Waarin de oude, deftige wals een stormwind gelijk wordt.
Wel herkregen de toeschouwers, nadat ze den schouwburg verlaten
hadden, hun gewone kalmte; wel gingen ze rustig naar huis, alleen
onder den indruk van een voorbijgaande versuftheid, maar toch had
de buitengewone opgewondenheid hen geweldig van streek gebracht,
en ze vielen in bed alsof zij bijzonder zwaar getafeld hadden.
Den volgenden dag was er voor ieder nog een souvenir van het gebeurde
van den vorigen dag: van den een toch was de hoed bij het standje
verdwenen, een ander miste een slip van zijn jas; deze dame had haar
satijnen laarsje verloren, een andere haar zondagschen mantel. De
herinnering aan het voorval werd bij die eenvoudige menschen wakker,
en met die herinnering zeker schaamtegevoel over hun onvergeeflijke
buitensporigheid. 't Was alsof zij aan een overdadig festijn hadden
deelgenomen en er onbewust de helden van geweest waren! Zij spraken
er niet over en wilden er liefst niet meer aan denken.
Niemand was evenwel zoo verbijsterd als de burgemeester Van
Tricasse. Toen de waardige man den volgenden ochtend opstond, was hij
zijn pruik kwijt. Lotje had overal gezocht, maar 't hielp niets, de
pruik was op het slagveld achtergebleven. Men zou haar kunnen doen
uitroepen door Jan Mistrol, den beëedigden omroeper van de stad,
maar dat ging niet; dan was het maar beter het hoofddeksel in den
steek te laten, dan zich zoo ten toon te stellen, voor iemand die de
eer had de eerste overheidspersoon van de stad te zijn.
Zoo nu peinsde de waardige Van Tricasse, terwijl hij met een zwaar
hoofd, dikke tong en hijgende borst onder de dekens lag. Hij had
geen den minsten lust om op te staan, wel het tegendeel, en in
zijn hersenen ging dien morgen meer om dan anders in veertig jaren
tijds. De achtbare magistraat overdacht nog eens alles wat bij die
onverklaarbare voorstelling gebeurd was. Hij bracht het in verband
met het voorgevallene op de partij ten huize van dokter Ox. Hij zocht
naar de redenen van die zonderlinge opgewondenheid, die zich nu ten
tweede male bij zijne rustige ingezetenen had voorgedaan.
»Maar wat gebeurt er dan toch?" vroeg hij zich zelf. »Hoe komen in
mijn stille stad de zinnen zoo verbijsterd? Staan we op het punt
gek te worden en moet de gansche stad een groot hospitaal worden? De
gansche stad, want alle notabelen, wethouders, rechters, advocaten,
geneesheeren, gestudeerden, allen waren er, en als ik mij goed
herinner, zijn we allen even dol geweest! En hoe kwam het, dat die
muziek zoo'n helsch spektakel maakte? Onbegrijpelijk! Ik voor mij
weet zeker, dat ik niets gegeten, niets gedronken had, dat mij zoo kon
opwinden! Och neen, gisteren at ik een doorgaar sneedje kalfsvleesch,
een paar schepjes spinazie met suiker, geklutste eieren en ik dronk een
paar glaasjes onschuldig bier. Dat stijgt niet naar het hoofd! Neen,
er is iets onverklaarbaars in de geheele zaak, en daar ik toch de
verantwoordelijke man ben voor hetgeen de ingezetenen van mijne stad
doen, zal ik een onderzoek doen instellen."
De stedelijke raad kon zich met dat onderzoek vereenigen, maar het
leidde tot niets. De feiten waren niet te loochenen, de oorzaken
echter gingen boven het verstand van de magistraten. Overigens waren
alle gemoederen nu weer tot kalmte gekomen, en de buitensporigheden
geraakten in het vergeetboek. De dagbladen vermeden ook er over te
spreken, en in het verslag der voorstelling, dat in de stadscourant
verscheen, werd niet eens een toespeling gemaakt op de koortsachtige
opgewondenheid van de geheele zaal.
Evenwel, de stad had wel weer haar gewone bedaardheid herkregen, en ze
werd wel weer even Vlaamsch als te voren, maar toch was het merkbaar,
dat het karakter en de geaardheid der bewoners langzamerhand eene
wijziging ondergingen. 't Was of ze meer zenuwen hadden gekregen,
zooals de geneesheer Dominicus Custos opmerkte.
Dat vereischt eenige toelichting. De verandering, die onloochenbaar
was en ook niet geloochend werd, openbaarde zich slechts in sommige
gevallen. Wanneer de Quiquendoners op de straat waren of langs
de Vaar wandelden, waren zij dezelfde kalme, geregelde menschen
van vroeger. Zoo ook in hunne woningen, waar de een een handwerk
uitoefende, de ander met het hoofd werkte, nog een ander niets deed en
een vierde zelfs niet dacht. In hun privaat leven waren ze zwijgend,
stil en leidden ze een plantenleven als voorheen. Geen twist, geen
verwijt in huis; hun hart klopte niet sneller, hunne hersenen werden
door niets aangedaan. De gemiddelde polsslag kwam overeen met dien
uit den goeden ouden tijd: vijftig a twee en vijftig in de minuut.
Een volkomen onverklaarbaar verschijnsel was het evenwel, een
verschijnsel waarop de knapste physiologen der eeuw zich stomp
zouden gedacht hebben, dat de Quiquendoners, in hun particulier leven
onveranderd dezelfden, merkbaar veranderden zoodra zij in het openbaar
te zamen kwamen.
Zoodra zij zich in een openbaar lokaal vereenigden, »was het mis,"
zooals de commissaris Passauf verklaarde. Op de beurs, op het
stadhuis, in de academie, zoowel in raadsvergaderingen als in de
bijeenkomsten van geleerden, kwam er meer leven onder de aanwezigen,
werden ze aangetast door een vreemde opgewondenheid. Geen uur waren
ze daar, of ze waren reeds scherp jegens elkander. Na twee uren
was een beraadslaging een dispuut geworden; men werd warm en wierp
elkaar persoonlijkheden naar het hoofd. In de kerk, zelfs onder de
preek, konden de geloovigen niet meer bedaard naar dominé Van Stabel
luisteren, die trouwens van zijn kant zich in zijn preekstoel niet
meer zoo rustig als vroeger hield en zijn gehoor krachtiger toesprak
dan anders.
In dezen stand van zaken ontstonden helaas nog ernstiger
woordenwisselingen dan tusschen den geneesheer Custos en den advocaat
Schut, en dat nooit de tusschenkomst der autoriteit werd vereischt, was
alleen daaraan te danken, dat de twistenden, zoodra zij thuisgekomen
waren, er rust vonden en weldra de beleedigingen van weerskanten
vergaten.
Die bijzonderheid had echter nooit in het oog kunnen vallen aan
menschen, die volstrekt niet konden waarnemen hetgeen met hen
gebeurde. Slechts één persoon in de gansche stad, en wel degeen wiens
betrekking al sinds dertig jaren lang op de nominatie stond opgeheven
te worden, de commissaris van politie Passauf, had de opmerking
gemaakt, dat de opgewondenheid, die in de particuliere woningen niet
bestond, zich spoedig in publieke gebouwen openbaarde. Nu dacht hij
er met zekere bezorgdheid over wat toch wel gebeuren zou, indien
deze prikkelbaarheid eens tot de huizen der ingezetenen doordrong
en indien de epidemie--want zoo noemde hij haar--zich tot de straat
uitbreidde. Dan werden geen beleedigingen meer vergeten, dan waren er
geen oogenblikken van kalmte meer in den waanzin, maar dan zou men
voortdurend in de hoogste opgewondenheid verkeeren en met elkander
in botsing komen.
»Wat dan?" vroeg de commissaris Passauf met schrik. »Hoe moesten
die aanvallen van wilde woede te keer gegaan worden? Hoe moesten
die prikkelbare gestellen in toom worden gehouden? Dan zal mijne
betrekking waarlijk geen sinecure meer zijn, en dan zal de Raad mijne
wedde wel dienen te verdubbelen,--tenminste, als hij mij niet laat
oppakken... wegens inbreuk op de openbare orde!"
Die zeer rechtmatige vrees begon zich meer en meer te
verwezenlijken. Van de beurs, de kerk, den schouwburg, de raadzaal
was het kwaad tot de woningen der particulieren doorgedrongen, en
wel twee weken na de verschrikkelijke voorstellingen van de Hugenoten.
In de woning van den bankier Collaert werden de eerste verschijnselen
der epidemie waargenomen.
Deze rijke bankier gaf aan de notabelen der stad een bal, of althans
een soirée dansante. Eenige maanden te voren was hij er gelukkig in
geslaagd eene leening van f 15,000 voor drievierden te plaatsen, en ter
viering van dit finantieel succes gaf hij zijn stadgenooten dit feest.
Een feest in Vlaanderen loopt gewoonlijk bedaard en kalm af; bier en
eenige zoetigheden vormen het onthaal. Men praat wat over het weer,
over den stand van den oogst, over de bloemen in den tuin en vooral
over de tulpen; van tijd tot tijd waagt men heel langzaam en bedaard
een dansje, maakt een menuet, soms ook een wals, maar dan een van die
Duitsche walsjes, waarbij men anderhalven keer omdraait in de minuut,
terwijl onder den dans de walsers zoover van elkander afblijven als
hunne armen gedoogen. Zoo gaat het gewoonlijk toe op een bal onder
de voorname lieden van Quiquendone. Men had getracht er de polka in
te voeren en ze daartoe in vier tempo's gedanst, maar de dansende
paren kwamen nog altijd bij het orkest achter, hoe langzaam men de
maat ook nam, en daarom had men er van moeten afzien.
Deze vreedzame bijeenkomsten, waar jonkmannen en jongedochters zich
eerlijk en rustig konden vermaken, hadden nooit eenige schadelijke
gevolgen gehad. Maar hoe kwam het dan nu, dat dien avond bij den
bankier Collaert die zoete dranken veranderd schenen te zijn in
schuimenden wijn, bruisenden champagne, vlammende punch? Hoe kwam het,
dat tegen het midden van de partij alle gasten dronken schenen te
zijn? Waarom werd de eerzame menuet een rondedans? Waarom verhaastten
de muzikanten de maat zoo? Hoe kwam het, dat de kaarsen dien avond,
evenals in den schouwburg, zulk een ongewonen glans hadden? Welke
electrische stroom liep toch door de salons van den rijken bankier? Hoe
kwam het, dat de paren veel dichter bij elkander kwamen, dat de handen
elkander hartstochtelijker drukten, dat de »cavaliers seul" ditmaal
eenige gewaagde sprongen vertoonden, hoewel ze anders zoo deftig,
zoo ernstig, zoo majestueus waren?
Helaas, wie zou het antwoord kunnen geven op al die vragen? De
commissaris Passauf was op de partij aanwezig, hij zag den storm
aankomen, maar hij kon hem niet bedwingen, hij kon hem niet ontgaan,
en zelfs hij voelde zich bevangen! Zijne begeerten en hartstochten
werden gedurig sterker; men zag hem herhaaldelijk een aanval doen op
het suikerwerk, men zag hem verscheidene schotels ledigen, alsof hij
ik weet niet hoelang gevast had!
Inmiddels werd het bal hoe langer hoe geanimeerder. Men begon nu
eerst met volle teugen van het dansen te genieten, want het mocht
nu werkelijk dansen heeten. De voeten bewogen zich met koortsachtige
snelheid. De gezichten werden rood van inspanning, de oogen glinsterden
als vurige kolen. De algemeene opgewondenheid had haar hoogste
toppunt bereikt.
En toen het orkest de wals uit den Freyschutz aanhief, toen die echt
Duitsche en statige wals met dolle woestheid door de muziekanten
gespeeld werd, was het meer een met onzinnige snelheid in de rondte
draaien, een duizelingwekkende omwenteling van razende wezens. Daarna
verviel alles in een helschen galop, die niet kon gestuit worden en
een uur lang duurde en niet alleen de salons maar al de vertrekken
van het prachtige huis in opschudding bracht, waarin allen met
hartstochtelijkheid deelden, jongelieden van beide seksen, oudere
van iederen leeftijd, de dikke bankier Collaert en Mevr. Collaert,
raadslieden, overheidspersonen, de kantonrechter en Niklausse en
Mevr. Van Tricasse en de burgemeester Van Tricasse en de commissaris
Passauf in eigen persoon, die zich daarna nooit kon herinneren,
wie in dien dollen nacht zijne danseres geweest was.
Maar »zij" ze vergat het niet. En sedert dien nacht, zag »zij" in haar
droomen den vurigen commissaris weder, haar met hartstochtelijkheid
omkneld houdende! En »zij", was niemand anders dan de oude tante!