VI.

Waarin Frans Niklausse en Suze Van Tricasse plannetjes voor de

toekomst maken.

De lezers weten, dat de burgemeester eene dochter had, Suze

geheeten. Voor hoe scherpzinnig ik hen nu ook houd, hebben zij toch

zeker niet kunnen raden, dat de wethouder Niklausse een zoon had,

die Frans heette, en dat die zoon de aanstaande was van Suze. Deze

beide jongelieden waren trouwens voor elkaar geschapen, en ze beminden

elkaar zooals men te Quiquendone bemint.

Men moet niet denken, dat in deze buitengewone stad de jonge hartjes

niet klopten; ze klopten alleen maar wat langzaam. Men trouwde er even

goed als in alle andere steden van de wereld, maar men overhaastte

zich niet. De verloofden wilden, voordat zij die vreeselijke banden

smeedden, elkander leeren kennen en die studie duurde minstens

tien jaren.

Tien jaren vrijde men, ja! Is dat dan te veel, als men zich voor

het leven wil verbinden? Men studeert soms wel zoo lang om dokter

of advocaat te worden, en zou men dan in minder tijd de kundigheden

willen verkrijgen die een echtgenoot noodig heeft? Dat mag men niet

aannemen, en of het nu wegens het temperament geschiedt of na rijpelijk

nadenken, het komt ons voor, dat de Quiquendoners met hun lange studie

geen ongelijk hebben. Als men in andere, vrije en vurige steden soms

in enkele maanden een huwelijk ziet sluiten, moet men de schouders

ophalen, en men zou wel doen, zijn jongens naar het college en zijne

meisjes naar de kostschool te Quiquendone te zenden.

In een halve eeuw was het slechts eens voorgekomen, dat een huwelijk

binnen de twee jaren tot stand kwam, en dat liep nog bijna slecht af!

Frans Niklausse beminde dus Suze Van Tricasse, maar kalmpjes, zooals

men bemint, wanneer men tien jaren vóor zich heeft om het beminde

voorwerp eenmaal het zijne te mogen noemen. Eenmaal 's weeks kwam

Frans op een bepaald uur zijn Suze afhalen, en ging met haar naar

de oevers van de Vaar. Frans nam zijn hengel mede, en Suze vergat

nooit haar stremien mede te nemen, waarop haar lieve vingeren de

onmogelijkste bloemen tooverden.

We dienen ook nog te zeggen, dat Frans een jonkman van twee en twintig

jaar was, dat zijne wangen zich met een licht perzikkendons begonnen

te bedekken en ten slotte dat zijne stem nauwelijks meer dan een

octaaf omvang had.

Suze was blond en had een rozenkleurtje. Zij telde pas zeventien zomers

en had toch geen hekel aan het hengelen, welk een zonderling genoegen

het ook moge zijn om de vischjes met een weerhaak te verschalken. Maar

het kwam doordat Frans er van hield; 't was juist een vermaak naar

zijn aard. Hij was zoo geduldig als 't maar kan, mocht gaarne een

weinig droomerig op zijn dobber staren en had geduld genoeg om te

wachten totdat, misschien na zes uren zittens, een voorntje zoo goed

was, misschien uit medelijden met hem, zich te laten vangen; dan was

hij gelukkig, maar altijd met gematigdheid.

Dien zelfden dag hadden de beide aanstaanden zich op den

begroeiden oever neergevleid; eenige voeten beneden hen kabbelde de

vreedzame Vaar. Suze trok achteloos haar naald heen en weer door het

stremien. Frans slingerde werktuiglijk zijn sim van rechts naar links,

en liet haar dan met den stroom van links naar rechts drijven. De

vorentjes sprongen lustig rond nabij den dobber, terwijl de haak,

nog vrij, dieper in het water lag.

Nadat het een poos geduurd had, zei Frans:

»Ik geloof dat ik beet heb, Suze," maar hij keek haar niet aan.

»Zoudt ge denken, Frans?" gaf Suze ten antwoord, terwijl ze voor een

oogenblik haar werk liet rusten, en met bewogen oog den dobber van

haar aanstaande volgde.

»Neen, toch niet," zeide Frans weer, »ik dacht maar dat ik voelde

trekken. Ik heb mij vergist."

Eenigen tijd daarna merkte Suze met haar lieve, zachte stem op:

»Ze zullen wel bijten, Frans, maar vergeet niet tijdig op te halen. Ge

zijt altijd eenige seconden te laat, en dan ontsnapt de visch."

»Wilt gij den hengel eens houden, Suze?"

»Gaarne, Frans."

»Geef mij dan uw tappiseriewerk. Ik zal zien of ik beter slaag met

de naald dan met den angel."

Nu nam het meisje met bevende hand den hengel, en de jongman haalde

ijverig de naald door het stremien.

Zoo wisselden zij uren lang vriendelijke woordjes, en hunne harten

klopten als er beweging in den dobber kwam. O, dat ze nooit de

heerlijke uren mogen vergeten, waarin ze onder het gekabbel der

golfjes bij elkander zaten!

De zon was dien dag reeds een goed eind gedaald, en ondanks de

vereenigde talenten van Suze en Frans, had de visch nog maar niet

gebeten. De vorentjes hadden ditmaal geen medelijden en lachten wat om

de jongelieden, die trouwens veel te redelijk dachten om hun ongelijk

te geven.

»Een ander maal zullen we gelukkiger zijn, Frans," zeide Suze, toen

de jonge visscher zijn haak weder op het plankje stak.

»Dat zullen we hopen, Suze," gaf Frans ten antwoord.

Daarna sloegen beiden naast elkaar den weg naar huis in zonder een

woord te spreken, even zwijgend als de lange schaduwen, die voor hen

uitgingen. Suze werd groot, heel groot onder de schuine stralen der

ondergaande zon; Frans werd mager, zoo mager als de hengel, dien hij

in de hand hield.

Nu had men de woning van den burgemeester bereikt. Tusschen de

straatsteenen wiesen geheele grasstruiken, maar men trok ze niet uit,

want ze dempten het geluid der voetstappen.

Toen de deur stond geopend te worden, meende Frans tot zijn beminde

te moeten zeggen:

»Denkt ge er wel eens aan, Suze, dat de groote dag nadert?"

»Ja, hij nadert zeker, Frans," antwoordde het meisje met neergeslagen

blik.

»Ja," hernam Frans, »binnen vijf of zes jaar...."

»Tot ziens, Frans," zeide Suze.

»Tot ziens, Suze," antwoordde Frans.

Daarop werd de deur gesloten, en de jonkman vervolgde met kalmen tred

zijn weg naar het huis van den wethouder Niklausse.

Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2) · 第 33 / 47 题