Onder dezen titel zullen wij, in alphabetische volgorde, nog enkele
zaken bespreken, welke ouders moeten kennen, al zal hier en daar wel
iets genoemd worden, wat elders reeds werd aangestipt.
Vooraf gaan echter eenige algemeene opmerkingen.
De moeder moet leeren haar kind waar te nemen. Het spreekt van zelf,
dat iedere moeder op haar kind let, maar het is voor haar niet
gemakkelijk, om zich omtrent de beteekenis van allerlei verschijnselen
een oordeel te vormen. Daarom kan de kennisneming van hetgeen hier
volgt haar allicht van eenig nut zijn.
Algemeene gezondheidsmaatregelen zijn van groot gewicht met betrekking
tot den toestand van en in de woningen, vochtigheid, onvoldoende
verlichting, te weinig of te veel warmte, onreinheid op woning,
kleeding, lichaam, voedselbereiding, zuivere lucht enz.
De verpleging van het kind is eveneens van belang. Bij den zuigeling
dient de huid niet alleen om het binnendringen van vreemde stoffen in
het organisme te beletten, maar zij regelt ook de warmte van het
lichaam. De groote oppervlakte van het lichaam van den zuigeling, in
verhouding grooter dan bij den volwassene, maakt dat afkoeling of
verhitting van de omgevende lucht sneller verlaging of verhooging van
zijne lichaamswarmte ten gevolge heeft, terwijl aan den anderen kant de
lichaamswarmte bij koortsende ziekten bijzonder snel en tot belangrijke
hoogte toeneemt.
Behalve goede huidverpleging heeft dus ook de kleeding hare beteekenis.
Ik kan niet nalaten erop te wijzen, hoe reeds de voeten onzer kleintjes
van den beginne af misvormd worden door ze sokjes aan te trekken, die,
omdat zij zakvormig in een punt uitloopen, reeds dadelijk de teentjes
tot elkander brengen, wat nog toeneemt als later de schoentjes, vooral
als die keurig spits zijn, worden gedragen. Het ware nog niet zoo dwaas
om het voorbeeld der Japanneezen te volgen, die voor den grooten teen
eene afzonderlijke ruimte laten, zooals dat voor den duim in de wanten
gebeurt. Ook het vasthouden van de sokjes met een kouseband onder de
knie is verkeerd.
Het kind kan men het best waarnemen als het ontkleed is. Dan kan men
allereerst den toestand, waarin de huid zich bevindt, beoordeelen. In
den beginne zijn alle zuigelingen min of meer rood van kleur, met in de
meeste gevallen eenige vlekkige roodheid boven den neuswortel en op de
bovenste oogleden, en blauwachtig roode tint van boven- en onderlip en
kin. Allengs wordt de huid wat bleeker van tint, doch blijft mooi en
frisch; de zooeven genoemde vlekjes verdwijnen later.
Bij het zieke kind, of bij een kind dat ziek wordt, valt het al spoedig
op, dat de huid bleeker wordt of zelfs een vaalgrijze tint aanneemt,
welke bij erger worden van de ziekte overgaat in eene blauwachtige tint
in het gelaat, met name aan het voorhoofd en de slapen, en bij
plotseling optredende aandoeningen ook om de lippen en den neus.
De slijmvliezen blijven ook in ziekte gewoonlijk nog lang rood
gekleurd; alleen de tong wordt sterker rood, vooral aan de punt, en bij
toenemen van het ziekte-proces droog, vooral bij koorts, en beslagen.
Ook de lippen worden dan droog en krijgen kloven. In den mond lette men
op spruw.
Bij vermagering, welke het eerst valt waar te nemen aan de binnenvlakte
van de dijen, daarna aan beenen en armen, wordt de hals dun, de kin
spits, gaat de spanning van de huid verloren, wordt het gezichtje
kleiner.
Verder zijn op de huid huiduitslagen te zien, welke niet altijd aan
slechte verzorging te wijten zijn; ook abnormale bleekheid b.v. bij
bloedarmoede, overmatige dikte met slapte en witheid, zooals bij
kinderen, die te lang aan de borst gevoed worden.
De oogen, oorspronkelijk helder en glanzend, worden dof, het wit der
oogen vaak roodachtig met kleine adertjes doorloopen. Bij ontsteking
van het bindvlies der oogleden vindt men afscheiding van eene dunne
gele of dikkere etterige vloeistof, welke de oogleden doet aaneenkleven
en in de ooghaartjes, als moeilijk te verwijderen stukjes, blijft vast
zitten. Vroeger wees ik reeds op de acute ontsteking bij pasgeborenen,
met het daaraan verbonden gevaar van blindworden bij niet tijdig
toegepaste behandeling. Ik heb ontsteking van het bindvlies der
oogleden zien optreden door het staren van den zuigeling in de vlam van
een gasgloeilicht, waaronder de tafel stond waarop de zuigeling werd
verkleed.
De groote fontanel kan ook den weg wijzen bij het beoordeelen van
zieken. Bij kinderen die aan diarrhee lijden en dus veel vocht
verliezen zinkt de fontanel in, terwijl zij bij vochtophooping in den
schedel, zooals bij ontwikkeling van waterhoofd en bij ontsteking van
het hersenvlies wordt aangegeven, gewelfd wordt. Men houde, waar ik
hier over waterhoofd spreek, in het oog, dat het hoofd van den
zuigeling opvallend groot is in verhouding tot de lengte van het
lichaam, en het gelaat opvallend klein in verhouding tot den schedel,
door de geringe ontwikkeling der kaken.
Aan de ooren valt bij ziekte, behalve dat zij opvallend wit worden,
gewoonlijk niets bijzonders op te merken. Wel is het nuttig te weten,
dat indien het kind bij het wasschen van het hoofdje teeken van pijn
geeft, men aan de mogelijkheid van beginnende ontsteking van het
hersenvlies of van het middenoor moet denken.
Bemoeilijkte ademhaling, met open mond, snurken, snuffen door den neus,
kan wijzen op eene aangeboren ziekte, op vergroote amandelen,
ontsteking van luchtpijpstakken of longen, kramp van de stemspleet.
Zuigelingen zijn zeer vatbaar voor ontsteking der
ademhalingswerktuigen, vooral ook bij influenza, zoodat volwassen
personen, die verkouden zijn, moeten oppassen dat zij hunne aandoening
niet op het jonge kind overbrengen, daar het van hun „verkoudheid” eene
longontsteking kan krijgen. Daarom handelt eene moeder, die verkouden
is, verstandig door, als zij een kind aan de borst voedt, vooral
gedurende het zoogen, een doek voor mond en neus te houden en het kind
niet te kussen.
De buik kan opgezet of ingetrokken zijn. Bij opgezetten buik lette men
op al of niet duidelijk waar te nemen bloedvaten, of op darmbewegingen,
welke door den buikwand te zien zijn. Verder lette men op breuken, niet
alleen van den navel, maar ook in de liesplooien (darmbreuk) en bij
jongens in den balzak (darmbreuk, waterbreuk), op bloeding of ettering
uit den navel.
Aan beenen en armen, namelijk aan de polsen en enkels, kunnen
verdikkingen ontstaan, vaste zwellingen bij Engelsche ziekte,
indrukbare, waar gedurende eenigen tijd de indruk der vingers blijft
bestaan, bij andere ziekten.
Ook lette men op verstopping en diarrhee, op de geur der ontlasting, op
pijn bij het urineeren, op uitzakking van den endeldarm.
De lichaamswarmte (temperatuur) stijgt of daalt, waarop reeds boven
gewezen werd, gemakkelijk en spoedig boven of beneden het normale. De
temperatuur wordt gemeten met een thermometer, het liefst een
zoogenaamden maximaal-thermometer, welke, met vaseline of olie ingevet,
bij het op de zijde liggende kind voorzichtig in den endeldarm wordt
gestoken en daar 5 minuten (den thermometer vasthouden) blijft liggen.
De pols is gewoonlijk moeilijk te voelen, zoodat men dit kan nalaten.
Zweeten doet een gezond kind, tenzij het te warm ligt, niet; sterk
zweeten vooral moet doen denken aan ziekte.
Indien een kind niet volmaakt gezond is, wordt het knorrig, verdrietig
en onrustig, of gelijkmoedig, opvallend rustig en ernstig; beweegt
zich, als het uitgekleed is, niet spartelend, doch blijft stil liggen,
met slappe ledematen en dus niet in de vroeger beschreven houding met
opgetrokken armen en beenen, of ook ligt het juist niet stil, doch
maakt, ook in zijn bedje, heftige, schokkende, stootende, bewegingen
met armen en beenen en met het hoofd. De spieren (het vleesch) zijn
niet zoo gespannen, of juist hard en te sterk gespannen.
De slaap is meestal niet diep, de kinderen zijn onrustig, worden
telkens wakker; de eetlust vermindert.
Braken. Indien het, kort na den maaltijd, teruggeven van eene geringe
hoeveelheid genoten melk verandert in braken van vocht, met slijm en
stukjes, na langer tijdsverloop, waarbij dan, als uiting van gestoorde
spijsvertering, nog komen veranderde ontlasting, vooral diarrhee,
winden, buikpijn enz., zal men den geneesheer moeten raadplegen. De
oorzaak kan gelegen zijn in ziekte van het kind, in onverstandige wijze
van voeden, in onreinheid bij het bereiden van voedsel, in onreinheid
van flesschen en spenen, in bedorven voedsel. Daarbij zijn de kinderen
onrustig en huilen of schreeuwen. Om alvast iets te doen, in afwachting
van de komst van den geneesheer, geve men slechts gekookt water of zeer
slappe thee te drinken.
Een hoogst enkele keer komt het voor, dat een zuigeling bloed braakt,
al of niet gepaard met afgang van bloed uit den darm. De oorzaak
daarvan ligt nog gedeeltelijk in het duister. Men moet zich dan in de
allereerste plaats ervan trachten te vergewissen, of dat bloed, vooral
indien alleen bloed gebraakt wordt, misschien te voorschijn komt na
eene bloeding uit den neus, uit het slijmvlies van den mond, of na
inslikken van bloed uit scheuren van den tepel. In deze gevallen is de
hoeveelheid gewoonlijk gering. In het hier bedoelde, zeer zelden
voorkomende, geval komt het bloed gewoonlijk zonder voorafgaande
verschijnselen, somtijds na eenigen tijd van onrust gepaard met braken
van genoten melk en met vloeibare ontlasting, veelal in de vier eerste
dagen na de geboorte, zelden later. Meestal komt het bloed het eerst of
alleen uit den darm, al of niet met ontlasting, in den aanvang in
kleine hoeveelheid, vloeibaar of met bloedstolsels, lichtrood,
donkerrood tot zwartachtig gekleurd. In een deel der gevallen gaat dit
samen met braken van bloed. Zeldzamer wordt alleen eene roode of
bruinachtige vloeistof, soms met stolseltjes, gebraakt, of ziet men
kleine streepjes bloed in het uitgeworpen voedsel. Het kan bij één keer
blijven, enkele uren, doch ook eenige dagen aanhouden. Indien het zich
herhaalt, treden verschijnselen van sterk bloedverlies op; de
temperatuur van het lichaam daalt, de ledematen, te beginnen met handen
en voeten, en de neus worden koud, het gelaat krijgt een wasbleeke
kleur, de ademhaling wordt oppervlakkig, de pols is nauwelijks te
voelen. Men moet onverwijld de hulp van den geneesheer inroepen, daar
de toestand voor den zuigeling zeer bedenkelijk worden kan.
Dit braken is niet te verwarren met het spuwen van ingeslikt
vruchtwater, dat, vaak vermengd met de ontlasting zooals die door alle
zuigelingen in de eerste dagen geloosd wordt en den naam van kindspek
draagt, kort na de geboorte wordt uitgeworpen.
Breuken. Behalve de vroeger genoemde breuken komt bij jongens somtijds
een waterbreuk voor, dat is eene ophooping van vocht in een bepaald
gedeelte van den balzak, waardoor deze min of meer vergroot is. In de
meeste gevallen verdwijnt dit vocht van zelf, zoodat eene behandeling
onnoodig is.
Engelsche ziekte (Rachitis) is een ziekte, welke gewoonlijk nog in het
eerste levensjaar en dan meestal eerst na de derde maand, bij vele
kinderen eerst in het tweede halfjaar, begint, in den regel met
algemeene verschijnselen, welke wijzen op stoornis in de voeding en op
algemeene zwakte. De kinderen worden onrustig, verdrietig, slecht
geluimd, schreien veel en slapen niet meer zoo goed als te voren; zij
worden bleeker en slapper, lijden aan verstopping, later aan diarrhee;
de urine heeft vaak eene doordringend scherpe reuk. Nadat deze
algemeene verschijnselen twee of drie weken geduurd hebben, treden
andere op. Een van de eerste is sterk zweeten, vooral aan het hoofd,
zoodat ’s morgens vaak het hoofdkussen doornat is. De kinderen hebben
pijn in de ledematen, voornamelijk bij aanraking, dus als zij worden
opgenomen of aangevat, en bewegen armen en beenen liever niet. Terwijl
zij op den rug liggen, bewegen zij het hoofd, ook in den slaap, heen en
weder, wrijven met het achterhoofd op het kussen, waardoor daar ter
plaatse het haar verdwijnt, doch worden rustig als men hen voorzichtig
op zijde legt. Zijn zij ouder dan een half jaar, dan zoeken zij van
zelf die ligging op de zijde. Als zij gedragen worden, wordt het hoofd
hun al gauw te zwaar en leggen zij zich met wang en voorhoofd tegen het
gezicht of den schouder van hen die ze dragen. Op de plaatsen waar men
ze aanpakt komen spoedig roode vlekken te voorschijn.
Somtijds breekt de ziekte onverwacht uit, met plotseling optreden van
diarrhee, verhooging van de lichaams-temperatuur, snelle pols, pijnen
in de gewrichten en aanvallen van krampen.
Daarna vertoonen zich veranderingen in de beenderen, welke vooral zijn
waar te nemen aan de uiteinden van de zoogenaamde lange beenderen, dat
zijn die van armen en beenen, en aan de ribben. De polsen en enkels
worden dik, de huid maakt daar diepe plooien; aan de voorzijde van de
borstkas ontstaan plaatselijke verdikkingen van de ribben, ter
weerszijden van het borstbeen, in overlangs loopende rijen, als de
zoogenaamde rachitische rozenkrans. Het hoofd wordt groot en verkrijgt,
door afplatting van den achterhoofdschedel, breed en hoog en in het
midden vlak worden van het voorhoofd, een vierkanten vorm, waartegen de
kleinheid van het gezicht, doordien de beenderen van het gelaat in
groei ten achterblijven bij die van den schedel, opvallend afsteekt. De
fontanellen blijven langen tijd open; de groote fontanel sluit zich
eerst aan het einde van het tweede levensjaar of nog later. De kinderen
leeren laat loopen, terwijl zij die reeds loopen konden, dikwijls als
een van de vroeg voorkomende verschijnselen, den lust daartoe
verliezen. Het krom worden van de beenen is algemeen bekend.
De tanden breken later door, in onregelmatige volgorde en met lange
tusschenpoozen. De snijtanden blijven klein, met hoekige kauwvlakten en
vertoonen soms halvemaanvormige bochten; de tanden zijn week en broos
en kunnen tot den kaakrand afbrokkelen, zij worden wankleurig, het
email vertoont overlangs en dwars loopende spleten en ronde deukjes. De
willekeurige spieren zijn slap.
Kinderen met rachitis lijden vaak aan stuipen.
Huidziekten. De huid van den zuigeling is zeer dun, teeder en gevoelig,
en antwoordt zeer gemakkelijk op prikkels, hetzij die van buiten af dan
wel van binnen uit werken.
Daarom treden gemakkelijk plaatselijke veranderingen op, b.v. door
inwerking van vochten, zooals melk welke uit den mond loopt, urine en
ontlasting, wanneer de reiniging te wenschen laat. Doch ook al te
veelvuldig reinigen en vegen van de huid kan, door telkens opnieuw
verwijderen van het door de talkklieren geleverde vet, de huid
overgevoelig maken voor schadelijke invloeden van buiten. De kinderen
brengen zichzelf vaak door krabben wonden in het gelaat toe, waar
schadelijke stoffen kunnen binnendringen, zoodat het dikwijls reeds
vroeg noodig is de nageltjes te knippen.
Vervolgens kunnen prikkels, van den darm uitgaande, verschijnselen van
huidaandoening teweeg brengen, terwijl eindelijk ook de erfelijkheid
eene rol speelt, zoodat de kinderen vaak aan dezelfde aandoeningen
lijden als de ouders vroeger deden.
Smetten of wondzijn van de huid. Het kenmerkende hiervan is het
voorkomen van licht- of donkergekleurde, roode, vochtige, uiterst
pijnlijke plekken, waaromheen en waarin somtijds blaasjes met troebelen
inhoud liggen, welke plekken zich bij slechte verzorging gemakkelijk
uitbreiden en de kinderen geducht kunnen hinderen. Men vindt deze
plekken vooral op plaatsen welke voortdurend aan vocht zijn
blootgesteld, b.v. aan den hals, waar de kleederen door spuwen of uit
den mond vloeiende melk nat worden; aan de billen, aan de achtervlakte
der dijen en in de liesplooien, door het lange liggen in luiers, nat
door urine of door zure diarrhoeïsche ontlasting, bij
voedingsstoornissen, alsmede aan de hielen en in alle plooien van de
huid, vooral bij vette kinderen en bij kinderen die zweeten.
Het voorkomen en genezen heeft zich dus te richten op zorgvuldige
verpleging en op zorg bij de voeding. De plaatselijke behandeling
bestaat in het reinigen met olie en (of) poederen, waarbij
alsol-strooipoeder en bolus alba uitstekende diensten bewijzen.
Urticaria of netelroosuitslag kenmerkt zich door het optreden van
kleine of groote, eenigszins boven de omgeving uitstekende, helrood
gekleurde, of lichte, in het midden dikwijls witachtige, vlekken,
zooals die worden waargenomen na aanraking met brandnetels, vaak met
een klein vochtbevattend blaasje in het midden. Zij jeuken, vooral in
de warmte, en worden gewoonlijk door het kind opengeschuurd of
opengekrabt, waarna zij, onder vorming van een korst, genezen.
Ook hierbij heeft men te letten op stoornissen in de spijsvertering.
Zij komen eveneens voor na insectenbeten. Ter behandeling kan men de
plekken wasschen met azijnwater of citroenwater, met een schijfje
citroen er overheen strijken; laten drogen en daarna poederen. Dikwijls
helpt het bestrijken met een stukje naphtholzeep, in water gedoopt,
zoodat eene laag schuim op de huid komt, welke men laat indrogen.
Dauwworm is een vorm van eczeem, welke somtijds reeds vroeg optreedt.
Deze uitslag begint, dikwijls reeds in de eerste weken na de geboorte,
meestal aan de wangen, en kan zich over het voorhoofd, over het gelaat
en het behaarde hoofd, in ernstige gevallen ook in de plooien van den
hals, in oksel- en knieholten en zelfs over het geheele lichaam
uitbreiden. De aangetaste plekken, waar de huid rood wordt en zwelt, en
waar kleine min of meer roodgekleurde verhevenheden ontstaan, welke
zich tot blaasjes ontwikkelen en na opening, door krabben of schuren,
een weinig vocht ontlasten, veranderen spoedig, door ineenvloeien en
uitbreiding in de omgeving, in vochtige vlakten, waarop zich korsten
vormen, welke de vochtige, vaak etterende, vlakken bedekken en waar
tusschendoor een troebel of etterig vocht heen siepert. Blijft de
aandoening beperkt, dan kunnen de kinderen er goed uitzien, doch bij
groote uitbreiding gaat zij gepaard met stoornis van het algemeen
welbevinden. Somtijds wijst de aandoening op geërfde neiging tot
huidaandoening, welke dan vaak het eerst in verband met de voeding
optreedt. Kinderen wier gestel neiging tot eczeem-vorming vertoont,
lijden ook gemakkelijk aan katarrhen van de slijmvliezen van neus, keel
en luchtpijpstakken, aan roode oogen, klierzwellingen in hals en nek,
aan stoornis in de spijsvertering, gebrek aan eetlust, beslagen tong,
loozen van winden, slijmige ontlasting; zij hebben meestal een
prikkelbaar zenuwstelsel en zijn bijzonder vatbaar voor kinderziekten.
De aandoening kan van zelf tot genezing komen, vooral bij verandering
van voedsel, zooals b.v. bij den overgang van melk tot gemengden kost,
doch is gemeenlijk van langen duur en biedt vaak hardnekkig weerstand
aan de door den geneesheer toegepaste behandeling.
Wijnvlekken. Somtijds wordt een kind geboren met min of meer blauwrood
gekleurde vlekken, welke overal op het lichaam kunnen voorkomen, doch
zeer dikwijls worden aangetroffen in den nek en aan het voorhoofd, aan
de grens van het haar. Zij kunnen vanzelf, dus zonder behandeling,
verdwijnen. Dit is niet het geval met de evens rood gekleurde
Vaatgezwelletjes, welke, bij de geboorte somtijds heel klein, allengs
grooter worden en zich in alle richtingen, dus zoowel in de breedte als
in de diepte, uitbreiden en zich boven de omgevende huid verheffen.
Daarom is het aan te bevelen die zoo vroeg mogelijk te laten
behandelen. Uitbranden, of vaccineeren op die plek, kan misschien bij
geringe grootte een gunstig gevolg opleveren, de grootere vereischen
operatieve behandeling.
Berg noemt men een zich op de behaarde hoofdhuid vormend mengsel van
huidvet, huidschilfers en vuil. De meening dat het, soms in vrij dikke
laag op de plaats van de groote fontanel gelegen, niet mag verwijderd
worden, met het oog op de gevoeligheid der hersenen, is volkomen
onjuist. De behandeling bestaat in weekmaken, door de plek des avonds
met olie in te smeeren, het hoofd met een doek te omwikkelen, en ’s
morgens met zeepwater te wasschen, tot alles verdwenen is. Bij herhaald
optreden, ondanks deze behandeling, bestaat vermoeden op ziekelijken
aanleg voor huidaandoeningen.
Lengtegroei. De lengte van het kind neemt in den aanvang vrij langzaam,
daarna snel, tegen het einde van het eerste levensjaar weder langzamer
toe. Ziekte heeft daarop bijna geen invloed. De gezond ontwikkelde
jongen heeft bij de geboorte gemiddeld eene lengte van 50 cM. en groeit
in het eerste jaar ongeveer 20 cM.; voor het meisje gelden de cijfers
49 en 18–19 cM. Voor eene beoordeeling van den groei van het lichaam
hebben de verhoudingen van lengte, omvang van borst en schedel meer
waarde, dan de lengte alleen. De omvang van de borst, gemeten ter
hoogte van de tepels, bedraagt bij den pasgeborene gemiddeld 31–35 cM.,
de omvang van den schedel gemiddeld 33–35 cM. Bij goed ontwikkelde
pasgeboren kinderen overtreft de omvang van de borst de halve lengte
met ongeveer 6–10 cM. Een hooger cijfer (11–12 cM.) wijst op krachtige,
een lager cijfer (5 cM.) op zwakke ontwikkeling. De omvang van den
schedel en van de borst zijn bij de geboorte ongeveer gelijk. Bij
normale ontwikkeling nemen beide gedurende eenigen tijd in dezelfde
mate toe (in 3½ maand 2,5 cM.). Indien de omvang van de borst in
mindere mate toeneemt, zou dit op rachitis wijzen (Bendix).
Ontlasting. Verstopping komt zoowel bij aan de borst gevoede als bij
met de flesch gevoede kinderen voor; somtijds aangeboren. Zij is bij
borstkinderen van weinig belang. Het kan gebeuren, dat er slechts om de
twee of drie dagen ontlasting komt en dan òf heel weinig òf veel, en
dan vaak in den vorm van droge harde ballen, welke onder sterke
inspanning van het kind worden uitgedrukt. Daarbij ondervindt het kind
wel eens pijn en kunnen er scheurtjes in de aarsopening ontstaan, welke
bloeden, zoodat zich bloed aan de oppervlakte dier ballen bevindt. Het
kind heeft dan angst voor het ontlasten en tracht de ontlasting binnen
te houden, waardoor de verstopping toeneemt. Behalve pijnlijkheid bij
de ontlasting hebben de kinderen vaak een gevoel van jeuken en branden
aan de aarsopening. Vooral bij fleschkinderen komen die harde ballen,
geel, lichtgeel of grijsachtig gekleurd, voor, welke men gemakkelijk
uit de luier kan schudden.
Men onthoude zich zooveel mogelijk van inwendig toe te dienen middelen.
Zoonoodig geve men een enkele keer wat wonderolie, b.v. een
theelepeltje vol. Beter is het een zoogenaamd zeeppilletje aan te
wenden, gemaakt door een stukje zeep ter dikte van een potlood en ter
lengte van 3 of 4 centimeter te snijden, of door wat geschaafde zeep
tot een balletje te kneden, en dat door de aarsopening in den endeldarm
te brengen. Indien dit niet helpt, zette men, b.v. door middel van een
gummi-ballon, een lavementje, waarvoor men eenvoudig lauwwarm water, of
lauwwarm water en olijfolie (van elk een eetlepel), of lauwwarme
olijfolie (twee eetlepels) of glycerine (een eetlepel glycerine en een
eetlepel water), of koud water gebruiken kan. Men legge daarvoor het
kind op de linkerzijde, met de knieën naar den buik opgetrokken, zoodat
de aarsopening goed te zien komt, brenge dan het aanzetstuk (de canule)
van het spuitje, goed met vaseline of olijfolie vetgemaakt, voorzichtig
door de aarsopening in den endeldarm en spuite den inhoud van het
spuitje vrij krachtig naar binnen. Bij fleschkinderen kan men meestal
verbetering brengen door de samenstelling van het voedsel te
veranderen, b.v. door minder melk te geven, door de melk te verdunnen
met gortwater, door in plaats van gewone suiker melksuiker toe te
voegen. Bij oudere kinderen kan men door toedienen van soep, groenten,
ooft enz. trachten aan het euvel tegemoet te komen.
Diarrhee. Bij diarrhee komt de ontlasting te dun en te vaak, van 8 tot
wel 20 malen of meer per etmaal. De ontlasting komt dan, dikwerf
voorafgegaan door koliek-pijnen, met meer of minder sterk geluid te
voorschijn, kan zuur of rottend rieken, schuimend zijn en bloed
bevatten. De buik kan opgezet zijn of juist ingezonken. Vaak hoort men
voorafgaand rommelen in den buik. Bestaat er maag-katarrh, dan is de
tong beslagen. De kinderen zijn onrustig, schreeuwen zoowel omdat zij
pijn in den buik hebben als omdat de streek om de aarsopening en de
billen gesmet en open is. De eetlust wordt minder, het lichaamsgewicht
neemt niet toe of neemt zelfs af, de kinderen zien bleek en worden
slap, de hoeveelheid urine wordt minder. In ernstige gevallen bespeurt
men invallen en koud worden van het gelaat, vooral koud worden van
neus, armen en beenen; de kleur van het gelaat wordt vaak blauwachtig.
Het kind ligt stil en verdraait de oogen, wordt plotseling onrustig,
schreeuwt of gilt, beweegt de armen en beenen stootend, om dan weder,
vermoeid, rustig te worden. Het toenemen van de hoeveelheid urine is
een gunstig teeken.
De oorzaak kan zeer verschillend zijn. Bij fleschvoeding is zij vaak te
vinden in onverstandig voeden, slechte reiniging van spenen en
flesschen, bedorven voedsel. Men denke echter ook aan ziekte van het
kind, als b.v. verkoudheid, infectie en zooveel meer, zoodat steeds de
hulp van den geneesheer moet worden ingeroepen.
Om te beginnen kan men alvast iets doen, en wel het kind op dieet
zetten, het namelijk niet anders dan gekookt water of slappe thee
geven.
De roode billen wassche men met olie af en poedere daarna. Luiers, en
alles wat met de diarrhee-ontlasting bevuild is, laat men in sodawater
weeken en uitkoken, om ze daarna te wasschen.
Een gewoon verschijnsel is het optreden van dunnere ontlasting,
gedurende eenige dagen, als de ontlasting van de eerste dagen na de
geboorte (kindspek) tot de melkontlasting over gaat.
Zoowel verstopping als diarrhee gaan wel eens gepaard met pijnlijke
uitzakking van een gedeelte van den endeldarm uit de aarsopening.
Spruw noemt men eene in den mond optredende aandoening, teweeggebracht
door een schimmelplantje en kenbaar aan op de tong en op het
verhemelte, in de plooien der wangen, op tandvleesch en lippen
voorkomende witte of geelwitte vlekjes van verschillende grootte en
vrij belangrijke dikte, alsof vlokken van geronnen melk in den mond
zijn achtergebleven, waarvan zij gemakkelijk te onderscheiden zijn,
doordat men ze niet kan wegwisschen. Vaak staat de ontwikkeling in
verband met stoornissen in de voeding en kunnen zij verdwijnen, als die
worden opgeheven. Ook kan het aanwenden van dotjes of fopspenen de
ontwikkeling in de hand werken. Zij veroorzaken den zuigeling pijn,
waardoor het zuigen niet alleen bemoeilijkt, doch zelfs verhinderd
wordt. Als behandeling noodig blijkt, kan men de mondholte, maar vooral
die plekken, door middel van een penseel bestrijken met borax-glycerine
(Borax 2,5 gr. glycerine 10 gr.) b.v. 4 maal per dag, of de plekken
flink wegwrijven met een rein lapje, gedrenkt met brandewijn. De
hierdoor ontstane wondjes genezen spoedig.
Stuipen noemt men aanvallen van spierkrampen. De kramp-aanval begint
met trekkingen in de spieren van het gelaat, waarbij het kind het
voorhoofd fronst, de wenkbrauwen samen-, de mondhoeken naar beneden
trekt, de kaken vast op elkander klemt, de oogleden opent en sluit, de
oogen verdraait of in een bepaalden stand plaatst, schokkende
bewegingen met het hoofd maakt, welke trekkingen overgaan op de spieren
van den romp en van de ledematen, waarbij de ademhaling onregelmatig
wordt, tijdelijk tot stilstand komt (men spreekt van „wegblijven” of
„achter adem komen”), kortom alle spieren en spiergroepen ten slotte de
krampen vertoonen, terwijl het gelaat eene bleeke kleur, daarna een
blauwe tint aanneemt, bewusteloosheid intreedt, urine en ontlasting
onwillekeurig geloosd worden.
Men heeft gedurende den aanval zorg te dragen, dat het kind zich niet
bezeeren en, indien het tanden heeft, door een opgerolden doek of een
houtje tusschen de tanden te steken, zich niet op de tong bijten kan.
Terwijl men den geneesheer laat ontbieden make men de kleederen los en
legge men koude compressen op het hoofd, welke telkens verwisseld
worden, of wikkele men het inmiddels uitgekleede kind in een koud nat
laken en zette men een lavement van zeepwater. Inmiddels worde een
lauwwarm bad gereed gemaakt, waarin men het kind eene overgieting met
koud water geeft.
Een afzonderlijke vorm is kramp van de stemspleet, waarbij het
ademhalen, lang gerekt, met groote moeite en gierend geluid geschiedt,
het kind, door gebrekkigen toevoer van lucht, blauw wordt en in het
grootste gevaar verkeert.
De aanvallen verschillen in lengte van duur en in aantal; in ernstige
gevallen treden zij meermalen daags kort na elkander op. Na den afloop
van een stuip valt het kind dikwijls in een diepen slaap, met
rochelende ademhaling.
Stuipen kunnen voorkomen bij kinderen met prikkelbaar zenuwstelsel, bij
aandoening van de hersenen, bij plotseling optreden van stoornissen in
de spijsvertering, bij het begin van acute infectie-zieken als de
koorts intreedt, bij kinkhoest of andere ziekten en staan niet zelden
in verband met Engelsche ziekte.
Inzinking. Bij kinderen, die zwaar ziek zijn, treedt somtijds ineens
eene verandering in het uiterlijk op, welke men collaps noemt en
misschien het best wordt aangeduid met het woord „inzinking.” De huid
neemt dan plotseling een vaalgrijze kleur aan, terwijl het kind
onrustig wordt, de oogen verdraait, angstig kijkt, het gelaat blauw, de
punt van den neus en de ledematen koud worden, de buik opzet.
Men geve het kind een kortdurend warm bad met koude overgieting en
brenge het daarna in zijn bedje, met warme kruik aan de voeten. Pas op
voor verbranding der voeten.
Tanden krijgen. Het tijdstip waarop de eerste tand verschijnt en
vervolgens de andere doorbreken is wel is waar aan individueele
schommelingen onderhevig, doch men kan toch wel eenigermate aangeven,
wanneer en in welke volgorde zij gemeenlijk te voorschijn komen.
Bijgaande tand-formule geeft door letters aan, welke volgorde in het
meerendeel der gevallen bij gezonde kinderen wordt waargenomen.
g e f c b | b c f e g = bovenkaak
-----------------------+--------------------------------------
g e f c a | a d f e g = onderkaak
------ ----------------- ------
kiezen hoek- snijtanden hoek- kiezen
tanden tanden
De eerste snijtanden (a. a.) breken tusschen de 7e en 8e of 9e,
somtijds reeds in de 4e, 5e of 6e maand door; de tweede groep (b. b. c.
c.) ongeveer 4 tot 8 weken later, de volgende groep (d. d.) tusschen de
10e en 12e maand. Dan volgen de voorste kiezen (e. e. e. e.) tusschen
de 12e en 15e maand, of later, tot de 18e maand; daarop de hoek- of
oogtanden (f. f. f. f.) omstreeks de helft van het 2e levensjaar en ten
slotte de achterste kiezen (g. g. g. g.) tegen het einde van het 2e of
het begin van het 3e jaar.
Aan het einde van het eerste levensjaar zijn dus alle acht snijtanden
en aan het einde van het tweede of aan het begin van het 3e jaar alle
twintig melk- of wisseltanden te voorschijn gekomen. Deze tanden zijn
kleiner dan de blijvende tanden, de kauwvlakten zijn in verhouding
kleiner, zij staan meer rechtop en zijn blauwachtig wit van kleur.
Afwijkingen in tijd en volgorde van het doorbreken komen vaak voor, ook
bij kinderen die gezond en goed ontwikkeld zijn. Die afwijkingen zijn
dus onverschillig als de kinderen goed gedijen. Alleen groote
onregelmatigheden zijn van belang, als mogelijk verschijnsel van
Engelsche ziekte.
Bij het gezonde kind bespeurt men vaak niets van het tanden krijgen;
hoogstens zijn zij wat onrustig en huilerig. Soms kondigt het
doorbreken der tanden zich aan door zeer sterke afscheiding van
speeksel, kwijlen de kinderen sterk. Het tandvleesch is rood, gezwollen
en pijnlijk, op de wangen vertoont zich eene omschreven roode plek, al
of niet met blaasjes of puistjes bezet. Een of twee dagen van te voren
is het kind licht koortsig, zonder eenige andere afwijking, doch ook
wel met lichte stoornis in de spijsvertering, weekere vaker komende
ontlasting, lichte katarrh van neus en keel, geringe zwelling van
klieren aan den hals. Het kind gevoelt zich niet behaaglijk, is
onrustig en prikkelbaar, steekt telkens de vingers in den mond, heeft
minder eetlust en slaapt minder goed. De gevoeligheid en
prikkelbaarheid van het kind is dus verhoogd en tengevolge daarvan
kunnen dan ook schadelijkheden, welke op andere tijden geene uitwerking
hebben, hem ziek maken. Ook treden in enkele gevallen verschijnselen
van den kant der hersenen op, in den vorm van spiertrekkingen in het
gelaat en aanvallen van kramp, maar het is zeer verkeerd om alle
mogelijke ziekten, welke in dien tijd toch evengoed als op andere
tijden kunnen optreden, zooals b.v. huiduitslag, hoesten, diarrhee,
stuipen enz., als meer of minder onschuldige gevolgen of verschijnselen
van het tanden krijgen te beschouwen. Men moet dus niet te spoedig
zeggen: „O, dat is niets, dat komt van de tanden.”
Vaak neemt het kind gedurende dien tijd niet of weinig in gewicht toe
of neemt het gewicht zelfs af. Aangenaam is het voor hem op iets hards
te bijten, waarvoor hem een beenen ring, of iets anders dat hard is,
mits daarbij groote reinheid betracht wordt, kan gegeven worden. Zulk
een voorwerp mag niet te klein zijn, om het gevaar van inslikken te
ontgaan.
Nog wijs ik erop, dat de met het tanden krijgen van nature gepaard
gaande vermeerderde afscheiding der speekselklieren eene aanwijzing is,
dat men van dat oogenblik af ook andere spijs, dan uitsluitend melk,
kan toestaan.
Uitzakken van den endeldarm. Als gedurende de ontlasting het slijmvlies
van de aarsopening of een gedeelte van het slijmvlies van den endeldarm
naar buiten komt, spreekt men van uitzakken van den endeldarm. Men ziet
dan de aarsopening omgeven door een blauwachtig-rood gekleurden dikken
ring, welke gespannen aanvoelt, of het hoogrood of blauwrood gekleurde
slijmvlies van den endeldarm een paar centimeters buiten de opening
uitpuilen. Behalve pijn en aandrang tot persen gevoelt het kind zich
goed. Deze afwijking komt minder bij zuigelingen, dan wel bij kinderen
in het tweede of derde levensjaar voor.
De behandeling bestaat in het terugbrengen van de gezwollen deelen,
nadat de ontlasting is geschied. Daartoe legt men het kind op zijde of
plaatst men het in knie-elleboogligging, en brengt men het uitgeperste
gedeelte, met den met olie of vet besmeerden of met een in olie
gedrenkt lapje omwikkelden vinger, voorzichtig zoo diep naar binnen,
dat alles verdwijnt.
De oorzaak kan gelegen zijn in verslapping van den endeldarm welke door
persen erger wordt, in verstopping of diarrhee, waar vaak drang tot
persen bij komt, in algemeene zwakte. Ook ziet men deze afwijking wel
eens in aansluiting aan vernauwing van de voorhuid bij jongens, en bij
kinkhoest.
Bij oudere kinderen, die van een potje gebruik maken, kan het
voordeelig zijn het potje zoo hoog te plaatsen, dat het kind de voeten
niet steunen kan, zoodat de buikpers minder sterk werkt. Ook kan men
ze, op den rug op een ondersteek liggend, de beenen in de hoogte
heffen, opdat zij die niet kunnen steunen. In een warm zitbad komt de
ontlasting gemakkelijker en met minder pijn.
Vaccineeren. De bedoeling van het vaccineeren of inenten is, het kind
te vrijwaren voor besmetting met het gif der pokken. Inderdaad verwekt
de inenting eene ziekte, doch van weinig belang, welke ziekte niet
besmettelijk is en den mensch in een toestand van onvatbaarheid voor
echte pokken brengt. Aangezien deze onvatbaarheid van betrekkelijk
korten duur is, ongeveer tien jaren, is het noodig de vaccinatie nu en
dan opnieuw te verrichten.
Het proces verloopt als volgt. Nadat de inenting verricht is, genezen
de gemaakte wondjes in de eerste dagen gewoonlijk zonder eenig
verschijnsel. Daarna treedt om het genezen wondje een rooden hof op en
vormt zich eene kleine verhevenheid, een puistje, dat op den vijfden
dag in een blaasje overgaat, welk blaasje, in grootte toenemend, in het
midden een deukje draagt. Oorspronkelijk met witachtigen glans wordt
het blaasje tusschen den zevenden en negenden dag geel, de inhoud
etterig en de omgeving min of meer gezwollen, met helroode
ontstekingskleur, op aanvoelen warm. De ontwikkeling van deze pokpuist
bereikt haar hoogtepunt tusschen den negenden en elfden dag. Dan
verdikt zich de etter en droogt in, waarna zich, tusschen elfden en
achttienden dag ongeveer, terwijl zwelling en roodheid der omgeving
minder worden, een korst vormt, welke na eenige dagen afvalt, met
achterlaten van eene roodachtige plek, welke allengs verbleekt, zoodat
omstreeks het einde van de vierde week alles voorbij is. Liggen de
puisten dicht bij elkander, dan loopen zij ineen en is de zwelling
belangrijker.
Om de puisten tegen letsel, ook door krabben, daar de zwelling met jeuk
gepaard gaat, en tegen infectie te beschutten, bedekt men ze b.v. met
een lapje steriel gaas, met boorvaseline bestreken, vastgehouden door
een of ander verband. Om krabben en schuren te verhinderen kan men de
beweging der armen tijdelijk belemmeren, door de mouwtjes met
veiligheidsspelden aan de borstkleeding vast te maken, of op andere
wijze.
Behalve deze plaatselijke kunnen zich ook algemeene verschijnselen
voordoen. Sommige kinderen blijven er vrij onverschillig onder, andere
worden gedurende eenige dagen lusteloos of kribbig, hebben minder
eetlust, nog andere krijgen een uitslag over het geheele lichaam, in
den vorm van kleine roode vlekjes en puistjes.
Alleen gezonde kinderen mogen ingeënt worden. In het algemeen kan men
zeggen, dat het de voorkeur verdient de kinderen zoo vroeg mogelijk in
te enten, omdat zij dan minder gevoelig zijn. Meestal gebeurt het niet
voor de zesde levensmaand, waarop men evenwel in tijden van epidemieën,
welke echter na het invoeren der vaccinatie zelden en nooit meer in
groote uitgebreidheid worden waargenomen, natuurlijk eene uitzondering
maken zal. Het jaargetijde waarin men vaccineert is onverschillig.
Vernauwing van de voorhuid. Bij pasgeboren jongens is de eikel
gewoonlijk samengekleefd met de voorhuid, eene tijdelijke verbinding,
welke na korten of langeren tijd van zelf wordt opgeheven, zoodat
behandeling onnoodig is. De voorhuid is altijd zoo nauw, dat het niet
gelukt die over een groot gedeelte van den eikel terug te schuiven. Ook
dit wordt op den duur anders. Intusschen kan het gebeuren, dat er
tusschen eikel en voorhuid eene lichte ontsteking optreedt, ten gevolge
van ontleding van de vettige stof, welke door daar ter plaatse
aanwezige kliertjes wordt afgescheiden. Dit kan aanleiding geven tot
dikwijls en pijnlijk urineeren, vooral als de opening van de voorhuid
bijzonder nauw is, waarbij de zuigeling onrustig wordt, eene hoog-roode
gelaatskleur krijgt en heftig schreit, terwijl de urine met een dunne
straal te voorschijn komt en de voorhuid, als de urine tusschen eikel
en voorhuid dringt, als een ballon wordt uitgezet. Dan is eene operatie
noodig.
Bij eenvoudige lichte ontsteking zonder meer is het voldoende de
voorhuid stomp los te maken en alles te reinigen.
Zindelijk maken van zuigelingen. In den laatsten tijd wordt aangegeven,
dat men den zuigeling reeds heel vroeg kan leeren zijne behoeften op
het potje te doen. Van den tweeden dag af laat men, volgens het
voorschrift, het kind het potje even voelen, door het languit op den
schoot te leggen, de beentjes met de linkerhand in de hoogte te houden
en met de rechterhand het potje onder de billetjes te plaatsen. In de
eerste dagen zonder eenig gevolg, zou het kind, bekend geworden met de
aanraking van het koude potje, reeds in de tweede week de bedoeling
daarvan vatten en zijne behoefte daarin doen. Dit geldt zoowel voor de
urine als voor de ontlasting. Indien dit op geregelde tijden gebeurt,
zou het kind al spoedig zelf de regelmaat vrijwel inachtnemen en in de
vierde week de luier niet meer bevuilen. In den beginne kost het veel
tijd, doch dat wordt spoedig anders. Geduld en tijd kunnen zonder
twijfel ook hierbij veel doen bereiken en de daaraan besteede moeite
loonen. In ieder geval bewijst het, dat de moeders zeker vroeger met
het zindelijk maken kunnen beginnen, dan tot nu toe de gewoonte was.
Het beste oogenblik zal wel dat vóór de voeding zijn.
Zitten, staan en loopen. Terwijl het kind met 5 of 6 weken, als het op
den buik ligt, het hoofd flink vermag op te heffen, begint het dit in
de 3e maand ook reeds in andere houding te doen en kan het in de 4e
maand het hoofd reeds ophouden. Van de 6e maand af met steun, kan het
in de 8e maand zonder steun zitten. Voor de 6e maand kan het het hoofd
reeds in alle richtingen bewegen, zich op de zijde of op den buik
draaien. Zoolang het hoofd bij het opnemen nog heen en weder schommelt,
moet het kind nog in liggende houding verblijven, doch als het zich
gaat oprichten, waarbij men het wel eens helpen mag, en het hoofd
vermag op te houden, mag men het, als het de kracht daartoe bezit, op
den arm dragen. Reeds na een paar weken sluit het de vingers om een
voorwerp, dat men hem in de hand geeft, begint dit al spoedig vast te
houden en grijpt omstreeks de 6e maand naar elk voorwerp, dat men hem
voorhoudt. In de 9e maand begint het pogingen aan te wenden om, hier en
daar in zijn bedje steun zoekende, zich op te richten en te gaan staan,
hetgeen hem al spoedig gelukt. Indien het kind dit van zelf doet, laat
men hem begaan, zonder vrees te koesteren dat hij daardoor kromme
beenen zal krijgen, maar wel moet men zich onthouden hem te willen
oefenen, door hem op de beenen te zetten. Men late alles aan hemzelf
over. Tegen het einde van het eerste levensjaar begint het kind,
terwijl het een houvast zoekt aan stoel of andere vaststaande
voorwerpen, reeds te loopen, alras eenige schreden, zonder dien steun
en aan de hand gehouden, te doen, om gewoonlijk zeer vlug alleen te
loopen. Als het kind valt, zal het beginnen te huilen. Men doet dan
verstandig hem niet met lieve woordjes en aanhalingen tot bedaren te
brengen, doch er niet op te letten of te trachten hem af te leiden door
zijne aandacht op iets anders te vestigen.
Voor den gezonden zuigeling is het een genot om slechts weinig gekleed,
liever nog geheel naakt, te liggen spartelen. Men kan hem dit genot
gemakkelijk verschaffen, door hem in een, niet beneden 15,5° C. (60°
F.), verwarmd vertrek gedurende vijf tot tien minuten op een kussen of
een matrasje te leggen. Hij oefent daarbij zijne spieren, neemt tevens
een luchtbad en ook de moeder geniet ervan.
In den zomer kan men hem, bij goed weder, reeds in de tweede week in de
buitenlucht brengen, op heel mooie dagen zelfs vroeger. In den beginne
is het goed hem te dragen, doch dan mag hij niet te warm gekleed zijn.
Weldra mag hij in eene goed-veerende wagen uitgaan. In het warme
jaargetijde kan hij ook in den tuin of op de veranda, in wieg of wagen,
buiten liggen, tegen zonlicht en tocht beschut. In den winter mag hij
ook wel buiten gereden worden, in de middaguren, als de zon het hoogst
staat, doch niet zoo vroegtijdig als in den zomer, en zeker niet als
het winderig of nat weer is.
Het is de vraag of het niet beter is om den jongen zuigeling, in den
laten herfst, in den winter of in de eerste voorjaarsmaanden geboren,
in een verwarmd goed gelucht vertrek te houden, dan hem aan de dikwijls
snel wisselende weersveranderingen, welke in dien tijd aan ons klimaat
eigen zijn, bloot te stellen. Vele geneesheeren achten dit
verkieselijk.
HET EEN EN ANDER OMTRENT BIJGELOOF, VOLKSGEWOONTEN, ENZ. BIJ
ZWANGERSCHAP, BARING EN IN HET KRAAMBED.
In het eerste gedeelte was er sprake van het belang voor de aanstaande
moeder om ten minste eenigermate te weten, hoe ongeveer de verhouding
is van de deelen van haar lichaam, waarin zoowel de bevruchting
geschiedt als waarin het bevruchte eitje zich ontwikkelt. Er werd op
gewezen, dat het kind gelegen is in een spierachtigen zak, de
baarmoeder, waarboven de darmen en de maag, eveneens een zakvormig
orgaan, zich bevinden, en dat die allen door het middenrif gescheiden
zijn van de borstholte, waar binnen het hart en de longen liggen.
Dikwijls hoorde ik de opmerking, dat het braken gedurende de
zwangerschap zou te wijten zijn aan het feit, dat de hoofdharen van het
kind de maag kriebelden. Zelfs met het weinige, dat ik omtrent de
ligging der organen in de buikholte mededeelde, zal iedereen kunnen
begrijpen, dat die verklaring allerbespottelijkst is. Eene andere
opmerking, welke vaak gehoord wordt, is deze, dat de moederkoek aan het
hart vastgegroeid was. Eene enkele overweging van de natuurlijke
ligging der genoemde deelen in het lichaam der zwangere vrouw, doet de
dwaasheid van zulk eene opmerking in het oog springen.
Dergelijke beweringen en opvattingen worden telkens weder met grooten
ernst en zekere voorliefde geuit. Het nu volgende, indertijd geschreven
met de bedoeling om te trachten den oorsprong van enkele daarvan te
ontdekken, heb ik gemeend in dit boek te moeten opnemen, in de hoop
daarmede, zoo het kan, een einde te maken aan verhalen en verdichtsels,
welke menige zwangere vrouw in niet geringe mate angst en vrees kunnen
aanjagen.
Wij schrijven 1910 en toch gebeurde het mij nog niet zoo heel lang
geleden, dat eene kraamvrouw, die voor de derde maal moeder geworden
was, mij zeide: „Aan al dat ouderwetsche doe ik niet meê, maar m’n
haren kammen, dat durf ik niet. En omdat ’t zoo viezig wordt en er
zoo’n onaangename lucht uit het haar komt, doe ik er wat Eau de quinine
op. Maar vies is ’t wel, m’n haarspelden roesten er in.”
Al dat ouderwetsche! Daarmede bedoelde zij het niet reinigen van de
kraamvrouw na de baring, het niet verwisselen van het bevuilde lijfgoed
tegen rein, en nog andere van die handelingen, waarvan zoo nu en dan
nog wel wat in de praktijk opduikt, als herinnering aan volstrekt niet
ver verwijderde tijden en gewoonten.
Mijne patiënte vreesde, dat het uitkammen der haren, in de eerste negen
dagen van het kraambed, aanleiding zou geven tot bloedstorting. Anderen
verbonden oudtijds daaraan de vrees, dat het zog in het hoofd zou
slaan. Wordt deze vrees misschien ook nu nog gevonden in ons vaderland?
Het aantrekken van schoon linnengoed, het verhemden, mocht niet
gebeuren, omdat anders de kraamzuivering zou ophouden en het zog in den
buik slaan.
Tot welke toestanden die vrees voor reiniging kan leiden en werkelijk
leidde, blijkt uit eene mededeeling van een heel- en stadsverloskundige
te Alkmaar (ten Houte de Lange) in het jaar 1852. „Eene vrouw die ik in
bewusteloozen toestand, na den 36sten aanval van stuipen had verlost”,
zegt hij, „bezocht ik den 8sten dag daarna.” De patiënte woonde op 2
uren afstands van zijne woonplaats. „Zij was in dien tusschentijd onder
behandeling van eene plattelands-vroedvrouw en eenen Med. Doctor, die
haar dagelijks bezochten. Voor haar bed komende kwam mij de
walgelijkste stank te gemoet, en vond ik haar in den deerniswaardigsten
toestand; zij lag nog in hetzelfde sluitlaken, dat ik haar na de
verlossing had omgedaan, en in hetzelfde bed, in al de gedurende dien
tijd ontlaste urine, kraamzuivering en drekstoffen. Twee plekken
koudvuur van de grootte eener manshand aan de billen en stuit
verspreidden den afschuwelijksten stank. Niettegenstaande dezen
ongehoorden toestand en dat zij een nietig klein vrouwtje was, is alles
zeer voorspoedig genezen, heeft zij nog zevenmaal gelukkig en
voorspoedig gekraamd en leeft nog”. Tot zoover zijn verhaal.
Onwillekeurig vraagt men zich af, of er eenige reden bestond voor de
vrees, dat reiniging der kraamvrouw schade zou kunnen berokkenen en of
die reden uit het volk zelf, dan wel uit de geneeskundige wetenschap
kan ontsproten zijn.
Het is buiten twijfel, dat veel, wat wij uit den mond der leeken
hooren, een overblijfsel is van hetgeen vroeger in de geneeskundige
wetenschap gangbaar was en dikwerf langen tijd den geneesheeren tot
grondslag van hun weten en handelen diende. Is het wonder, dat, waar
zij zoo lang vasthielden aan oude leerstellingen, de leek daarvan nu
nog geen afstand heeft gedaan; dat bij de leeken van dergelijke
beschouwingen nog velerlei is blijven voortleven, waar de wetenschap
haren dienaren ander en beter inzicht gaf?
Het schijnt mij toe, dat wij, ter verklaring der vrees voor reiniging,
dat zog in het hoofd of in den buik zou slaan, moeten teruggaan tot de
tijden van Hippocrates (geboren 460 j. v. Chr. op het eiland Kos). Wat
hij, zijne scholieren en navolgers, hebben gedacht en geleeraard,
vinden wij neergelegd in de geneeskundige geschriften welke den naam
van Corpus Hippocraticum dragen. Kortheidshalve wordt gewoonlijk, bij
de aanhaling van die geschriften, alleen van Hippocrates gesproken,
omdat hij de voornaamste was, „onze leermeester” zooals 400 j. n. Chr.
Oribasius hem noemde. Zijne leer is door alle tijden heen van grooten
invloed op de geneeskunde geweest.
Voor Hippocrates dan was de kraamzuivering van het grootste gewicht.
Stoornissen in de uitscheiding dier vloeistof werden in nauw verband
gebracht met ziekten in het kraambed. De kraamzuivering werd
voorafgegaan door de uitscheiding eener vloeistof, welke hij ichor
noemde. De daarover handelende plaats wordt als volgt vertaald: „Na de
geboorte van kind en nageboorte, vloeit eene bloederig-waterige
vloeistof weg, welke van het hoofd en van het overige gedeelte van het
lichaam komt en uitgescheiden wordt door het geweld, den arbeid en de
hitte (gedurende de baring), en welke als inleiding van de
kraamzuivering te beschouwen is.”
Waarom de kraamzuivering zich vertoont, wordt aldus verklaard. „De
kraamzuivering treedt op, omdat bij de zwangerschap van een meisje
gedurende de eerste 42 dagen, bij die van een jongen gedurende de
eerste 30 dagen, slechts zeer weinig bloed tot voeding van het kind
naar beneden gaat—omdat anders het jonge vruchtbeginsel zou verstikken.
Na dien tijd evenwel vloeit, tegelijk met vermeerderde pneuma-opname
[9], tot aan de geboorte eene grootere hoeveelheid bloed toe. De
reiniging moet dus in de kraamzuivering teruggegeven worden, en naar
buiten afvloeien, naar de orde der dagen”
Dit is, zoo gezien, vrij onverstaanbaar. Maar als men weet, dat een der
Grieksche benamingen van kraamzuivering ook gebruikt wordt voor de
menstruatie, dan ligt het voor de hand, dat waar van de leer der
levensverschijnselen in het kraambed, en de afwijkingen daarvan, sprake
is, met dien naam bedoeld is het menstruatie-bloed, dat in den eersten
tijd der zwangerschap niet door het kind gebruikt werd, zoodat de
kraamzuivering daarvoor in de plaats treedt.
In dezen gedachtengang ligt ook de grondslag voor de opvatting, dat de
duur der kraamzuivering na de geboorte van een jongen 30 dagen, na de
geboorte van een meisje 42 dagen duurt, d.i. naar de orde of naar den
regel der dagen.
Om dit alles te begrijpen is het noodig na te gaan, hoe Hippocrates
zich de vorming der vrucht voorstelde. Het voortplantings-product van
de vrouw is voor hem niet het ei, omdat zoowel het ei als de eierstok
hem onbekend waren, maar, evenals bij den man, het zaad. De bevruchting
bestaat in het samenkomen van het zaad van man en vrouw. Dat zaad wordt
uit het geheele lichaam, uit vaste en weeke deelen en uit alle
vloeistoffen—n.l. de vier Hippocratische vloeistoffen: bloed, gal,
water en slijm—afgescheiden, grootendeels uit het hoofd, van waar het,
langs de ooren naar het ruggemerg geleid wordt.
Is het zaad van man en vrouw in de baarmoeder gekomen, dan wordt het
door de lichaamsbewegingen der vrouw vermengd en door de warmte tot
elkander gebracht en verdikt. Daarna neemt het pneuma op, omdat het op
eene warme plaats ligt, door de ademhaling der vrouw. Het pneuma baant
zich, nadat het verdikte zaad er mede gevuld is, een weg naar buiten.
Dadelijk neemt het zaad weder nieuw, koud pneuma van de moeder in zich
op, door de scheur waardoor het vroegere ontsnapt is. Op die wijze
wordt het vruchtbeginsel gevoed.
Het van pneuma doordrongen zaad omgeeft zich met een vlies,
waardoorheen zich, tot in het midden van het vruchtbeginsel, een weg
voor het pneuma vormt, langs welken weg het in- en uittreden kan. Deze
weg is blijkbaar de navel.
Maar door het vlies treedt ook bloed naar binnen.
Dit bloed is het menstruatie-bloed, dat, na de bevruchting, niet meer
naar buiten afgescheiden wordt, maar, langzamerhand uit het geheele
lichaam in de baarmoeder komende, het vlies omgeeft, en, tegelijk met
het pneuma, door het vlies ingezogen wordt.
Bij de aldus plaatsgrijpende voeding, door pneuma en bloed, komt
geleidelijk, onder vorming van de stoffen waaruit het vruchtbeginsel
bestaat, door het pneuma de scheiding der weefsels tot stand. Na de
splitsing, in ledematen en organen, is dan een kind ontstaan.
De duur van dit ontstaan, gerekend van het vastworden van het
zaadmengsel af, is bij meisjes hoogstens 42 dagen, bij jongens
hoogstens 30 dagen.
De oorzaak van de latere splitsing bij meisjes is te zoeken in haar
ontstaan uit zwakker en vochtiger zaad.
Bij het toenemen van de hoeveelheid bloed in de baarmoeder neemt ook
het aantal vliezen toe, welke dun zijn, met elkander door banden
samenhangen en, evenals het eerste vlies, van de navelstreng af
uitgespannen zijn. In deze vliezen, vooral in het meest naar buiten
gelegene, ontstaan holten, in welke het moederlijke bloed, dat het
ademende vleesch voeden moet, binnen dringt. Nu heet dat alles chorion,
waarmede hoogstwaarschijnlijk de nageboorte bedoeld wordt.
Het begrip van kraamzuivering is dus dat van eene reiniging, en de
stoornis daarin, vooral de verminderde of geheel opgeheven
uitscheiding, moet dus van grooten invloed zijn. Dat is duidelijk, als
wij weten, dat de kraamzuivering, evenals de maandstonden en het
vruchtwater, gerekend wordt te behooren tot de steeds in beweging
zijnde vier Hippocratische vloeistoffen, welke als zoodanig van buiten
af in het lichaam komen en door het geheele lichaam verbreid zijn. De
gezondheid van het lichaam berust op de normale verhoudingen dezer
vloeistoffen. Zij ontstaan uit de in het lichaam gebrachte spijzen en
dranken in de darmen, en komen door de aderen in de verschillende
stapelplaatsen, van waar zij verder in het lichaam worden overgebracht.
Die stapelplaatsen zijn: het hart voor het bloed, het hoofd voor het
slijm, de milt voor het water en de galblaas voor de gal. Nadat zij met
de deelen van het lichaam in wisselwerking getreden zijn, verlaten zij
het lichaam door de lichaamsopeningen, dat zijn: mond, neus, aars en
pisweg. Blijft de oude vloeistof langer dan 3 dagen in het lichaam, of
is de nieuwe vloeistof in te groote hoeveelheid opgenomen, dan heeft
dat kwade gevolgen.
Het achterblijven van de kraamzuivering heeft dus, daar de uitscheiding
voor de gezondheid een noodzakelijk vereischte is, eveneens slechte
gevolgen.
Als oorzaken voor het niet wegvloeien der kraamzuivering worden
genoemd: ontsteking van de baarmoeder en sluiting van den
baarmoedermond.
Als wij nu lezen, dat ontsteking van de baarmoeder o.a. teweeggebracht
wordt door koude, dan komen wij reeds eenigermate tot eene verklaring
van de vrees, welke bestaat voor het verhemden der kraamvrouw, evenals
die tegenwoordig nog wordt waargenomen waar sprake is van reiniging, en
het aantrekken van schoon lijfgoed, tijdens de menstruatie.
Om nu eene verklaring te vinden voor den angst, dat het zog in hoofd of
buik zou slaan, moeten wij nog weten wat Hippocrates leert omtrent den
oorsprong van het zog.
Wij denken, en dat deed Hippocrates ook, aan de borsten der vrouw. Maar
weten wij nu, dat het zog in de borsten optreedt als voortbrengsel van
de zogklier, Hippocrates dacht niet zoo en verklaarde het optreden van
zog in de borsten op geheel andere wijze. Volgens hem speelden de
borsten eene geheel lijdelijke rol.
Als de scheiding der vruchtdeelen is tot stand gekomen, zegt hij,
beweegt het kind zich en treedt er melk in de borsten op. Die melk komt
daarin door druk van de zwangere baarmoeder. Door dien druk wordt het
meest vette, uit spijs en drank, uit den buikinhoud (in het net en in
het vleesch) geperst. Het komt verwarmd, wit geworden en zoet gemaakt
door de warmte van de baarmoeder, in den vorm van melk, door de aderen,
voor het kleinste gedeelte in de baarmoeder, waar het kind er van
gebruikt, voor een ander gedeelte in de borsten, waardoor deze
opzwellen.
De borsten bezitten dus het vermogen de melk op te zuigen, maar
bereiden die niet.
Dit kan ook gebeuren bij niet-zwangeren.
Bij de mededeeling, dat zog optreedt in de borsten van niet-zwangere
vrouwen, wordt uitdrukkelijk gezegd, dat de menstruatie ontbrak. Maar
het blijkt niet, dat Hippocrates van meening was, dat het
menstruatie-bloed in die gevallen tot melk werd. Die opvatting wordt
gevonden bij de oude Indiërs, zooals, naar men zegt, blijkt uit de
Yajur-Veda, een in het Sanskrit geschreven werk, dat veel ouder is dan
de Hippocratische geschriften. Wèl zegt Hippocrates, dat, als de
borsten ontbreken, b.v. als zij weggenomen zijn, de melk op edele
deelen slaat, op hart en longen, waardoor stikking optreedt.
Wanneer wij nu lezen, dat Steidele (in het begin der 19de eeuw) bij
sterke vulling der borsten van niet-zoogende vrouwen melk uit de
geslachtsdeelen zag vloeien, dan laat het zich, met den gedachtengang
van Hippocrates en zijn begrip van melk, gemakkelijk verklaren, dat bij
de leeken, die blijkbaar ook van deze dingen gehoord hebben, het begrip
van verplaatsing van het zog naar andere deelen van het lichaam, door
oorzaken welke op de werkzaamheid der geslachtsdeelen werkten,
gemakkelijk ingang vond.
Bij de oude Indische artsen vinden wij immers ook wel eene dergelijke
opvatting. Waar bij hen van de behandeling der koorts bij kraamvrouwen
sprake is, leest men, dat de koorts ontstaat door het naar beneden
zakken van de melk.
In verband met de Hippocratische leer kan dan ook eene andere
opvatting, welke somtijds nog in de kraamkamer voorkomt, verklaard
worden. Ik bedoel deze. Het is mij gebeurd, dat de baker het kind niet
aan de moederborst wilde leggen, vóór dat de kraamvrouw gewaterd had,
omdat—zooals zij zeide—het zog met urine vermengd zijn zou. Hippocrates
rekende ook de urine tot de vier vloeistoffen te behooren. De pisweg is
een der uitloozingswegen. Men kan zich dus voorstellen, dat, waar de
melk haren oorsprong heeft in die vier vloeistoffen, de vermenging
daarvan met afgewerkte doch nog niet uitgescheiden vloeistof, in dit
geval de urine, mogelijk moest geacht worden.
Vele ontwikkelden onder onze patiënten, vooral onder de jongeren,
zullen met ons lachen om deze opvattingen en het vies vinden, dat er
menschen gevonden werden, die reiniging na de bevalling als een gevaar
beschouwden. Maar eenigen tijd later zullen zij ons in vollen ernst
mededeelingen doen, waaruit blijkt dat zij op hunne beurt aan
opvattingen waarde hechten, die weder anderen doen glimlachen. Men moge
het bijgeloof of domheid noemen, gewoonlijk komt het voort uit gebrek
aan kennis van eigen lichaam en de verrichtingen daarvan, dat wij ook
nu nog opmerkingen hooren, van hoogbeschaafden, welke overeenkomen met
vooroordeelen, gewoonten en gebruiken, bij oude volken en natuurvolken
in zwang, waarom zij lachen en over wier dwaasheid zij het hoofd
schudden. En dat ondanks den vooruitgang in ontwikkeling, waarop wij
20ste-eeuwers trotsch zijn.
Of hooren wij niet herhaaldelijk, dat de oorzaak van de witte
gerimpelde handen, waarmede de kinderen ter wereld komen, te vinden is
in het, vooral in de laatste dagen, veel in zeepsop wasschen der
moeder, en dat de roode oogleden te wijten zijn aan haar veelvuldig
weenen?
De straks genoemde heel- en verloskundige van Alkmaar heeft destijds
eene menigte aanteekeningen gemaakt, die voor vele plaatsen in ons land
en daarbuiten nog ten huidigen dage zouden kunnen neergeschreven
worden. Zoo zegt hij, wat het kind betreft, dat veel huidsmeer
afkomstig heette te zijn van het vele spek of vet vleesch eten door de
zwangere, of ook, dat de bijslaap nog kort voor de bevalling is
uitgeoefend. Dit laatste heb ik nooit zelf gehoord, wel, dat er verband
zou bestaan tusschen de groote hoeveelheid huidsmeer en het gebruik van
vet gedurende de zwangerschap.
En wat hooren wij niet al met betrekking tot gebreken, waar mede het
kind ter wereld komt, in verband met het schrikken der zwangere en het
grijpen naar de plaats van haar lichaam waar zij eenig letsel verkreeg.
Ook deze opvatting is reeds oud. In de Yajur-Veda wordt reeds gezegd,
dat zich bij het kind aan hetzelfde lichaamsdeel, waaraan de moeder
letsel kreeg, dezelfde werking vertoont.
Toen ik onlangs dergelijke dingen met een mijner patiënten besprak, en
haar vertelde hoe men in Hannover beweert, dat het kind moedervlekken
of zomersproeten mede ter wereld brengt, als de moeder gele rapen of
wortelen schraapt, of iets kookt, dat spat, wist de baker mij dadelijk
te zeggen, dat dit volkomen waar was, want dat zij zelve het bij een
harer kinderen had waargenomen. Maar ongeloovig schudde zij het hoofd,
toen ik daarop zeide, dat in Hongarije de meening verbreid is, dat het
kind een rooden uitslag krijgt, als de moeder met bloed omgaat, en dat
het kind over het geheele lichaam zal behaard zijn als de moeder in de
zwangerschap aardbeziën eet. Diezelfde baker reinigde de kraamvrouw na
de bevalling wel degelijk, zag er ook geen bezwaar in, om de haren der
patiënte uit te kammen en op te maken, maar had haar verboden vóór „de
negen dagen” de nagels te knippen, omdat .... eene vloeiing of storting
daarvan het gevolg kon zijn.
Zooeven besprak ik eene opvatting, welke steeds levendige
belangstelling heeft opgewekt en nog vermag op te wekken. Ik bedoel het
verzien der zwangeren. Welke de invloed zijn kan van voortdurende
prikkeling der zintuigen, van schrik of gemoedsaandoeningen, is niet
met een enkel woord uit te maken. Evenmin kan men steeds een afdoend
antwoord geven op vragen, die ons, naar aanleiding van—naar het
heet—met zekerheid waargenomen feiten, gesteld worden.
Vooral in de grijze oudheid werd het vermogen van allerlei op de
zwangere inwerkende invloeden hoog aangeslagen. Maar ook later nog.
Wilt ge een bewijs? Leest dan met mij het volgende uit het „Houwelijck”
van Jacob Cats.
„Wanneer de vrouwe draeght soo dient de man te letten,
Dat niemant door het huys misschien en kome setten
Yet dat wan-schapen is, een wreet of seltsaem beelt
Dat ons het ooge terght, en soo de sinnen steelt.
Al wat oubolligh staet, of vreese kan verwecken,
Of met een snellen schrick ons in de leden trecken,
En dient een jonge vrou vooral niet daer se slaept,
En van de reyne trou de soete vruchten raept.
Wilt oock om dese tijt u niet te seer vergapen
Aen eenigh selsaem dier, als simmen, katten, apen:
En draeght niet in den arm, en leght niet aen den mont
Een vreemde baviaen, of plat-geneusden hont.
’T is bij de vrouwen selfs in geenen deel te mercken,
Hoe dat een vremt geval kan op de vrouwen wercken:
Hoe onverwachte schrick tot aen de vrucht belent,
En hoe een selsaem spoock sigh in de moeder prent.
Wanneer een vrouwe draeght, het schijnt dat alle krachten
Zijn besigh aen de vrucht, en op de moeder wachten;
Dies waerder eenigh ding sigh in de sinnen vest,
Dat sackt van stonden aen, en druckt in dat gewest.
De Schrift getuyght het selfs, dat Jacob voor de dieren
Van Laban heeft gelegt gestreepte populieren,
Om even als het schaep zou paren metten ram,
De plecken van het hout te drucken in het lam.
Ghy die genegen zijt om zaet te mogen winnen,
Hebt geen wan-schapen dier, geen monster in de zinnen:
Stelt liever voor het oogh, wanneer ghij vruchten teelt,
Een schoon een geestigh kint, een aerdigh menschenbeelt.
Hier door ist wel gebeurt dat yemand van de Moren
Vont in voor-leden tijt een witte vrucht geboren;
Hierdoor ist wel gebeurt dat van een leelick paer
Men wert, oock tegen hoop, een aerdigh kind gewaer.
Een wijf bij al het volck vermaert in leelickheden,
Wiens man haer niet en weeck in onbeschofte leden,
Kreegh even-wel een kint het schoonste dat men vant,
Een peerel van de stad, en wonder in het lant.
Een kint gelijck een beelt, dat alle menschen presen,
En namen in den arm, of met den vinger wezen,
Een kint na vollen wensch, een gaeu en aerdigh fret,
En niet te bijster schrael, en niet te lijdigh vet:
Een yder stond verbaest, en sagh de frissche leden,
En sagh de schoone verw, onseker van de reden;
Dies gincker over-al een spreucke door de stadt,
Alsof hier in de vrouw haer eer vergeten hadt.
Een man die vorder sagh gingh al het huis beschouwen
Gingh letten op het stuck, ter eeren van de vrouwen.
Hij vint een schoon vertreck, daer op een schoon buffet
Een aerdig kinder-beelt stont geestigh af-geset.
Hij vont een ledekant behangen met gordijnen,
Een leger voor den weert, gelijck het mochte schijnen:
Hij vraeght wie datter slaept? hem wordt bescheyt gedaan,
En stracx zoo gist de man hoe dat de saken staen.
Hij spreeckt tot al het volck. Ick zal het oordeel vellen,
Laet maer het jonghste kint hier in de kamer stellen.
De meyt die loopter om soo veerdigh als se kan,
En brenghtet in de sael, en geeftet aen den man.
Die gaettet metter daet omtrent de beelden setten,
Die maent een ieder aen hier op te willen letten:
En siet, die nu het beelt en dan het kint bekeeck,
En vont noyt eenigh ey dat zoo een ey geleeck.
Daer gaet de kloeckste geest met vaste reden wijsen,
Wat datter uyt het oog kan in de sinnen rijsen:
En hoe een diep gepeys, door onbekende macht,
Het ingenomen beelt kan prenten in de dracht.
Stracx reser groote vreught, de bose tongen swegen,
De vrou heeft metter daet haer eere we’er gekregen:
En waer doen eenigh paer te samen wert geset,
Daer was een schoon gesight omtrent het echte bedt.”