Waarin blijkt, dat dokter Ox een bekwaam natuurkundige is en stoute
proeven neemt.
Wie is toch die man met dien zonderlingen naam, die dokter Ox? Een
zonderling stellig, maar tegelijkertijd ook een stout geleerde, een
natuurkundige, wiens talent door gansch Europa gewaardeerd wordt,
een gelukkig mededinger van mannen als Davy, Dalton, Bostock,
Menzie, Godwin, Vierordt, kortom van al die knappe menschen, die
de natuurkunde tot een van de voornaamste vakken der hedendaagsche
wetenschap verheven hebben.
Dokter Ox was een vrij gezet man van middelbare grootte; hij
telde... neen, hoeveel jaren hij telde, zouden wij niet precies
kunnen opgeven, ook niet waar hij vandaan kwam. Dat komt er ook
trouwens minder op aan. Hij was, en dat is voldoende, een ongewoon
personage, warmbloedig, snel in zijn bewegingen, in één woord een
levende tegenstelling van de bewoners van Quiquendone.
In zich zelf en in zijn leer stelde hij een onverstoorbaar
vertrouwen. 't Was een lust hem te zien loopen met zijn eeuwigen
glimlach, met opgerichten hoofde, de borst flink en vrij met elke
ademhaling zoo krachtig uitzettende. Levendig was hij, zeer levendig
zelfs; kwikzilver had hij in de aderen, en hij liep als op spelden. Hij
trippelde altijd heen en weer en sprak haastig en met veel beweging.
Was die dokter Ox dan rijk, dat hij op zijn kosten een gansche stad
ging verlichten?
Misschien wel, anders doet men zulke uitgaven niet. Meer kunnen we
op die onbescheiden vraag niet antwoorden.
't Zal een vijf maanden geleden zijn, dat de dokter te Quiquendone
kwam; hij was vergezeld van zijn assistent, luisterende naar den
naam van Gideon Ygeen. Dat was een lange, magere man, die echter even
levendig was als zijn patroon.
Maar waarom had dokter Ox aangenomen op zijne kosten de stad te
verlichten? En waarom had hij nu juist de vreedzame Quiquendoners
gekozen, de rustigste aller Vlamingen; waarom wilde hij hunne stad de
weldaden doen genieten van een uitstekende gasverlichting? Kon het
ook zijn, dat hij een of andere groote natuurkundige proef op het
oog had en die in anima vili wilde uitvoeren? Wat wilde die man toch?
Hierop moeten wij het antwoord schuldig blijven, want dokter Ox had
maar één vertrouwde, zijn assistent Ygeen, en die gehoorzaamde hem
blindelings.
Naar het schijnt, had dokter Ox aangenomen de stad te verlichten;
zij had er behoefte aan, vooral 's nachts, zooals de commissaris
Passauf zeer ter snede opgemerkt had. De inrichting was bijna klaar,
en gasbuizen waren gereed het gas te doen stroomen in de sierlijke
gasbekken, die in eenige openbare gebouwen en in de woningen van
eenige vrienden van den vooruitgang aangebracht waren.
Van Tricasse, als burgemeester, en Niklausse, als wethouder, hadden
gemeend in hunne woningen die nieuwe verlichting te moeten doen
aanleggen, en eenige andere autoriteiten hadden gemeend hun voorbeeld
te moeten volgen.
Dat gas toch was iets nieuws; het was geen gewoon koolwaterstofgas,
gas dat uit steenkool gestookt wordt, neen, het hydro-oxygeengas
was twintig maal helderder en werd gevormd door eene vermenging van
hydrogenium en oxygenium, dus waterstof met zuurstof.
De dokter had als bekwaam scheikundige en vernuftig natuurkundige er
een middel op gevonden, om het gas op groote schaal te verkrijgen
en langs veel goedkooper weg dan de gewone manier. Heel eenvoudig
ontleedde hij het water, waarin een zwak zuur was opgelost, met een
door hem uitgedachte batterij, uit nieuwe elementen bestaande. De dure
hulpmiddelen waren dus vermeden; zoo waren geen platina, geen retorten,
geen brandstoffen, geen fijnbewerkte toestel om de beide gassen
afzonderlijk daar te stellen, meer noodig. Een electrische stroom liep
door groote bakken vol water, en de vloeistof werd ontleed in hare
samenstellende deelen: oxygenium en hydrogenium. Het oxygenium ging
langs den eenen weg, het hydrogenium, welks volume dubbel zoo groot
was als dat van zijn ouden makker, ging den anderen kant uit. Beide
gassen werden in afzonderlijke reservoirs opgevangen, dat was noodig,
want anders zou er een verschrikkelijke ontploffing gevolgd zijn,
als het eens in vlam geraakte. Door pijpen werden ze vervolgens naar
de verschillende gasbekken gevoerd, die zoo zouden ingericht zijn,
dat er geen ontploffing kon ontstaan. Dat alles zou een prachtige vlam
geven, minstens gelijk aan het electrisch licht, dat, zooals iedereen
uit de proeven van Casselmann weet, een lichtkracht heeft van niet
meer en niet minder dan elf honderd een en zeventig waskaarsen.
Zonder twijfel zou de stad Quiquendone door deze edelmoedige
onderneming een heerlijke verlichting rijk worden; maar daar was het
dokter Ox en zijn assistent toch minder om te doen, gelijk uit het
volgende blijken zal.
Juist den dag nadat de commissaris Passauf op zoo luidruchtige wijze
bij den burgemeester was komen binnenstuiven, waren Gideon Ygeen en
dokter Ox aan het praten in hun gemeenschappelijk werkvertrek in de
benedenverdieping van de fabriek.
»Wel Ygeen, wat zegt ge er van?" riep dokter Ox uit, terwijl hij zich
tevreden in de handen wreef. »Ge hebt gisteren op de partij die goede,
koudbloedige Quiquendoners eens gezien, die, wat hartstochtelijkheid
betreft, het midden houden tusschen sponzen en koraalgewassen. Ge
hebt nu gezien, dat ze al beginnen te redetwisten en elkander met
woorden en gebaren uitdagen. In geestelijk en lichamelijk opzicht
waren ze reeds veranderd. Dat is nog maar een begin! Wacht nu eerst
totdat we hun een grootere dosis geven!"
»Ik kan niet anders zeggen, dokter," antwoordde Gideon Ygeen, terwijl
hij met den wijsvinger langs zijn spitsen neus wreef, »dan dat de
proef goed begint, en als ik niet zoo voorzichtig was geweest om de
kraan te sluiten, weet ik niet wat er gebeurd zou zijn."
»Ge hebt gehoord wat die advocaat Schut en die geneesheer Custos
zeiden," hernam dokter Ox. »Op zichzelf waren de woorden zoo erg
niet, maar voor een Quiquendoner zijn ze wel zoo kras als de gansche
reeks van vloeken, die de helden van Homerus elkander naar het hoofd
wierpen voordat ze van leer trokken. Ha, die Vlamingen, ge zult eens
zien wat we daar nog van maken!"
»We zullen hen tot ondankbaren maken," antwoordde Gideon Ygeen,
op den toon van iemand die de menschheid op haar rechte waarde schat.
»Kom, kom!" was het antwoord van den dokter, »wat kan het ons schelen
of ze er ons dankbaar voor zijn of niet, als onze proef maar gelukt."
»Maar dan is het nog de vraag," voegde zijn assistent er glimlachend
bij, »of wij, door hunne ademhalingswerktuigen zoo in opschudding
te brengen, niet de longen van die brave bewoners van Quiquendone
eenigszins van streek maken.
»Des te erger voor hen," gaf de dokter ten antwoord. »Het is in het
belang van de wetenschap. Stel u eens voor, dat honden of kikvorschen
zich eens niet langer tot de vivisectie wilden leenen!"
Hoogstwaarschijnlijk zouden de honden en kikvorschen, als ze
geraadpleegd werden, wel eenige bezwaren inbrengen tegen de
verrichtingen der heeren vivisectionisten; dokter Ox bekreunde zich
evenwel om die gissing niet veel en gaf een zucht van voldoening over
zijn onwederlegbaar argument.
»Alles wèl beschouwd, dokter, hebt ge gelijk," gaf Gideon Ygeen met
berusting ten antwoord. »We konden eigenlijk nergens beter terechtkomen
dan bij deze inwoners van Quiquendone."
»Neen, dat konden we zeker niet," zeide de dokter met eenigen nadruk
op elke lettergreep.
»Hebt ge den pols van die menschen wel eens gevoeld?"
»Wel honderd maal."
»En hoeveel slagen gemiddeld?"
»Geen vijftig in de minuut. Maar begrijp ook eens; een stad waar sedert
een eeuw geen schijn of schaduw van woordenwisseling bestond, een stad
waar de karrelui niet vloeken, waar de koetsiers niet schelden, waar
de paarden niet hollen, waar de honden niet bijten, waar de katten
niet krabben! Een stad waar het kantongerecht het eene jaar in,
het andere uit, geen politieovertredingen te behandelen heeft! Een
stad waar men zich om geen enkele zaak warm maakt, om geen kunsten,
om geen zaken! Een stad waar gendarmes tot de mythe behooren, waar in
geen honderd jaar een procesverbaal is opgemaakt! Een stad ten slotte,
waar in de laatste drie eeuwen geen klap of stomp toegediend is! Ge
begrijpt nu toch, Ygeen, dat zoo iets niet langer kan voortduren,
en dat wij daarin eens verandering zullen brengen."
»Prachtig! Overheerlijk!" gaf de assistent met geestdrift ten
antwoord. »Maar de lucht, dokter, hebt ge die onderzocht?"
»Natuurlijk. Negen en zeventig deelen stikstof en twintig deelen
zuurstof, koolzuur en waterdamp in veranderlijke hoeveelheid. Dat
zijn de gewone verhoudingen."
»Best, dokter, best," antwoordde Ygeen. »De proef zal grootsch zijn
en beslissend."
»En als ze beslissend is," voegde dokter Ox er met een zegepralend
lachje bij, »dan herscheppen wij de wereld!"