Waarin de burgemeester Van Tricasse en de wethouder Niklausse over
de belangen der stad spreken.
»Zoudt ge dat denken?" vroeg de burgemeester.
»Ja, dat denk ik," antwoordde de wethouder na eenige minuten zwijgens.
»Maar 't zou zeer bedenkelijk zijn lichtvaardig een besluit te nemen,"
hernam de burgemeester.
»Ja, dat is zoo, waarde Van Tricasse," gaf de wethouder Niklausse
ten antwoord. »Ik wil u wel zeggen, we zijn nu tien jaren over de
gewichtige zaak bezig, maar ik kan er nog niet toe komen een besluit
te nemen."
»Ik kan mij zeer goed verklaren, dat gij aarzelt," antwoordde de
burgemeester, na zich een goed kwartier bedacht te hebben. »Ik kan
mij verklaren dat ge aarzelt, en ik zelf aarzel ook. We zullen het
best doen door nog niet te beslissen en eerst de zaak eens nauwkeurig
te overwegen."
»Zeker is het," hernam Niklausse, »dat de plaats van commissaris van
politie in een zoo rustige stad als Quiquendone overbodig is."
»Onze voorganger," gaf Van Tricasse op ernstigen toon ten antwoord,
»onze voorganger zeide nimmer, zou nimmer hebben durven zeggen, dat
dit of dat zeker was. 't Is altijd mogelijk, dat het later berouwt
zoo iets stelligs gezegd te hebben."
De wethouder trok met een bevestigend gebaar de wenkbrauwen op
en liet zich in ongeveer een half uur niet hooren. Al dien tijd
verroerden de wethouder en de burgemeester geen vin. Daarna vroeg
Niklausse aan Van Tricasse, of zijn voorganger, die een twintig jaar
geleden gestorven was, ook nooit eens op de gedachte gekomen was,
die commissaris-betrekking op te heffen, welke toch elk jaar de stad
Quiquendone met een uitgaaf van dertien honderd vijf en zeventig
frank en eenige centimes bezwaarde.
»Welzeker," antwoordde de burgemeester, die met een gewichtig gebaar
de hand aan zijn voorhoofd bracht, »welzeker, maar die waardige man
stierf voordat hij een besluit genomen had, hetzij ten opzichte
van deze zaak, hetzij ten opzichte van eenige andere zaak van
administratieven aard. Hij deed wijs. Waarom zou ik ook zoo niet doen?"
De wethouder Niklausse kon geen enkele reden bedenken, waarom de
burgemeester niet ook zoo zou doen.
»De man die als hij sterft, zeggen kan nooit in zijn leven tot een
besluit gekomen te zijn," ging Van Tricasse op deftigen toon voort,
»heeft in dit ondermaansche bijna het volmaakte bereikt."
Toen de burgemeester dit gezegd had, drukte hij op de veer eener schel,
die een nauw hoorbaar geluid gaf. Bijna op hetzelfde oogenblik gleed
iemand met zachte schreden over de vloersteenen. Een muis had op een
dik tapijt niet minder leven kunnen maken. De kamerdeur had op hare
goedgesmeerde hengsels gedraaid, en een jong meisje met lange blonde
vlechten was binnengekomen. Het was Suze Van Tricasse, de eenige
dochter van den burgemeester. Zij gaf haren vader een gestopte pijp
en zette een koperen komfoortje neer; zonder een woord te spreken
verdween zij weder, even onhoorbaar als zij gekomen was.
De burgervader stak den eerbiedwaardigen inhoud van zijn rooktoestel
aan en hulde zich weldra in een wolk van blauwen rook, terwijl de
wethouder Niklausse in diep gepeins verzonken bleef.
Het vertrek, waarin deze beide bestuurders van Quiquendone hun gesprek
voerden, was een spreekkamer, waarin rijke versierselen van snijwerk
in donker hout waren aangebracht. Een geheele wand werd ingenomen door
een geweldigen vuurhaard, waarop een os gebraden had kunnen worden;
daartegenover bevond zich een venster met in lood gevatte ruitjes,
welker schilderwerk het daglicht temperde. Boven den schoorsteen hing
in een ouderwetsche lijst een portret, naar men zeide van Hemlïng,
dat een der voorvaderen der Van Tricasses moest voorstellen, een
geslacht, dat stellig opklimt tot de veertiende eeuw, in den tijd
toen de Vlamingen strijd moesten voeren met Keizer Rudolf van Habsburg.
Die spreekkamer was een vertrek in het huis van den burgemeester, dat
een der aangenaamste woningen van de stad was. Het was naar Vlaamschen
trant gebouwd en had al het verrassende, grillige, schilderachtige
van den spitsbogenstijl; het behoorde dan ook tot de merkwaardigste
monumenten der stad.
In een klooster van Karthuizer monniken of een instituut voor
doofstommen had het niet stiller kunnen zijn dan in dat huis. Niets
verstoorde er de stilte; men liep niet, maar gleed over den vloer;
men praatte niet, maar lispelde. Toch waren er vrouwen in huis, en
wel de vrouw van den burgemeester, Mevrouw Brigitta Van Tricasse, hare
dochter, Suze Van Tricasse, en een dienstmeisje, Lotje Janssen. Voorts
woonde er nog de zuster van den burgemeester, Tante Hermance, een
oude-jongejuffrouw, die nog luisterde naar den naam van tantetje,
zooals haar nichtje Suze, toen die nog een klein meisje was, haar
noemde. Niettegenstaande er dus bouwstoffen te over waren voor
oneenigheid, gedruisch en gebabbel, was het in de woning van den
burgemeester rustig als in de woestijn.
De burgemeester was iemand van een vijftig jaren, niet dik en
niet mager, niet groot en niet klein, niet blozend en niet bleek,
niet vroolijk en niet somber, niet tevreden en niet pruilerig, niet
ferm en niet flauw, niet trotsch en niet nederig, niet goed en niet
kwaad, niet mild en niet gierig, niet dapper en niet laf, niet te
veel en niet te weinig,--ne quid nimis,--een man die in alles de maat
hield. De burgemeester Van Tricasse was het flegma in eigen persoon;
dat had een gelaatskenner dadelijk gezien aan de onverstoorbare
langzaamheid van zijne bewegingen, aan zijne eenigszins hangende
benedenkaak, aan zijn voortdurend opgetrokken wenkbrauwen, aan zijn
glad rimpeloos voorhoofd. Nimmer had, hetzij door toorn, hetzij door
hartstocht, eenige aandoening dezen man het hart sneller doen kloppen
of zijn gelaat doen kleuren, nooit waren zijne wenkbrauwen door drift
samengetrokken, al ware het ook slechts voor een oogenblik. Hij had
altijd goede kleeren aan, niet te wijd en niet te nauw, en kon ze ook
niet verslijten. Hij droeg altijd groote schoenen met zilveren gespen
en driedubbele zolen, die door hun groote duurzaamheid zijn schoenmaker
tot wanhoop brachten. Zijn hoofd was bedekt met een breeden hoed, die
nog dagteekende van den tijd toen Vlaanderen voor goed van Nederland
gescheiden werd, zoodat dit hoofddeksel den achtenswaardigen leeftijd
van veertig jaren bereikt had.
Hoe kon het ook anders? Hartstochten doen het lichaam zoowel als de
ziel slijten, en de kleedingstukken zoowel als het lichaam, en onze
kalme, rustige, onverschillige burgemeester had geen hartstochten. Hij
zorgde wel, dat hij niet versleet en hij zorgde er ook wel voor, dat
hij niet sleet; daardoor kwam hij zich zelf uiterst geschikt voor,
om de stad Quiquendone en haar rustige inwoners te besturen.
De stad toch was niet minder rustig dan de woning van haar
burgemeester, en in dat vreedzame verblijf dacht de waardige Van
Tricasse zoolang mogelijk het einde zijner dagen af te wachten, in elk
geval zoolang tot de goede Mevrouw Brigitta Van Tricasse, zijn vrouw,
hem in het graf was voorgegaan, waar zeker haar rust niet grooter
kon zijn dan die zij nu reeds sinds zestig jaren hier op aarde smaakte.
Dit vereischt een nadere uitlegging.
Ieder kent de geschiedenis van den man, die al wel vijfentwintig
jaren éen mes gebruikt had, maar ook het hecht vernieuwde zoodra
het niet meer deugde, en een ander lemmer nam als dit niet goed meer
was. Precies iets dergelijks gebeurde ook sedert onheuglijke tijden
in de familie Van Tricasse, en de natuur had er zich met zeldzame
welwillendheid in gevoegd.
Sedert het jaar 1340 was het onveranderlijk gebeurd, dat een Van
Tricasse, zoodra hij weduwnaar was geworden, hertrouwd was met
een jongere Van Tricasse, die, zoodra zij weduwe was geworden, een
nieuw huwelijk aanging met een jongeren Van Tricasse, die, werd hij
weduwnaar... enz. enz. in een oneindige reeks door. Ieder lid der
familie stierf als het zijn beurt was.
Nu was de thans levende Van Tricasse reeds de tweede man van de
waardige Mevrouw Brigitta Van Tricasse, die, wilde zij niet in al hare
plichten tekortschieten, haar tien jaren jongeren echtgenoot naar
de andere wereld moest voorgaan, teneinde plaats te maken voor een
nieuwe Van Tricasse. Daar rekende de achtbare burgemeester stellig op,
opdat de overleveringen der familie niet geschonden zouden worden.
Zoo zag het er uit in dat vreedzame en stille huis, waar de deuren
niet piepten, de vensters niet rammelden, de vloeren niet kraakten,
de schoorsteenen niet snorden, de windhanen niet knersten, de meubels
niet knapten, de sloten niet klepperden, en waar de bewoners niet
meer gedruisch maakten dan hun schaduw. Harpocrates, de God der
stilzwijgendheid, had dit verblijf zeker voor den tempel der rust
verkozen.