Waarin de »andantes" »allegro's" worden en de »allegro's" in »vivaces"
overgaan.
De gemoederen waren bedaard na het voorgevallene tusschen den advocaat
Schut en den geneesheer Custos. De zaak had geene gevolgen gehad. Men
had dus reden om te hopen, dat Quiquendone tot zijn gewone kalmte
zou terugkeeren, die een oogenblik door een onverklaarbaar voorval
was gestoord.
Inmiddels vorderde men snel met het leggen der buizen voor het
hydro-oxygeengas naar de voornaamste gebouwen der stad. Hoofdbuizen
en zijbuizen werden onder de straten van Quiquendone steeds
verder voortgeschoven. Branders waren er nog niet, want hunne
vervaardiging vereischte bijzonder veel zorg en moest in het buitenland
geschieden. Dokter Ox was hier en daar en overal, hij en zijn assistent
Ygeen lieten geen oogenblik verloren gaan; zij spoorden onophoudelijk
de werklieden aan, werkten aan de voltooiing der gasmeters en hielden
dag en nacht de reusachtige electrische batterijen in werking waarmede
het water ontleed werd.
De dokter was namelijk al aan het maken van zijn gas, ofschoon het
buizennet nog niet voltooid was, iets wat, tusschen ons gezegd,
wel wat vreemd scheen. Maar het zou niet lang duren, ten minste dat
mocht men hopen, of dokter Ox zou voor het eerst in den schouwburg
zijn prachtig licht laten schijnen.
Quiquendone bezat werkelijk een schouwburg, en inderdaad een fraai
gebouw ook. In- en uitwendig had het iets van alle bouwstijlen; het
had gelijkertijd iets van den Byzantijnschen, van den Romaanschen,
van den Gothischen en van den Renaissance-stijl; deuren met rondbogen,
spitsboogvensters, ster-rosetten, fantasie-klokketorentjes, kortom,
het was een staalkaart van alle mogelijke stijlen. Verwonderen
doet het niet, als men weet, dat het gebouw begonnen werd onder
den burgemeester Lodewijk Van Tricasse in 1175 en voltooid in 1837
onder den burgemeester Natalis Van Tricasse. Het bouwen had zeven
eeuwen geduurd, en achtereenvolgens hadden verschillende modes haar
invloed laten gelden. Toch was en bleef het een mooi gebouw, en bij de
Romaansche zuilen en Byzantijnsche gewelven, zou het nieuwe lichtgas
in het geheel niet misstaan.
In dien schouwburg van Quiquendone werd zoo wat van alles gespeeld,
vooral opera en opera-comique. 't Zou evenwel de vraag zijn, of de
componisten er wel hun eigen werk herkend zouden hebben, zoo zeer
had men het tempo veranderd.
In Quiquendone werd niets haastig gedaan, en dus moesten ook de
dramatische werken naar het karakter der Quiquendoners geschikt
worden. De schouwburg opende zijne deuren gewoonlijk te vier uren en
sloot ze te tien uren, maar in die zes uren tijds waren er nooit meer
dan twee bedrijven gespeeld. Voor Robert le diable, les Huguenots,
Guillaume Tell, enz. had men gewoonlijk drie avonden noodig, vanwege
de langzame wijze waarop die werken uitgevoerd werden. De vivaces
ontaardden in den schouwburg van Quiquendone in ware adagio's; de
allegro's werden tot in het oneindige gerekt. De vier en zestigste
wonnen het van de heele noten in andere landen. Een vlugge roulade
had, als ze naar den smaak der Quiquendoners uitgevoerd werd, den
gang van een plechtige kerkmis. Een losse triller moest uiterst
bedaard en volkomen gelijkmatig gespeeld worden, wilde hij de ooren
der dilettanten niet kwetsen. Om een voorbeeld te noemen: het vlugge
air, dat Figaro in de eerste acte van den Barbier de Séville bij
zijn optreden zingt, werd genomen met nommer 33 van den metronoom;
het duurde acht en vijftig minuten, en dan nog heette het, dat de
zanger er flink achter heenzat.
De artisten, die van buiten de stad kwamen, hadden zich natuurlijk
naar die mode moeten schikken, maar men betaalde hen goed en dus
klaagden zij niet; zij gehoorzaamden stipt aan den strijkstok van den
orkestdirecteur, die in een allegro nooit meer dan acht maten in de
minuut sloeg.
Maar welke toejuichingen wachtten ook niet de artisten, die het
publiek van Quiquendone in verrukking brachten, zonder zich ooit te
vermoeien! Het geheele publiek sloeg met geregelde tusschenpoozen de
handen in elkaar, hetgeen dan in de couranten »daverende toejuichingen"
heette. Een of twee malen zelfs zou wellicht de zaal onder die
bijvalsbewijzen ingestort zijn, indien men er niet in de twaalfde
eeuw geenszins tegen opgezien had flinke fondamenten te leggen.
Om voorts die levendige Vlamingen niet al te zeer op te winden, werd er
maar eens in den schouwburg gespeeld; dat gaf den acteurs gelegenheid
dieper in hunne rollen door te dringen, en aan het publiek om langer
te teren op de schoonheden der meesterwerken van dramatische kunst.
Op die manier ging het al langen tijd. De artisten van buiten waren
gewoon te Quiquendone een contract te sluiten, als zij wilden uitrusten
van de vermoeienis op andere tooneelen. Niets scheen eene wijziging
in die ingewortelde gewoonte aan te duiden, toen twee weken na de
zaak Schut-Custos een onverwachte gebeurtenis opnieuw de rust der
bevolking kwam storen.
Het was op een Zaterdag, dag van de opera. Er was nog geen sprake
van de inwijding van de nieuwe verlichting, zooals men allicht zou
denken; volstrekt niet, de pijpen kwamen wel reeds in de zaal uit,
maar er stonden nog geen branders op, en daarom wierpen nog altijd
waskaarsen haar zacht licht op het talrijk publiek dat de zaal
vulde. Te half een waren de deuren geopend en te vier uren was de zaal
reeds vol. Eén oogenblik was er een queue, die zich uitstrekte tot het
einde van het Stefanusplein, voor den winkel van den apotheker Josse
Liefrink. Zooveel belangstelling deed een prachtigen avond verwachten.
»Gaat ge van avond naar de comedie?" had dienzelfden ochtend de
wethouder aan den burgemeester gevraagd.
»Wel zeker," had Van Tricasse geantwoord, »en mevrouw Van Tricasse
gaat mee, en ook onze dochter Suze en de oude tante, die allen dol
zijn op muziek."
»Komt mejuffrouw Suze dus ook?" vroeg de wethouder.
»Zonder twijfel, Niklausse."
»Dan zal mijn zoon Frans wel maken, dat hij een van de eersten is,"
hernam Niklausse.
»Een vurig jongeling, Niklausse," merkte de burgemeester met waardigen
ernst op; »een heethoofd! Ge moogt wel oppassen met dien jonkman."
»Hij bemint, Van Tricasse; hij bemint uw bekoorlijke Suze."
»Welnu, Niklausse; hij zal haar krijgen, zoodra wij besloten hebben
dat dit huwelijk tot stand zal komen! Wat kan hij meer verlangen?"
»Hij verlangt niets, Van Tricasse; hij verlangt zeker niets, die
beste jongen! Maar dat is zeker, en meer zal ik er niet van zeggen,
dat hij niet de laatste zal zijn, die een plaatsbiljet haalt!"
»Ach, die ongeduldige, vurige jeugd!" riep de burgemeester, met een
glimlach aan zijn verleden terugdenkend. »Zoo zijn wij ook geweest,
waarde vriend! Ook wij hebben eenmaal bemind! Wij hebben in onzen
tijd ook queue gemaakt! Tot van avond dus, tot van avond! Zeg eens,
dat is een groot artist, die Fioravanti! Hij is hier dan ook prachtig
ontvangen. Die toejuichingen van Quiquendone zal hij niet licht
vergeten!"
Er was inderdaad sprake van den beroemden tenor Fioravanti, die door
zijn uitnemend talent, zijn volmaakte methode, zijn sympathieke stem
bij alle kunstliefhebbers in de stad ware geestdrift wekte.
In de laatste drie weken had Fioravanti met de Hugenoten een
ontzaglijk succes behaald. De eerste acte, opgevoerd naar den
smaak der Quiquendoners, had in de eerste week van deze maand een
ganschen avond ingenomen. De week daarna had de volgende acte, door
eindelooze andantes verlengd, den beroemden zanger een ware ovatie
bezorgd. Met de derde acte van Meyerbeer's meesterwerk was het succes
nog toegenomen. Nu had men er zich echter op gespitst Fioravanti in de
vierde acte te hooren, en die vierde acte zou hij dezen eigen avond
spelen voor een publiek, dat van ongeduld brandde. Dat was de acte
met het duo van Raoul en Valentine! Ach, die liefdezang voor twee
stemmen, breed en statig voorgedragen, dit bruisend hartstochtelijke
duet met zijn crescendo's zijn stringendo's, zijn animato's, zijn piu
crescendo's, langzaam, regelmatig, sleepend gezongen, welk een genot!
Te vier uren dan, was de zaal vol. Loges, parterre, galerijen waren
om 't meest bezet. Vooraan zaten de burgemeester Van Tricasse,
mejuffrouw Van Tricasse, mevrouw Van Tricasse en de goede oude
tante met een lichtgroene muts op. Een klein eind verder zat de
wethouder Niklausse met zijn familie, natuurlijk niet zonder den
verliefden Frans. Men zag er ook nog de familie van den geneesheer
Custos, van den advocaat Schut, van Honoré Syntax, de opperrechter,
van Norbert Soutman, directeur der verzekeringmaatschappij, van den
dikken bankier Collaert, die dol was op Duitsche muziek en ook zelf
wat aan muziek deed, van den ontvanger Rupp, van den directeur der
Academie, Jerome Resh, van den commissaris van politie en van tal van
andere achtenswaardige personen uit de stad, die hier evenwel niet
allen opgenoemd kunnen worden, als wij den lezer niet willen vervelen.
Gewoonlijk wachtten de Quiquendoners rustig het ophalen van het gordijn
af, hetzij onder het lezen der courant, hetzij dat ze zachtjes eenige
woorden onder elkander spraken; anderen weer zochten langzaam en zonder
gedruisch hunne plaats op, en enkelen wierpen een beschroomden blik
op de lieftallige schoonheden in het rond.
Op dezen avond echter, zou het voor een waarnemer duidelijk geweest
zijn, dat zelfs voor het ophalen van het gordijn een ongewone
levendigheid in de zaal heerschte. Men zag personen bewegingen maken
die zich anders nooit bewogen. De waaiers der dames werden met zeldzame
levendigheid gebruikt. Al die borsten schenen met een prikkelende
lucht gevuld te zijn, men ademde dieper en langer. Bij sommigen
schitterden de oogen, zelfs, om de waarheid getrouw te blijven, bijna
even sterk als de lichten, die dezen avond al bijzonder helder waren;
tenminste men zag helderder, ofschoon de verlichting niet sterker
was dan anders. Ja, als de verlichting van dokter Ox nu al werkte,
maar die werkte nog niet!
Het orkest was thans op zijn post en geheel voltallig. De eerste
viool had bij de verschillende lessenaars de ronde gedaan en een
bescheiden »a" aangegeven. De strijk- en de blaasinstrumenten
stemmen. De orkestdirecteur wacht slechts op het schelletje om de
eerste maat te slaan.
Daar klinkt de schel. De vierde acte begint. Het Allegro appassionato
van de entr'acte is volgens gewoonte gespeeld, zoo majestueus langzaam,
dat 't voor Meyerbeer zou geweest zijn om razend te worden, maar de
kunstliefhebbers van Quiquendone genoten er al de majesteit van.
't Duurt niet lang, of de orkest-directeur gevoelt dat hij zijne
executanten niet meer geheel meester is. Hij heeft moeite hen in te
toomen, dezelfde menschen die anders zoo gehoorzaam, zoo kalm zijn. De
blaasinstrumenten leggen eene neiging aan den dag om de beweging te
versnellen; ze moeten met vaste hand ingehouden worden, want anders
zouden ze de strijkinstrumenten vooruitgeraken, 'tgeen aan de harmonie
nog al zou schaden. De fagottist zelfs, de zoon van den apotheker
Liefrinck, anders zoo'n welopgevoed jongmensch, wil ook jagen.
Inmiddels heeft Valentine haar recitatief begonnen:
»Je suis seule chez moi..."
maar ze haast. De orkest-directeur en al zijne muzikanten volgen
haar--misschien zonder het te weten--in haar cantabile, dat breed
genomen moest worden want het is een 12/8 maat. Raoul verschijnt in
de deur op den achtergrond, maar nu verloopt tusschen het oogenblik
waarop Valentine naar hem toegaat, en dat waarop zij hem in hare kamer
ter zijde verbergt, geen kwartier, terwijl anders in den schouwburg
van Quiquendone dit recitatief van zeven en dertig maten ook juist
zeven en dertig minuten moest duren.
Saint-Bris, Nevers, Cavannes en de catholieke heeren zijn opgekomen,
misschien wel wat haastig. Allegro pomposo teekende de componist bij
dat gedeelte aan; nu gaan de heeren en het orkest wel allegro, maar in
het geheel niet pomposo, en in het ensemble-gedeelte van de prachtige
»samenzwering en zegening der wapenen" is er van geen matigen van het
allegro sprake. Zangers en muzikanten houden een wedren. De directeur
denkt er niet meer aan hen in te houden. Het publiek verlangt dat
trouwens ook niet; integendeel. Het is medegesleept, het neemt deel
aan de beweging, en die beweging komt overeen met de wenschen van
zijn hart.
»Des troubles renaissants et d'une guerre impie,
Voulez-vous, comme moi, délivrer le pays?"
Men belooft, men zweert het. Ternauwernood heeft Nevers tijd om
te protesteeren en te zingen, »dat hij onder zijn voorvaderen wel
soldaten telt, maar geen moordenaars." Men arresteert hem. Schout
en schepenen komen aanloopen en zweren inderhaast »allen tegelijk te
treffen." Saint-Bris maakt een relletje van het recitatief, waarbij de
catholieken tot wraakneming worden opgeroepen. De drie monniken, zwarte
mantels dragende met witte sjerpen, komen de deur van het vertrek
van Nevers binnenstormen, met verwaarloozing van de lessen van den
regisseur, die hun leerde zacht voort te schrijden. Al de aanwezigen
hebben reeds degens en ponjaarden getrokken, en het zegenen houdt
de monniken maar een ommezien bezig. De sopranen, tenoren en bassen
schreeuwen het allegro furioso. Daarop vertrekken zij, al brullende:
A minuit
Point de bruit!
Dieu le veut!
Oui,
A minuit!
Het gansche publiek is opgerezen. In loges, parterre en galerijen
is het erg woelig. Al de toeschouwers, met den burgemeester aan het
hoofd, schijnen zich op het tooneel te willen storten, teneinde
met de samenzweerders mee te doen en de Hugenoten te verdelgen,
niettegenstaande zij de godsdienstige begrippen van deze deelen. Men
juicht, men roept terug, men gilt. De oude tante trekt zenuwachtig
aan haar lichtgroene muts. Het licht in de zaal straalt hoe langer
zoo helderder.
Raoul komt weer op, en tilt niet zachtkens het gordijn op, maar
scheurt het met een kloeke beweging vaneen en staat dan vlak tegenover
Valentine.
Nu begint het groote duo, en wel allegro vivace. Raoul wacht de vragen
van Valentine niet af, en Valentine wacht niet op de antwoorden van
Raoul. De heerlijke passage:
»Le danger presse
Et le temps vole..."
wordt een van die snelle 2/4 maten, waarmede Offenbach naam gemaakt
heeft als hij deze of gene samenzweerders laat dansen; het andante
amoroso:
»Tu l'as dit!
Oui, tu m'aimes!"
is ten slotte een vivace furioso, en de violoncel in het orkest
streeft er in de verste verte niet meer naar, om mede te gaan met de
stem van den zanger, zooals zijne partij aangeeft.
Daar slaat de klok, maar welk een hijgend, gejaagd geluid! Degeen die
slaat, is stellig zich zelf niet meer meester. Het is een donderende
stormklok, welke in geweld wedijvert met het razend orkest.
Eindelijk komt het air, waarmede deze heerlijke acte eindigt:
»Plus d'amour, plus d'ivresse
O remords qui m'oppresse!"
door den componist als allegro con moto aangeduid, maar hier in een
ontembaar prestissimo genomen. 't Is alsof er een express-trein voorbij
suist. Daar begint de stormklok weer. Valentine valt in zwijm. Raoul
springt uit het venster!....
't Was wel tijd. Het orkest, dat volslagen dronken scheen, had het
niet langer kunnen volhouden. De dirigeerstok is tot op een klein
gedeelte na stukgeslagen op het hokje van den souffleur. De snaren
der violen zijn gesprongen, de halzen verwrongen! De paukenslager
heeft zoo woedend op zijn pauken geslagen, dat ze gebarsten zijn! De
contrabassist is boven op zijn welluidend gebouw gekropen! De eerste
klarinet zit op zijn mondstuk te bijten, en de tweede hobo heeft zijn
rieten tongetje ingeslikt! De schuif van de trombone is vol bulten, en
de ongelukkige hoornist eindelijk kan zijn hand niet meer loskrijgen,
daar hij ze te ver in zijn instrument geduwd heeft!
En het publiek?--Het publiek hijgt, schreeuwt en brult! Ieder ziet
vuurrood, alsof zijn lichaam van binnen in brand staat! Men stoot,
men verdringt elkander om naar buiten te komen, de mannen zonder hoed,
de vrouwen zonder mantel! In de gangen verdringt men elkander, bij de
deuren drukt men elkander plat; men twist, men geraakt handgemeen! Geen
sprake meer van autoriteiten, van burgemeester! Allen zijn gelijk
voor deze helsche opgewondenheid...
Weinige oogenblikken later, terwijl allen buiten op de straat zijn,
herneemt ieder zijn gewone kalmte en keert bedaard naar huis, met
een onbestemde herinnering aan 'tgeen er gebeurd is.
De vierde acte van de Hugenoten, die anders op de klok af zes uren
duurde, was nu begonnen te half vijf en afgeloopen twaalf minuten
vóór vijven.
Ze had achttien minuten geduurd!