Het voordeel, aan eene dergelijke regeling of zoogenaamde opvoeding
verbonden, is mij nooit gebleken. Indien het kind in den nacht gevoed
wordt, d.w.z. zijn buik vol krijgt, zal het weder gerust gaan slapen en
de moeder eveneens. Die rust zal beiden meer goed doen dan de onrust
welke, vaak nachten achtereen, moeder, kind en huisgenooten zenuwachtig
maakt. En is het niet dwaas, aan den eenen kant voor te schrijven het
kind te vrijwaren voor onnoodige prikkeling van zijn nog niet ten volle
ontwikkeld zenuwstelsel, door het te behoeden voor sterk inwerkende
geluiden en andere schadelijke invloeden, en aan den anderen kant dat
zenuwstelsel overmatig te prikkelen, door het ten prooi te laten aan
urenlang durende huilbuien? Volgens mij moet het kind dus ook in den
nacht gevoed worden.
Naarmate het kind ouder wordt, zullen ook de tijdsruimten tusschen
zijne maaltijden vrijwel gelijk van duur worden. Voor de tijdsruimte
tusschen den laatsten avond- en den eersten morgenmaaltijd geldt, dat
het kind dikwijls al heel spoedig den geheelen nacht doorslaapt. Zoo
wordt op natuurlijker wijze aan het verlangen, ’s nachts niet te
voeden, voldaan, dan door een stelsel van dwang, dat vaak genoeg niet
tot het beoogde doel leidt en den zuigeling zenuwachtig maakt.
Als het bij uitzondering al te lang mocht duren, voor het kind den
nacht blijft doorslapen, zal de moeder er vanzelve toe besluiten om
daarin den gewenschten regel te brengen. Zij bedenke evenwel, dat het
kind onrustig zijn kan, omdat de luier nat is. Het kind kan dan weder
inslapen, maar het kan ook gebeuren, dat het onrustig blijft en het zal
eerst dan weder rustig worden en den slaap voortzetten, als het
verdroogd is. Hieruit blijkt, dat het niet in alle gevallen, niet
altijd, noodig is, het kind, als het schreit, de borst te geven. Werd
dat in den beginne wel gedaan, dan moet de moeder het nu nalaten, doch
het kind verdrogen en weder in zijn bedje leggen. Misschien zal het
niet dadelijk den slaap vatten, omdat het—gewoon geworden aan het
voeden—weder begint te schreien, doch nu geldt het niet aan dat
verlangen te voldoen. Het kind zal zich vermoedelijk niet dadelijk in
de nieuwe regeling schikken, doch indien volgehouden wordt, begrijpt
het ten slotte wel, dat het zijn zin niet krijgt en dan is het pleit
voor de moeder gewonnen.
Voor iederen maaltijd moet het kind verdroogd worden. Men zal dikwijls
bespeuren, dat het kind gedurende het zuigen de luier weder nat maakt,
maar dan behoeft men de luier niet te verwisselen als het kind, na de
borst genomen te hebben, slaapt. Dan zou het weder wakker kunnen worden
en allicht niet gemakkelijk den slaap weder vatten. Men make alleen
eene uitzondering wanneer het kind gesmette billen heeft; de natte
luier zou dan den toestand verergeren, niet omdat de urine van een
gezond kind scherp is, zooals de moeders vaak meenen, en die scherpe
urine de billen stuk maakt, maar omdat de urine scherp wordt, als men
het kind lang in de natte luier laat liggen.
In de eerste dagen na de geboorte kan het aanbeveling verdienen het
kind bij iederen maaltijd beide borsten te geven, omdat er nog geen
voldoende hoeveelheid zog wordt afgescheiden. Als die hoeveelheid
toeneemt, zal het kind allengs uit één borst genoeg zog drinken. Men
geve dan om beurten de rechter en de linker borst. Mocht de hoeveelheid
zog, uit één borst verkregen, ook de volgende dagen nog ontoereikend
blijven, dan zal het altijd beter zijn beide borsten na elkander te
geven, dan één borst en daarna, als bijvoeding, een fleschje. Waarom
toch zou men kunstvoedsel geven, als het kind, door beide borsten leeg
te drinken, het natuurlijke voedsel in voldoende hoeveelheid krijgen
kan?
Somtijds geeft de borst veel meer zog, dan het kind verorberen kan. Dat
kan reeds in den aanvang het geval zijn, zoolang de zuigeling nog zeer
weinig drinkt, doch dat komt vanzelf terecht, als het kind meer gaat
drinken. Maakt de borst meer zog dan het kind nemen kan, dan zal er zog
in de borst achterblijven. De borst is dan na het zuigen nog of spoedig
daarna weder gespannen; er zijn duidelijk harde plekken in de borst te
voelen; zij is pijnlijk, vooral bij betasting; er is geen koorts. Men
spreekt dan van zogstuwing. In de meeste gevallen is het voldoende de
borst goed op te binden, in een warm-waterverband, om dit ongemak te
doen verdwijnen. Daarbij is het goed de voeding van de kraamvrouw, maar
vooral het drinken, tijdelijk te beperken en de ontlasting te
bevorderen, b.v. door toediening van bitterwater, ’s morgens een glas
op de nuchtere maag. Er wordt wel eens aangeraden om de met olie
ingevette borst voorzichtig te masseeren, doch daarbij moet op het
woord „voorzichtig” zeer sterk de nadruk gelegd worden, omdat het mij
voorkomt, dat met massage het gevaar voor ontstaan van eene „zweerende
borst” stijgt.
Zogstuwing kan ook bij niet te overvloedige vorming van zog optreden,
indien het kind niet met voldoende kracht zuigt. Ja, in de meeste
gevallen is daarin de oorzaak gelegen, b.v. in de eerste dagen, als het
kind nog slaperig is, wat vooral bij geelzucht, maar ook bij te vroeg
geboren en zieke kinderen voorkomt. Indien een kind slecht zuigt, kan
het dus noodig zijn het door den geneesheer te laten onderzoeken.
Wordt de zogstuwing niet opgeheven, dan gaat de zogafscheiding
achteruit. Men moet dus de zogstuwing trachten te voorkomen, wat
gebeuren kan door, als het kind de borst niet leeg zuigt, haar met de
zogpomp te ledigen of door een ander, gezond, kind te laten ledig
zuigen. Dit laatste stuit begrijpelijkerwijze nog wel eens op bezwaren.
Ook kan men ertoe besluiten om het kind, als het te lang mocht slapen
en de moeder last krijgt van te sterk gespannen borsten, wakker te
maken en aan te leggen, doch gewoonlijk zal dat niet noodig zijn,
omdat—gelijk gezegd—het kind zich na 3½ of 4 uur aanmeldt.
Als de borst weinig zog levert, kan het eveneens noodig zijn om haar,
door zuigen, tot vorming van meer zog aan te zetten, en wel door het
kind iets vroeger dan den genoemden tijd op te nemen en tot zuigen te
verleiden, maar ook dit wordt gewoonlijk door de natuur zelve reeds
gedaan, daar het kind uit eene weinig zog leverende borst ook te weinig
voedsel krijgt, om zoo lang te slapen. Indien de door mij gegeven raad,
in den beginne aan het kind over te laten het oogenblik voor zijnen
maaltijd te bepalen, gevolgd wordt, zal het slechts uiterst zelden
noodig blijken tot dergelijke maatregelen over te gaan.
Zeer zeker acht ook ik het noodig, om het kind aan regelmaat in het
nemen zijner maaltijden aan de borst te gewennen, doch naar mijne
overtuiging begint men daarmede gewoonlijk te vroeg en met toepassing
van eenen maar al te vaak eenzijdig gestelden regel, en ligt hierin een
der oorzaken voor het optreden van stoornissen in voeding en
spijsvertering.
Het lijkt mij niet aan te bevelen om een kind, dat rustig en vast
slaapt, wakker te maken omdat het voorgeschreven tijdstip voor zijn
maaltijd is aangebroken. Als het waar is, dat voor het kind de slaap
een nog grooter physiologische, d.w.z. voor het gunstig verloop der
levensverrichtingen noodzakelijke, behoefte is dan voor den volwassene,
dan is het ook waar, dat het verstoren van dien slaap eene stoornis in
den gang der physiologische verrichtingen beteekent. Buitendien is het
een bekend feit, dat een kind dat nog gerust slaapt, dus blijkbaar nog
geen behoefte aan voedsel heeft, als het uit de wieg genomen en aan de
borst gelegd wordt, òf niet zuigen wil òf slechts met behulp van
allerlei hem onaangename middelen, zooals het bestrijken van zijn
gelaat met een spons met koud water, heen en weder drukken van het
gelaat over den tepel, tikken tegen de wangen, ertoe gebracht kan
worden betrekkelijk slecht te zuigen, omdat de eetlust ontbreekt. Het
gevolg moet wel zijn, dat het te weinig neemt en dus binnen den
voorgeschreven tijd om zijn maaltijd komt, waaraan dan, volgens het
voorschrift, niet mag worden toegegeven, omdat het wachten moet „tot
het zijn tijd is”. Ligt het niet voor de hand, dat op die wijze het
kind in de war gebracht wordt? En omgekeerd. Het kind zal binnen den
voorgeschreven tijd wakker worden en om eten vragen. Het voorschrift
luidt, dat het maar huilen moet gedurende de spanne tijds, welke hem
nog rest tot zijn tijd gekomen is. En is die tijd aangebroken, dan
zuigt het kind, in de war gebracht door het vergeefsche schreien,
minder gretig, vult wederom zijn buikje onvoldoende, met hetzelfde
gevolg: al weder te vroeg komen voor zijn, volgens voorschrift,
vastgestelden maaltijd. [6]
Ofschoon niet zoo menigvuldig als men beweert, kan het toch gebeuren—en
dat is meestal het geval bij haar die voor het eerst moeder geworden
is—dat de borsten in den beginne te weinig zog vormen. In de eerste
dagen blijven de borsten dan tamelijk slap en week en zijn er met
moeite eenige druppels zog uit te drukken. Dan moet de moeder niet
dadelijk besluiten, om het kind voor goed van de borst te nemen, doch
volhouden, omdat gewoonlijk na eenige dagen, vaak plotseling,
verbetering optreedt. Dit kan wel zes of acht dagen duren. Gedurende
zoo langen tijd kan het kind niet zonder voedsel blijven. Dan geve men
het, nadat het eerst aan de borst gezogen heeft, een fleschje, waarin
een mengsel van één deel melk en twee deelen water, b.v. 30–50 gram,
zoo dikwijls dat noodig blijken mocht. Beginnen de borsten zog te
leveren, dan geve men het kind liever beide borsten, namelijk eerst de
eene en dadelijk daarna de andere, om bij den volgenden maaltijd met de
laatst gegeven borst te beginnen voordat men de tweede geeft, en zoo
vervolgens, dan dat men één borst en daarna een fleschje, als
bijvoeding, geeft.
Of de hoeveelheid zog volstrekt onvoldoende is, zal gewoonlijk niet
binnen de eerste twee weken zijn vast te stellen. Mocht het ’t geval
zijn, dan zal het noodig blijken bij de borstvoeding één of meer
fleschjes, als bijvoeding, te geven. (Zie: Gemengde voeding).
Het komt echter veeltijds, meer dan men over ’t algemeen denkt, nog wel
terecht, d.w.z. dat het blijkt, dat de twijfel te vroeg was opgekomen.
Te geringe afscheiding van zog is immers dikwijls te wijten aan niet
voldoende prikkeling of aan onvoldoende ontlediging van de borst, door
slecht zuigen van het kind.
Bij onvoldoende vorming van zog voelen de borsten slap aan; zij zijn
ook onmiddellijk voor het zuigen niet flink gespannen en na het zuigen
is er geen straaltje zog uit te drukken. Dit laatste geldt echter niet
in alle gevallen.
Zoolang een kind bij borstvoeding alle teekenen van gezondheid
vertoont, moet het aan de borst blijven. Het vindt daar alles wat het
noodig heeft.
Hoe kan een moeder weten of haar kind gezond is en aan de borst gedijt?
In het algemeen kan men het volgende opmerken. De houding van den
gezonden zuigeling, als hij in zijn bedje ligt, is, vooral gedurende
den slaap, eene zeer kenmerkende. Hij ligt op den rug of op zijde,
houdt de armen, in het elleboogsgewricht gebogen, omhoog, de handjes
ter weerszijden van het hoofd; de beenen zijn tegen den buik
opgetrokken. Hij slaapt, vooral gedurende de eerste maanden van zijn
leven, dadelijk na den maaltijd in. De slaap is rustig en diep, zoodat
die nauwelijks door sterke, van buiten af werkende, prikkels gestoord
wordt. De oogleden zijn meestal vast gesloten. Het kind slaapt, vooral
in den eersten tijd van zijn leven, bijna voortdurend, behalve
gedurende den maaltijd. Somtijds schreit hij wel eens, zonder dat men
daarvoor een oorzaak kan vinden. Men spreekt dan van zijn gewone
huiluurtje. Intusschen kan de oorzaak daarvan wel eens gelegen zijn in
de omstandigheid, dat het kind door huisgenooten of anderen, die het
„dotje” wel eens even in handen willen hebben of er mede willen spelen,
met te veel belangstelling vervolgd wordt. Het gevolg is dan
gewoonlijk, dat het kind op den duur wil beziggehouden worden of in
handen zijn, hetgeen niet bevorderlijk is aan zijn rust en zijne
gezondheid. Naarmate het kind ouder wordt, zal het nu en dan wakker
liggen en langzamerhand meer aandacht aan zijne omgeving wijden. Dan
zal de moeder zich ook meer met haar kleine mogen bezighouden, waarbij
zij telkens weder bedenken moet, dat ook in dat opzicht alle overdaad
schaadt. Als moeder en kind om zoo te zeggen samen opgroeien, ontstaat
vanzelve de ware harmonie, welke voor het kind het voordeeligst is.
De gezonde zuigeling heeft eene mooie frissche huidkleur, lichtrood,
vooral in het gelaat, licht rose aan het oor, bij doorschijnend licht,
en aan de voetzolen, of gemarmerd. In den slaap is de kleur gewoonlijk
bleeker. De huid is glad, gaaf, een weinig vochtig en aangenaam warm
als het kind niet te lang bloot ligt. Zij kan niet gemakkelijk in eene
plooi, die onmiddellijk weder verdwijnt, opgelicht worden.
De gezonde zuigeling zweet, tenzij hij overdreven warm gekleed of in
het bedje te warm gedekt is of op andere wijze te warm gehouden wordt,
niet, behalve bij hevig schreien.
De slijmvliezen zijn bleeker van kleur dan bij volwassenen, de tong
fletsrood en vochtig.
De spieren (het vleesch) maken bij betasting den indruk van vast en
stevig en tevens veerkrachtig te zijn.
De buik is slank en ligt vrijwel in hetzelfde vlak als de borstkas of
iets hooger, de grens tusschen deze beiden is niet duidelijk, de
flanken zijn niet uitgezet. De buikwand is min of meer gespannen en
moeilijk in te drukken.
De ademhaling is over ’t algemeen oppervlakkig, nauwelijks te hooren en
ook in rustigen slaap van gezonde kinderen, ten minste gedurende de
eerste weken, niet steeds gelijkmatig, daar diepe ademhalingen met
oppervlakkige afwisselen en elkander niet steeds regelmatig opvolgen.
De ademhalingsbewegingen van de borstkas zijn, in vergelijking met die
van den buik, gering. Het aantal ademhalingen is grooter dan op lateren
leeftijd en bedraagt bij den pasgeborene gemiddeld 35 in de minuut. Men
telt die het gemakkelijkst als het kind slaapt.
Dit laatste geldt ook voor het tellen van het aantal polsslagen, dat
ongeveer 120 in de minuut bedraagt.
De temperatuur, ’s morgens en ’s avonds in den endeldarm opgenomen,
schommelt om 37° Celsius en is zelden hooger dan 37°.2. Zij wisselt
echter gemakkelijk onder verschillende omstandigheden.
Het gezonde kind neemt met graagte, zelfs met gulzigheid, de borst.
Gewoonlijk wordt de ontlasting van den gezonden zuigeling, welke van
den vierden of vijfden dag als de „normale” beschouwd wordt, beschreven
als eene vrij dikke zalfachtige of brijachtige, goudgeel of oranjegeel
gekleurde stof, gelijkmatig, niet kleverig week, welke in den beginne
drie- tot zesmaal, met toenemenden leeftijd afnemend tot één- of
tweemaal, in de vier en twintig uur geloosd wordt. Zij wordt, aan de
lucht blootgesteld, betrekkelijk spoedig groen van kleur. Kenmerkend is
eene min of meer zoet-zuurachtige, niet onaangename geur. Bij
regelmatige spijsvertering komt de ontlasting vrij geregeld en tamelijk
snel te voorschijn.
In de laatste jaren wordt er, in verschillende geschriften, op gewezen,
dat de „normale” ontlasting ook bij gezonde, goed gedijende,
borstkinderen volstrekt niet zoo algemeen wordt waargenomen; dat zij
vaak niet gelijkmatig is, doch in de geelachtige stof talrijke witte
vlokjes of brokjes en, in de eerste weken bijna regelmatig, taaie
slijmstolseltjes bevat; dat zij ook, in de eerste twee of vier weken,
dunner en waterachtiger is met stukjes, zelfs geelachtig groen,
slijmachtig met weinig vaste stof; dat zij, aan de lucht blootgesteld,
snel grasgroen van kleur wordt, en dat zulke ontlasting somtijds na
iederen maaltijd geloosd wordt, zonder dat er eenige stoornis bestaat
of is aan te toonen, zoodat men niet zou vermoeden, dat zij van een
borstkind afkomstig is. Deze ontlasting gaat gewoonlijk vanzelf over in
de meer normale.
Zulke luiers ziet men o.a. bij kinderen van „zenuwachtige” ouders. Men
denke dan niet dadelijk dat het zog niet deugt. Het vetgehalte van het
zog kan b.v. hierbij eene groote rol spelen. Melk welke weinig vet
bevat, geeft dunnere ontlasting dan die, welke veel vet bevat. Ook kan
zulke ontlasting tijdelijk optreden bij sommige stoornissen van de
zijde der moeder, b.v. eenige dagen voor en gedurende de menstruatie of
wanneer zij koorts heeft. Indien dit niet te lang duurt, is het
gewoonlijk niet noodig daartegen maatregelen te nemen.
De belangrijkheid van de luiers wordt inderdaad vaak sterk overdreven.
Ofschoon ik, indien de zuigeling volgens mijne bovengenoemde opvatting
gevoed werd, bijna zonder uitzondering de als „normaal” beschreven
ontlasting heb waargenomen, is het niet te ontkennen, dat sommige
kinderen gedurende hunnen geheelen zuigelingentijd niet die „normale”
ontlasting te zien geven. Ik heb kinderen gekend, die uitstekend
groeiden—en nu reeds volwassen zijn—en als zuigeling nooit eene „goede”
luier vertoonden. Men moet dus niet al te groote waarde hechten aan
eenigszins afwijkende tint der luiers of aan van het „normale”
afwijkende samenstelling der ontlasting, doch vóór alles zijn oordeel
afhankelijk stellen van den algemeenen toestand van het kind en van
zijn geheele wijze van doen. Als het kind behoorlijk groeit, niet al te
onrustig is en er goed uitziet, behoeft men zich over eene groenachtige
licht-slijmerige ontlasting niet dadelijk te verontrusten.
Ook het omgekeerde komt bij den zuigeling vaak voor, namelijk dat de
ontlasting langer dan vier en twintig uren wegblijft. Zij is dan taai
en iets donkerder van kleur, soms grijsgrauw en droog. Eerst als die
verstopping twee of drie dagen aanhoudt, kan het noodig zijn daaraan te
gemoet te komen, door het kind een lavementje, b.v. van lauwwarme
olijfolie of van lauw water, of een zeeppilletje te zetten. De met die
verstopping vaak gepaard gaande buikpijn wordt door een vochtigwarmen
omslag, een Priessnitz-verband, om den buik—een heerlijk rustgevend
middel—gemakkelijk bestreden.
Men kan dus, heel in ’t algemeen, zeggen, dat bij uitsluitende voeding
aan de borst aantal en voorkomen van de ontlasting, zoolang het kind
goed gedijt, tamelijk onverschillig is.
De urine wordt in de eerste dagen in geringe hoeveelheid geloosd;
daarna neemt zij belangrijk toe. De urine van het gezonde kind is licht
van kleur, helder en stinkt niet. Daar de urine-loozing dikwijls plaats
vindt, van tien- tot vijftien malen daags, moet men het kind ook
dikwijls verdrogen. Dat is het beste middel om het smetten en het
ontstaan van open billen te voorkomen en het kind rustig te houden. De
meeste kinderen schreien als zij nat zijn. Het reinigen behoort te
geschieden met een spons, of zuivere verbandwatten, en lauwwarm water.
Daarna wordt bettend afgedroogd, en gepoederd. Hoeveel malen het
verdrogen noodig zijn zal, is niet aan te geven.
Het is onnoodig een gezond, goed gedijend, kind dagelijks of wekelijks
te wegen. Zooals wij zagen, is in den regel wel te zien of het kind
gedijt. Zoolang de zuigeling eene frissche kleur heeft, het gelaat en
vooral dijen en billen goed gevuld zijn en eene goede ronding
vertoonen, het vleesch bij betasting gespannen aanvoelt, de huid vrij
van vlekken of smetten, de slaap ongestoord, de eetlust goed, de
spijsvertering in orde is, zoolang hij rustig en tevreden bij het
drinken is en, als hij wakker ligt, in eene tevreden stemming verkeert,
beweeglijk is, levendige heldere oogen heeft, kortom geen
verschijnselen van eenigerlei onrust of ziekte vertoont, kan men
tevreden zijn.
Intusschen is het toch, met het oog op mogelijke afwijkingen, gewenscht
omtrent het lichaamsgewicht en het toenemen daarvan eenige
bijzonderheden mede te deelen.
In het meerendeel der gevallen, laat ons maar zeggen bijna zonder
uitzondering, neemt het lichaamsgewicht gedurende de eerste drie of
vier dagen, somtijds zelfs tot den achtsten dag, na de geboorte af. Dat
verlies kan 200 tot 300 grammen, ook nog wel meer, bedragen; bij dikke
kinderen vaak meer dan bij magere. Daarna neemt het gewicht weder toe
en als dan eenmaal het oorspronkelijke gewicht bereikt is, hetgeen niet
altijd op den tienden dag, doch ook nog wel later, b.v. na veertien tot
twintig dagen, bij enkele kinderen nog later, het geval kan zijn, volgt
een dagelijks toenemen.
Tot en met de vierde maand nemen borstkinderen meer in gewicht toe, dan
kunstmatig gevoede, daarna gaan zij vrijwel gelijk op, totdat na de
achtste maand vaak de borstkinderen achterstaan bij de kunstmatig
gevoede. Meestal wordt de zuigeling tegenwoordig wekelijks gewogen, en
dan gaat de jonge moeder, aan de hand van een boekje, na, of haar kind
voldoende in gewicht is toegenomen. Zij vergelijkt daartoe het door
haar verkregen cijfer met een cijfer in het boekje, met het gevolg, dat
de verstandige moeder niet op een verschil van eenige grammen let; dat
de al te bezorgde moeder ongerust wordt zoodra het gewicht van haar
kleine beneden het gewicht, in het boekje aangegeven, blijft en daaruit
besluit, dat haar kind niet goed groeit; maar ook ongerust is, als het
er boven uit gaat, omdat zij meent dat het te veel toeneemt. Dit
laatste bezorgt haar, gelukkig, niet zoo vaak en zoo groote angst. Om
haar eenigermate gerust te stellen, geeft ik hier eenige cijfers,
zooals ik die in verschillende boekjes vond. (Zie bladz. 151).
Men ziet hieruit, dat men zich niet te veel aan de cijfers moet
vastklemmen. Het komt mij voor, dat ik aan de vermoedelijk opkomende
vraag: „Waaraan moet ik mij nu eigenlijk houden?” het best tegemoet
kom, door het volgende.
Uit de hiernaast staande cijfers van 15 schrijvers het gemiddelde
berekend, kom ik, voor de
1e 2e 3e 4e 5e 6e 7e 8e 9e 10e 11e 12e maand,
tot 195 187 175 144 124 108 99 97 95 75 73 71 gr.
ongeveer, welke een kind, aan de borst gevoed, per week toeneemt.
Mij dunkt dat de moeder gerust kan zijn, indien het gewicht, door haar
bij het wegen der kleine gevonden, om deze cijfers schommelt.
Er blijkt wel uit, dat het gewicht gedurende de eerste maanden van het
leven sterker toeneemt dan later. Hierbij dient opgemerkt dat ook bij
gezonde kinderen, zonder dat bepaald stoornissen zijn aan te toonen,
belangrijke verschillen kunnen voorkomen, en dat toch ten slotte het
gewicht aan het einde van het eerste levensjaar ongeveer voor allen
gelijk is. Het gewicht van den zuigeling is dan ook niet het eenige,
waarmede men rekening heeft te houden bij de beoordeeling van de
ontwikkeling en de gezondheid van het kind. Sommige kinderen nemen snel
in gewicht toe, doch zien er bleek uit, hebben een slappe huid, weinig
uitdrukking in de oogen en blijven slap; andere nemen langzamer in
gewicht toe, doch gedijen overigens goed en hebben eene uitstekende
gezondheid.
De getallen zijn door mij berekend in grammen per week.
Volgens de aangehaalde schrijvers zou het gezonde kind gemiddeld per
week aan gewicht toenemen:
=========================================================================================================================
in de | 1e | 2e | 3e | 4e | 5e | 6e | 7e | 8e | 9e | 10e | 11e | 12e | maand.
---------------------+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+---------------------------
Biedert (1914) | 217 | 224 | 175 | 175 | 133 | 119 | 119 | 98 | 119 | 49 | 91 | 91 | gr. (Corn. de Lange).
Kouwer (1911) | 187 | 187 | 187 | 187 | 125 | 125 | 125 | 125 | 125 | 62 | 62 | 62 | ,,
Bouchaud | 175 | 161 | 154 | 140 | 126 | 119 | 105 | 91 | 84 | 70 | 56 | 56 | ,, }
Fleischmann | 245 | 214 | 196 | 154 | 126 | 91 | 84 | 70 | 70 | 63 | 56 | 42 | ,, } (Lassablière 1913).
Peterson | 245 | 203 | 175 | 112 | 105 | 77 | 70 | 84 | 84 | 98 | 56 | 63 | ,, }
Variot | 161 | 161 | 161 | 161 | 161 | 84 | 84 | 84 | 84 | 84 | 84 | 84 | ,, }
Auvard (1917) | 175 | 175 | 175 | 140 | 140 | 140 | 105 | 105 | 105 | 70 | 70 | 70 | ,,
Donnadieu (1916) | 175 | 161 | 161 | 161 | 140 | 140 | 126 | 126 | 84 | 84 | 84 | 56 | ,,
Nobécourt (1914) | 175 | 175 | 175 | 168 | 140 | 126 | 112 | 91 | 84 | 70 | 70 | 56 | ,,
Engel en Baum (1913) | 203 | 196 | 182 | 168 | 140 | 119 | 105 | 105 | 98 | 49 | 105 | 105 | ,,
Camerer en Fehr | 203 | 189 | 168 | 112 | 105 | 77 | 91 | 91 | 84 | 91 | 63 | 77 | ,, (Langstein-Meyer 1914).
Czerny | 203 | 189 | 168 | 112 | 105 | 77 | 91 | 91 | 84 | 91 | 63 | 77 | ,, (E. Gorter 1914).
Tugendreich (1914) | 175 | 175 | 175 | 91 | 91 | 91 | 91 | 91 | 91 | 84 | 84 | 84 | ,,
Meyer-Rüegg (1915) | 175 | 190 | 170 | 160 | 130 | 110 | 100 | 125 | 145 | 100 | 99 | 99 | ,,
Bendix (1916) | 210 | 210 | 210 | 126 | 126 | 126 | 84 | 84 | 84 | 56 | 56 | 56 | ,,
=========================================================================================================================
Het beste bewijs van goed gedijen is een regelmatig toenemen van het
lichaamsgewicht, ook al gaat het in den beginne langzaam. Toch mag men,
in ’t algemeen, met een, zij het dan ook regelmatig, toenemen in
gewicht van 100 grammen per week, gedurende de eerste maanden, niet
heelemaal tevreden zijn.
Om ongeveer te berekenen of het gewicht overeenkomt met het normale
gewicht, dat is het gewicht dat men als normaal voor den zuigeling op
een bepaalden tijd, zeg in eene bepaalde maand, aanneemt,
vermenigvuldige men het ranggetal van de levensmaand in het eerste
halfjaar met 600, in het tweede halfjaar met 500 en telle het gewicht,
bij de geboorte waargenomen, daarbij op.
In de 6e levensmaand zal dus een kind, dat bij de geboorte 3000 grammen
woog, ongeveer moeten wegen 6 × 600 + 3000 = 6600 grammen; aan het
einde van het eerste levensjaar 12 × 500 + 3000 = 9000 grammen. Dit
komt overeen met het ervaringsfeit, dat na het eerste halfjaar het
gewicht bij de geboorte gevonden verdubbeld is, aan het einde van het
eerste jaar driemaal zooveel bedraagt.
Om het juiste gewicht te verkrijgen, moet men het kind steeds in
dezelfde omstandigheden en op hetzelfde tijdstip van den dag wegen.
Ook voor de hoeveelheid zog, welke een zuigeling geacht wordt noodig te
hebben voor groei en ontwikkeling, heeft men getracht cijfers te geven,
welke dan de hoeveelheid aangeven, waarboven hij niet gaan en waaronder
hij, in het algemeen, niet blijven mag.
De hoeveelheid zog, welke bij iederen maaltijd genomen wordt, kan
belangrijk verschillen. Zij hangt o.a. af van de hoeveelheid zog door
de borst geleverd, van den toestand der tepels, van de kracht waarmede
het kind zuigt en van zijne behoefte aan voedsel.
In de laatste jaren wordt van vele zijden beweerd, dat elke moeder, die
dat wil, haar kind kan zoogen. Ongetwijfeld ware het te wenschen, dat
deze bewering juist was en zeker is het, dat veel meer moeders, indien
zij slechts wilden, althans geruimen tijd hare kinderen het natuurlijke
voedsel zouden kunnen geven, doch de ervaring leert, dat ook in dit
opzicht de natuur niet volmaakt is. Dat is jammer genoeg, maar men mag
de feiten niet wegdoezelen terwille van welke theorie ook. Ieder
geneesheer zal kunnen verhalen van moeders, die met de grootste
opoffering tevergeefs trachtten haar kind het natuurlijke
voedingsmiddel te geven. Blijkt aan den eenen kant, dat somtijds met te
weinig volharding de borstvoeding beproefd wordt, aan den anderen kant
is het buiten kijf, dat in vele gevallen de poging te lang wordt
voortgezet. Dit neemt evenwel niet weg, dat iedere moeder beginnen moet
met die poging en haar alleen noodgedwongen zal mogen opgeven. Ook als
het kind slechts eenige weken of maanden de moedermelk, zij het ten
deele, kan verkrijgen, zal het daarvan niet te miskennen voordeelen
genieten.
In het algemeen kan men zeggen, dat de zuigeling eene bepaalde
hoeveelheid voedsel en dus bij borstvoeding eene bepaalde hoeveelheid
zog voor zijne ontwikkeling noodig heeft. Hoe groot die hoeveelheid
zijn moet, hangt voornamelijk af van de gesteldheid van het kind, en
daarom zal men ook slechts zeer in het algemeen cijfers kunnen
aangeven, welke niet meer dan eene betrekkelijke waarde hebben.
De hoeveelheid per maaltijd genomen heeft geen waarde, omdat die,
zooals reeds gezegd, belangrijk verschillen kan. Daarom is het beter de
hoeveelheid te becijferen, welke voor een tijdvak van 24 uren als
gemiddelde kan gesteld worden. Die hoeveelheid heeft men berekend, door
een groot aantal borstkinderen telkens voor en na den maaltijd te wegen
en de getallen, op die wijze in 24 uren verkregen, bij elkander te
tellen. Bij die wegingen is alweder gebleken, dat er vrij belangrijke
verschillen bestaan, doch het groote aantal berekeningen heeft geleid
tot het vinden van eenige gemiddelden, waaraan men ten minste eenig
houvast heeft.
Ik laat hier een paar opgaven volgen van hoeveelheden per maaltijd en
in 24 uren gedronken door kinderen uit mijne praktijk, waarin de
verschillen duidelijk uitkomen.
H. L. jongen, 27 Augustus 1914 geboren op het einde van de 8e
zwangerschapsmaand.