27 en 28 Augustus nam het kind niets of zeer weinig.

Per maaltijd. | In 24 uren.

|

29 Augustus 15, 10, 15, 15 gr. | 55 gr.

30    ,,    15, 15, 15, 10, 15, 30, 35, 20 ,,  | 155 ,,

31    ,,    35, 20, 20, 20, 20, 30, 15 ,,  | 160 ,,

1 Sept. 25, 40, 25, 20, 30, 50, 60 ,,  | 250 ,,

2  ,,   50, 45, 30, 40, 40, 65, 70 ,,  | 340 ,,

3  ,,   60, 50, 50, 50, 50, 60, 60 ,,  | 380 ,,

4  ,,   70, 60, 35, 70, 50, 80, 60 ,,  | 425 ,,

5  ,,   75, 70, 60, 30, 60, 50 ,,  | 345 ,,

6  ,,   60, 80, 60, 80, 80, 75 ,,  | 435 ,,

7  ,,   70, 70, 70, 65, 90, 70 ,,  | 435 ,,

8  ,,   80, 80, 90, 70, 70, 65 ,,  | 455 ,,

9  ,,   60, 80, 65, 40, 100, 70 ,,  | 415 ,,

10  ,,   70, 70, 90, 60, 90, 80 ,,  | 460 ,,

11  ,,   80, 80, 90, 70, 70, 70 ,,  | 460 ,,

12  ,,   40, 40, 60, 40, 40 ,,  | 220 } maag-

13  ,,   60, 60, 40, 50, 45 ,,  | 255 } stoornis

14  ,,   40, 50, 60, 30, 60 ,,  | 240 } bij de

15  ,,   60, 60, 50, 60, 60 ,,  | 290 } moeder.

16  ,,   30, 35, 90, 60, 60, 50 ,,  | 325 ,,

17  ,,   90, 60, 65, 80, 90 ,,  | 385 ,,

18  ,,   90, 80, 70, 70, 85, 90 ,,  | 485 ,,

19  ,,   100, 80, 75, 70, 75, 90 ,,  | 490 ,,

20  ,,   85, 110, 55, 90, 85, 95 ,,  | 520 ,,

21  ,,   90, 80, 75, 100, 95, 95 ,,  | 535 ,,

22  ,,   100, 105, 110, 50, 95, 70 ,,  | 530 ,,

23  ,,   120, 85, 85, 70, 75 ,,  | 435 ,,

24  ,,   125, 105, 70, 50, 65, 60 ,,  | 475 ,,

25  ,,   70, 100, 70, 55, 55, 60 ,,  | 410 ,,

26  ,,   70, 90, 90, 70, 80, 65, 75 ,,  | 540 ,,

27  ,,   65, 90, 65, 65, 70, 90 ,,  | 455 ,,

28  ,,   80, 70, 75, 70, 75, 70, 75 ,,  | 515 ,,

29  ,,   95, 80, 80, 65, 75, 85 ,,  | 480 ,,

30  ,,   110, 80, 90, 80, 95, 80 ,,  | 535 ,,

Meisje, H. G., 13 Maart 1915 geboren op het einde van de 8e

zwangerschapsmaand.

Het kind begon eerst op 18 Maart te zuigen. Voor dien tijd kreeg het

zog, uit de borst gekolfd, met een lepeltje.

Per maaltijd. | In 24 uren.

|

18 Maart 25, 25, 20, 35, 40 gr. | 145 gr.

19  ,,   25, 35, 40, 15, 45, 10, 20 ,,  | 190 ,,

20  ,,   30, 35, 25, 25, 40, 40, 40 ,,  | 235 ,,

21  ,,   50, 30, 50, 40, 50, 55 ,,  | 275 ,,

22  ,,   60, 50, 40, 35, 40, 55 ,,  | 280 ,,

23  ,,   60, 45, 55, 55, 55, 50 ,,  | 320 ,,

24  ,,   55, 40, 65, 55, 40 ,,  | 255 ,,

25  ,,   60, 65, 60, 55, 55 ,,  | 295 ,,

26  ,,   40, 30, 35, 55, 30, 75 ,,  | 265 ,,

27  ,,   60, 45, 60, 55, 20, 50 ,,  | 290 ,,

28  ,,   65, 60, 70, 50, 60 ,,  | 305 ,,

29  ,,   85, 65, 70, 60, 65, 75 ,,  | 420 ,,

30  ,,   55, 65, 70, 70, 70 ,,  | 330 ,,

31  ,,   80, 50, 60, 95, 75 ,,  | 360 ,,

1 April 70, 60, 70, 50, 70, 85 ,,  | 405 ,,

Meisje, S. E. K., geboren 16 Augustus 1915.

Per maaltijd. | In 24 uren.

|

18 Augustus 25, 25, 25 gr. | 75 gr.

19    ,,    60, 60, 50, 45 ,,  | 215 ,,

20    ,,    55, 60, 50, 95, 80, 100 ,,  | 440 ,,

21    ,,    60, 120, 70, 95, 90 ,,  | 435 ,,

22    ,,    105, 90, 105, 100, 110 ,,  | 510 ,,

23    ,,    105, 110, 75, 120 ,,  | 400 ,,

24    ,,    130, 100, 100, 110, 120 ,,  | 560 ,,

25    ,,    120, 140, 90, 100, 90 ,,  | 540 ,,

26    ,,    120, 120, 120, 80, 90 ,,  | 530 ,,

27    ,,    120, 110, 110, 110, 110 ,,  | 560 ,,

28    ,,    115, 125, 130, 95, 90 ,,  | 555 ,,

29    ,,    120, 130, 105, 95, 90 ,,  | 540 ,,

30    ,,    120, 120, 160, 110 ,,  | 510 ,,

31    ,,    115, 170, 150, 85 ,,  | 520 ,,

1 Sept. 120, 120, 105, 130 ,,  | 475 ,,

2  ,,   150, 100, 110, 130, 110 ,,  | 600 ,,

3  ,,   130, 115, 120, 145, 30 ,,  | 540 ,,

4  ,,   135, 110, 90, 120, 125, 70 ,,  | 650 ,,

5  ,,   140, 130, 110, 120 ,,  | 500 ,,

6  ,,   125, 120, 120, 85, 115 ,,  | 565 ,,

7  ,,   125, 125, 125, 140, 50 ,,  | 565 ,,

8  ,,   130, 100, 150, 120 ,,  | 500 ,,

9  ,,   160, 155, 100, 90, 40 ,,  | 545 ,,

10  ,,   105, 70, 110, 70, 85 ,,  | 440 ,,

11  ,,   150, 135, 150 ,,  | 435 ,,

12  ,,   140, 125, 130, 110 ,,  | 505 ,,

13  ,,   125, 115, 105, 140 ,,  | 485 ,,

14  ,,   145, 115, 145, ? ,,  | 405+? ,,

15  ,,   140, 115, 130, 165 ,,  | 550 ,,

16  ,,   150, 110, 145, 150 ,,  | 555 ,,

17  ,,   120, 180, 110, 165 ,,  | 575 ,,

18  ,,   130, 130, 150, 130 ,,  | 540 ,,

19  ,,   120, 135, 130, 140 ,,  | 525 ,,

20  ,,   140, 140, 160, 170 ,,  | 610 ,,

21  ,,   110, 130, 130, 120, 120 ,,  | 600 ,,

22  ,,   120, 110, 70, 140 ,,  | 440 ,,

23  ,,   105, 185, 140, 80, 130 ,,  | 640 ,,

24  ,,   125, 130, 110, 160 ,,  | 525 ,,

25  ,,   140, 170, 130, 90, 120 ,,  | 650 ,,

26  ,,   160, 165, 125, 140 ,,  | 590 ,,

27  ,,   145, 130, 140, 70 ,,  | 485 ,,

28  ,,   160, 90, 100, 170, 130 ,,  | 650 ,,

29  ,,   140, 100, 165, 125, 130 ,,  | 660 ,,

30  ,,   130, 170, 100, 150 ,,  | 550 ,,

Meisje, M. A., geboren 7 October 1914,

Per maaltijd. | In 24 uren.

|

9 Oct. 20, 30 gr. | 50 gr.

10  ,,  30, 60, 50, 55, 60 ,,  | 255 ,,

11  ,,  60, 50, 50, 55, 70, 60 ,,  | 345 ,,

12  ,,  80, 60, 100, 95 ,,  | 335 ,,

13  ,,  100, 110, 70, 80, 95 ,,  | 455 ,,

14  ,,  90, 90, 40, 90, 60, 80 ,,  | 450 ,,

15  ,,  100, 80, 80, 90, 80 ,,  | 430 ,,

16  ,,  115, 90, 70, 100, 120 ,,  | 495 ,,

17  ,,  110, 120, 105, 100 ,,  | 435 ,,

18  ,,  110, 120, 90, 90, 80, 105 ,,  | 595 ,,

19  ,,  160, 90, 120, 70, 80 ,,  | 520 ,,

20  ,,  60, 120, 120, 100, 130, 110 ,,  | 640 ,,

21  ,,  110, 130, 100, 75, 110, 80 ,,  | 605 ,,

22  ,,  150, 140, 110, 130, 100 ,,  | 630 ,,

23  ,,  110, 120, 120, 180, 80 ,,  | 610 ,,

24  ,,  130, 120, 150, 130, 100 ,,  | 630 ,,

25  ,,  140, 120, 115, 80, 100, 100 ,,  | 655 ,,

26  ,,  140, 130, 90, 140, 130, 110 ,,  | 740 ,,

Het noemen van cijfers komt mij dan ook niet gewenscht voor, omdat de

moeder daaraan allicht te veel waarde hecht, maar met een enkel woord

kan wel worden aangegeven, op welke eenvoudige wijze men ongeveer kan

nagaan, hoe groot de hoeveelheid gemiddeld zijn moet.

Neemt men voor de hoeveelheid aan het einde van de 8ste week als

grondgetal 800 grammen aan, dan trekke men van dit getal voor iedere

voorafgaande week 50 grammen af en telle voor iedere volgende maand 50

grammen daarbij op, b.v.

in de 4e week 600 gr.

,, ,, 5e  ,,  650 ,,

,, ,, 6e  ,,  700 ,,

,, ,, 7e  ,,  750 ,,

,, ,, 8e  ,,  800 ,,

,, ,, 12e  ,,  850 ,,

,, ,, 16e  ,,  900 ,,

,, ,, 20e  ,,  950 ,,

,, ,, 24e  ,,  1000 ,,

Volgens eene andere berekening verkrijgt men het gemiddelde, door in

het eerste kwartaal het lichaamsgewicht van den zuigeling, in

kilogrammen, te vermenigvuldigen met 150, in het tweede kwartaal met

140, in het derde kwartaal met 125.

Volgens eene derde berekening drinkt een gezonde pasgeborene op den 3en

dag gemiddeld 100 grammen, den 6en dag 300–350 gr., den 10den dag

400–450 gr. en later ongeveer ⅙ van zijn lichaamsgewicht.

Men bedenke hierbij steeds, welke beteekenis aan een „het gemiddelde”

aangevend cijfer te hechten is. Geen enkel kind zal zich daaraan

houden, maar het cijfer geeft, in het algemeen, de hoeveelheid aan

waarmede men tevreden zijn kan.

Wij komen nu vanzelf tot de vraag of een zuigeling, bij de voeding aan

de borst, te veel of te weinig voedsel krijgen kan.

Beide gevallen zijn mogelijk, hoewel men toch wel zeggen kan, dat,

onder normale omstandigheden, dus wanneer er geen wanverhouding bestaat

tusschen de borst en de kracht waarmede het kind zuigt, van een te

veel, van overvoeding, niet licht sprake zijn zal. De ervaring heeft

mij geleerd, dat, indien men, zooals ik hierboven aangaf, in den

beginne het kind vrijlaat in het kiezen van zijn maaltijd, voor

overvoeding geen vrees behoeft te bestaan.

Dat een kind, als het na een behoorlijken tijd van slapen zijn maaltijd

genomen heeft, wel eens wat teruggeeft van het genomene, is nog geen

bewijs, dat het te veel gedronken heeft. Er zijn kinderen die men

„luchtslikkers” noemt, en dat luchtslikken kan vooral voorkomen bij

kinderen, die gulzig drinken. Als zij dan hunnen maaltijd genoten

hebben, komt de luchtbel, die zich in de maag gevormd heeft, wel eens

voor den dag, waarbij dan tevens eene hoeveelheid zog te voorschijn

komt. Die luchtbel kan de oorzaak zijn, dat een kind, na genoten

maaltijd, hoewel voldoende gevoed, onrustig is en niet inslaapt. Daarom

is het aan te raden zulke kinderen gedurende het voeden, of daarna, een

oogenblikje rechtop te houden, opdat de luchtbel ontwijken kan.

Intusschen mag ik niet verzwijgen, dat door verschillende schrijvers

een ziektebeeld van overvoeding aan de borst geteekend wordt, al zeggen

ook velen, dat, althans praktisch, eene overvoeding van het borstkind

niet voorkomt.

Vermoedelijk is dan, volgens sommigen, de overvoeding minder te wijten

aan het te veel gebruiken gedurende de maaltijden, dan wel aan het te

vaak aanleggen van het kind. Dit zal in gewone omstandigheden niet

veelvuldig voorkomen, maar het kan gebeuren als de moeder, telkens

wanneer het kind mocht huilen of onrustig is en daarbij voortdurend de

vingers in den mond steekt en daarop zuigt, zich verbeeldt dat het

honger heeft, zonder na te gaan of er misschien een andere reden voor

die onrust bestaan kan. Oorzaken van onrust toch zijn er vele in het

leven van den zuigeling, als: het liggen in een natte luier,

ongemakkelijke houding, welke hijzelf niet veranderen kan, te nauw

sluitende kleeding, te warm gedekt zijn of te koud liggen,

insectenbeten, blaasjes in den mond, verstopte neus, gesmet zijn aan de

billen of in plooien van de huid, een scheurtje in de aarsopening enz.

Behalve in het te vaak aanleggen kan, naar men zegt, de oorzaak van

overvoeding ook gelegen zijn in eene te overvloedige afscheiding van

zog, vooral „lekkende borst”, waarbij voortdurend zog uit de borst

druppelt. Dit komt, althans in belangrijken graad, niet zoo heel

dikwijls voor. Om het nat worden der kleederen tegen te gaan, kan men

de borsten bedekken met eene of andere stof, welke gemakkelijk vocht

opslorpt, b.v. zachte doeken, de borsten bedekken met een zogglas,

waarin eene opening door welke de tepel heen steekt, zoodat het zog

wordt opgevangen, en de borsten opbinden. Tegen de „lekkende borst” is

geen afdoend middel bekend.

In den beginne, aldus het geschetste ziektebeeld, spuwt het kind in den

regel na den maaltijd eene kleine of grootere hoeveelheid zog (let op

de luchtslikkers), hetgeen, als het niet te lang duurt, niet hindert,

omdat juist daardoor het kind zich van het te veel genomene ontdoet.

Daarbij komt dan, dat het kind niet zoo kalm slaapt, spoedig wakker

wordt, aan de borst gelegd wel zuigt en somtijds daarna rustig wordt,

doch niet voor langen tijd. Dat onrustig zijn gaat dan vaak over in

schreeuw- of gilbuien, soms onder het zuigen, terwijl de buik opgezet

is en het kind hoorbaar winden loost, om daarna voor enkele

oogenblikken rustiger te zijn.

Indien er dadelijk na den maaltijd gestremde melk of, na eenigen tijd,

eene waterheldere, zuur riekende, witte stukjes en slijm bevattende,

vloeistof te voorschijn komt, moet men eene stoornis in de

spijsvertering vermoeden.

De ontlasting komt, soms vaker, dun en schuimend, met geruisch voor den

dag; de omgeving van de aarsopening en de billen worden rood, de reuk

is sterk zuur. Er kan echter ook verstopping bestaan, waarbij de

ontlasting nog normaal gekleurd is en de gewone vastheid heeft, doch na

eenigen tijd eene groene kleur of gele kleur met groenen rand vertoont,

waarin kleine witte stukjes en slijmdraden te zien zijn.

De eetlust wordt minder, het gezicht bleeker, de huid slapper; het

lichaamsgewicht blijft, na aanvankelijk soms sterk te zijn toegenomen,

op dezelfde hoogte staan, vermindert of schommelt—bij dagelijks wegen

na te gaan—in dezen zin, dat plotseling toenemen in gewicht afwisselt

met plotseling dalen.

Een kind kan ook te weinig voedsel krijgen. De verschijnselen hiervan,

welke in het ziektebeeld beschreven zijn, vertoonen zoovele punten van

overeenkomst met die van overvoeding, dat het vooral voor een

niet-geneeskundige de grootste moeite oplevert, om uit te maken

waarmede men te maken heeft. Sommige kinderen lijden aan slapeloosheid,

zijn onrustig, schreeuwen spoedig na den maaltijd, drinken telkens als

men hen aan de borst legt; de meeste doen juist het tegenovergestelde,

zijn bijzonder rustig, zelfs slaperig. De ontlasting kan weinig stof

bevatten, bruin tot groen van kleur, slijmig en taai zijn en om de twee

of drie dagen komen, doch meestal is zij dun, in den beginne nog

lichtgeel, vaak slechts als eene groene vlek in de luier, of nog geel

met groene vlekken, al of niet met slijm gemengd. Indien deze

ontlasting werkelijk als een verschijnsel van ondervoeding optreedt,

wordt zij na toediening van meer voedsel onmiddellijk of al heel

spoedig beter. De urine-loozing is verminderd, zoodat de luiers niet

flink nat zijn.

Ook hierbij worden de billen en de omgeving van de aarsopening rood en

smetten, treden puistjes op, wordt de huid bleeker en, bij vermagering,

te ruim. Dit laatste wijst er reeds op, dat ook met betrekking tot het

lichaamsgewicht iets valt op te merken en wel, dat het toenemen

onvoldoende blijkt of dat het tot stilstand komt en, bij belangrijke

ondervoeding, overgaat in het tegenovergestelde, dus afneemt. Vaak kan

men, vóór het wegen, opmerken, dat het kind reeds in den aanvang van

het zuigen vele zuigbewegingen maakt voor het slikt.

Hoe onvolledig ook, bespeurt men uit deze schildering, dat niet

gemakkelijk uit de verschijnselen is op te maken waarmede men te doen

heeft. Het voornaamste punt, waarop men te letten heeft, is wel het

lichaamsgewicht en het bepalen van de hoeveelheid van het in 24 uren

door den zuigeling genomen voedsel, waarbij vergelijking met de boven

als gemiddeld aangegeven benoodigde hoeveelheid zog haar nut heeft.

De moeder zij, ingeval er vermoeden van ondervoeding bestaat,

voorzichtig met het vermeerderen van de hoeveelheid voedsel, hetgeen

geschieden kan door het vermeerderen van het aantal maaltijden, als dat

te klein mocht blijken, of door het geven van bijvoeding naast de

borst. (Zie: Gemengde voeding).

Dat een zuigeling te weinig voedsel krijgt kan verschillende oorzaken

hebben, welke bij de moeder en bij het kind te zoeken zijn.

Bij de moeder kan het voorkomen, dat het kind, door slechte

ontwikkeling van de tepels, vooral platte, ingetrokken of holle tepels,

de borst niet goed vatten kan. In de meeste gevallen zal het, zij het

met meerdere volharding, zoonoodig met gebruik maken van een

tepelhoedje, toch gelukken. Dit hulpmiddel moet ook beproefd worden bij

scheurtjes, spleetjes of afschilveringen van de huid van den tepel,

indien het onmiddellijk zuigen daaraan te pijnlijk is. Het komt wel

voor, dat het kind uit die wondjes bloed zuigt en met de melk inslikt.

Is dat vrij veel, dan kan het dit bloed uitbraken, waarover de moeder

zich niet ongerust behoeft te maken. Indien het niet uitgebraakt wordt,

maakt het de ontlasting donker. Vele middelen worden aangegeven om die

wondjes, die een enkele maal eene belangrijke uitbreiding kunnen

verkrijgen, te genezen. Gelukt dit niet, dan kan het, waar ook het

zoogen met een tepelhoedje nog te pijnlijk is, noodig blijken het kind

eenige dagen van de borst te nemen, gedurende welken tijd dan meermalen

daags het zog met een zogpomp of door melken uit de borst moet genomen

en aan het kind gegeven worden. De genezing kan zelfs tien tot veertien

dagen vereischen, doch gewoonlijk kan men het kind reeds vroeger, als

de tepel minder gevoelig geworden is, weder aanleggen. In hoogst enkele

gevallen moet somtijds het zoogen opgegeven worden.

Dit laatste kan ook het geval zijn bij de zeer zeldzaam voorkomende

overgevoeligheid van den tepel, een toestand, waarbij aan de tepels

geen enkele afwijking is waar te nemen en toch het zoogen voor de

moeder een ware marteling is, door de pijnlijkheid, met uitstraling

naar de zijkanten van de borst en naar den rug. Ook hierbij beproeve

zij eerst het tepelhoedje, waarbij de maaltijd gewoonlijk langer duurt,

voordat zij het zoogen opgeeft.

Verder komt het voor, dat de borst niet gemakkelijk melk geeft. Een

flink ontwikkeld kind vooral zal op den duur die moeilijkheid wel

overwinnen. Men kan trachten de borst williger te maken, door haar te

melken. Eene al te volle borst wordt door het uitspuiten van de eerste

melk-porties gemakkelijker te vatten.

Dat de borst inderdaad te weinig zog afscheidt, komt veel minder voor

dan nog maar al te vaak gedacht wordt. Daarom moet de moeder de poging

tot borstvoeding niet te spoedig opgeven, en, voor zij tot het geven

van bijvoeding overgaat, trachten door het prikkelen van de borst, door

melken, hetgeen zijzelve gemakkelijk leeren kan, of door uitpompen,

deze tot meerdere afscheiding te brengen. Ook voorzichtige massage kan

hierbij helpen. Het kan evenwel niet ontkend worden, dat somtijds, en

merkwaardigerwijze komt dat na de eerste bevalling nog al eens voor, de

zogafscheiding al spoedig onvoldoende is. Het toedienen van een of

ander middel aan de moeder, het moge lactagol, somatose, malztropon of

anders heeten, heeft geen nut. Waar zulk een middel wel eens schijnt te

helpen, is dat te wijten aan suggestieven invloed, welke de moeder tot

meer volharding bracht. Tot nog toe is er geen enkel voedings- of

geneesmiddel gevonden, dat inderdaad de borst tot meerdere

zogafscheiding aanzet. Van belang is veel rust en goede voeding van de

moeder, welke volstrekt niet alleen of in hoofdzaak uit de zoo

hooggeroemde pap moet bestaan.

Van te voren, namelijk gedurende de zwangerschap, is nimmer te

beslissen of de aanstaande moeder al dan niet haar kind zal kunnen

zoogen.

Meestal zal men niet voor het einde van de tweede week kunnen bepalen,

of de afscheiding van zog beneden de als normaal aan te nemen

hoeveelheid blijft, waarvoor men een minimum van 150 grammen per etmaal

in de eerste week of het dubbele in de tweede week stellen kan. Indien

evenwel verschijnselen van ondervoeding optreden, het kind niet

voldoende in gewicht toeneemt en de pogingen om de hoeveelheid zog te

vermeerderen, b.v. ook nog door het kind wat vaker en aan beide borsten

aan te leggen, mislukken, zal men tot bijvoeding moeten overgaan.

Mocht het gebeuren dat, door welke oorzaak dan ook, een der borsten

niet genoeg of in het geheel geen zog levert, dan neemt dikwijls de

werkzaamheid van de andere borst zoodanig toe, dat zij alleen de

noodige hoeveelheid voortbrengt.

Bij het kind kan de oorzaak gelegen zijn in misvorming van den mond en

van het verhemelte, zooals wolfsmond, hazelip, gespleten verhemelte.

Gewoonlijk zal alleen de wolfsmond of dubbele hazelip en eene wijde

spleet in het verhemelte het zuigen beletten, terwijl het kind bij

eenzijdige hazelip het zuigen wel leert. Ook pijnlijkheid in den mond,

b.v. door spruw, kan het kind in het zuigen belemmeren, alsmede

verkoudheid, waardoor het ademhalen door den neus bemoeilijkt of

vrijwel onmogelijk is. Ten slotte zijn er somtijds kinderen, zelfs van

normaal gewicht, die te slap zijn om met voldoende kracht te zuigen.

Dat de tongriem het zuigen belet, en daarom moet ingeknipt worden, is

zoo zelden het geval, dat men practisch wel zeggen kan, dat dit niet

voorkomt. Zoolang het kind òf niet zuigen kan òf onder de genoemde

omstandigheden te weinig voedsel krijgt, geve men het uitgemelkt of

uitgepompt zog, met een lepeltje of uit een fleschje.

Uit het voorafgaande blijkt, dat men, voordat men aanneemt dat het kind

ondervoed wordt, nauwkeurig rekening heeft te houden met verschillende

mogelijkheden.

Wij komen nu nog even terug op den invloed welke, naar men zegt, op de

vorming van het zog, met betrekking tot hoeveelheid en hoedanigheid,

wordt uitgeoefend door verschillende gebeurtenissen of door ziekten van

de moeder.

Het verschijnen van de menstruatie gedurende het zoogen is geen reden

om het kind van de borst te nemen. Somtijds wordt gedurende de

menstruatie wat minder zog afgescheiden of is dit het geval een of twee

dagen van te voren, terwijl het zog weder toeneemt kort voor het einde

daarvan, doch steeds duurt het slechts korten tijd. Meestal heeft dit

geen invloed op het kind; somtijds is het wat lastig en vertoont lichte

stoornis in de spijsvertering, terwijl het gewicht in die dagen niet

toeneemt.

Bij vrouwen in het eerste kraambed is het weder intreden van de

menstruatie in de derde week een niet zelden waar te nemen

verschijnsel. Volgens Bendix treedt zij bij de helft der vrouwen na 3–8

weken op; volgens Remy hebben 43% der zoogende vrouwen de menstruatie,

waaronder 26% de menstruatie onregelmatig. Er schijnt een vierwekelijks

en een zeswekelijks type voor te komen, zoowel bij zoogende als bij

niet zoogende moeders. De eerste menstruatie kan verwacht worden op den

42en of 28en, 21en of 14en, 10en of 11en dag, soms reeds op den 7en dag

van het kraambed (Schatz).

Wij vinden vermeld, dat het eerste loslaten van een eitje uit den

eierstok, naar de menstruatie te oordeelen, ongeveer in een termijn van

3–7 weken plaats vindt. Bij uitzondering gebeurt dat vroeger, zoodat

bevruchting reeds weder in de eerste drie weken kan optreden, en,

bovenvermelde mededeeling van Schatz in aanmerking nemende, zou dat

reeds op den zevenden dag van het kraambed kunnen gebeuren. Vrij

algemeen verbreid is echter de meening, dat eene zoogende vrouw niet

zwanger worden kan. Hoe onjuist die meening is, blijkt, behalve uit het

bovenstaande, nog uit de beteekenis van de woorden „blind zwanger

worden” of „blind opgezet worden”, waarmede wordt te kennen gegeven,

dat de vrouw gedurende het zoogen zwanger werd. Dat „blind” heeft dan

betrekking op het feit, dat zulk eene vrouw gedurende het zoogen de

menstruatie niet zag intreden. Menige vrouw die het zoogen, met de

bedoeling om eene nieuwe zwangerschap te voorkomen, veel te lang

voortzette, heeft dan ook ondervonden hoe onjuist die meening is.

Bevruchting blijft aanvankelijk zonder invloed op het zoogen, doch met

voortschrijdende zwangerschap wordt de zogafscheiding minder en houdt

allengs op. Vele moeders hebben, zonder eenige schade voor het zoogende

kind, voor haarzelve of voor de vrucht die zij herbergt, tot in de

tweede helft der zwangerschap kunnen zoogen. In ieder afzonderlijk

geval heeft men dus eene beslissing te nemen in verband met den

toestand der moeder. In het algemeen neemt allengs de hoeveelheid zog

af, zoodat het tijdperk om het kind te spenen vanzelf ingeleid wordt.

Dat gemoedsbewegingen van invloed zijn is in het algemeen niet te

loochenen, al is het zeker, dat de schadelijke inwerking dikwijls

achterwege blijft en de vrees, welke men er algemeen voor koestert,

zeer sterk overdreven is. Opwinding, schrik, angst, zorg en verdriet,

smartelijk sterk op den geest inwerkende gebeurtenissen kunnen wel

degelijk, wanneer zij hevig zijn, zij het dan ook tijdelijk, stoornis

brengen in de zogafscheiding, hetzij dat de hoeveelheid zog vermindert,

hetzij dat bij overvulde borst, ondanks krachtig zuigen van het kind,

niets of slechts zeer weinig te voorschijn komt. Het kind krijgt dan

natuurlijk niet genoeg, zal lastig zijn en misschien zelfs eene

leelijke luier afdoen, maar de daaraan verbonden meening, dat het kind

„het” van de moeder „afgezogen” heeft, is onjuist. Op den duur zal de

borstvoeding er niet onder lijden.

Het oordeel of ziekte van de moeder, hetzij chronisch of acuut, tot het

besluit zal leiden om niet te zoogen, behoort geheel en al tot het

terrein van den geneesheer.

Het ligt voor de hand, dat wij nu gaan bespreken hoelang de moeder het

kind uitsluitend aan de borst zal trachten groot te brengen, met andere

woorden, wanneer het gespeend moet worden. Dit zal ons dan vanzelf

leiden tot de bespreking van andere dan natuurlijke voeding.

Een voor alle gevallen passend antwoord op die vraag is niet te geven.

In het algemeen kan men wel een tijdperk van zogvorming aannemen, doch

in het bijzonder hangt veel af van omstandigheden en van de

individualiteit der moeder, zelfs na opeenvolgende baringen.

Men kan zeggen, dat de afscheiding van zog in de eerste zes tot acht

weken na de baring toeneemt, om dan verschillend langen tijd, ongeveer

gedurende zes tot acht maanden, stand te houden en daarna af te nemen.

Van nature zou het verschijnen van de eerste tanden erop wijzen, dat de

zuigeling niet meer uitsluitend vloeibaar voedsel behoeft te ontvangen,

doch het komt maar al te vaak voor, dat ook moeders, van de groote

waarde der borstvoeding overtuigd, daarmede voortgaande, reeds voor

dien tijd de hoeveelheid melk zien verminderen, het kind weinig in

gewicht zien toenemen en dus wel genoodzaakt zijn daarbij ander voedsel

toe te dienen. Te lang voortgezette voeding aan de borst blijft niet

zonder nadeeligen invloed op het kind, omdat niet alleen de hoeveelheid

onvoldoende wordt, maar ook de samenstelling van het zog verandert, in

dien zin, dat het onvoldoende voedingsstoffen bevat. De verschijnselen,

welke het kind gaat vertoonen, zijn samen te vatten onder het algemeene

beeld van bleekheid en slapte. Het kind begint om zoo te zeggen te

verwelken, terwijl niet zoo zelden teekenen van beginnende Engelsche

ziekte zich voordoen.

Vaak kan het noodig zijn om omstreeks de zevende maand, somtijds reeds

vroeger, tot bijvoeden over te gaan. Dan is het de vraag, welk voedsel

men geven en op welke wijze men den overgang van het natuurlijke

voedsel tot het andere tot stand brengen zal. Afgezien van de gevallen

waarin men genoodzaakt is dit plotseling te doen, moet die overgang

geleidelijk geschieden. Dat gebeurt dan door het toepassen van wat men

gemengde voeding (allaitement mixte) noemt, d.w.z. dat men gedeeltelijk

de borst, gedeeltelijk de flesch geeft.

Dit kan op twee manieren gebeuren, namelijk door òf na iederen maaltijd

aan de borst een fleschje te geven, òf door eenmaal of meermalen daags

een borstmaaltijd door een fleschmaaltijd te vervangen. Mijns inziens

is de eerste manier aan te bevelen, omdat men zoodoende de borst aan

den gang houdt, den overgang dus geleidelijker kan doen plaats vinden,

en omdat de mogelijkheid niet is uitgesloten, dat de zuigeling,

bespeurende dat het zuigen aan de flesch gemakkelijker gaat dan aan de

borst, minder of geen lust gevoelt aan de borst te drinken. Intusschen

is het niet altijd mogelijk om deze manier te volgen, waarbij dan

spoedig blijkt, dat de borst steeds minder zog afscheidt, zoodat het

kind binnen zeer korten tijd alleen op de flesch is aangewezen.

Voor wij verder gaan is het noodzakelijk erop te wijzen, dat men zoo

mogelijk moet vermijden tot het spenen over te gaan in het warme

jaargetijde. Kinderen die in het warme jaargetijde gespeend worden, ook

al geschiedt dit geleidelijk, loopen het grootste gevaar ernstige

stoornissen in de spijsvertering te verkrijgen.

Van belang is het, om na te gaan welk voedsel men geven moet, in welke

hoeveelheid, van welke samenstelling en hoe dit moet bereid worden.

Bovenaan staat het vervangen van de moedermelk door koemelk. Zonder in

te gaan op het vraagstuk op welke wijze er, met het oog op de

gezondheid niet alleen van den zuigeling maar van allen die melk

gebruiken, voor gezorgd behoort te worden, dat de koemelk zoo wordt

afgeleverd, dat zij geen schadelijke bestanddeelen bevat en van goede

samenstelling is, moet erop gewezen worden, dat de moeder, die haar

kind dit voedingsmiddel zal toedienen, daaraan de grootst mogelijke

reinheid en zorg moet besteden. Een zuigeling slikt desnoods alles wat

men hem geeft, indien het hem smaakt, maar reageert uiterst sterk op

alle minderwaardig voedsel.

Het is algemeen gebruikelijk de koemelk zoodanig te wijzigen, dat zij

tot voedsel van den jeugdigen zuigeling kan dienen. Daarom wordt zij

verdund en worden er stoffen aan toegevoegd, welke, in aansluiting aan

de ervaring, nuttig zijn gebleken voor het doel waarvoor zij moeten

dienen. Een algemeenen regel voor verdunning en toevoeging is

natuurlijk niet te geven, omdat dit afhankelijk is van den leeftijd, en

van den toestand waarin de zuigeling verkeert. Daarom blijft elke

voeding met tegennatuurlijk voedsel eene, welke in ieder bijzonder

geval tastenderwijze moet worden toegepast, dat wil zeggen, dat men

steeds moet probeeren. Dit betreft niet alleen de samenstelling, doch

ook de wijze van toediening, vooral met betrekking tot het aantal

maaltijden, de hoeveelheid en den graad van warmte.

Laat ons beginnen met het moeilijkste geval, namelijk dat de zuigeling

van den aanvang af tegennatuurlijk voedsel gebruiken moet. Dan is er

sprake van: het kind moet aan de flesch. Goed, maar welk voedsel zal

men het kind geven? Hoe moet het voedsel bereid worden? Welke

voorzorgen heeft men te nemen, opdat het kind groeie en geen nadeel

ondervinde?

Het eenvoudigste is, het kind koemelk te geven, met water verdund en

suiker daaraan toegevoegd.

Het voedsel kan men in het algemeen op tweeërlei wijze bereiden en wel:

alles in eens gereed maken voor het gebruik in 24 uren of voor elke

flesch afzonderlijk.

Het eerste is het gemakkelijkst. Men kan dan als volgt te werk gaan.

Men maakt van te voren op, hoeveel voedsel de zuigeling vermoedelijk in

24 uren gebruiken zal. Daartoe is het noodig eenige cijfers te kennen

en dat zijn die, welke de gemiddelde hoeveelheden, door een aan de

borst gevoed kind gebruikt, aangeven. De gemiddelde hoeveelheden,

waaraan, zooals uit de boven uit mijne praktijk gegeven getallen

blijkt, zich niet alle kinderen zullen houden, omdat ook de

hoeveelheden, door flesschenkinderen gebruikt, belangrijke verschillen

vertoonen.

Van de regels, welke worden aangegeven, komen mij de opgaven van een

onzer Nederlandsche kinderartsen, Dr. E. Gorter, het meest geschikt

voor. Volgens die opgaven heeft een zuigeling op den 1sten dag niets,

op den 3en dag 100 grammen, op den 6en dag 300–350 grammen, op den

10den dag 400–450 grammen, op den 14den dag 150 maal het aantal

kilogrammen lichaamsgewicht aan grammen noodig. Aangezien ook de

verhoudingen, door dienzelfden geneesheer aangegeven, mij—als

algemeenen regel—geschikt voorkomen, geef ik die hier weder, met de

opmerking, dat het blijken zal, alweder in verband met den algemeenen

toestand van iederen zuigeling, dat afwijkingen nu en dan zullen

voorkomen. Ik leg dus den nadruk op de woorden „als algemeenen regel”.

Hij geeft dan aan, dat men het kind voor de eerste 14 dagen een mengsel

zal geven van 1 deel koemelk en 2 deelen water, dat 8% suiker bevat,

dus b.v. op den 10den dag: 150 gr. koemelk, 300 gr. water en 24 gr.

suiker (⅓ melk), en dat men daarbij nauwlettend heeft na te gaan, of

het kind in alle opzichten gezond is.

Te beginnen met den leeftijd van 14 dagen, of 3 weken, wordt dan

overgegaan tot een mengsel van 1 deel koemelk en 1 deel water, dat 8%

suiker bevat (½ melk).

Om nu te weten hoeveel grammen men van dit mengsel per dag ongeveer

geven zal, kan men van de gegevens op bl. 156 gebruik maken, b.v. door

het lichaamsgewicht (in kilogrammen) te vermenigvuldigen met 150. Als

voorbeeld gelde, dat een pasgeborene, die op den 6en dag 3 K.G. weegt,

300 gr. voedsel krijgt, waarvoor noodig is: 100 gr. melk, 200 gr. water

en 16 gr. suiker; een kind van 3 weken, wegende 3,5 K.G., krijgt 500

gr. voedsel, dus: 250 gr. melk, 250 gr. water en 20 gr. suiker, terwijl

men, als het kind met deze hoeveelheid, zonder ziek te zijn, niet

groeit, opklimt tot 300 gr. melk, 300 gr. water en 24 gr. suiker.

Zoodra het kind 4–6 weken oud is, zal meestal de voeding met 2 deelen

koemelk en 1 deel water met 10% suiker (⅔ melk) worden geregeld, bij

welk mengsel het kind kan blijven tot het 4–6 maanden oud is. De

hoeveelheid, die hiervan wordt gegeven, wordt weer berekend door het

aantal kilogrammen, die het kind weegt, met 150 te vermenigvuldigen

zoolang het jonger dan 3 maanden is, en met 140 als het ouder is. Van

dit mengsel kan men ongeveer evenveel geven als de hoeveelheid

moedermelk.

Vanaf de 4e of 6e maand ongeveer kan men, volgens Dr. Gorter, eene

kleine hoeveelheid meel aan het mengsel toevoegen, te beginnen met 5

gr., dan al spoedig 10 gr. per dag. Dit meel vervange dan eene gelijke

hoeveelheid suiker. Voorbeeld: Een kind van 5 maanden, weegt 6,5 K.G.,

krijgt 6,5 × 140 gr. = 910 gr. en wel 600 gr. melk, 300 gr. water, 20

gr. suiker en 10 gr. meel. [7]

Hij merkt terecht op, dat ook met op andere wijze samengesteld voedsel

gunstig gevolg kan verkregen worden, doch dat dit mengsel het voordeel

heeft van zeer eenvoudig te zijn.

Men heeft dus niets anders te doen, dan de voor 24 uren benoodigde

hoeveelheid melk en water te meten, de suiker af te wegen en dit alles

bij elkander gevoegd in een pan gedurende b.v. 5 minuten goed te laten

koken. Door het koken verdampt gedurende dien tijd eene hoeveelheid

water, welke door toevoeging van gekookt water tot de oorspronkelijke

hoeveelheid moet aangevuld worden. De pan wordt met een deksel

gesloten, vervolgens snel afgekoeld, het best in stroomend water, en

dan op eene koele plaats bewaard, om telkens als eene flesch zal

gegeven worden, de hoeveelheid, voor een maaltijd bepaald, daarin over

te gieten.

Voor men het kind de flesch geeft moet die gewarmd worden. Dit doet men

het best, door haar in warm water te zetten. De graad van warmte voor

het voedsel, dat zich in de flesch bevindt, kan men beoordeelen door de

flesch, nadat die eenigen tijd in het warme water gestaan heeft, af te

drogen, te schudden en dan tegen het ooglid van het gesloten oog te

houden. Indien men de vraag, of de flesch warm of koud aanvoelt,

slechts aarzelend kan beantwoorden, kan men rekenen dat het voedsel de

goede temperatuur heeft. Eene andere manier is deze, dat men een weinig

van het voedsel in een lepel giet en dat proeft, waarbij men tevens kan

nagaan of de smaak goed, het voedsel niet bedorven is, hetgeen in den

zomer gemakkelijk geschiedt. Daarom is het aan te bevelen, vooral in

den zomer, het mengsel tweemaal per dag, telkens dus de helft van de

benoodigde hoeveelheid, te bereiden.

De tweede bereidingswijze is omslachtiger, ofschoon beter. Zij bestaat

hierin, dat men dadelijk de voor 24 uren gereedgemaakte hoeveelheid

voedsel over het aantal flesschen, door het kind te gebruiken, verdeelt

(in alle flesschen dezelfde hoeveelheid) en deze flesschen, van eene

kaoutchouk-sluiting voorzien, in een pan met water, waarvan het

oppervlak op gelijke hoogte of iets hooger dan dat van de melk in de

flesschen staat, plaatst, om daarin te koken, waarna de fleschjes, uit

de pan genomen, afgekoeld en op eene koele plaats bewaard worden. In

den handel zijn daarvoor de toestellen, naar Prof. Soxhlet genoemd, te

verkrijgen.

In plaats van water, als verdunningsvloeistof, wordt ook wel een

afkooksel van rijst of gort gebruikt, terwijl door vele geneesheeren

van den aanvang af ook meel wordt toegediend. Deze afkooksels moeten,

vooral in den zomer, met het oog op zuur worden, minstens tweemaal per

dag bereid worden. (Zie voor recepten: Aanhangsel).

In plaats van rauwe melk gebruikt men somtijds gepasteuriseerde melk,

doch aangezien deze niet zeker vrij van bacteriën is, zou men haar

eveneens moeten koken, waardoor zij te veel verandert om nog als

geschikt voedingsmiddel te mogen gelden. Met goed gevolg, door vele

geneesheeren aanbevolen, wordt ook gebruik gemaakt van de zoogenaamde

bussenmelk of gecondenseerde melk.

De eenvoudigste flesch is de beste. Zij moet gemakkelijk te reinigen

zijn. In den handel komen er voor met eene reeks boven elkander

geplaatste streepjes, met de bedoeling daarmede de hoeveelheden af te

meten, doch welke het nadeel hebben, dat zij in het glas ingedeukt zijn

en dus moeilijk schoon te maken, terwijl de afstanden niet gelijk zijn.

Na het gebruik moet men de flesch dadelijk met koud water uitspoelen en

met, liefst gekookt, water gevuld en met een dotje schoone

verbandwatten afgesloten, wegzetten. Er is slechts één goed model

speen, in den vorm van een handschoenvinger, van zwart of rood

kaoutchouk. Men moet haar, met het oog op reiniging, gemakkelijk kunnen

omstulpen. Met eene gloeiende naald, welke snel ingestoken en

uitgehaald wordt, maakt men er eene opening in, waardoor het vocht

slechts druppelsgewijs kan uitloopen. Elke nieuwe speen moet men, voor

het gebruik, uitkoken; later is het voldoende haar, van buiten en van

binnen, onmiddellijk na het gebruik, in stroomend water te reinigen en

in een bakje met zuiver, gekookt, water te bewaren.

Bij het voeden met de flesch moet men zeer voorzichtig zijn, omdat

juist hierbij gemakkelijk stoornissen in de spijsvertering optreden.

Daarom lette men op sommige dingen, welke wel eens als kleinigheden

beschouwd worden.

Men mag de flesch niet bij het kind nederleggen, het den speen in den

mond stoppen en dan aan het kind zelf overlaten, hoe het zich redden

wil. De moeder, of wie het kind de flesch geeft, moet die in handen

houden en het kind, terwijl het op den schoot of in het bedje ligt,

voeden; daarbij geduldig zijn en opletten, dat het kind niet te

schielijk drinkt. Daarom mag de opening in de speen niet te groot zijn.

Is de opening te groot, dan drinkt het kind de flesch te spoedig leeg.

Men kan trachten daaraan te gemoet te komen, door binnen in de speen,

tegen de daarin gemaakte opening aan, een stukje schoon hydrophiel gaas

of een propje schoone verbandwatten te leggen, zoodat het vocht niet

zoo snel uit de opening vloeien kan. Het spreekt vanzelf, dat men dit

stop-middeltje, bij het reinigen, moet wegwerpen.

Indien het kind niet naar behooren zuigt, kan de oorzaak daarin gelegen

zijn, dat het voedsel te warm of, wat minder vaak voorkomt, te koud is.

Aangezien het kind ook voor het leegdrinken van de flesch een

twintigtal minuten noodig zal hebben, is het goed om de flesch,

teneinde het afkoelen te voorkomen, met een zakje van wol of van eene

andere, de warmte slecht geleidende, stof te omhullen.

Vooral bij deze wijze van voeding kan het kind te veel voedsel krijgen,

overvoed worden. Het kan echter ook te weinig krijgen, zoowel doordat

te weinig per maaltijd gegeven wordt, als doordat, bij voldoende

hoeveelheid, de voedingswaarde, tengevolge van te sterke verdunning, te

gering is. Er behoort dan ook bij de voeding met de flesch eene groote

mate van oplettendheid betracht te worden. Wanneer de moeder inderdaad

die oplettendheid betracht en nauwkeurig acht geeft op den toestand van

den zuigeling, in verband met een regelmatig verloop van het gewicht en

in verband met eene behoorlijke ontlasting, kan zij, naar mijne

overtuiging, ook hierbij, met inachtneming van het bij de borstvoeding

besprokene, de regeling van het aantal maaltijden en de hoeveelheden,

per maaltijd te gebruiken, in den beginne aan het kind overlaten. Zij

bedenke daarbij, dat van een te sterk verdund mengsel grootere

hoeveelheden noodig zijn om aan de behoefte van het kind te voldoen, en

geve dus liever te weinig dan te veel. Bij mijne eigene kinderen,

waarvan er twee van den aanvang af met koemelk moesten gevoed worden,

handelde ik als volgt. Er werd begonnen met 1 deel melk en 2 deel

water, waarbij melksuiker gevoegd was. In iedere flesch werd zooveel

van het mengsel geschonken, dat er, als het kind gedronken had, altijd

iets in de flesch overbleef. Indien de ontlasting daarbij goed was,

zoowel wat aantal als vastheid en kleur betrof, werd zoolang bij deze

samenstelling gebleven, tot de ontlasting veranderde. Werd de

ontlasting dunner, dan werd een kleine hoeveelheid melk meer gegeven.

Aangezien de verhouding steeds op 100 gram berekend werd, beantwoordde

aan eene grootere hoeveelheid melk eene kleinere hoeveelheid

melksuikeroplossing. Bijvoorbeeld: Voor 100 gram mengsel werden genomen

34 gram melk en 66 gram melksuikeroplossing. Was de ontlasting daarbij

normaal, dan bleef het bij die verhouding, totdat de ontlasting iets

dunner en vaker geloosd werd. Dan werden 36 gram melk en 64 gram

melksuikeroplossing genomen. Werd daarbij de ontlasting weder normaal,

dan bleef het daarbij; kwam de ontlasting nog niet naar wensch, dan

werden genomen 38 gram melk en 62 gram melksuikeroplossing. Was evenwel

de ontlasting te stijf, dan gebeurde het omgekeerde en werden genomen

32 gram melk en 68 gram melksuikeroplossing. Op die wijze werd, al naar

het noodig bleek, tastenderwijze het voedsel met kleine schommelingen

gewijzigd, zoodat gemakkelijk en zonder gevaar kon worden beproefd, wat

op een bepaald tijdstip noodig was. Daarbij werd het merkwaardige feit

genomen, dat het eene kind eenige maanden vroeger volle melk verdragen

kon dan het andere, een bewijs hoe groote verschillen zelfs bij

kinderen van dezelfde ouders kunnen voorkomen.

Dat ook bij de tegennatuurlijke voeding, onder bijzondere

nauwlettendheid, aan het kind de regeling kan worden overgelaten, moge

blijken uit nevenstaande kromme van tweelingen, welke aldus werden

groot gebracht. Op de titelplaat ziet men de tweelingen in het bedje en

daarvoor, op den grond zittende, een zusje, dat dezelfde vrijheid aan

de borst genoten had; op de plaat tegenover bl. 176 de tweelingen, acht

maanden oud. Bij geen van drieën werd eenige stoornis waargenomen.

Foto’s [8] en kromme (curve) werden mij, met toestemming der moeder,

welwillend verstrekt door de verpleegster, die moeder en kinderen, mij

overigens geheel onbekend, verpleegde.

Het is niet zonder aarzeling, dat ik deze mijne opvatting over de

tegennatuurlijke voeding neerschrijf, omdat, zooals reeds gezegd, aan

de tegennatuurlijke voeding meer gevaren verbonden zijn dan aan de

borstvoeding, en mijne opvatting, voorloopig althans, geheel afwijkt

van hetgeen tegenwoordig geleerd wordt. Ik beveel haar dan ook niet

onvoorwaardelijk aan, doch geef den raad, om in ieder bijzonder geval

de hulp van den geneesheer over de wijze van voeding in te roepen,

terwijl moeders, die in afgezonderd gelegen streken, zooals in onze

koloniën nog al eens voorkomt, wonen, waar slechts met groote moeite en

kosten het oordeel van een geneesheer kan worden ingewonnen, verstandig

doen door zich zooveel mogelijk te houden aan het beginsel, neergelegd

in het bovenvermelde omtrent samenstelling en hoeveelheid van het

voedsel en omtrent het aantal der maaltijden. Waar men zoo gelukkig is

den geneesheer steeds te kunnen raadplegen is mijn papieren geneesheer

overbodig.

Ondervoeding behoeft men bij de fleschvoeding niet zoozeer te duchten,

omdat daarin betrekkelijk minder gevaar schuilt voor den zuigeling dan

in overvoeding. Die overvoeding is dan meestal te wijten aan de

omstandigheid, dat de moeder te veel en te vaak voedsel geeft, telkens

als het kind huilt of onrustig is en de hand in den mond stopt na het

drinken. Gewoonlijk bespeurt men dit het eerst aan de luiers, waarin

eene dunne groene en slijmerige of dunne gele, witte stukjes

bevattende, ontlasting voorkomt, welke vijf- tot zesmaal per dag

geloosd wordt. Het kind spuwt, geeft „boertjes” op, loost winden,

slaapt minder, de buik is opgezet; het wordt mager, gaat er slechter

uitzien, bleek met ingevallen oogen, welke toestand toenemend erger

wordt. Somtijds treden deze verschijnselen plotseling op. Het beste is

om, totdat de geneesheer verschijnt, dadelijk een streng dieet toe te

passen, b.v. het kind slechts gekookt water of zeer slappe thee te

drinken te geven. Bij het toedienen van thee wordt de ontlasting

donkerder van kleur.

Minder moeilijk is het, als de zuigeling te eeniger tijd te weinig

voedsel uit de borst krijgt en het noodig blijkt het tekort op andere

wijze aan te vullen. Dat zal dan geschieden door de zoogenoemde

gemengde voeding. De meening dat het geven van tweeërlei voedsel niet

goed zou zijn, is volkomen onjuist. Wat de zuigeling nog van de

moedermelk krijgen kan, al is het nog zoo weinig, komt hem ten goede en

het zal betrekkelijk slechts zelden voorkomen, dat de overgang van

natuurlijke tot tegennatuurlijke voeding plotseling noodig blijkt.

Een geleidelijke overgang is van te meer belang, naarmate het kind

jonger is. Van den leeftijd zal ook afhangen, wat men als bijvoeding

geven zal. Ook hierbij staat het toedienen van koemelk, in verdunningen

welke samengaan met den leeftijd van het kind, bovenaan en zal het

noodig zijn steeds tastenderwijze te werk te gaan, alles in verband met

den toestand van het kind.

In plaats van verdunde koemelk wordt bij ondervoeding aan de borst, dus

bij te weinig zogafscheiding, vaak uit karnemelk, met meel en suiker,

bereid voedsel, als bijvoeding gegeven, om na eenigen tijd over te gaan

tot de voeding met koemelk. (Bereiding zie aanhangsel).

In verband met de cijfers, vroeger genoemd omtrent hoeveelheid voedsel

en samenstelling, wijs ik er hier nog eens op, dat de hoeveelheden,

waarbij kinderen goed gedijen, zeer verschillend zijn en dat, wat de

samenstelling betreft, geen regel te geven is, welke zonder

uitzondering als de eenig juiste is aan te merken. Zoo is het ook te

verklaren dat er, ondanks eene vrijwel algemeen aangenomen wijze van

voedselbereiding en toediening, nog velerlei verschillende opvattingen

bij geneesheeren zijn op te merken, welke mijns inziens voor een deel

daaraan zijn toe te schrijven, dat zij allen weten, dat ondanks alle

regels het gestel der kinderen ten slotte den doorslag geeft, zoodat in

ieder geval weder moet geïndividualiseerd, d.w.z. geprobeerd, worden.

Dit maakt het dan ook zoo moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk, om

aan te geven hoe „het kind” moet gevoed worden. Van daar ook dat er

zoovele fabriekmatig bereide voedingsmiddelen voor zuigelingen, de een

met meer de ander met minder ophef, in den handel worden aangeprezen en

aangewend, waaruit wel het duidelijkst blijkt, dat eene „kunstmatige

moedermelk” tot nog toe niet gevonden is. Bij het eene kind gelukt de

voeding met dit, bij de andere met dat voedsel, vaak eerst nadat

verschillend lang geprobeerd is. Zij kunnen in den regel ontbeerd

worden, indien de moeder zich houdt aan het voorschrift, dat zij in de

allereerste plaats haar kind moet leeren kennen, in alle opzichten eene

strenge reinheid heeft te betrachten en zich heeft te onthouden van het

overnemen van voedingsmiddelen of voedingswijzen, waarbij kinderen van

vriendinnen of kennissen, dus andere kinderen, al of niet schijnbaar,

beter heeten te groeien dan het hare. In dit opzicht hebben plaatsen,

waar vele moeders verkeeren om hare kinderen van de buitenlucht te doen

genieten, zooals parken, vaak een ongunstigen invloed, omdat daar

gemakkelijk kennis wordt gemaakt en het uitzicht der kinderen

aanleiding geeft tot gesprekken omtrent de wijze van voeding, welke

vooral jonge moeders wel eens aanleiding geven om de tot nu toe bij

haar kind gevolgde wijze te veranderen. Iedere moeder doet verstandig

zich te houden aan den raad, welken zij van den geneesheer, dien zij

eenmaal haar vertrouwen schonk, ontving en al of niet vermeende

afwijkingen met hem te bespreken, omdat alleen de huisarts de

verantwoording dragen kan van zijne eigene opvattingen, welke hij door

eigene ervaring als de juiste meent te moeten doen gelden. Ik meen dan

ook te kunnen volstaan, met hetgeen ik hier in vage trekken heb

trachten aan te geven en mij eveneens te moeten onthouden van

beschouwingen, omtrent voeding en opvoeding, voor lateren dan den

zuigelingenleeftijd.

Slechts heel in ’t kort wijs ik er nog op, dat, afgezien van

individueele verhoudingen, zoowel bij moeder als kind, langzamerhand de

zuigeling, op dikwerf ver uit elkander liggende tijdstippen, bij

tegennatuurlijke voeding tot het gebruik van onverdunde koemelk gekomen

is en dan ook weder geleidelijk ander voedsel zal dienen te ontvangen.

Dit laatste begint van nature recht te verkrijgen, als de tanden te

voorschijn komen, want dan begint het kind van zelf neiging te

vertoonen daarvan gebruik te maken. Tegelijkertijd neemt de afscheiding

van speeksel belangrijk toe, waardoor het kind in staat wordt gesteld

voedsel van vasteren aard te verwerken.

Het is dan ook omstreeks dien tijd, dat de natuur aangeeft dat tot

spenen kan worden overgegaan, welke overgang, zooals reeds vroeger werd

aangegeven, slechts geleidelijk mag plaats vinden. Gewoonlijk zal dit

omstreeks de zevende of achtste maand het geval zijn, somtijds vroeger.

Men begint dan met een maaltijd aan de borst te vervangen door ander

voedsel, vervolgens twee, drie maaltijden, in langer of korter

tijdsverloop, dus steeds geleidelijk, om zoonoodig, b.v. bij het

optreden van ernstige stoornissen, tot het geven van de borst te kunnen

terugkeeren. Dan geve men verdunde melk, waarvan de samenstelling weder

verband heeft te houden met den leeftijd van het kind. Behalve met

water, kan men de melk ook verdunnen met slappe bouillon en

langzamerhand overgaan tot andere spijs, als pap of brij, met melk als

hoofdbestanddeel, al of niet met bouillon bereid, uit griesmeel,

havermeel, een of ander kindermeel, sago, tapioca, brood of beschuit en

daarna tot vaster kost. De duur van het spenen kan zeer verschillend

uitvallen, van 2 tot 3 tot 4 weken en langer. Ook hiervoor is geen

algemeene regel te geven.

Moeder en kind · 第 18 / 28 题