III.

Waarin de commissaris Passauf op even luidruchtige als onverwachte

manier komt binnenvallen.

't Was kwart vóor drie, toen het hiervoren vermelde gewichtige gesprek

tusschen den wethouder en den burgemeester begon, 't was kwart vóor

vier, toen Van Tricasse zijn gewone pijp opstak, waarin een kwart ons

tabak ging. Vijf minuten over half zes had hij haar opgerookt, en al

dien tijd was tusschen beide personen geen woord gewisseld. Tegen zes

uren maakte de wethouder, die zijn onderwerp niet gemakkelijk losliet,

de opmerking:

»Besluiten we dus?..."

»Met niets te besluiten, ja," was het antwoord van den burgemeester.

»'k Zou wel denken, dat ge 't bij het rechte eind hadt, Van Tricasse."

»Mij dunkt het ook, Niklausse. We zullen ten opzichte van den

commissaris van politie wel eens een besluit nemen als wij beter op

de hoogte zijn... later... 't Komt er toch op geen maand aan..."

»O, zelfs op een jaar niet," gaf Niklausse ten antwoord, terwijl

hij langzaam zijn zakdoek ontvouwde, waarvan hij overigens een bijna

onmerkbaar gebruik maakte.

Het stilzwijgen werd wederom gedurende een uur tijds niet

afgebroken. De rust werd door niets verstoord, zelfs niet door het

binnenkomen van den hond Lento, die, even bedaard als zijn meester,

zich door de kamer bewoog. Dat was een hond! Een waar model voor al

zijn rasgenooten. Als hij van bordpapier geweest was met rolletjes

onder de pooten, zou hij niet minder leven hebben kunnen maken.

Tegen acht uren, toen Lotje de ouderwetsche lamp had binnengebracht,

zeide de burgemeester tot den wethouder:

»Is er geen andere dringende zaak af te doen, Niklausse?"

»Neen, Van Tricasse, zoover ik weet niet."

»Wat ik zeggen wil; heb ik niet gehoord, dat de Oudenaardesche poort

op inzakken stond?"

»Juist," antwoordde de wethouder, »en wezenlijk, 't zou mij niet

verwonderen, als zij op den een of anderen dag boven een voorbijganger

instortte."

»Nu," was het antwoord, »voordat dit gebeurt zullen we, hoop ik,

daaromtrent wel een beslissing genomen hebben."

»Dat hoop ik ook, Van Tricasse."

»Er zijn zaken die meer haast hebben."

»Zeker," gaf de wethouder ten antwoord, »bijv. de zaak van het

ledermagazijn."

»Brandt dat nog altijd?" was de vraag.

»Nog altijd, sedert drie weken."

»Hebben we in den Raad niet besloten het te laten branden?"

»Zeker, Van Tricasse, op uw voorstel nog wel."

»Was dat niet het beste en eenvoudigste middel om den brand meester

te worden?"

»Daar kan niemand iets tegen zeggen."

»Wel, dan kunnen we ook wachten. Is dat alles?"

»Ja, dat is alles," zeide de wethouder, met peinzend gelaat het hoofd

krabbend, als om zich te vergewissen, dat hij niet de een of andere

gewichtige zaak vergat.

»Wacht eens," hernam de burgemeester, »hebt ge ook niet hooren spreken

van een doorbraak, waardoor de laaggelegen wijk van St. Jacob dreigt

onder te loopen?"

»Ja, juist," was het antwoord. »Hoe jammer dat die doorbraak niet

ontstond vlak boven het ledermagazijn! Dan was natuurlijk de brand

gebluscht en bespaarde het ons vrij wat hoofdbrekens."

»Och, die ongelukken kunnen zoo wonderlijk loopen," sprak de waardige

burgemeester. »Daar is hoegenaamd geen verband tusschen, en men kan

maar niet van het eene gebruik maken om het andere te bestrijden."

De wethouder had eenigen tijd noodig om ten volle het fijne van die

opmerking te beseffen.

»Maar hoe is het mogelijk," riep een poos later de wethouder Niklausse

uit, »hoe is het mogelijk, dat wij niet eens over de groote zaak

spreken!"

»Welke groote zaak? Hebben wij dan een groote zaak?" vroeg de

burgemeester.

»Wel zeker. De quaestie van de stedelijke verlichting immers!"

»O ja," gaf de burgemeester ten antwoord. »Als mijn geheugen me niet

bedriegt, bedoelt ge de verlichting door dien dokter Ox."

»Juist."

»Zoo; en hoe staat het er meê?"

»Best. De zaak marcheert goed. Men begint de buizen reeds te leggen;

de fabriek is al klaar. Maar me dunkt, we haasten ons wel wat met

die zaak," zeide de wethouder, terwijl hij zijn schouders ophaalde.

»'t Kan zijn," antwoordde de burgemeester, »maar we moeten niet

vergeten, dat dokter Ox de proef geheel voor zijn rekening neemt. 't

Kost ons geen duit."

»Ja, dat zegt heel veel. Men moet toch ook met zijn eeuw medegaan. Als

de proef gelukt, zal Quiquendone de eerste stad van Vlaanderen zijn,

die verlicht wordt met hydro-oxy.... Hoe heet dat gas ook weer?"

»Hydro-oxygeengas."

»Nu, hydro-oxygeengas dan."

Op dat oogenblik werd de deur geopend en kwam Lotje den burgemeester

zeggen, dat het avondmaal gereed stond. De wethouder Niklausse stond

op om afscheid te nemen van den burgemeester, dien het nemen van

zoovele besluiten en het behandelen van zoovele zaken geducht hongerig

gemaakt hadden. Men besloot ten slotte over een vrij geruimen tijd

den raad van notabelen bijeen te roepen, om te beslissen of men ook

voorloopig eene beslissing zou nemen ten aanzien van den toren der

Oudenaardesche poort.

Daarna gingen de beide waardige magistraatspersonen naar de deur,

die op de straat uitkwam en liet de burgemeester den wethouder

uit. Deze ontstak zijn lantaarntje, dat hem veilig door de donkere

straten van Quiquendone moest brengen, die nog niet verlicht waren

door het nieuwe gas van dokter Ox. 't Was een donkere Octobernacht

en er hing een lichte nevel over de stad.

't Duurde een goed kwartier, voordat de wethouder Niklausse gereed

was tot vertrekken, want nadat hij zijn lantaarn had ontstoken, moest

hij nog zijn slobkousen aandoen en zijn dikke wollen handschoenen

aantrekken. Vervolgens zette hij den gevoerden kraag van zijn overjas

op, sloeg de klep van zijn muts neer, nam zijn stevigen parapluie in

de hand en was toen eindelijk klaar.

Juist toen Lotje den sluitboom van de deur zou nemen, werd plotseling

eenig gedruisch van buiten hoorbaar.

Ja, dat klinkt nu wel onwaarschijnlijk, maar er was toch gedruisch,

zooals misschien in de gansche stad niet gehoord was sedert de

bezetting door de Spanjaarden in 1563, en dat gedruisch riep al

de slapende echo's in het oude huis Van Tricasse wakker. Men duwde

tegen de deur, die tot dusver nog nooit door eene hand onbehoorlijk

was aangeraakt! Men klopte herhaaldelijk met een klinkend voorwerp,

waarschijnlijk een knoestigen stok door een krachtige hand in beweging

gebracht! Tusschen de slagen hoorde men roepen, schreeuwen en duidelijk

kon men deze woorden verstaan:

»Mijnheer Van Tricasse! Mijnheer de burgemeester! Doe open, doe eens

gauw open!"

De burgemeester was al even onthutst als de wethouder, en beiden keken

elkander aan zonder een woord te spreken. Van zoo iets hadden zij

geen begrip. Als men vlak vóor hen de oude veldslang had afgeschoten

die op het kasteel stond en sedert 1385 niet gebruikt was, zouden de

bewoners in het huis van Van Tricasse niet meer uit de lijken geslagen

zijn dan nu.

Het geklop en het geschreeuw werd inmiddels steeds sterker. Eindelijk

was Lotje zichzelve genoeg meester geworden om te durven roepen:

»Wie is daar?"

»Ik ben het! Ik!"

»Wie is ik?"

»De commissaris Passauf!"

Dat leven werd dus gemaakt door den commissaris van politie, terwijl er

al tien jaar van gesproken was of die betrekking eigenlijk wel noodig

was! Wat was er dan toch gebeurd? Hadden de inwoners van Bourguignon

de stad Quiquendone bestormd, evenals in de 14e eeuw? Minstens zoo

iets moest er gebeurd zijn om den commissaris Passauf zoodanig op te

winden, want anders was hij al niet minder kalm en flegmatiek dan de

Burgemeester zelf.

Van Tricasse gaf een teeken, want spreken kon de waardige man niet,

en de sluitboom werd weggenomen en de deur geopend.

De commissaris kwam als een hoos de kamer binnenstormen.

»Wat is er toch, mijnheer de commissaris?" vroeg Lotje, een flinke

meid, die zelfs in de bangste oogenblikken het hoofd niet verloor.

»Wat er is!" riep de commissaris, wiens groote ronde oogen van

ontroering schitterden. »Wat er is? Ik kom van de woning van dokter

Ox; daar was partij, en daar..."

»Nu, en daar?" vroeg de wethouder.

»Daar ben ik getuige geweest van een woordenwisseling die... Mijnheer

de burgemeester, er is daar over politiek gesproken!"

»Over politiek," herhaalde Van Tricasse, terwijl hij de kuif van zijn

pruik opstreek.

»Over politiek," hernam de commissaris, waarmede hij iets berichtte,

dat stellig in geen honderd jaar te Quiquendone gebeurd was. »Het

gesprek is steeds levendiger geworden. De advocaat André Schut en de

geneesheer Dominicus Custos hebben zulk een heftige woordenwisseling

gehad, dat misschien een uitdaging...."

»Wat! een uitdaging!" riep de wethouder uit. »Een duel! Een duel te

Quiquendone! En wat hebben de advocaat Schut en de geneesheer Custos

wel gezegd?"

»Woordelijk dit: »Mijnheer de advocaat," heeft de geneesheer tot zijn

tegenpartij gezegd, »gij gaat eenigszins te ver, dunkt mij, en het

schijnt, dat gij er niet genoeg op bedacht zijt uwe woorden te wegen!""

De burgemeester Van Tricasse sloeg de handen ineen. De wethouder werd

bleek en liet zijn lantaarn vallen. Zulke krasse woorden, en dat door

twee van de notabelste inwoners!

»Die geneesheer Custos," mompelde Van Tricasse, »is zonder twijfel

een gevaarlijk man, een heethoofd; laat ons de zaak overwegen,

mijne heeren!"

Hierop begaven de wethouder Niklausse en de commissaris zich met den

burgemeester in de spreekkamer.

Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2) · 第 30 / 47 题