Waarin de burgemeester en de wethouder een bezoek brengen aan dokter
Ox en hetgeen daaruit voortvloeit.
De wethouder Niklausse en de burgemeester Van Tricasse wisten nu eens
wat een onrustige nacht was. Ze hadden letterlijk niet kunnen slapen
van het ernstige voorval ten huize van dokter Ox. Welke gevolgen kon
die zaak wel hebben? Ze konden het zich niet voorstellen. Moest er een
besluit genomen worden? Zou het gemeentebestuur, in hunne personen
vertegenwoordigd, genoodzaakt zijn tusschenbeide te komen? Moesten
er besluiten afgevaardigd worden, om te zorgen dat een dergelijk
schandaal niet meer voorkwam?
Die twijfel bracht natuurlijk een groote stoornis in hun vreedzaam
karakter teweeg. Voordat zij scheidden evenwel, hadden de beide
notabelen »besloten" er morgen nog eens over te praten.
Den volgenden dag, nog vóór tafel, begaf de burgemeester Van Tricasse
zich in persoon naar den wethouder Niklausse. Hij trof zijn vriend
in veel bedaarder gemoedstoestand aan. Hij zelf had weer al zijn
waardigheid hernomen.
»Iets nieuws?" was zijn vraag.
»Sinds gisteren niet," antwoordde Niklausse.
»Hoe is het met den geneesheer Dominicus Custos?"
»Ik heb er evenmin iets van gehoord als van den advocaat André Schut."
Na een gesprek van een uur, waarvan de inhoud in drie regels zou
te vermelden zijn en dat daarom nutteloos zou zijn over te brengen,
hadden de burgemeester en de wethouder wezenlijk besloten dokter Ox
een bezoek te gaan brengen, teneinde ongemerkt eenige inlichtingen
uit hem te trekken.
Nadat, geheel tegen hunne gewoonte in, dit besluit genomen was, vonden
de twee notabelen zich verplicht, het onmiddellijk uit te voeren. Zij
verlieten het huis en richtten zich naar de fabriek van dokter Ox,
buiten de stad, bij de poort van Oudenaarde gelegen,--dezelfde waarvan
de toren bijna inviel.
De burgemeester en de wethouder liepen niet gearmd, maar zij liepen
passibus aequis, met langzame en deftige schreden, die hen nauwelijks
dertien duim per seconde vooruitbracht. 't Was trouwens de gewone
gang hunner onderhoorigen, die bij menschen geheugen, nooit iemand
hard hadden zien loopen in de straten van Quiquendone.
Van tijd tot tijd hielden de twee notabelen op den hoek van een stille
straat eens op om de menschen te groeten.
»Goeden dag, mijnheer de burgemeester," zei de een.
»Goeden dag, mijn vriend", antwoordde Van Tricasse.
»Niets nieuws, mijnheer de wethouder?" vroeg de ander.
»Niets nieuws," antwoordde Niklausse.
Maar toch kon men aan zekere verwonderde gezichten, aan zekere
vragende blikken merken, dat de woordenwisseling van den vorigen
avond in de stad bekend was. Alleen reeds aan de door Van Tricasse
gevolgde richting, kon de domste inwoner van Quiquendone raden, dat
de burgemeester een ernstigen stap ging nemen. De zaak Custos en Schut
hield aller gedachten bezig, maar men was er nog niet aan toe om partij
voor den een of ander te trekken. Die advocaat en die geneesheer waren
toch inderdaad beiden zeer geachte personages. De advocaat Schut,
die nooit in de gelegenheid geweest was te pleiten in een stad, waar
de prokureurs en de deurwaarders slechts voor de leus bestonden, had
dus ook nooit een proces verloren. Wat den geneesheer Custos betreft,
't was een achtenswaardige prakticus, die, op het voetspoor zijner
collega's, hunne zieken van alle ziekten genazen, uitgenomen van die
waaraan zij stierven. 't Was een noodlottige gewoonte, die, ongelukkig
genoeg, aangenomen is door al de leden van al de Faculteiten, in welk
land ze ook praktiseeren.
Toen ze bij de poort van Oudenaarde waren aangekomen, namen de
wethouder en de burgemeester voorzichtig een klein omwegje om niet
te dicht in den omtrek van den toren te komen, die dreigde omver te
vallen; daarna bekeken ze hem met aandacht.
»'k Denk dat hij vallen zal," zei Van Tricasse.
»'k Denk het ook," antwoordde Niklausse.
»Of men moet hem stutten," voegde Van Tricasse erbij. »Maar moeten we
'm stutten? Dat is de vraag."
»Dat is juist de vraag," antwoordde Niklausse.
Eenige oogenblikken later meldden ze zich aan de fabriek aan.
»Is dokter Ox te spreken?" vroegen zij.
Dokter Ox was voor de eerste magistraatspersonen der stad altijd te
spreken en deze werden dan ook dadelijk in de spreekkamer van den
beroemden natuurkundige ontvangen.
Het kan wel een uur zijn dat de twee notabelen moesten wachten,
voordat de dokter verscheen. Er bestaat althans alle grond het te
gelooven, want de burgemeester--en dit was hem nog nooit in zijn
leven gebeurd--toonde zich wel een beetje ongeduldig, waarvan zijn
collega ook niet was vrij te pleiten!
Eindelijk trad dokter Ox binnen en begon met zich te verontschuldigen
de heeren te hebben laten wachten, maar een nieuw model van een
gasmeter, het verbeteren van een vertakking van gasbuizen... Overigens,
alles ging goed! De geleidingen voor het oxygenium waren al
gesteld. Over eenige maanden zou de stad het voorrecht genieten eener
prachtige verlichting. De twee notabelen konden de monden der buizen
reeds zien, die in de spreekkamer van den dokter uitkwamen.
Daarna verzocht de dokter de reden te mogen weten van de eer, die
hij genoot den burgemeester en den wethouder bij zich aan huis te
mogen ontvangen.
»Maar, enkel u eens te zien, dokter, u eens te zien," antwoordde Van
Tricasse. »'t Is al zoo lang geleden, dat we dat genoegen niet mochten
smaken. We gaan weinig uit in ons goede Quiquendone. We tellen onze
passen en meten onze schreden af. Gelukkig als niets de eentoonigheid
komt verstoren..."
Niklausse keek ter sluiks zijn vriend eens aan. Zijn vriend had
nooit zoo lang achtereen gesproken,--althans zonder tusschenpoozen en
oogenblikken van plechtige stilte. Hij vond dat Van Tricasse zich met
een zekere radheid van tong uitdrukte als hij nog nooit van hem gehoord
had. Niklausse zelf gevoelde een onweerstaanbaren lust tot spreken.
Dokter Ox van zijn kant keek den burgemeester guitig aan.
Van Tricasse, die nooit redeneerde of hij moest zich eerst gemakkelijk
in een goeden leunstoel gezet hebben, was ditmaal opgestaan. Een zekere
zenuwachtige overspanning, geheel in strijd met zijn gewone kalme
gemoedsstemming, had zich van hem meester gemaakt. Hij gesticuleerde
nog wel niet, maar ook dat zou niet lang uitblijven. Wat den wethouder
aangaat, hij wreef zich de kuiten en haalde lang en diep adem. Zijn
oog verhelderde zich langzamerhand en hij was werkelijk »besloten"
om, als het moest, zijn getrouwen vriend den burgemeester, het mocht
gaan zoo het wilde, bij te staan.
Van Tricasse was opgestaan, hij had eenige schreden gedaan en was
toen weder tegenover den dokter gaan zitten.
»En over hoeveel maanden," vroeg hij hem met zekeren nadruk, »over
hoeveel maanden denkt u met uw werkzaamheden gereed te zijn?"
»Over drie of vier maanden, mijnheer de burgemeester," antwoordde
dokter Ox.
»Over drie of vier maanden, dat is veel!" zeide Van Tricasse.
»Veel te veel!" riep Niklausse, die het op zijn plaats niet langer
kon uithouden en bij hem was komen staan.
»Ja, zooveel tijd hebben wij noodig om met ons werk gereed te komen,"
antwoordde de dokter. »We hebben onze werklieden hier uit de stad
moeten halen, en die zijn niet vlug."
»Wat, niet vlug!" schreeuwde de burgemeester, die dat woord als een
persoonlijke beleediging scheen op te vatten.
»Neen, mijnheer de burgemeester," hield dokter Ox vol. »Een Fransch
werkman werkt op éen dag zoo hard als tien van de uwen. U begrijpt,
't zijn echte Vlamingen!..."
»Vlamingen!" riep de wethouder Niklausse uit, wiens vingers begonnen
te jeuken. »In welken zin, Mijnheer, vat gij dat woord op?"
»Wel, in den zelfden... vleienden zin als ieder ander," gaf de dokter
met een glimlach ten antwoord.
»Hoor eens, Mijnheer!" zeide de burgemeester, terwijl hij met groote
stappen heen en weer liep, »'k houd niet van die draaierijen. De
werklieden van Quiquendone doen niet onder voor de werklieden uit
welke stad ter wereld ook, begrijpt u, en Londen noch Parijs hebben
we ons tot voorbeeld te stellen! Overigens verzoek ik u met het werk,
dat u onderhanden hebt, haast te maken. Onze straten zijn opgebroken
voor het leggen der gasbuizen; dat hindert het verkeer. De handel zal
er over klagen, en ik, de verantwoordelijke bestuurder, verkies niet
verwijten te hooren, waarvoor maar al te veel reden zou bestaan!"
Flink gesproken, burgemeester. Daar hoort moed toe, van handel, van
verkeer te spreken, als men aan die woorden niet gewoon is. Maar wat
scheelde hem toch?
»En dan," voegde Niklausse er bij, »kan de stad ook niet langer van
verlichting verstoken blijven."
»Acht of negen eeuwen lang heeft men het toch wel zonder gedaan,"
antwoordde de dokter.
»Reden te meer, Mijnheer," sprak de burgemeester met veel nadruk:
»Andere tijden, andere zeden! De wereld gaat vooruit, en wij willen
niet achter blijven! Binnen een maand dienen onze straten verlicht
te zijn, of ge zult voor elken dag vertraging een aanzienlijke
schadeloosstelling te betalen hebben! Waar zou het heen, als in die
duisternis eens ruzie ontstond?"
»Verschrikkelijk!" riep Niklausse. »Er is maar een kleinigheid noodig
om den strijdlust van een Vlaming te doen ontvlammen! Vlam--Vlaming!"
»En wat dat betreft," viel de burgemeester hierop in, »is ons door
onzen commissaris van politie Passauf gerapporteerd, dat gisterenavond
in uwe salons, mijnheer de dokter, een woordenwisseling gevoerd is. Is
het zoo, dat het een gesprek over staatkunde was?"
»Zoo was het, mijnheer de burgemeester," antwoordde dokter Ox, die
moeite had een zucht van voldoening te smoren.
»En werd die woordenwisseling niet gevoerd tusschen den geneesheer
Dominicus Custos en den advocaat André Schut?"
»Ja, mijnheer de wethouder, maar de woordenwisseling was nog al
niet scherp."
»Niet scherp!" riep de burgemeester uit, »is dat niet scherp als de
eene man tot den ander zegt, dat hij zijn woorden niet schijnt te
wegen! Maar van welk deeg zijt gij dan wel gebakken, Mijnheer? Weet
gij dan niet, dat hier in Quiquendone niets meer noodig is om uiterst
betreurenswaardige gevolgen te veroorzaken? Zie, Mijnheer, als gij
of iemand anders zóo tegen mij durfdet spreken..."
»Of tegen mij..." riep ook Niklausse, en beide notabelen stonden
met gekruiste armen en te bergen gerezen haren vlak voor dokter Ox,
die slecht van de reis zou gekomen zijn, als hij het ongeluk gehad
had met een enkele beweging, of, nog minder, met een blik slechts de
bedoeling te verraden hun het geringste in den weg te willen leggen.
Gelukkig vertrok de dokter geen spier.
»In alle geval, Mijnheer," liet de burgemeester er op volgen, »stel
ik u aansprakelijk voor hetgeen in uwe woning voorvalt. Aan mij is
de rust in deze stad toevertrouwd, en ik zal niet dulden dat zij
verstoord worde. Hetgeen gisteren gebeurd is moet zich niet herhalen,
of ik zal weten wat mij te doen staat. Begrepen? Maar geef dan toch
antwoord, Mijnheer!"
Terwijl de burgemeester zich zoo door een buitengewone opgewondenheid
had laten medesleepen, was zijn spreken in bulderen overgegaan. Hij
was woedend, de waardige Van Tricasse, en buiten zou men hem stellig
kunnen hooren. Toen hij eindelijk buiten adem was en zag dat de dokter
op zijne uittartingen niet antwoordde, zeide hij tot den wethouder:
»Ga mede, Niklausse."
De deur werd zoo hard dichtgeslagen, dat het huis dreunde, en de
burgemeester was met den wethouder vertrokken.
Langzamerhand, toen zij een twintig pas geloopen hadden, kwamen de
waardige vrienden tot bedaren. Zij liepen langzamer, hun stap werd
gematigder. Hun gelaat schitterde niet meer zoo; van rood werd het
blozend.
Een kwartier nadat zij de fabriek verlaten hadden, zeide Van Tricasse
vriendelijk tot den wethouder:
»Wat een aardig man, die dokter Ox! 'k Zie hem altijd met het grootste
genoegen."