NEDERLANDSCHE SCHRIJVERS.

Dr. J. de Bruin en Dr. Cornelia de Lange. ‘De voeding van het kind in

het eerste levensjaar’. 1905.

Bl. 93. „Den eersten dag na de geboorte moet het kind 2 à 3 maal in de

24 uren worden aangelegd, den 2en dag 5 à 6 keer, van den 3en dag af 6

à 7 maal per etmaal.”

„Zoowel de practische ervaring, opgedaan bij normaal gedijende

borstkinderen, als de onderzoekingen van Leo en Van Puteren.... hebben

ons geleerd, dat de pauze tusschen twee opeenvolgende maaltijden van

den zuigeling minstens 3 uur moet bedragen. Is de voeding van het kind

goed geregeld, dan wordt het ook gewoonlijk tegen dien tijd wakker.

Slaapt het een beetje langer, dan kan men het rustig nog een poosje

laten slapen, met dien verstande echter, dat de pauzen bij dag nooit

langer dan ruim 4 uren duren.... ’s Nachts moeten de pauzen minstens 4

uur duren, men trachte echter het kind zoo spoedig mogelijk het zuigen

bij nacht af te wennen.

Over het algemeen geve men dus in de eerste 4 à 5 levensmaanden 7

maaltijden, van de 5e tot de 9e à 10e maand 6 en daarna 5 maaltijden in

de 24 uren. In de eerste maanden make men ’s nachts pauzen van minstens

4 uur, iets ouderen zuigelingen geve men hoogstens 1 maal ’s nachts de

borst en spoedig in het geheel niet meer.”

Bl. 117. „Het resultaat, dat men bij de zuigeling met een bepaalde

wijze van voeding kan bereiken, is van te voren maar al te dikwijls

volkomen onberekenbaar.”

Bl. 179. „Het spreekt van zelf, dat de natuurlijke voeding, dus de

voeding met vrouwenmelk, als basis en model moet dienen voor de

kunstmatige voeding. Het is ons reeds gebleken, dat bij de voeding aan

de borst niet alle kinderen van denzelfden leeftijd even groote

quantiteiten drinken; wij weten bovendien, dat eenzelfde borstkind bij

den eenen maaltijd soms het dubbele tot het drievoudige van een

voorafgaanden of volgenden maaltijd tot zich neemt. Daarom kunnen wij

dan ook bij de kunstmatige voeding niet voor iederen zuigeling van

bepaalden leeftijd een zekere hoeveelheid voedsel van te voren volgens

een vast schema vaststellen, doch moeten wij in hooge mate

individualiseeren en ons nooit gebonden achten door een schema, methode

of tabel.”

„Volgens hem (bedoeld is Prof. Czerny) mag men een gezond kind nooit

uit den slaap wekken, om het te voeden, zelfs niet indien het daardoor

een maaltijd zou verzuimen.

Deze raad moge wetenschappelijk zeer juist en in een kliniek ook zeer

goed op te volgen zijn, in de gewone praktijk zal men evenwel meestal

adviseeren, het kind maar wakker te maken, als het 4 uur heeft

geslapen, opdat de goede gang der huishouding geen stoornis ondervindt

en de moeder niet veel te laat naar bed of midden in den nacht door een

hongerigen zuigeling in hare rust wordt gestoord.”

Bl. 296. „Alles komt ten slotte hierop neer, dat bij de kunstmatige

voeding van zuigelingen het eerste en laatste woord niet is aan de

theorie, doch aan de praktische ervaring, die ons leert, dat het

onmogelijk is, algemeen geldende voorschriften te geven, nog minder,

die in toepassing te brengen. Steeds moet men individualiseeren, want

wat bij den eenen zuigeling voortreffelijk gelukt, kan bij den anderen

treurig mislukken.”

Bl. 297. „Steeds houde men in het oog, dat de methoden zijn gemaakt

voor het kind en niet het kind voor de methoden.”

Dr. Cornelia de Lange. ‘De geestelijke en lichamelijke opvoeding van

Het Kind, in vrije navolging van Prof. Biedert „Das Kind”’. 1914.

Bl. 55. „Wanneer men dadelijk na de geboorte begint, de kinderen

gedurende den nacht, dus ongeveer van ’s avonds 10 uur tot ’s morgens 6

uur, geen voedsel te geven, dan schreeuwen zij de eerste twee, drie

nachten erbarmelijk, maar dan zijn zij wijzer geworden en houden zich

in de daaropvolgende nachten stil. De jonge ouders, die soms heelemaal

ontdaan zijn door zulk een wreedheid, hebben daardoor het overtuigend

bewijs, dat de opvoeding dadelijk na de geboorte moet beginnen en dat

zij zich niet door hun gevoel mogen laten meeslepen. Het is vaak zeer

moeilijk bij de opvoeding en het eischt een groote mate van wilskracht,

om waar het noodig is, de liefde te laten zwijgen en zich te laten

leiden door het verstand en de nuchtere rede, maar ter wille van het

kind zelf, moet men steeds het gezag handhaven.”

Bl. 78. „Nog niet lang geleden werd aangeraden, de zuigelingen in de

eerste levensweken om de 2 of 2½ uren te laten drinken, maar in de

laatste jaren is men er meer en meer toe gekomen, de pauze tusschen

twee maaltijden gedurende het eerste halve levensjaar 3 uur en daarna

zelfs 4 uur te laten duren” .... „is het duidelijk, dat men de

tijdsruimte tusschen twee maaltijden drie uren moet maken en het kind

hoogstens 20 minuten mag laten drinken. Slaapt het langer dan 3 uren,

dan laat men het rustig slapen, totdat het van zelf wakker wordt; wel

is het wenschelijk het kind op een bepaald uur te wekken voor den

laatsten maaltijd ’s avonds, opdat het aan dien tijd zal gewennen en

niet ’s nachts op een of ander tijdstip zal wakker worden en verlangen

te drinken.”

Bl. 79. „Tusschen 10 en 11 uur ’s avonds en 6 uur ’s morgens behoeft

het kind niet gevoed te worden; dit is zoowel in het belang van de

moeder, die haar ongestoorde nachtrust noodig heeft, als van het kind,

welks spijsverteringsorganen evenzeer rust behoeven en dat dan tevens

leert, dat de nacht er is om te slapen. Van dit régime moet men zich,

zoolang het kind gezond is, niet laten afbrengen. Het kind krijgt dus 6

maaltijden; dat dit aantal voldoende is blijkt daaruit, dat ook

kinderen, die van den beginne af slechts 5 maaltijden daags kregen,

prachtig zijn gedijd.”

Dr. E. Gorter. ‘De voeding van gezonde en zieke zuigelingen.’ 1914.

In de voorrede schrijft Czerny: „Auch das Lehrbuch von Gorter bedeutet

einen Fortschritt .... Die Erkenntnis von den groszen individuellen

Unterschieden der Säuglinge und von den angeborenen krankhaften

Veranlagungen führte dazu jedes Schema aus der Ernährungslehre des

Säuglings zu verdringen.”

Bl. 17. „Vanaf den 2den levensdag zal men het kind aan de borst leggen.

Men doet goed zich in den beginne nog maar door het kind te laten

leiden en het als het schreeuwt aan de borst te leggen, met deze

beperking evenwel, dat de tusschenpoozen niet korter dan 2 uur, en niet

langer dan 4 uur worden en dat het ’s nachts 1–2 maal wordt aangelegd.

Heel spoedig zal dan regelmaat worden ingesteld, zoodat het kind als

het een week oud is al op vaste tijden, aanvankelijk alle 3 uur, wakker

wordt om te drinken.

Bl. 25. „Men zal al heel gauw—na 2–6 weken—het kind kunnen wennen, om

van ’s avonds 10 uur tot ’s morgens 6 of 7 uur door te slapen, zoodat

het dan nog slechts 5 maaltijden in de 24 uur krijgt .... Het is

evenwel niet noodig, om het kind precies als het tijd is, wakker te

maken voor zijn maaltijd. Maar voor een moeder, die nog andere

bezigheden heeft, is het meestal wel erg prettig om precies te weten,

wanneer het weer tijd is om haar kind te voeden .... Hoewel nu in de

praktijk in de meerderheid der gevallen de resultaten van dit geringe

aantal maaltijden voortreffelijk zijn, moet er toch op gewezen worden,

dat men een enkele maal goed doet een uitzondering te maken en b.v. 6–7

maaltijden in 24 uur voor te schrijven. Soms groeien de kinderen bij 5

maaltijden onvoldoende en komen aanstonds bij voeding om de 3 uur weer

flink aan.”

Dr. I. H. G. Carstens. ‘Nederl. Maandschr. v. Verloskunde en

Vrouwenziekten en v. Kindergeneeskunde.’ 1912.

Deel I, bl. 611. Sprekende over gemengde voeding, zegt hij:

„Individualiseeren is ook hier noodig, omdat de maximale zogproductie

bij de eene vrouw bereikt wordt door een veelvuldig aanleggen van het

kind, bij de andere door een minder veelvuldig zoogen.”

Dr. L. de Jager. ‘Nederl. Maandschr. v. Verloskunde en Vrouwenziekten

en v. Kindergeneeskunde.’ 1914.

Deel III. Bl. 437. „Omtrent de voeding van den gezonden zuigeling

heerscht in de verste verte geen overeenstemming van meening.”

Bl. 442. „Als een kind aan de borst is, gaat alles gewoonlijk goed,

onverschillig of het kind volgens het boekje gevoed wordt, of geheel

volgens het eigen inzicht van de moeder.”

Bl. 443. „Er is kentering; men begint ook in Duitschland in te zien,

dat de pauze van 4 uur misschien te lang is; het staat vast, dat deze

officieele pauze tot 3 uur zal worden teruggebracht en nu ben ik

overtuigd, dat, nu er reactie komt, iemand zal opstaan en aan zijn

kliniek de pauze nog meer zal inkorten, zoodat we vermoedelijk binnen

niet al te langen tijd zullen vernemen, dat een zuigeling alle 2 uur

behoort te worden gevoed .... maar wat in het algemeen het beste is,

weet ik niet, en ik meen te durven beweren, dat een ander het ook niet

weet.”

Prof. G. C. Nijhoff. ‘Het boek voor jonge moeders.’ 1912.

Bl. 130. „Het is volstrekt noodzakelijk dat het kind op regelmatige

tijden gezoogd wordt, met tusschenruimten van minstens 2, liefst 2½ à 3

uur, en dat het, zoo mogelijk, ’s nachts doorslaapt .... In de eerste

dagen na de geboorte mag het kind worden aangelegd zoodra het

schreeuwt, onverschillig of het dag of nacht is. Lang mag dit tijdperk

van ongeregeldheid echter niet duren. Reeds in de tweede week moet het

kind overdag opgenomen en aan de borst gelegd worden, wanneer het ruim

2 uur geslapen heeft. Wordt het in dezen tijd ’s nachts wakker, dan

moet door de verpleegster worden nagezien of het kind iets hindert.

Wordt het na het verdrogen niet rustig dan mag het een of twee

theelepeltjes water hebben, maar met het geven van de borst wordt

telkens iets langer gewacht. Op deze wijze kan elk kind binnen den tijd

dat de kraamverpleegster in huis is, zóó worden gewend dat het ’s

nachts 6–7 uur slaapt en overdag 6–7 maal de borst krijgt.

Prof. H. Treub. ‘Leerboek der verloskunde.’ 1913.

Bl. 366. „Ten slotte de voeding. Onverschillig of het kind het

natuurlijke voedsel, de moedermelk, dan wel eenigerlei kunstmatig

voedsel krijgt, zijn er algemeene regels te geven, waaraan men zich

hierbij zal hebben te houden. En wel vooreerst wat betreft de

frequentie der maaltijden. In de eerste 1½ à 2 weken geeft men het kind

voedsel als het er om vraagt, d.w.z. schreeuwt. Daarna gewent men het

kind aan regelmaat, door het, onverschillig of het schreeuwt of niet,

overdag om de twee uren op te nemen en te voeden, terwijl het ’s nachts

alleen voedsel krijgt, als het schreeuwt. Langzamerhand, als het kind

meer kan gaan drinken, maakt men de tusschenpoozen wat grooter, zoodat

in de vierde à vijfde week het kind slechts om de 3 uur gevoed wordt.”

Prof. G. Scheltema. ‘Nederl. Maandschr. v. Verloskunde en

Vrouwenziekten en v. Kindergeneeskunde.’ 1914.

Deel III. Bl. 613. „Misschien wordt het schema dikwijls te veel over de

zuigelingen losgelaten en verdient het aanbeveling om hunne lust- en

onlust-uitingen in zake voedselbehoefte meer te volgen. Bij natuurlijk

gevoede kinderen kan men dit in elk geval gewoonlijk ongestraft doen;

voor de onnatuurlijk gevoede zal men toch wel eenige paal en perk

moeten stellen aan de avontuurlijke handelingen van hen, die men dan

zonder leiding maar op de bevrediging van zoogenaamde voedselbehoefte

van het kind, dat identiek wordt geacht met elk schreien, loslaat.”

Arts Tijdens. ‘Kraamverpleging en voeding van het kind in het eerste

levensjaar.’ Tweede druk. 1917.

Bl. 73. „Na het zoogen wordt het kind telkens dadelijk weggelegd, en

dan mag het, gelijk in het vorig hoofdstuk gezegd, den 1en en den 2en

dag zoolang slapen, als het verkiest; wordt het wakker, zoo krijgt het

(niet binnen 3 uur!) telkens de andere borst (eerst ’t kind

droogleggen!), en mag daarna weer rustig doorslapen. Den 3en dag—gelijk

ook reeds gezegd—begint de reiniging en voeding op geregelde tijden:

als regel stelle men, dat het gezonde borstkind overdag alle 3 à 4 uren

opgenomen, drooggelegd en aan de borst gevoed wordt,—dat is dus:

hoogstens 5 keer per dag,—en dat het in den eersten tijd nog één keer

’s avonds laat en één keer ’s nachts de borst krijgt,—in ’t geheel dus

hoogstens 7 keer per 24 uur. Spoedig echter is het wenschelijk de

voeding ’s nachts tot één keer te beperken. Het is van groot belang

zich aan dezen regel te houden, zoowel voor de kraamvrouw als voor het

kind.”

Bl. 75. „Ook in de volgende dagen, weken, maanden ga men met de

reiniging en de voeding van het kind op dezelfde regelmatige wijze

voort, gelijk boven voor de eerste dagen is aangegeven, en wel: Van af

de 2e tot de 5e of 6e maand: hoogstens 5 maal per dag, en één maal ’s

avonds laat. Voor de rust van de moeder en van het kind is het

wenschelijk, gelijk ook reeds gezegd, om het voeden bij nacht spoedig

achterwege te laten. Verder voede men: vanaf de 5e of 6e maand:

hoogstens 5 × per 24 uur.”

Bl. 76. „De kinderen vertoonen zóó groote individueele verschillen,

zoowel wat hunne behoefte aan voedsel als aan rust aangaat, alsook in

alle overige eigenschappen,—dat men elk kind afzonderlijk nauwgezet

moet waarnemen, en men nauwkeurig op zijne bijzondere behoeften en

eigenaardigheden moet letten, om daaruit eene aanwijzing te putten voor

den, voor elk kind vast te stellen leefregel.

Geleid door een drang tot schematisme zijn wij vaak geneigd van het

kind enkel plichten te eischen, zonder hem rechten toe te staan. Het

kind is een geboren egoïst, en kent slechts rechten, geen plichten.

Reeds in de eerste levensdagen beproeft het door schreeuwen zijn wil

door te zetten. Is hem dit één keer gelukt, dan laat hij zich daar niet

gemakkelijk weer af brengen, maar eigent zich steeds meer rechten toe;

behalve om eten, schreeuwt het spoedig om opgenomen en op den arm

rondgedragen te worden of om de aandacht te trekken, en om tallooze

dingen meer: hij wordt een kleine tiran, die de geheele huishouding

regeert.

Onze taak is het, hierin het kind te leiden, en het binnen de perken te

houden naar de gebleken individueele eigenaardigheden en behoeften.

Men zal dan, om eenig resultaat te bereiken,—afgezien van het

schreeuwuurtje, dat men het kind zal laten,—een zekere regelmaat in

alles moeten invoeren, teneinde het kind plichten te leeren—en zelf

niet de slaaf van den zuigeling te worden.

Eene verstandige moeder zal in het gegeven schema den juisten weg weten

te vinden.”

Dr. N. Knapper Czn. ‘Nederl. Maandschr. v. Verloskunde en

Vrouwenziekten en v. Kindergeneeskunde’. 1915.

Deel IV. Bl. 468. „Telkens weer dringt de vraag naar voren: worden de

persoonlijke eigenaardigheden van het kind wel voldoende in acht

genomen, wordt niet te veel en telkens getracht om aan stelsels en

tabellen te onderwerpen, wat toch even dikwijls weer van nature

ongenegen blijkt om zich hieraan te houden? Juist het groote aantal

steeds wisselende opvattingen—die maar al te weinig overeenkomen,

dikwijls zelfs met elkaar in lijnrechte tegenspraak zijn—dwingt telkens

weer de eisch op den voorgrond om te individualiseeren, om vóór alles

na te gaan hoe een bepaald kind uit zich zelf zich gedraagt ten

opzichte van de wijze van voedselopname, de hoeveelheden, de

voedingstijden enz. Rietschel zegt niet ten onrechte: „de methode voor

voeding aan de borst gedurende de eerste weken moet eene individueele

zijn; feitelijk moet het kind zelf ons den weg wijzen, in dien zin, dat

wij hem—d.w.z. iederen zuigeling afzonderlijk—bestudeeren, om

allereerst van hem gewaar te worden, bij hem waar te nemen, wat hij

verlangt, wat hij krachtens zijne constitutie voor zijne harmonische

ontwikkeling behoeft.”

Dr. Knapper begint zijn artikel: ‘Over zogvoeding en individualiteit’

met de volgende zinsneden: „Al zijn er nog geen verschijnselen die er

op wijzen, dat men in ’t algemeen weer gaat afwijken van het sinds lang

aangenomene en door de goede resultaten gesanctioneerde voorschrift:

Regel de voeding van het kind naar maat, gewicht en tijd, met regelmaat

en orde, toch begint zoo hier en daar de ondervinding zich uit te

spreken dat bij deze dressuur toch vooral het persoonlijke niet te

sterk op den achtergrond behoort te worden geschoven. Ik herinner

slechts aan het belangwekkende artikel over Moderne

Zuigelingendiethetik van Halberstadt in het Monatschrift für

Kinderheilkunde, door collega de Jager in dit tijdschrift aangehaald,

en aan de reeks artikelen „Over het voeden van zuigelingen” in ’t

Medisch Weekblad, van de hand van Dr. C. N. van de Poll, den

vrouwenarts, die op grond van jarenlange waarneming van zoogende

moeders en zuigende kinderen zich over de dressuur van den zuigeling

eene persoonlijke meening heeft trachten te vormen.”

Op bl. 476 spreekt hij over „de wenschelijkheid, de eisch bijna, om

vooral bij de borstvoeding toch niet te veel te willen maatregelen,

omdat de natuur zelve—om ’t zoo uit te drukken—„wel weet wat zij doet.”

Men kan een en ander gerust op zijn beloop laten—tot zekere grenzen

natuurlijk—al valt het soms geheel anders uit dan men „volgens ’t

boekje” verwachten zou.”

Omtrent de cijfers, welke ‘een gemiddelde’ aangeven, voor de

hoeveelheid voedsel welke een borstkind, volgens officieele

voorschriften, hebben mag, zegt hij (bl. 477): „Al hebben zij eene

zekere waarde als leidraad, speciaal bij de onnatuurlijke voeding, bij

de natuurlijke voeding behoort liefst de eigen persoonlijkheid van den

zuigeling te gaan boven de leer.”

Dr. C. N. van de Poll. ‘Medisch Weekblad’. 1915.

„Het pasgeboren kind, en gedurende eenigen tijd ook de zuigeling, is

nog niet als mensch te beschouwen, doch als een jong dier, waarbij wij

niet uit het oog hebben te verliezen, dat het als zoodanig in bijzonder

ongunstige omstandigheden verkeert, omdat het niet zelf de moederborst

kan gaan opzoeken, zooals pasgeboren dieren dat reeds spoedig doen. Het

menschelijk dier geeft door schreeuwen te kennen, dat het behoefte aan

voedsel heeft, en daarop heeft de moeder te letten niet alleen, maar

heeft zich, in vele opzichten, opofferingen voor haar hulpbehoevend

kind te getroosten.

Zal men nu, waar allerwege erkend wordt, dat er zoovele en vaak groote

individueele verschillen zijn, daarmede rekening hebben te houden of

niet? Wie de citaten, door mij gegeven, oplettend nagaat, ziet dat,

ofschoon vrij wel alle schrijvers trachten een voor alle kinderen

geldenden regel te geven, telkens gewag gemaakt wordt van

uitzonderingen, omdat nu eenmaal de kinderen zich niet schikken naar de

schemata, die, ondanks de bewering van Czerny: „Die Erkenntnis von den

grossen individuellen Unterschieden der Säuglinge und von den

angeborenen krankhaften Veranlagungen führte dazu jedes Schema aus der

Ernährungslehre des Säuglings zu verdrängen”, toch onophoudelijk worden

opgesteld. Ik begrijp, dat regels en voorschriften voor voeding,

voedingstijden en hoeveelheden per maaltijd noodzakelijk zijn in

weeshuizen, kazernes enz., waar een groot aantal personen moet gevoed

worden. Het is niet doenlijk, daar toe te geven aan individueele

verlangens, maar voor pasgeborenen en zuigelingen is het anders. Juist

voor die hulpelooze schepseltjes is het noodig rekening te houden met

allerlei omstandigheden, zoo van lichamelijken als van geestelijken

aard, zooals dat ook noodig is bij het opvoeden van kinderen. Alle

ouders kunnen weten, hoe het bij de opvoeding van het hoogste belang

is, te letten op karakter-eigenschappen, om in verband daarmede b.v.

goed- en afkeuringen, belooningen en bestraffingen in te richten. Van

niet minder gewicht acht ik het, reeds van den beginne af, ook voor de

voeding op te letten, wat voor ieder kind noodig en nuttig blijken kan,

in verband met zijn eigen aard, met zijne eigenaardigheden, en dat

zonder geleerdheid of wat daarvoor moet doorgaan. Uit de citaten is wel

op te maken, dat het met algemeene regels maar niet lukken wil.”

.... „Naar mijne meening is het zeer goed mogelijk, met inachtnemen van

aanwijzingen, door de natuur gegeven, eene betrekkelijke regelmaat bij

de voeding van den zuigeling te verkrijgen, zonder dat men in de fout

van eenzijdige stelselmatigheid vervalt.... Eene ‘betrekkelijke’

regelmaat, want verder zal men het nooit brengen. Wanneer in den

beginne de verpleegster, of welken titel de helpster moge dragen, in

overleg met de moeder, vooral waar het haar eerste kind betreft, later

de moeder alleen, den zuigeling oplettend gadeslaat in al zijne

verrichtingen, zal het—ook al weder betrekkelijk—gemakkelijk zijn te

bespeuren, wanneer het kind voedsel verlangt. Juist zij, die dagelijks

met den kleine verkeeren, en zeker het meest de moeder, weten reeds

spoedig te vertellen van kleinigheden die zij opmerkten, en, in

aansluiting daaraan, aan te geven, in welke richting de zuigeling zijne

eigenaardigheden vertoont. Laat men nu het kind, met betrekking tot

zijn hongergevoel, volkomen vrijheid, dan zal blijken, dat het eene

kind, zooals ook de literatuur doet zien, meer of minder groote

verschillen openbaart met het andere, maar ook, dat het gewoonlijk zijn

buikje vol drinkt, daarna, althans in den aanvang, in slaap valt,

eenigen tijd daarna wakker wordt, en weder om voedsel vraagt, iets dat

zich met meer of minder regelmaat herhaalt”.

.... Sedert geruimen tijd heb ik, waar mij de gelegenheid daartoe

gegeven werd, in dezen geest (de zaak aan het kind zelf over te laten)

gehandeld, en tot mijn genoegen mogen ondervinden, dat de kinderen

prachtig groeiden, geen of onbelangrijke stoornissen vertoonden, en, op

verschillende tijdstippen, tot eene regelmaat kwamen, waarvan de moeder

in hare huiselijke ordeningen geen hinder ondervond. Wel is waar moest

in de eerste weken de moeder doen, waarop ik boven doelde, namelijk

zich opofferingen voor haar kind getroosten, maar de belooning bleef

dan ook niet uit. In overleg met de moeder handelende, werden de

gunstigste resultaten verkregen. Wat kan men meer verlangen?”

G. Oosterbaan, arts. ‘Lichamelijke opvoeding’. 1920.

Bl. 47. „Nooit mag afgeweken worden van den regel, dat tusschen twee

maaltijden minstens ongeveer drie uren verloopen moeten.

Wordt het kind binnen drie uren nadat het gevoed is wakker en is het

dan lastig, schreit het pijnlijk, dan is, tenzij de hoeveelheid

opgenomen voedsel onvoldoende was, honger niet de oorzaak. Naar de

aanleiding van het schreien moet dan gezocht worden (zie bl. 37); in

geen geval mag men het kind, ten einde het stil te krijgen, de borst

reiken. Was deze regel reeds vroeger niet stipt opgevolgd, dan bestaat

er groote kans, dat reeds een begin van gestoorde spijsvertering

aanwezig is, en dat juist daarin de oorzaak van het schreien is

gelegen. Dan zal men door het geven van nieuw voedsel slechts de kwaal

verergeren, de aanleiding tot het schreien sterker maken in plaats van

haar weg te nemen.

Evenmin mag men het kind, al zijn drie uren na de laatste voedselopname

verloopen, wakker maken om het te voeden. Blijft het doorslapen, dan

bewijst dat, dat het nog geen behoefte aan voedsel heeft. Zoodra die

behoefte komt, wordt het wakker en zal het gaan schreien.

Het aantal maaltijden, dat een kind moet hebben, bedraagt gedurende het

geheele eerste levensjaar gemiddeld zes per 24 uur. In de eerste weken

zal het elke 3 à 3½ uur zijn voedsel opvragen (met uitzondering van de

eerste dagen, waarin het dikwijls veel langer achtereen slaapt), zonder

onderscheid te maken tusschen dag en nacht. Later verlangt het des

nachts minder vaak, spoedig in het geheel geen voedsel. Het is van

groot belang voor het kind zoover te komen, omdat dan de maag gedurende

de nachturen haar noodige rust krijgt.

Is het kind ongeveer drie weken oud, dan moet de regelmaat bij de

voeding reeds verkregen zijn. Het krijgt dan des morgens tusschen 6 en

7 uur zijn eersten maaltijd; verder alle 3 uren, zoodat het des avonds

tusschen 6 en 7 uur zijn 5den maaltijd geniet. Dan begint voor het kind

de nacht, die ongeveer 12 uren duurt. Gedurende dien tijd kan het eerst

tweemaal, gemiddeld van het begin der vierde maand af éénmaal worden

gevoed. Het beste is dien eenen nachtmaaltijd des avonds tusschen 10 en

11 uur te geven, waardoor voor moeder en kind een voldoende tijd voor

de nachtrust overblijft.

De praktijk eischt hier afwijking van den regel, dat men het kind niet

uit zijn slaap mag wekken ten einde het te voeden. Het groote belang,

dat er in gelegen is om een voldoenden rusttijd te krijgen, weegt

zwaarder dan die fout; vooral omdat dan toch de sedert de laatste

voedselopname verloopen tijd groot genoeg is, om zeker te zijn dat het

kind zonder schade weer opnieuw kan gezoogd worden.

In het algemeen gaan bij te vroeg geboren kinderen de hier gegeven

regels niet op. Zij moeten telkens, wanneer ze drie uur geslapen

hebben, gewekt en gezoogd worden.

Tracht men zoo stipt mogelijk de regelmaat bij de voeding in acht te

nemen, dan zal het kind spoedig aan dien regel gewennen en zal het

wakker worden, wanneer de tijd voor de voeding gekomen is. Ook zal het

spoedig elken avond omstreeks 10 à 11 uur onrustig worden of geheel

ontwaken, wanneer het steeds op dien tijd zijn voedsel ontvangt.

Wordt zulk een kind wakker vóór de noodige tijd sedert den laatsten

maaltijd verstreken is, dan zal het zoet blijven liggen en niet gaan

schreien, zooals het geval is met niet aan regelmaat gewende en

verwende kinderen. Mocht het in het begin soms voorkomen, dat het kind

schreit vóór het gevoed worden mag, dan late men het schreien tot zijn

tijd gekomen is en toone in geen geval misplaatst medelijden, doch

blijve standvastig weigeren het kind voedsel te geven, een schijnbare

wreedheid, die echter slechts kan strekken tot heil van moeder en

zuigeling.”

Moeder en kind · 第 22 / 28 题