Immers tegenwoordig wordt ons nog menige mededeeling gedaan omtrent het

verzien van zwangere vrouwen. Ik zag eens eene fotografie van een

jongen, die over het geheele lichaam behaard was, welke buitengewone

haarontwikkeling werd toegeschreven aan een sterk op de moeder

inwerkenden prikkel gedurende hare zwangerschap. De moeder van dezen

knaap werd op zekeren avond door haren man, die in opgewonden toestand

tehuis kwam, zoo grof bejegend, dat zij in de bedstede de vlucht nam.

’s Mans woede wilde zich toen op een, in het vertrek aanwezigen, poedel

koelen, doch het dier, al even weinig op een dracht slagen belust als

de vrouw, zocht bij haar bescherming. Daar werd het dier door den man

duchtig toegetakeld, en de verschrikte vrouw beviel na eenigen tijd van

een kind, begroeid met lange haren, zooals de poedel die had.

Ook deze opvattingen, en hetzelfde geldt voor wat ik nog zal

mededeelen, hebben haren oorsprong in overoude tijden, niet zoozeer in

de beschouwingen van het volk, als in die der geneesheeren. Die

beschouwingen, en voorschriften aan de hand daarvan gegeven, zijn

langzamerhand als gemeen goed overgegaan in het denken der volken, en

waar zij bij de geneesheeren, aan de hand van de zich ontwikkelende

wetenschap, veranderingen en verbeteringen ondergingen of geheel

verdwenen, bleven zij onder het overige menschdom bestaan en duiken

telkens weder op. De oorsprong is vergeten, de beschouwing evenwel

gebleven.

Wij moeten niet alleen in de Hippocratische boeken, maar ook in de

overleveringen der oude Indiërs, oude Hebreeërs en oude Egyptenaren

zoeken, om den oorsprong te vinden. Dan zien wij, hoe opvattingen uit

oude tijden invloed uitoefenden op nieuwere. Zoo vindt men b.v. in de

Hippocratische boeken veel terug, wat reeds in de Rig-Veda (± 1500

jaren voor Chr.) en vooral in de Yajur-Veda, welke van lateren datum

is, beschreven staat, hetgeen erop wijst, dat ook de leer van de school

van Hippocrates voor een deel is voortgekomen uit nog oudere

geneeskunde.

Zeer zorgvuldig zijn b.v. in de Yajur-Veda de voorschriften over de

gezondheidsregelen gedurende de zwangerschap, welke, volgens bevoegde

beoordeelaars, uitmunten boven die van de Hippocratische school. Niet

alleen wordt daarin zeer zorgvuldig alles opgegeven met betrekking tot

het gebruik van spijs en drank, b.v. dat de (daar opgenoemde)

vleeschsoorten invloed uitoefenen op de lichamelijke en geestelijke

eigenschappen van het kind, maar ook gewaarschuwd tegen opwinding,

overmatige inspanningen en schuddingen van het lichaam. Tevens wordt

daarin gewezen op den invloed door indrukken van het gemoed en der

zintuigen op de zwangere vrouw uitgeoefend, hetgeen bij Grieken en

Romeinen in praktijk gebracht werd, zooals wij dit ook door vader Cats

in dichtvorm neergeschreven zagen.

Wel is waar wordt in de Yajur-Veda niet gesproken over het verzien der

zwangeren, maar iets in dien geest ligt toch opgesloten in de

waarschuwing, dat de zwangere vrouw alles vermijden moet, wat

onaangenaam is om te zien, en in het voorschrift, geen leelijke,

wanstaltige voorwerpen aan te raken. Volgens Fassbender wordt hierover

door de Hippocratische geneesheeren niet gesproken.

Wij zullen niet nagaan of, en in hoeverre, er in verhalen als van den

behaarden knaap, en dergelijke, een zweem van waarheid in eene groote

hoeveelheid verdichtsel kan verborgen zijn, doch onze beschouwingen

voortzetten.

Waar geloof en bijgeloof hand in hand gaan, is het geen wonder, dat ook

met betrekking tot de geneeskunde voornamelijk bij leeken begrippen

bestaan, welke voor den wetenschappelijk ontwikkelde aan geloof en

bijgeloof grenzen of daarmede samenhangen. Niet altijd is het geloof

als bron van eigenaardige denkwijzen nog te herkennen, maar menigmaal

schijnt het vreemde meer eene meening, eenmaal uit ervaring opgedaan,

bij onduidelijke waarneming onjuist opgevat, door geslachten

voortgeplant, veranderd, maar daarom nog niet verbeterd. Zeker is het,

dat meeningen, als hier bedoeld, vooral bestaan op het gebied, dat

samenhangt met ’s menschen intrede in de wereld; meeningen, welke

moeten dienen om het geheimzinnige en onbekende te verklaren, terwijl

het telkens blijken kan, dat de zoogenaamde verklaringen het geheel,

als ’t kan, nog geheimzinniger maken.

Vooral de baring, en het meest indien daarbij stoornissen optreden, is

iets zoo geheimzinnigs voor geest en gevoel, dat niet alleen de

natuurvolken, maar ook de beschaafde volken zich niet aan den invloed,

welke de gebeurtenissen op hen uitoefenen, onttrekken kunnen. Het is

dan ook mogelijk bij allen sporen te vinden van de voorstelling, dat

bij de geboorte bovennatuurlijke machten werken. Die machten worden

veelal met persoonlijke eigenschappen bedacht en verschijnen eensdeels

als booze geesten, als demonen, die de in barensnood verkeerende

vrouwen met gevaren omgeven en haar ziek maken, anderdeels als goede

geesten, die zich het lot dier bedreigde vrouwen aantrekken.

Zoo ontstond geleidelijk de gedachte aan strijd tusschen booze en goede

geesten. Het ligt voor de hand dat de mensch, beangst door zijn

onmacht, op die geesten invloed trachtte te verkrijgen, en zich daarbij

medewerking van bovennatuurlijke machten trachtte te verzekeren.

Daartoe werden en worden gebeden en bezweringen aangewend, wezens in

dienst gesteld, met wier hulp zou verkregen worden, wat men wenscht.

Zoo ontstonden de offeranden aan goden en godinnen, om die aan te

zoeken hunne hulp te verleenen. Dat bestaat nog.

Het monotheisme leidde er toe één God als hulp in den nood aan te

roepen, hem te bidden gunstigen invloed uit te oefenen, hetzij alleen

of met medewerking van heiligen.

De toevlucht tot die hoogere machten begint reeds met de zwangerschap

en heeft eene eerste uiting in het danken voor het intreden der

zwangerschap en het aanbevelen van de jonge vrucht in de beschutting

der godheid.

Van godsdienstigen aard is de aanbidding der godinnen, zooals die b.v.

bij de Grieken en Romeinen bestond. Wij vinden gewag gemaakt van

Ilithyia of Eileithyia, de godin der geboorte, welke nu eens als

zelfstandige godin optreedt, dan weder vereenzelvigd met Here (Juno) en

Artemis (Diana). De echt latijnsche Ilithyia, de Juno der baring, is

Lucina de licht- en vooral levenbrengende godin der Romeinen. Haar ter

eere werd op den 1sten Maart feest gevierd, op welken dag de moeders

zich naar den tempel begaven, dezen met bloemen versierden en tevens om

een talrijk kroost smeekten. Van Lucina bestaan talrijke afbeeldingen.

In de linkerhand draagt zij een fakkel, in de rechter een offerschaal,

waarin een kind ligt; of wel zij houdt die hand uitgestrekt, als ’t

ware om den jonggeborene te ontvangen. Zoo staat zij afgebeeld op eene

schilderij van Rubens, de geboorte van Maria de Medicis voorstellende.

Ook wordt zij afgebeeld met eene zweep in de eene en een scepter in de

andere hand.

De zweep was het zinnebeeld van gemakkelijke bevalling. Dat herinnert

ons aan de Lupercalia, dat zijn de feesten ter eere van Lupercus, den

Romeinschen god Pan, die een heiligdom, lupercal genaamd, bij den

Palatijnschen heuvel bezat. De priesters (luperci) liepen dan in

woesten optocht half naakt door de stad. Zij hadden slechts een gordel

van geitenvel om de lenden en riemen van geitenleer in de handen,

waarmede zij allen geeselden, die zij ontmoetten. De vrouwen strekten

bij het voorbijgaan der priesters de handen uit, ter geeseling, in het

geloof dat daardoor zij, die onvruchtbaar waren, vruchtbaar werden en

de anderen, dat zij eene gelukkige baring zouden doormaken.

In Jordan’s Edda komt een lied voor, Oddrun’s klacht (Oddrûnargrâtr)

geheeten, waarin Borgny, in barensnood, Oddrun om hulpe bidt. Oddrun

voldoet aan dat verzoek.

„Milden Gemüts vor des Mädchens Kniee

Setzte sich Oddrun und sang nun Oddrun

Wirksame Weisen, gewaltige Weisen

Der gebärenden Borgny zum Beistande zu.”

Borgny bedankt haar daarvoor. Oddrun antwoordt:

„Führwahr nicht die weil du dessen würdig

Neigt’ ich mich nieder, aus Not dir zu helfen;

Nur mein Gelübde hab’ ich geleistet,

Das ich anderwärts aussprach; allerorten

Beistand zu bieten (gebärenden Frauen),

Als hier das Erbe die Edlinge teilten.”

Jordan meent, dat hier het overblijfsel van eene Noorsche Godensage

aanwezig is, verwant en in het wezen der zaak gelijk aan de Grieksche

sage van Leto en hare tweelingskinderen Appollo en Artemis. Ook Leto

kon niet baren, voordat de hulp van Eileithyia is ingeroepen, evenals

hier Borgny den bijstand van Oddrun noodig heeft. Oddrun zou dus voor

de Noren (Germanen) geweest zijn wat Eileithyia bij de Grieken was, de

Hera der geboorte (de Romeinsche Juno).

De Grieken offerden ook aan Genetyllis (Aphrodite) ter verkrijging

eener goede bevalling, de Romeinsche vrouwen aan Postvera of Presa, om

eene gunstige ligging van het kind te verkrijgen. Bij de Lacedemoniërs

offerden de vrouwen haren gordel aan Artemis, alsook de eerste

kleedingstukken harer kinderen.

Bij vele andere volken werden, en worden nog, feesten gevierd, waarbij

gewoonlijk offers plaats hebben. Wáár het streng godsdienstige ophoudt

en het bijgeloof begint, is dikwijls moeilijk uit te maken. De

beoordeeling daarvan hangt samen met het standpunt dat de beoordeelaar

op godsdienstig gebied inneemt, waardoor de grens, welke tusschen

geloof en bijgeloof getrokken wordt, aanmerkelijk verschilt.

In elkander overgaande beschouw ik wat b.v. op Java, ten minste in

enkele streken, geschiedt. Het volksgeloof zegt, dat eene vrouw, in de

zevende maand harer dracht, onderhevig is aan kwellingen van booze

geesten. Daarom wordt bij het intreden daarvan ’s nachts door oudere

vrouwen bij haar gewaakt. Zij zelf moet trachten de behoefte aan slaap

te onderdrukken, want de booze geesten durven wakende personen niet te

naderen. Na dien doorwaakten nacht wordt zij ’s morgens in een daarvoor

opgerichte tent gewasschen. In die tent staan aarden potten met water,

bloemen en twee jonge, gele kokosnoten. Op een der kokosnoten heeft men

het afbeeldsel van een man, op de andere dat eener vrouw gemaakt, de

personen Pandjie en Tjondro-Kirono voorstellende. Pandjie was vorst van

Djenggolo en Tjondro-Kirono, zijne vrouw, dochter van een vorst te

Kedirie. Zij waren de schoonste menschen van hunnen tijd. Het afbeelden

dezer personen beoogt hetzelfde, als wij reeds boven bespraken. Men

verwacht van den aanblik daarvan de geboorte van een kind, even schoon

als die twee menschen geweest zijn. Na het wasschen wordt de vrouw een

smal, zonder naad geweven kleedje als buikband omgeslagen. Daarna wordt

de man, als bruidegom gekleed, met een paar vrienden binnen gelaten. De

buikband wordt losgemaakt, twee vrouwen houden dien aan weerskanten

vast en de man snijdt met zijn kris den buikband geheel door, waarna

hij, met zijne begeleiders, de tent verlaat en naar huis terugkeert.

Dit lossnijden beteekent een weg voor het kind te banen. Vervolgens

neemt men de twee jonge kokosnoten en laat die door het kleedje van de

zwangere vrouw vallen. Dit beteekent eene gelukkige verlossing, even

spoedig als het nedervallen der kokosnoten. Daarna wordt de vrouw naar

huis gebracht en volgen feestelijkheden.

Dit gebeurt bij de eerste zwangerschap. In de volgende maanden worden

dan nog elke maand offeranden gebracht, waarmede wordt voortgegaan, tot

het kind ter wereld gekomen is.

Het geloof aan den invloed op zwangere vrouwen door de zintuigelijke

waarneming, waaraan hier uiting gegeven wordt door de afbeelding op de

kokosnoten, is dus overal te vinden. Daaraan hechtten ook de vrouwen in

Lacedemonië. Zij hadden in hare slaapkamers de portretten hangen van

door hunne schoonheid beroemde mannen, b.v. van Endymion, Narcissus,

Adonis, uit den heldentijd en van schoone personen uit hun eigen tijd.

Baron Larrey zegt, dat Napoleon voorbeschikt was tot zijn grooten

levensloop, van de schoot zijner moeder af, die hem gedurende de

revolutionnaire crisis in Corsica en gedurende den vrijheidsoorlog

droeg. Zulk een invloed, zegt hij, moest wel zijn stempel drukken op

het karakter en de voorbeschikking van den man, die geroepen was om

eene wereldomwenteling te maken.

Maar genoeg hiervan.

Als bij de Alfoeren op Celebes door den priester een kip geslacht

wordt, terwijl hij den goden bidt den wensch der aanstaande jonge

moeder naar een zoon of dochter te vervullen, kan men slechts aan eene

godsdienstige handeling denken. Voelt eene vrouw op de Seranglao- en

Gorang-eilanden zich zwanger, dan moet zij een stuk gember naar den

priester brengen, dat door hem gewijd en voortdurend door haar gedragen

wordt, om booze invloeden af te weren. De wijding geschiedt door er

driemaal op te blazen en de 112e Sure van den Koran te bidden, welke

luidt: „In naam van den albarmhartigen God! God is de eenige en eeuwige

God. Hij teelt niet en is niet geteeld, en geen wezen is aan Hem

gelijk.”

Godsdienstige opvatting vinden wij ook in het gebruik van wijwater en

het branden van gewijde kaarsen bij de baring hier te lande. Hetzelfde

moet men aannemen, als wij lezen dat in Oostenrijk, in eene kapel aan

den Falkenstein, waar men zegt dat de heilige Wolfgang zich verborgen

hield, de zwangere vrouwen door een daar aanwezigen steen kruipen, om

zich eene gelukkige bevalling te verzekeren. Eveneens bij het vernemen

dat zij in Zwaben bedevaarten doen naar de heilige Margaretha met den

draak (b.v. naar Maria Schrei bij Pfullendorf) of naar den heiligen

Christophorus (b.v. naar Laiz bij Sigmaringen) of naar St. Rochus, in

wiens kapellen gewijde ijzeren schildpadden, als symbool der

baarmoeder, hangen.

Maar diezelfde godsdienstige drang beweegt de Japansche vrouwen om,

kort voor de baring, een stukje papier in te slikken, waarop de

schutspatroon der barende is afgebeeld, in de hoop daardoor eene

gemakkelijke bevalling te verkrijgen.

Dwaas komt het ons voor, dat in Griekenland, in de buurt van Athene, de

zwangere vrouwen aan de noordzijde van den z.g.n. nymphen-heuvel

afglijden, eveneens met de bedoeling eene gelukkige baring door te

maken; dat in Ierland en Scandinavië, tot voor korten tijd, zwangere

vrouwen in den Johannisnacht, bij het Baalsfeest of het Balderfeest,

met hetzelfde doel door een vuur liepen.

Bij de Heidensche Magyaren was Nagyboldogasszony de schutsgodin der

teeling en baring. Na de invoering van het Christendom kwam daarvoor in

de plaats de heilige Anna, de moeder der heilige Marie (de schutsgodin

van het kraambed). Te harer eere vasten nu nog de zwangere vrouwen in

den omtrek van Szeged, b.v. in Szőregh, gedurende zeven dagen.

De Széklerin gaat bij volle maan naar buiten, spuwt driemaal in de

richting van de maan, en zegt:

„Heilige moeder Gods,

Sta mij bij in den nood;

Bescherm de vrucht mijns lichaams,

Opdat zij groeie als de maan.”

Overeenkomstig met het wijwater, en de aanwending daarvan, is het

gebruik, dat sommige negerstammen maken van eene fijne, witte

leemsoort, Pemba geheeten, waarmede de zwangere vrouwen zich dikwijls

het gelaat besmeren.

Om booze geesten of demonen af te schrikken of te verzoenen, maken alle

volken gebruik van amuletten, bezweringen, machtspreuken en

sympathetische middelen.

Als nuttige middelen gedurende de zwangerschap vindt men vele dingen

aanbevolen. Zoo mag b.v. in Noord-Celebes de vrouw het hoofdhaar niet

zoo dragen, dat het heen en weder fladdert; mag zij ’s avonds, als het

regenachtig is, het huis niet verlaten, opdat de vrucht niet door den

Walao-lati, of door op donkere plaatsen aanwezige duivels, wordt

opgeschrikt of mishandeld. In Nederland mag zij in den laatsten tijd

der dracht het haar niet laten knippen, omdat anders het kind borstelig

haar zou krijgen, dat ruw en kort, nooit kan krullen. In Hongarije zal

het kind, als de moeder zich in het bed de haren kamt, slechts korten

tijd leven.

Bij vele volksstammen moeten de vrouwen, als zij bij dag het huis

verlaten, een stuk ijzer of een mes bij zich dragen, opdat de booze

geesten de vrucht niet kwellen.

In Rusland is het geloof aan den „boozen blik” zeer verbreid. Maar

vooral wordt die door de zwangere vrouw gevreesd, daar zij, door het

booze oog getroffen, met groote pijnen baren moet.

Een amulet of talisman is veelal de meest werkdadige beschutting.

Daarvoor dragen de negerinnen kleine kalabassen, gevuld met aardnoten-

of palmolie, ook tooverteekens en tooverbanden om handen en knieën,

korfjes gevuld met bladeren, plantenwortels, stukjes hout en

slakkenhuisjes, papiertjes met een koranspreuk, enz.

Welke handelingen worden er niet verricht, welke nagelaten, om niet

storend in te werken op zwangerschap en baring, op de ontwikkeling en

ligging van het kind?

Het knoopen en binden veroorzaakt, zegt men, sluiting en moet dus door

zwangeren worden nagelaten, indien zij niet zelf zullen gesloten

worden, d.w.z. eene moeilijke baring doormaken. Daarom mogen op vele

plaatsen, ook in Europa, in beschaafde landen, de vrouwen niet weven of

matten vlechten. Zij mag geen garen of band dragen, opdat de

navelstreng niet om den hals van het kind kome te liggen

(omstrengeling). Datzelfde gevaar heeft de zwangere vrouw bij ons te

lande te duchten, als zij bij het naaien een streng garen om den hals

legt of de handen in de hoogte brengt, om iets van hooggelegen plaats

te krijgen. Ook zou het kruipen aanleiding geven tot omstrengeling.

Moet de de Hollandsche vrouw dan lachen, als zij hoort, dat de vrouw in

de Palz, om dezelfde reden, niet onder eene waschlijn doorloopt, niet

spint of haspelt?

In sommige streken van Hongarije wordt aan het doorloopen onder een

gespannen touw de vrees verbonden, dat er evenveel knoopen in de

navelstreng zullen komen, als het touw draden bevat. De baring zou

daardoor moeilijker worden. In Nederland mag de zwangere vrouw den

halsketting niet knellend dragen, omdat dan gevaar voor stikking van

het kind bestaat.

In Pruisen meent men, dat het kind een waterhoofd zal krijgen, als de

moeder aan den waterkant werkt; in Hongarije dat hetzelfde zal

geschieden, als zij op een watervat gaat zitten. Welk verschil bestaat

er tusschen de vrouw in onzen Indischen archipel, die niet door de

openingen, door de takken van een boom gevormd, door een sleutelgat,

door een bamboe of in een flesch mag zien, en de Servische vrouw, die

niet over een hooivork mag heen stappen, alles om te voorkomen dat het

kind, dat zij baren zal, het gevaar loopt scheel te zijn?

In Hannover en in het Spreewoud mag de moeder, als zij iets stinkends

ruikt, de oogen niet dicht houden, omdat anders het kind een stinkenden

adem krijgt. Bij de Slowaken zou dat gebeuren, als de zwangere geurende

bloemen of bladeren bij zich draagt. En natte handen mag zij niet aan

haren rok afdrogen, anders zal het kind er leelijk uitzien. In Hannover

en in het Spreewoud wordt het kind bedpisser, als de zwangere in de

nabijheid eener druppende dakgoot watert.

In Servië is het der zwangere vrouw verboden het kruis te kussen,

wegens het daaraan verbonden gevaar, dat het kind epilepsie (vallende

ziekte) krijgt. Zij mag zich geen zieken tand laten trekken, omdat het

kind daardoor kan sterven, en geen vreemd kind kussen, daar dat tot

superfoetatie (overzwangering) aanleiding geven kan.

Van invloed op de samenleving is wel hetgeen in Hongarije of Servië in

gebruik is. Eene zwangere vrouw mag geen eed afleggen, niet als getuige

optreden en aan geen begrafenis deelnemen, omdat zij anders een dood

kind baren zal. Ook mag zij over dag niet slapen, opdat het kind niet

sterve, noch in een grafkuil kijken, anders wordt het kind bloedarm.

Heeft zij dit toch gedaan, dan moet zij een handvol aarde in het graf

werpen. Met het oog op eene gelukkige baring mag zij geen oven stoken,

geen linnen bleeken, geen hout hakken.

Bekend is het, dat, ook in ons land, de meening heerscht, dat eene

vrouw gedurende de menstruatie niets mag inmaken, omdat anders bederf

bij de ingemaakte eetwaren, als vleesch, slacht, boter enz., zou

optreden. Hetzelfde geldt in Servië ook voor de zwangerschap en het

kraambed, omdat de vrouw ook in dien tijd voor onrein gehouden wordt.

Hier te lande is nog de meening te vinden, dat, als de zwangere vrouw

staande drinkt, zijzelf of het kind gezwollen voeten zal bekomen, ook

wel gezwollen teeldeelen of balzakwaterbreuk, als het een jongen is.

Iets dergelijks vreest de inlandsche vrouw in onzen Indischen archipel,

als zij zware of lichte voorwerpen voor het lijf draagt.

Op de eilanden Saparoea, Haroekoe, Noessa Saut en een gedeelte van de

Zuidkust van Ceram mag de zwangere vrouw niet tegen de huisdeur zitten,

omdat zij anders met moeite baren zal. Zij mag geen vruchten eten,

waaraan de vogels gepikt hebben, omdat anders het kind als een vogel

schreeuwen zal. Zij mag geen aangebrand eten gebruiken, daar dit de

nageboorte met moeite doet afkomen. Vrees voor vastgroeien van de

moederkoek verbiedt den vrouwen in de provincie Albany (Hongarije), met

den buik tegen kachel of fornuis te leunen.

Kromme beenen zou het kind der Nederlandsche vrouw krijgen, als zij

gedurende de zwangerschap met de beenen kruiselings over elkander zit,

en zij mag de voetnagels niet knippen, daar die bij de kinderen òf

zouden ontbreken òf wanstaltig zijn. In Hongarije mag de zwangere vrouw

de nagels wel knippen. Zij mag die niet wegwerpen, maar moet ze

verbranden, anders zal het kind zachte beenderen krijgen.

Het geloof dat men kiespijn kan voorkomen, door slechts op Vrijdag de

vingernagels te knippen, is zelfs in hoogeren stand niet vreemd. En een

probaat middel tegen kiespijn, dat de Stadsheel- en Vroedmeester ten

Houte de Lange in de kraamkamer hoorde aanbevelen, was, het vuil en

voetzweet van tusschen de teenen, tot een plakje gekneed, achter de

ooren te leggen. „Raad uit hoogen stand!” voegt hij hieraan toe.

Behalve dat deze raad uitermate vies is, bewijst hij, dat in zijn tijd,

dus omstreeks het jaar 1852, de patiënten niet al te zeer door reinheid

geplaagd werden en met recht „vuil” genoemd kunnen worden.

De kiespijn staat ook al in verband met booze geesten, b.v. in Indië

met den pontianak, een spook dat zich in boomen ophoudt en zeer gebeten

is op vrouwen, vooral op zwangeren. In Multatuli’s Max Havelaar vinden

wij, dat Saïdjah, zoekende naar den boom waar hij Adinda zou weerzien,

vele stammen van het djati-bosch betastte en weldra eene bekende

oneffenheid aan de zuidzijde van een boom vond. „Hij legde zijn vinger

in een gleuf die Si-Panteh daarin gehakt had met zijn parang, om den

pontianak te bezweren, die schuld had aan de tandpijn van Panteh’s

moeder, kort voor de geboorte van zijn broertje.”

Deze bezwering van een demon, door den ingeborene van Java, staat niet

zoo ver af van een der oudste voorschriften, omtrent het insnijden van

teekens in boomen, voor geneeskundige doeleinden. Zegt niet Brunhilde

(Siegtraut of Sigrdrifa) in het eerste Lied van Brunhilde (Heldensagen

in de Edda) tot Siegfried:

„Um Wunden warten und heilen zu wissen

Durch ärztliche Kur, musst du Astrunen kennen.

In die Borke der Bäume, in ostwärts gebogner

Ruten Rinde lerne sie ritsen”,

wanneer zij hem, op zijn verzoek, in wijsheid onderricht?

De zoogenaamde lusten der vrouwen, de Pica, worden ook in de Yajur-Veda

bedacht, en den geneesheer aangeraden daarmede rekening te houden,

omdat anders de kinderen met lichaamsgebreken zouden geboren worden.

Deze worden geweten aan de omstandigheid, dat de vrouw, met de

ontwikkeling van het kind, twee harten in zich draagt. In een leerboek

over verloskunde en vrouwenziekten van Aetius van Amida, uit het midden

der 6e eeuw na Christus, vinden wij daaromtrent gezegd, dat ongeveer in

de tweede maand bij zwangeren eene ziekte optreedt, die men Kissa of

Pica noemt, zich uitende in ziekelijke lusten, want de zwangeren zijn

begeerig naar verschillende wonderbaarlijke spijzen. Die ziekte zou

ontstaan door overmaat van bloed, omdat de gewone maandelijksche

uitscheiding van bloed, door de vaten der baarmoeder, door de vrucht

onderdrukt wordt, naar boven stijgt en op de maag drukt, die zeer

prikkelbaar is.

Volgens Halban (in de Real-Encyclopaedie der gesammten Heilkunde)

berusten de lusten op veranderingen in den bloedsomloop, van de

spijsvertering en voeding van het zenuwstelsel. Daardoor treedt zoowel

weerzin tegen vele spijzen, als lust naar zure spijzen en allerlei

vreemde zaken op, b.v. naar krijt, zand, stroo, hout, enz. Het sterkst

uit zich dit wel in begeerte naar menschenvleesch, welke zeker eene

ernstige verandering in den geestestoestand der zwangere bewijst. Doch

ook het verlangen naar kostbare zaken, vooral naar versierselen, komt

voor en heeft wel tot diefstal aanleiding gegeven. Maar hiermede zouden

wij het gebied der gerechtelijke geneeskunde gaan betreden, wat onze

bedoeling niet is.

In het Boeck van de Vroet-Wijfs worden eenige verhalen gegeven van den

lust om menschenvleesch te eten of althans in het menschelijke lichaam

te bijten. De schrijver voegt daarbij: „Het is een zeer gemeyne saecke,

dat sommige lust hebben om t’ eten Colen, Crijt, Vlas, Sop van lijnen

garen, Wage-smeer, ende diergelycke vuyle dingen, ende dat ook de

vrucht, als sij dien lust niet en mogen volbrengen, daer deur hinder

aen ’t lichaam krijget.”

Ik herinner mij uit mijne praktijk eene dame, die gedurende hare

zwangerschap een zoo onweerstaanbaren lust in zout had, dat zij daarvan

dagelijks handen vol gebruikte. Joh. van Beverwijck (1664), zou het

haar ten strengste verboden hebben. Immers zegt hij in zijne Wercken

der Genees-konste: „Geheele zoute dingen dienen (mede) van een swangere

vrouw geschout te werden. Want, gelijk Aristoteles seydt in ’t sevende

boeck van de Historye der Dieren op ’t vijfde Capittel, als de selvige

te veel zout gebruyckt, soo wert het kind sonder nagelen geboren.”

Het geloof aan den invloed van spijzen en dranken vindt men ook elders.

Zoo meent de zwangere in Hongarije, dat zij een wit en dik kind ter

wereld brengt, als zij veel brandewijn drinkt en uien eet. Daar vindt

men ook eene onbewuste aanwending van de Prochownick’sche dieet-kuur.

Vele zwangeren eten weinig, opdat het kind zich niet te sterk

ontwikkele, of zij voeden zich, om dezelfde reden, met ooft, of

gebruiken slechts ongezouten magere spijzen.

Samenhangende met het verlangen om te weten welk geslacht het kind,

waarvan de vrouw zwanger is, zal vertoonen, werden en worden nog

allerlei mededeelingen gedaan, die meer het kenmerk dragen het gevolg

van waarnemingen te zijn.

Bij de oude Indiërs was een frissche gelaatskleur der vrouw het teeken,

dat zij een jongen zou baren. Hippocrates meende, dat de zwangeren, die

vlekken in ’t gelaat hebben, een meisje, die eene goede gelaatskleur

behouden meestal een jongen zouden ter wereld brengen. Andere

kenteekenen van het geslacht waren de volgende. De jongen beweegt zich

eerder dan het meisje, dus wordt ook eerder leven gevoeld. (Dit staat

in verband met zijne leer omtrent den duur van het ontstaan van jongen

of meisje, na het vast worden van het zaadmengsel). Bij de dracht van

een jongen zijn de borsttepels naar boven gericht, bij die van een

meisje juist andersom.

Onder de proeven om het geslacht van het kind te weten te komen, was

o.a. de volgende. Het zog der zwangere vrouw werd op bladeren

uitgegoten. Stolt het zog, dan zal een jongen geboren worden, als het

wegvloeit een meisje.

Uit de Aphorismen van Hippocrates blijkt de meening, dat de jongens

zich ontwikkelen in de rechterzijde van de baarmoeder, de meisjes

(menigvuldiger) in de linkerzijde.

Galenus deelde die meening. Volgens hem ontwikkelden zich de knapen

rechts in de baarmoeder, waar het warmer en droger is, zooals de

geheele rechterhelft van het lichaam. Hiermede in verband staan de

pogingen, om, reeds gedurende den bijslaap, invloed uit te oefenen op

het geslacht van het kind. Uitgaande van de vooronderstelling, dat de

rechterbal de weg is, waardoor het zaad van den man, dat uit het

geheele lichaam komt, zijn uitweg vindt, moest de man, die een meisje

wilde verwekken, bij den bijslaap de rechterbal zooveel mogelijk

afsnoeren of in de hoogte houden.

In het algemeen werd aangenomen, dat, wanneer gedurende het intreden

der manbaarheid de rechterbal dieper staat of sterker ontwikkeld is dan

de linker, dit grooter kans gaf op het teelen van jongens, in het

tegenovergestelde geval van meisjes.

Daarom legt in vele streken van Hongarije de vrouw, als zij een jongen

verlangt, zich na den bijslaap op de rechterzijde (in andere streken op

de linkerzijde) of wel ligt de vrouw, gedurende den bijslaap, op

linker- of rechterzijde. Hieruit blijkt evenwel, dat de Hippocratische

opvatting niet zuiver is overgebracht geworden. Immers in de eene

streek wordt voor de jongens de rechterzijde-ligging, in de andere

juist de linkerzijde-ligging genomen.

Aan Hippocrates wordt ten onrechte de meening toegeschreven, dat de

jongens uit den rechter eierstok, de meisjes uit den linker ontstaan

zouden. Dat kan niet zijn, omdat hem en zijnen volgelingen de

eierstokken onbekend waren. Het eerst spreekt Herophilus (± 300 j. v.

Chr.) van de Alexandrijnsche school, over de eierstokken als

vrouwelijke testikels.

In een boekje getiteld Siphra en Pua of onderwijzing in de vroedkunde

enz., uit het Duitsch vertaald door Gerard ten Haaff, heelmeester in

Rotterdam mitsgaders Operateur van den Steen, te Delft, van het jaar

1753 lezen wij: „Wanneer een Vrouwspersoon een roode blozende koleur,

en roode vlakken in het aangezigt heeft, en ’er dus ontstoken uitziet,

vroolijk is, en bestendig zoo blijft, wil men er uit besluiten, dat zij

van een’ zoon bezwangerd is; daarentegen als zij ’er bleek uitziet,

vadzig en verdrietig is, wil men dat zij van eene dochter zwanger

gaat.”

In het reeds genoemde Boeck van de Vroet-wijfs staat: „De Vrouwen die

een Sone dragen, zijn veel dunder, ende aen de rechter kaecke wel

geverwet, ende niet soo bleeck.” Nog wordt daar gemeld: „Als nu een

Vrouwe een knechten draeght, soo is de rechterooge van snelder

beweging, ende van levender ende beter verwe dan de slinckerooge. De

rechter borst wordt ook harder ende grooter, en die verwe van de Tepel

van dese verandert eer dan van de slincker borst.”

Dit is ontleend aan Hippocrates. Volgens hem is de borst aan de zijde

waar het kind ligt grooter, het oog tusschen de oogleden grooter en

helderder.

„De vrouwe krijget oock veel eer melck, ende als men dat in een

glaesken stelt in de heete Sonne, soo looptet t’ samen gelijck een

rondt Bolleken of Klootken, ende gelijck een schoon deurschijnigh

Peerlken. Als men sulcken melck doet in de Pisse van deselfde Vrouwe,

vallet terstont te gronde; als men sout daerbij doet soo en schey dat

hem niet.”

Of deze en dergelijke proeven heden ten dage nog genomen worden, weet

ik niet, maar als wij lezen van eene vrouw, die van een jongen zwanger

is: „Den Buyck is voren spitsachtigh tegen de Navel” en „Maer

sonderlinge staet te verwonderen, dat eene Vrouwe die een Sone draeget,

altijdts in ’t gaen den rechtervoet voor settet, ende als sij wil

opstaan soo stiert sij haar veel meer met de rechter, dan metter

slincker handt,” dan moeten wij erkennen, dat ook nu nog dezelfde

teekens worden genoemd, als zekere, ter bepaling van het geslacht der

ongeboren vrucht. Niet alleen in Hongarije, doch ook hier te lande,

wordt de volgende proef aangegeven, om uit te maken, welk geslacht het

kind heeft. Men laat de vrouw op den grond zitten. Als zij zich, bij

het opstaan, met de rechterhand steunt, krijgt zij een jongen, met de

linkerhand een meisje.

In 1833 werd nog door Dr. Mac Donald, in Liverpool, beweerd, dat een

puntbuik de geboorte van een jongen, een breede buik de geboorte van

een meisje voorspelt.

Behalve dat de jongens gerekend worden zich eerder te bewegen (zie

alweer Hippocrates), is ook de meening, dat de dracht van een jongen

veertien dagen korter duurt dan die van een meisje, vrij algemeen.

In Hongarije heerscht, in sommige streken, de volgende gewoonte. Als de

vrouw niet zeker weet of zij zwanger is, steekt zij een naainaald in

een Mariabeeld en laat die 9 dagen daarin zitten. Is de naald na afloop

van dien tijd nog zuiver, dan houdt zij zich voor niet zwanger; is de

naald roestig, dan duidt het op zwangerschap. En aan de geboorte van

een jongen wordt geloofd als de punt, aan de geboorte van een meisje

als het oog van de naald roestig is. Daar heerscht ook dezelfde meening

omtrent de gelaatskleur. Uit kiespijn wordt het besluit getrokken, dat

zij een jongen zal baren, terwijl gezwollen beenen op een meisje

wijzen. Zij zal ook een meisje het leven schenken, als zij bij den

bijslaap luid gelachen heeft. Volbracht zij dien echtelijken plicht

zonder lachen, dan wordt een jongen geboren, want „ernst is het sieraad

van den man”. Zooals Plinius zegt, wees lichte zwelling van het

onderbeen en van de liesstreek, bij Grieken en Romeinen, op een meisje,

en de schrijver van het Boeck van de Vroet-wijfs is het met hem eens:

„Sulke Vrouwen dragen swaerlijck, en met geswel van de beenen en de

gemachte.”

Niet alleen in ouden, maar ook in den nieuweren tijd hebben de

geleerden zich bezig gehouden met physiologische gronden te zoeken,

waaruit de ontwikkeling van het geslacht eene redelijke verklaring zou

vinden. Het zou ons te ver voeren, hier alles mede te deelen, wat

daaromtrent geschreven is. Alleen stip ik aan, wat men meermalen hooren

kan, dat uit de schijngestalten der maan kan uitgemaakt worden, welk

geslacht het kind hebben zal. In 1873 deelde een Italiaan, Paolo Lioy,

mede, dat iemand te Robia had gevonden, dat, wanneer eene vrouw bij

volle maan een zoon of bij nieuwe maan een dochter baarde, men er zeker

op rekenen kan, dat het geslacht van het volgende kind niet verandert.

Deze regel zou zich telkens ook over den geheelen duur van dat kwartier

uitstrekken.

De geleerde Berthon werkte deze opmerking uit, en verklaarde, dat de

gestalten der maan geheel alleen op het ontstaan der geslachten invloed

uitoefenen, en dat, evenals die schijngestalten voortdurend en

gelijkmatig wisselen, ook de mannelijke en vrouwelijke individuen op

aarde in steeds gelijkblijvende verhoudingsgetallen, als uitvloeisel

eener kosmetische wet, afwisselend geschapen worden.

Dit laatste komt veel overeen met de oud-Duitsche overlevering, dat bij

wassende maan, of wanneer gedurende den bijslaap droog weder heerscht,

zich een jongens-conceptie ontwikkelen zou.

De bekende verloskundige Kilian zegt, met betrekking tot de kosmetische

invloeden, in zijn boek: „Die Geburtslehre von Seiten der Wissenschaft

und Kunst dargestellt” (1847), bl. 155: „Dat kosmetische verhoudingen

op de ontvangenis een grooten invloed uitoefenen, is zeker, maar weinig

bekend is het specieele. Intusschen kan toch het volgende gezegd

worden:

1) In ’t algemeen worden meer jongens bij nieuwe en wassende maan, meer

meisjes bij volle en afnemende maan geconcipieerd, en

2) de meeste concepties vallen in het einde van de lente en het begin

van den zomer, minder aan het einde van den zomer en in het begin van

den herfst.”

Hoe trouwens volksgeloof en wetenschappelijke opvattingen samengaan,

blijkt uit menige mededeeling. Als voorbeeld noem ik alleen het

volgende. Dr. Mattei zegt, in de Clinique Obstétricale, Gazette

Obstétr. 5 Mai 1874, dat eene met kinderen rijk gezegende vrouw hem

mededeelde, dat zij, telkens als zij van een jongen zwanger ging, veel

braakte, wat nooit gebeurde als zij zwanger was van een meisje.

Toevallig is in enkele streken van Hongarije de volksmeening juist

tegenovergesteld.

En om hiermede te eindigen: De fransche onderzoeker Dupuy deelde in de

Séances de la Société de Biologie de Paris, Octr. 1888 en Févr. 1889,

het volgende mede: „Om het geslacht van de toekomstige kinderen te

bepalen, moet men allereerst het geslacht van het eerste kind weten. Is

dit een zoon en geeft men aan de tusschenruimte tusschen twee

menstruaties, waarin de conceptie van het eerste kind plaats greep, het

getal 1, dan zal het eerstvolgende kind hetzelfde geslacht hebben, als

het in een even maand, dus in de 12e, 14e, 16e maand daarna

geconcipieerd werd, en omgekeerd een meisje, als het in een oneven

maand, dus 13e, 15e, 17e maand daarna ontvangen werd. Indien dus een

man, die een zoon heeft, eene dochter hebben wil, moet hij de

maand-perioden tellen, die verloopen zijn sedert de bevalling zijner

vrouw, en moet daarna de vrouw in een oneven maand bevrucht worden. Wil

hij weder eene dochter hebben, dan moet zij in een even maand bevrucht

worden enz. Alleen tweelingen met twee moederkoeken, en de gevallen,

waarin het kind van een anderen vader afstamt, maken eene

uitzondering.”

De diagnose op tweelingzwangerschap werd bij de oude Indiërs gemaakt,

als het lichaam in het midden diep is en op een ovaal watervat gelijkt.

In Siphra en Pua lezen wij: „Wanneer het lichaam van eene bezwangerde

vrouw in het midden plat-achtig, maar op de zijde verheven, en in het

geheel zeer opgezet is, en een donkere streep over hetzelfde

nederwaards gaat, zoo wil men hier uit besluiten, dat ’er tweelingen

zijn. Doch deze kenteekens zijn bedriegelijk, en men kan ’r zich in ’t

geheel niet op verlaten.”

Met de baring is het al niet anders dan met de zwangerschap. Ook hier

zocht men hulp bij goden en godinnen, vreesde men de inwerking van

booze geesten en trachtte men die voor zich te winnen, of wel ze door

verschrikkingen te verjagen. Tevens werden—en ’t gebeurt nog—middelen

inwendig en uitwendig toegediend, zoowel reeds gedurende de

zwangerschap als tijdens de baring, om de krachten der vrouw te

schragen en pijnen weg te nemen, sympathetische middelen aangewend, met

de bedoeling om de baring gemakkelijker te doen plaats hebben, kortom

van allerlei gedaan, om de vrouw in haar lijden te gemoet te komen.

Als middelaars tusschen goden en godinnen vinden wij priesters en

priesteressen. Somtijds moet een oprechte biecht van alle zonden, welke

betrekking hebben op de baring, afgelegd worden, zoowel door de vrouw

als door den man. Helpt dan de godheid niet, d.w.z. eindigt de baring

noodlottig, dan was de biecht onvolledig en onoprecht. In Zwaben roept

de barende de heilige Margaretha met den draak aan. Men neemt daar een

band of een zakdoek, bindt die der barende om de heupen, onder het

noemen der drie Godsnamen, en laat haar, onder aanroepen der heilige

Margaretha, persen.

In hoog aanzien staat de „Gewisse und wahrhafte Länge unseres lieben

Herrn Jesu Christi”, welke men der barende om borst en hoofd legt. Dit

is een gebed, op een 150 c.M. lange papierstrook gedrukt, welke—zooals

men zegt—de ware lengte aangeeft van onzen Heer Jezus Christus, zooals

hij op aarde en aan het heilige kruis geweest is. [10] Ook legt men nog

andere gewijde zaken onder het hoofdkussen, laat de vrouw

Johannis-water (dat op 27 December gewijd is) drinken, of plakt haar

heilige beelden op het lichaam, geeft haar een gebedenboek in de hand,

enz. Bij Inlandsche en Chineesche vrouwen zag ik op Java wel kruisen,

met een witte kalksoort op handen en voeten geteekend.

Met booze geesten en andere vijandelijke wezens wordt anders

omgesprongen. Wel is waar worden ook gebeden en offers opgedragen, doch

werkzamer acht men tooverspreuken en amuletten. Somtijds wordt het huis

gesloten om hun den toegang onmogelijk te maken, of wel worden zij

geweerd door een gespannen touw of door een krijtstreep. Geschreeuw,

gehuil en schieten dient tot afschrikking. Dit baantje wordt aan den

echtgenoot en zijne vrienden opgedragen.

Als vrij algemeen in zwang zijnde middelen, om eene gemakkelijke en

voorspoedige bevalling te erlangen, somde ten Houte de Lange op: het

gebruik (’s avonds) van een paar koppen sterk aftreksel van roomsche

kamillen met steranijs, van een paar vijgen op de nuchtere maag

gedurende de laatste zes weken, eene aderlating op de helft van de

dracht, een glaasje kraam-anijs bij het begin der pijnen, een kop

sterke koffie met brandewijn, een paar lepels Genua-olie met suiker,

drie, vier koppen thee met veel saffraan. Ook nu hoort men nog

dergelijke middelen aanbevelen.

Bij tragen arbeid meent men, dat de verbeterende veranderingen juist

invallen met de klok van 3, 6, 9 of 12 uur.

De roos van Jericho kwam ook al bij de baring te pas. Het drinken van

wijn of water, waarin zij gelegd was, om af te trekken en zich te

ontsluiten, had bij de barende hetzelfde gevolg. Indien zij zich

namelijk spoedig ontsloot, volgde ook snel ontsluiting bij de barende.

Ten Houte de Lange zegt: „Dit is mij eens voorgekomen bij eene Friesche

turfschippersvrouw, die mij bij langdurigen arbeid vroeg of ik „die

roos van Jericho” niet had om er gebruik van te maken, en bij eene

boerin. Geen van beiden wist mij echter te zeggen, hoe die roos er uit

zag, of waar die te bekomen was.” Ik was gelukkiger. Vroeger bezat ik

zulk een roos van Jericho, maar.... aangewend heb ik haar nooit. In de

Palz kent men het geloof aan deze roos, daar „Weinachtsrose” geheeten,

eveneens. Zij verdrijft daar, in water gedoopt en aan de vrouw gegeven

om er aan te ruiken, de pijnen.

Het toedienen van brandewijn is zeer sterk verbreid. Op de Kanarische

eilanden ontvangt de vrouw, zoodra de baring begonnen is, een glas vol.

Volgens Mac Gregor nemen de vroedvrouwen en vriendinnen daarvan tevens

haar deel. Ook in Hongarije wordt meestal brandewijn toegediend, en

dikwijls drinken de vrouwen zoolang, tot zij dronken zijn.

Waarschijnlijk staan alcoholische dranken in zoo’n goed blaadje, omdat

zij bedwelmend of opwekkend, z.g.n. versterkend, werken.

Wij weten allen hoe moederkoorn, als vlaagpoeders, werd aangewend. Men

vindt ook van allerlei aftreksels gewag gemaakt, als peperdranken,

kaneelwater, theeën van verschillende wortels en kruiden.

In Amerika is de medicijn bij de inboorlingen een afkooksel van den

staart eener ratelslang, dat aan de barende gegeven wordt, omdat men

gelooft dat het kind, wanneer dit het vreeselijke geluid van de slang

hoort, zich haast om naar buiten te komen. In Griekenland wordt de

baring bevorderd, door het gebruik van 2 onsen amandel-olie en het doen

van eene aderlating aan de ader van den grooten teen, welke moederader

genoemd wordt. In Denemarken heet Basilicum „Herba parturientium (kruid

der barenden)”. Behalve dit worden ook lavendel, witte leliën,

barnsteenolie en de gedroogde lever van alen gegeven. In Engeland,

evenals bij ons, gedroogde vijgen. Dit laatste middel wordt hier te

lande ook aangeraden om het vastgroeien van de nageboorte te voorkomen.

Een middel in 1816 in Duitschland nog in gebruik, was het drinken van

een kop urine van den man. Niet veel smakelijker lijkt mij het in

Zwaben gebruikelijke middeltje, duivenmest in melk gekookt. Het heet

daar, dat ook vrouwenmelk, indien slechts buiten haar weten aan de

barende toegediend, de bevalling gemakkelijker maakt.

Middelen welke den mensch misselijk en draaierig maken of braken

verwekken, spelen bij zeer vele volken eene groote rol. De bij het

braken tot stand komende samentrekkingen van middenrif en buikspieren

zouden de uitdrijving bevorderen. Daartoe werden ook niesmiddelen

aangewend. In Nederlandsch Indië laat de doekoen, volgens v. d. Burg,

de oudste bij de geboorte aanwezige vrouw hare voeten in koud water

wasschen en geeft zij dit of nog andere vieze vloeistoffen, b.v. urine,

aan de barende te drinken. In het „Boeck van de Vroet-wijfs” lezen wij:

„Ende soo haest als deselfde (d.i. de vroedvrouw) siet, dat hem ’t Kint

in de geboorte wil verachteren ende schorten (al is ’t dattet

natuerlijck, ende metten hoofdeken hem vertoont) deur de nauwigheydt

ende engte van ’t Voor-lijf oft Lidt van de geboorte, soo mach ’t

Vroetwijf haer blasen in de Neusgaten een Niespoeyer, of Peper, ende de

Vrouwe doen den aessem inhouden en niesende maken, daer deur dat den

aessem met sijn gewelt geoorsaeckt nederwaerts te trecken, dewelcke

geweldigh sterck drijvet, ende den arbeyt of geboorte voordert.”

Uitwendige middelen werden aangewend in den vorm van berookingen,

inwrijvingen met zalven enz. Warme baden en inwrijvingen met warme olie

behooren tot de oudste hulpmiddelen bij de baring.

Bijzondere middelen zijn wel de volgende. In Boven-Egypte steekt men

bij weeënzwakte een klein stukje opium in het geslachtskanaal der

vrouw. In Engeland legde men vroeger fijngestooten laurierbladen, met

olie gemengd, op den navel der barende of stak men haar een stukje

knoflook in de aarsopening.

Gunstigen invloed zou de barende ook ondervinden, door het drinken van

water uit den Willebrordusput, en het leggen van een daarmede

natgemaakte doek tegen de schaamdeelen. Hetzelfde bewerkt het teeken

des kruises over den buik der zwangere gemaakt.

Uit dit alles blijkt alweder, hoe het bijgeloof aan vele dingen

krachten toeschrijft, welke zij niet bezitten. Doch wat te denken van

een bijgeloof als nog voor omstreeks 5 eeuwen onder geneesheeren

bestond? In Zwitserland werd de eerste lijkopening (sectio cadaveris)

in 1671, de tweede in 1676, door Dr. Muralt, in Zürich gedaan. Hij liet

de huid van het lijk, welke afgepraepareerd was, looien, omdat hij

bijzondere geneeskracht toeschreef aan het bedekken van aangedane

deelen met menschenvel, nadat het eerst bij wassende maan met zalf

ingewreven was. Voornamelijk hielp het echter bij zware bevalling, als

het als gordel gedragen werd.

Hier hebben wij den overgang tot sympathetische middelen. Zooeven

noemde ik reeds omtrent sympathie het een en ander, toen ik sprak van

het verbod van knoopen, weven, enz. Niets mag bij de baring gesloten

wezen, anders opent de baarmoeder zich niet. Daarom mag ook de barende

de handen niet vouwen; zij moet den gordel—als zij dien

draagt—afleggen. Alle sloten en deksels, soms ook alle deuren, enz.

moeten geopend worden. Dr. G. F. Most schrijft 1844 in „De

sympathetische middelen en geneeswijzen”: „De voor eenige jaren alhier

(’s-Hertogenbosch) gestorven vroedmeester Dr. D...... plag, volgens de

methode der oude vroedvrouwen, wanneer eene barende zijne hulp inriep,

terstond bij zijn intreden in de kamer, te vragen, of wel alle koffers,

kisten, kasten, enz. in het huis openstonden; was dit niet het geval,

dan moest het oogenblikkelijk geschieden.” Most zelf zegt, dat hij dit

middel, om psychisch af te leiden en om contractiones uteri, waarmede

hij wel kramp van de baarmoederspier zal bedoelen, te doen verdwijnen,

dikwijls met goed gevolg heeft aangewend.

Dit middel is No. 85 van de recepten, welke bij zware verlossingen

werden aangegeven. No. 83 en 84 luiden aldus. No. 83: „Neemt twee

schijven van witten leliewortel en geef dezelve aan de barende te eten;

dit drijft de vrucht benevens de nageboorte ongeschonden af.” N°. 84:

„Neemt 2 hoendereyeren, laat dezelve op de gewone wijze koken en geeft

de vrouw eenige lepels van het water waarin de eyeren gekookt zijn, in;

dit drijft de vrucht af, zelfs al ware de vrouw reeds in acht dagen in

barensnood geweest, en het kind gestorven of reeds tot verrotting

overgegaan.”

Hij voegt daaraan het volgende toe. „De eyeren zijn reeds geboorte, en

deelen derhalve aan het water waarin zij gekookt zijn, en daardoor van

hunne kracht tot verdere ontwikkeling beroofd worden, deze vis et

efficacitas mede om zelfs de levende of doode vrucht des menschen uit

te drijven. Het spreekt van zelf, dat dergelijke onschuldige middelen,

als het eyerwater, slechts in ligte gevallen, waar door geene

mechanische hinderpalen de geboorte vertraagd wordt, mogen worden

aangewend; ofschoon dezelve dan ook slechts psychisch door het vaste

geloof aan dezelve krampstillend werken; in zware gevallen echter mag

men zich volstrekt niet op dezelve verlaten, maar zoo spoedig mogelijk

een goeden vroedmeester tot hulp roepen.”

Gelukkig dat hij dit laatste er bijgevoegd heeft.

Tot deze groep van middelen behoort ook het doen eten, door een dier of

mensch, uit den schoot der vrouw, opdat het kind even gemakkelijk te

voorschijn kome, als het voedsel van daar wordt weggenomen. Eveneens is

hiertoe te rekenen het medeklagen van vrouwen en andere middelen, die

op den geest werken, zooals muziek, gezang, het verschrikken der vrouw,

en nog vele andere.

Met de bedoeling onmiddellijk invloed op het kind uit te oefenen, laat

men b.v. geldstukken klinken, om het kind te lokken, of iets of iemand

dansen, opdat het kind eveneens beginne te dansen en uit het

moederlijke lichaam danst. Somtijds moet ook de vader dicht bij den

schoot der barende komen en dan vlug wegloopen, dan zal het kind

trachten hem te volgen. Als lokmiddel voor het kind dient ook het

aankleeden van een pop, met de kleederen van den echtgenoot.

Hieruit blijkt, dat de meening heerscht, en zeker is dit eene welke nog

dikwijls wordt uitgesproken, dat het kind, zoo niet geheel, dan toch

voor een groot gedeelte, medewerkt om geboren te worden. Wij kunnen dan

ook herhaaldelijk opmerken, dat een langdurige en moeilijke arbeid,

wanneer daarbij een dood kind ter wereld komt, als zeer natuurlijk

beschouwd wordt, omdat „het doode kind niet kon medewerken”.

Ook deze meening grondt zich op de leer van Hippocrates. Deze leer

bestaat in de opvatting, dat het op tijd intreden der geboorte zijn

oorzaak vindt in gebrek aan Voedsel voor het kind, omdat het

moederlijke organisme niet meer aan de behoefte van het kind voldoen

kan.

De uittreding van het kind is dus actief. Wanneer de baring op til is,

begint het kind te bewegen, met handen en voeten te trappelen en een

der inwendige vliezen te verbreken. Daarop scheuren de andere, welke

zwakker zijn; het kind is van zijne boeien ontslagen en treedt in

heftige beweging naar buiten. Geen macht houdt het meer vast, als de

vliezen bezwijken; ook de baarmoeder kan het niet meer tegenhouden.

Voor de school van Hippocrates was dus de spierkracht van het kind

alles, of liever bijna alles, wat natuurlijk moeilijkheden gaf bij de

verklaring van het uitdrijven van doode vruchten en miskraam. Toch werd

ook aan de werkzaamheid van de baarmoeder gedacht. Men trachtte toch,

bij staking der baring, de pijnen in de baarmoeder, dus de

weeënwerkzaamheid, aan te zetten, hetzij door het bestrijken van den

baarmoedermond met eene zalf, hetzij door het toedienen van bepaalde

spijzen en dranken. Ook de buikpers was niet onbekend en de kracht

daarvan trachtte men door niesmiddelen te versterken. Duidelijker en

met bewustheid heeft Galenus zoowel de werkzaamheid der baarmoeder als

de buikpers beschreven. Hij zegt, dat, als de baarmoedermond geheel

ontsloten is, de barende moet opgewekt worden het kind uit te drukken.

De pijnen bij de baring worden toegeschreven aan de drukking, welke het

kind op de moederlijke deelen uitoefent, en aan de rekking, die deze

laatste ondergaan, doordien het kind zich door eigen kracht een weg

baant.

Vinden wij dus eene verklaring van de zooeven genoemde tegenwoordige

leekenopvatting, dat het kind zelf den arbeid verricht, in de oude

geneeskundige opvatting, hetzelfde geldt omtrent eene andere meening,

betrekking hebbende op de levensvatbaarheid der kinderen in zevende of

achtste maand geboren. Doch daarover straks.

Algemeen is nog het denkbeeld verbreid, dat de moederkoek tot stoel

dient voor het kind. Mij ten minste kwam het menigmaal voor, niet dat

het als waar verteld werd, maar dat mij—en wel door ontwikkelde

personen—gevraagd werd, òf het waar is. Daarbij neemt men dan aan, dat

het kind op de moederkoek zit, de armen over de borst gekruisd en de

handen onder de kin, om het hoofd te steunen. Hiermede hangt dan samen

de meening, dat op een bepaald tijdstip van de zwangerschap het kind

zich omdraait of buitelt (de Culbute), zoodat het hoofd naar beneden

komt te liggen. Het zakken van den baarmoederbodem wordt dan als bewijs

genomen, dat de buiteling heeft plaats gevonden.

Hiermede komen wij van zelf tot de straks even aangeroerde meening, dat

een zevenmaandsch kind veel beter in leven blijft dan een achtmaandsch,

omdat de zevenmaandsche dracht natuurlijker is dan de achtmaandsche.

De ligging van het kind, volgens Hippocrates, geeft ook hier weder

licht. Zijne opvatting was, dat alle kinderen zich, in overeenstemming

met den groei der planten, met het hoofd naar boven ontwikkelen. In de

ligging met het bekkenuiteinde vóór worden de kinderen eerst bevestigd

door de vliezen, welke van den navel uitgaan, totdat zij in de 7e maand

deze bevestigingsmiddelen verbreken en de vliezen rondom verscheuren.

Daarop verandert het kind van plaats, d.w.z. komt het met het hoofd

naar beneden te liggen. Dit omdraaien van het nu van zijn

bevestigingsmiddelen bevrijde kind, wordt toegeschreven aan de werking

der zwaartekracht. De boven den navel van het kind gelegen deelen zijn

de zwaarste en de hoofdligging komt tot stand, doordien de werking van

de zwaartekracht op het hoofd overweegt.

„Ofschoon onjuist”, zegt Fassbender, „bleef deze leer van de

ombuiteling of zelfkeering van het kind gedurende een tweeduizend tal

jaren in de verloskunde van alle kultuurvolkeren bestaan.”

Dat deze keering juist in de 7e maand werd geacht tot stand te komen,

hangt eensdeels samen met het heilige getal zeven, dat op alle

gebeurtenissen in het leven grooten invloed had, anderdeels met

waarnemingen, dat bij de, voor dien tijd optredende, vroeggeboorten

veelal de stuit vóórkomt. Maar ook met de waarneembare veranderingen

aan den buik der zwangeren in den laatsten tijd harer dracht en de

daarmede voor haar gepaard gaande verschijnselen.

Wanneer, zoo is de leer, het kind in de 7e maand, na de verscheuring

der banden, van ligging veranderd is, ontstaan bij de moeder, door

trekken aan de navelstreng en door de spanning der vliezen, pijnen;

alle zwangeren krijgen, ten gevolge daarvan, korten tijd koorts en

eenige gaan met het kind te gronde. Is die tijd voorbij, dan verdwijnt

de ontsteking, zoodat het lijf week wordt en de zwelling zich naar de

laagte verplaatst. Van dien tijd af dragen de vrouwen met minder last,

omdat het ’t kind gelukt is, zich in eene voor de geboorte gunstiger

ligging te keeren.

De 7e maand brengt het kind in het begin der volledige vorming. De

zevenmaandelijksche vrucht zou, naar de tijdrekening welke Hippocrates

volgde, in de orde der rekening vallen, en dus in het leven blijven.

Johan van Beverwijck bespreekt deze meening in de volgende

bewoordingen:

„Een kint van acht maanden en blijft niet te lijf, segt Hippocrates,

omdat het twee stooten korts op malkanderen niet en kan verdragen. Want

dewijl het kind op de sevende maent gearbeyt heeft om uyt te komen, en

daerover vermoeyt is, so kan het den arbeyt, daer terstont wederom op

volgende, niet wederstaen: maer om zulx wel te kennen uitstaen, soo was

van nooden, dat het de achtste maent noch beslooten bleve, om

middelertijdt sijn krachten te verhalen.

Het schijnt (oock) datter naeulicx een bondige reden bij te brengen is,

waerom een kint op de achtste maent niet volkomen en voldragen zou

zijn, en wel geboren sijnde niet op en soude komen, en over-sulcx voor

onwettig ofte een misdracht zoude gerekent worden. Want hetgene dat men

seyt, van de beweginge op de sevende maent, heeft grootelicx sijn

bedencken, of het vastgaet, dat alle kinderen nootsakelick op de

sevende maent haer roeren om uyt te komen. Want alhoewel de kinderen op

de sevende maent, haer eerste volkomenheyt krijgen, soo en zijnse

nochtans allegader niet soo volkomen, dat ze poogen geboren te worden.”

Verder: „Het en gaet niet seker, dat de bevruchte vrouwe stercker

beweginge voelen op de sevende maent, als op de andere. En indien het

kint aan die beweginge so seer verswackt op de sevende maent, dat het

in geen geheele maent sijn krachten verscheppen, en daarom op de

achtste maent gekomen zijnde niet te lijf en kan blijven, veel minder

soude het ’t leven konnen behouden, als het in de eygen maent geboren

werdt. Daer-neffens en komt met de ervarentheyt niet wel overeen, dat

de vrouwe meest op de achtste maent qualicker te pas zijn, als op de

sevende, ofte negende. Schijnt derhalven datter uyt de nature van de

vrucht en van de moeder naeulicx bondige redenen konnen gegeven werden,

om te betoonen, dat een kint van acht maenden niet en zoude kunnen in

’t leven blijven.”

Dat aan de navelstreng te zien is, hoeveel kinderen eene vrouw nog

baren zal, werd mij kort geleden nog verteld. Dat zou worden aangegeven

door de knoopen, d.w.z. de valsche. Evenzoo zouden vele draaiingen in

de streng een teeken zijn, dat het kind vele wederwaardigheden in het

leven te wachten heeft.

Het begraven van de nageboorte is vrij algemeen in zwang. Menige baker

wenscht dat nog te doen, en liefst zeer diep, opdat geen dier die

opgrave en ete. De bedoeling scheen (schijnt?) op zeedorpen te zijn, om

daardoor te voorkomen dat het kind, later zeevarende, door haaien zal

opgevreten worden. Andere bakers en vrouwen weder stelden er prijs op,

dat de nageboorte in de aschpot gestopt werd. Oudtijds geschiedde dat

in de kolk onder de asch. Daarboven moest dan gedurende 9 dagen en

nachten gestookt worden en de asch mocht niet geroerd worden. Niemand,

maar vooral de vader niet, mocht aan dat vuur zijn pijp opsteken, daar

onrust en stuipen van het kind het gevolg daarvan zouden zijn (ten

Houte de Lange).

Bij eenige Indianenstammen in Amerika wordt de nageboorte eveneens

begraven en wel op eene geheime plek. Hetzelfde doen de negers der

Loangokusten. In Oldenburg worden daarbij spreuken opgezegd.

Op Java wordt de navelstreng afgebeten, omdat men gelooft dat het kind

onkwetsbaar wordt. Ook wordt zij afgesneden met een bamboe-mes op een

stukje koenit (curcuma). De nageboorte wordt, met het stukje curcuma en

het bamboe-mes, in een dop van kokos met deksel (Batah Booloe genaamd)

geborgen, met het Javaansche of Arabische alphabet op een stuk papier

geschreven, opdat het kind, tot rijpe jaren gekomen, kundigheden

verkrijge. De dop wordt begraven of in een aarden pot in huis

opgehangen. Daarbij of daaronder wordt licht gebrand, tot de rest van

de navelstreng is afgevallen. Het kind is, vóór het afvallen van de

navelstreng, onderhevig aan allerlei plagen van booze geesten, en de

brandende lamp dient om hunnen kwaden invloed op het kind te voorkomen.

In Noorwegen wordt de nageboorte, door de jonge kraamvrouw zelf, met

een mes doorstoken en dan door de vroedvrouw verbrand. Gebeurt dat

niet, dan ontstaat daaruit de booze geest Utbor, die zich klein en

groot, ook zichtbaar en onzichtbaar maken kan, die vreeselijk schreeuwt

en het erop voorzien heeft zijne moeder het leven te benemen. Zijne

moeder. Moet men hier denken aan eene beschouwing als die der

inboorlingen in onze Indische bezittingen, die de nageboorte soedarah

noemen, d.w.z. (de) broeder van het kind?

Eene eigenaardige betrekking tusschen nageboorte en boomen bestaat bij

vele volken. In Mecklenburg b.v. wordt zij begraven bij de wortels van

een jongen boom, dan groeit het kind met den boom. Dikwijls wordt eerst

de nageboorte gewasschen en daarna, met asch gemengd, onder een

bepaalde boomsoort begraven. In andere streken wordt zij, in een korfje

gepakt, aan een boomtak opgehangen. Bij de Laoten in Siam wordt zij

steeds begraven aan den voet van de trap, die tot de huisdeur leidt.

Hier en daar gaat dat alles met bijzondere feestelijkheden en

offeranden gepaard.

In het water vindt de nageboorte ook haar plaats. In Kartoem (Afrika)

b.v. wordt zij, in een pot gepakt, in den Nijl geworpen en ieder

voorbijganger moet haar een steen nagooien. Blijft de nageboorte

drijven, dan is dat bij enkele volksstammen een bewijs, dat de vrouw in

den echt ontrouw geweest is. Volgens v. d. Burg—en ik zelf heb het

menigmaal gezien—legt men in Ned.-Indië de nageboorte op een klein

bamboevlot, dat, met bloemen en vruchten getooid en door kaarsen

verlicht, de rivier afdrijft. Het is een offer aan de kaaimannen, welke

de zielen der voorvaders herbergen. In de buurt van Jena wordt zij in

stroomend water geworpen.

Ook dient de nageboorte als toovermiddel en als geneesmiddel. De

Javaansche vrouwen gelooven, dat zij, inwendig gebruikt, vruchtbaarheid

geeft. In Orenburg (Rusland) wordt zij begraven. Wenschen de ouders een

kind van ander geslacht, dan graaft de vroedvrouw haar op en keert haar

om. Hetzelfde geschiedt om betoovering te bezweren.

In Stiermarken geldt van oudsher het bloed van de versche moederkoek en

van de navelstreng als middel tegen moedervlekken, het poeder van de

gedroogde en fijn gestampte moederkoek als middel bij epilepsie en St.

Vitus-dans. Voor eenige jaren, schrijft Engelmann, heeft in Saksen eene

vrouw, onder het schavot van een misdadiger, in ’t geheim eene versche

moederkoek verorberd, om daardoor van epilepsie genezen te worden.

Eene groote moederkoek wijst in vele streken van Duitschland erop, dat

de kraamvrouw veel zog zal hebben, eene kleine op het tegendeel

Ook de eivliezen moeten genoemd worden. Wanneer zij niet scheuren en

het kind in de vliezen geboren wordt, of, als zij wel scheuren, maar

het kind toch in de vliezen gehuld te voorschijn komt, spreekt men van:

„het kind is met den helm geboren”. Dit geldt in ’t algemeen in Europa

als een gelukkig teeken voor den pasgeborene. Hij zou aan den bezitter

de gave van vooruitzien verschaffen, en vooral daarom voor veel geld

aan zeevarenden te slijten zijn. In vreemde handen geraakt, zou hij aan

het kind, dat er mede geboren wordt, ongeluk bezorgen. Van daar dat hij

door de ouders moet begraven of verbrand worden. Doch ook het bewaren

is nuttig. Op de eilanden Saparoea, Haroekoe, Noessa Saut en een

gedeelte van de Zuidkust van Ceram zegt men, dat het kind met den helm

(Sarong of Karpoes) geboren, ouder geworden, helder ziende wordt; dat

het dingen ziet, welke voor het gezicht van anderen verborgen zijn, als

kwade geesten, duivels, enz.

In vele streken wordt die helm als amulet voortdurend om den hals

gedragen en stilletjes bij het kind gelegd, als dat gedoopt wordt,

waardoor hij dan meêgedoopt wordt. Omdat de werkzame kracht ook op

anderen overgedragen wordt, gebeurt het niet zelden, dat vroedvrouwen

den helm stelen en aan hare eigene kinderen geven. Dit laatste komt

voor rekening van ten Houte de Lange.

Zelfs werd er vroeger, vooral in Engeland, handel in gedreven. In 1779

betaalde men er 20 guinea’s voor, in 1848 nog maar 6. Vooral voor

advocaten was zoo’n ding veel waard, daar hij hen tot redenaars maakte.

Bij de zuidelijke Slaven is hij voor de meisjes, die er mede geboren

zijn, een middel om den jongeling, dien zij liefhebben, tot waanzins

toe verliefd op haar te maken. Het is daarvoor slechts noodig hem op

een bloot gedeelte van het lichaam met het gedroogde „Glückshemdchen”

aan te raken.

Behalve hetgeen ik reeds besproken heb omtrent eenige opvattingen,

welke met betrekking tot het kraambed heerschen, bestaan er nog vele

andere. Ik zou echter te uitvoerig worden met ook die alle op te

noemen. In ’t kort dus nog het volgende.

Dat op den negenden dag het lichaam der kraamvrouw zich sluit, is eene

ook nu nog veel verbreide meening. Men verbindt aan dien negenden dag

vele gevaren, zoodat zelfs de vrouw, die vóór den negenden dag het bed

verliet, dien dag daarin doorbrengt. Het getal negen zagen wij in den

beginne reeds van invloed. Ook het getal 3 schijnt niet van belang

ontbloot. Immers deelt de vroedmeester ten Houte de Lange mede, dat in

zijn tijd de kraamvrouw gedurende den 3en en 9en dag de handen goed

onder het dek moest houden, omdat zij anders een zweerend uitslag

daarop krijgen zou.

Of hier en daar nog dezelfde vrees voor lavementen bestaat, weet ik

niet. In ouden tijd meende men, als de kraamvrouw „op een lavement

gezet moest worden”, dat de toestand zoo gevaarlijk was, dat wel eerst

het testament gemaakt mocht worden.

Het toedienen van den witten drank (amandeldrank) wordt verschillend

opgevat. In Alkmaar b.v. noemde men dien drank de „witte doodendrank

der kraamvrouwen”. Ten Houte de Lange verhaalt, dat, toen hij dien

drank eens voor eene boerin had laten gereed maken, hij dien op den

derden dag nog onaangeroerd had gevonden en hem verweten werd, dien

gevaarlijken drank te hebben voorgeschreven. De kraamvrouw had zich aan

het gebruik niet gewaagd. In Amsterdam was, ten minste vele jaren

geleden, menige kraamvrouw niet tevreden, als zij geen „witte drank”

gekregen had. „Die versterkte”.

Bij benauwdheid der kraamvrouw een smal gevouwen doek om den buik aan

te halen, maar vooral met een knoop in de linkerzijde vast te maken,

belette de „moer” het opstijgen. De angst daarvoor spruit voort uit de

Hippocratische leer, welke aan het ronddolen der baarmoeder door het

lichaam allerlei ziekten toeschreef, o.a. vallende ziekte en hysterie.

Tegen kraambeenen werd de „gulden pleister” aangewend, d.w.z. een pap

uit eigen faecaliën. Om zogklonters te voorkomen en het zog op te

drogen werd, als zeker werkend middel, aanbevolen het door doodzweet

vochtige hemdje van het gestorven kind op de borsten te leggen.

Mag men het den onontwikkelden kwalijk nemen, dat zij dergelijke

middelen toepassen, als wij weten dat de „seer vermaerde Jacob Ruffen”

onder de middelen tegen het opstijgen van de baarmoeder aangeeft, een

drank bereid uit paardendrek (te weten van paarden die met enkel haver

gevoerd worden) gekookt in sterken wijn, welke warm moet gedronken

worden?

Hiermede versegel ick dese mijn verhandelingh: In de welcke soo ick u

luyder verwachtingh bedrogen heb, of niet ten vollen vernoeght; wilt

nochtans daerom mijn dienst-vaerdigheyt, U luy op-geoffert, niet

smadelijck verwerpen.

Moeder en kind · 第 20 / 28 题