop vertrekken zij, al brullende:

A minuit

Point de bruit!

Dieu le veut!

Oui,

A minuit!

Het gansche publiek is opgerezen. In loges, parterre en galerijen

is het erg woelig. Al de toeschouwers, met den burgemeester aan het

hoofd, schijnen zich op het tooneel te willen storten, teneinde

met de samenzweerders mee te doen en de Hugenoten te verdelgen,

niettegenstaande zij de godsdienstige begrippen van deze deelen. Men

juicht, men roept terug, men gilt. De oude tante trekt zenuwachtig

aan haar lichtgroene muts. Het licht in de zaal straalt hoe langer

zoo helderder.

Raoul komt weer op, en tilt niet zachtkens het gordijn op, maar

scheurt het met een kloeke beweging vaneen en staat dan vlak tegenover

Valentine.

Nu begint het groote duo, en wel allegro vivace. Raoul wacht de vragen

van Valentine niet af, en Valentine wacht niet op de antwoorden van

Raoul. De heerlijke passage:

»Le danger presse

Et le temps vole..."

wordt een van die snelle 2/4 maten, waarmede Offenbach naam gemaakt

heeft als hij deze of gene samenzweerders laat dansen; het andante

amoroso:

»Tu l'as dit!

Oui, tu m'aimes!"

is ten slotte een vivace furioso, en de violoncel in het orkest

streeft er in de verste verte niet meer naar, om mede te gaan met de

stem van den zanger, zooals zijne partij aangeeft.

Daar slaat de klok, maar welk een hijgend, gejaagd geluid! Degeen die

slaat, is stellig zich zelf niet meer meester. Het is een donderende

stormklok, welke in geweld wedijvert met het razend orkest.

Eindelijk komt het air, waarmede deze heerlijke acte eindigt:

»Plus d'amour, plus d'ivresse

O remords qui m'oppresse!"

door den componist als allegro con moto aangeduid, maar hier in een

ontembaar prestissimo genomen. 't Is alsof er een express-trein voorbij

suist. Daar begint de stormklok weer. Valentine valt in zwijm. Raoul

springt uit het venster!....

't Was wel tijd. Het orkest, dat volslagen dronken scheen, had het

niet langer kunnen volhouden. De dirigeerstok is tot op een klein

gedeelte na stukgeslagen op het hokje van den souffleur. De snaren

der violen zijn gesprongen, de halzen verwrongen! De paukenslager

heeft zoo woedend op zijn pauken geslagen, dat ze gebarsten zijn! De

contrabassist is boven op zijn welluidend gebouw gekropen! De eerste

klarinet zit op zijn mondstuk te bijten, en de tweede hobo heeft zijn

rieten tongetje ingeslikt! De schuif van de trombone is vol bulten, en

de ongelukkige hoornist eindelijk kan zijn hand niet meer loskrijgen,

daar hij ze te ver in zijn instrument geduwd heeft!

En het publiek?--Het publiek hijgt, schreeuwt en brult! Ieder ziet

vuurrood, alsof zijn lichaam van binnen in brand staat! Men stoot,

men verdringt elkander om naar buiten te komen, de mannen zonder hoed,

de vrouwen zonder mantel! In de gangen verdringt men elkander, bij de

deuren drukt men elkander plat; men twist, men geraakt handgemeen! Geen

sprake meer van autoriteiten, van burgemeester! Allen zijn gelijk

voor deze helsche opgewondenheid...

Weinige oogenblikken later, terwijl allen buiten op de straat zijn,

herneemt ieder zijn gewone kalmte en keert bedaard naar huis, met

een onbestemde herinnering aan 'tgeen er gebeurd is.

De vierde acte van de Hugenoten, die anders op de klok af zes uren

duurde, was nu begonnen te half vijf en afgeloopen twaalf minuten

vóór vijven.

Ze had achttien minuten geduurd!

Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2) · 第 34 / 47 题