HET KIND.

Het voldragen kind is gemiddeld 50 cM. lang en heeft een gewicht, dat

schommelt tusschen 3000 en 3600 grammen. Een lager gewicht beteekent

volstrekt niet altijd, dat het kind te vroeg geboren of zwak is,

terwijl een hooger gewicht geen bewijs is van krachtige ontwikkeling.

Men heeft opgemerkt, dat beiden, onder meer, onder den invloed staan

van den ouderdom der moeder en van het aantal der baringen. Volgens de

statistiek neemt het gewicht toe met den ouderdom der moeder tot het

29e jaar, de lengte tot het 44e jaar, en valt de gunstigste

ontwikkeling van het kind in zwangerschappen gedurende den middelbaren

leeftijd der vrouw. Gewicht en lengte nemen toe met het aantal der

baringen, zoodat gemeenlijk elk voldragen kind het voorgaande in beide

richtingen overtreft, waarbij korte tusschenruimten, tusschen de

opvolgende baringen, een ongunstigen invloed uitoefenen. De eerste

kinderen van vrouwen, bij wie de eerste menstruatie laat optrad, zijn

lichter dan die van andere vrouwen, vooral van haar, die vroegtijdig

den geslachtsrijpen leeftijd bereikten. Bij wisseling van het geslacht

der kinderen eener zelfde moeder is, bij opvolgende zwangerschappen, de

gewichtstoename der meisjes geringer dan die der jongens.

Wat het geslacht der kinderen betreft, kan men zeggen, dat de vrouw

meer jongens dan meisjes ter wereld brengt. Op 100 meisjes komen

ongeveer 103,6–105,2–108,3 jongens voor. Daarbij meent men te hebben

kunnen vaststellen, dat het getal der jongens grooter wordt hoe jonger

de vader, hoe ouder de moeder is, of in het algemeen, dat de oudste der

echtelieden de meeste kansen heeft het andere geslacht te doen

ontstaan.

Het pasgeboren voldragen kind vertoont ronde vormen aan gelaat, romp en

ledematen, het schreeuwt met luide stem, beweegt armen en beenen flink

en ontledigt, vaak onmiddellijk na de geboorte, urine en ontlasting,

welke laatste bestaat uit eene groenzwarte, soms bruinachtige, taaie,

sterk klevende, dikke brijachtige stof, zonder reuk, kindspek of

meconium genoemd. Het opent de oogen, dikwijls niest het, waardoor

slijm en vruchtwater, in neus- en keelholte aanwezig, worden

uitgedreven. Daar dit niet altijd volledig geschiedt, gaat de

ademhaling wel eens gepaard met een min of meer reutelend geruisch. Bij

dikke kinderen, met sterk ontwikkelde vetlaag, zijn de oogleden vaak

wat gezwollen, zoodat zij de oogen niet gemakkelijk kunnen openen. De

moeder behoeft niet bezorgd te zijn, als zulk een kind dan ook in den

beginne de oogen slechts bij tusschenpoozen opent. Die zwelling

verdwijnt spoedig. Ook handen en voeten zijn in de eerste dagen na de

geboorte, vooral bij eenigszins te vroeg geboren kinderen, wel eens

gezwollen en blijven in den regel wat langer blauwrood gekleurd dan de

overige deelen van het lichaam. Deze zwelling verdwijnt eveneens

spoedig.

De omvang van den schedel is gemiddeld 34 cM., die van de borst, over

de tepels gemeten, ± 31 cM. De schedelbeenderen zijn tamelijk hard en

nog niet onbeweeglijk met elkander verbonden, maar door naden

gescheiden, terwijl daar waar drie of vier schedelbeenderen te zamen

komen, grootere, door een vlies gesloten, ruimten bestaan, welke den

naam van fontanellen dragen. De zoogenaamde groote fontanel, waardoor

het kloppen van de slagaderen der hersenen zoowel te zien als te voelen

is, heeft den vorm van een ruit en ligt boven het midden van het

voorhoofd. Langzamerhand sluiten die fontanellen zich, de groote

fontanel het laatst, omstreeks de 14e levensmaand, somtijds iets

vroeger.

De huid is rozerood en glad, alleen aan de schouders en bovenarmen

bedekt met wolharen. Het hoofdhaar is meestal donker, gemiddeld 2–4 cM.

lang, soms korter, soms langer. De nagels reiken aan de handen tot aan

den top der vingers of steken iets daarboven uit, aan de voeten tot aan

den top der teenen. De kleur der oogen, d.w.z. van het regenboogvlies,

is min of meer donker staalblauw, zoodat de vraag al spoedig door de

moeder gedaan: „Welke kleur van oogen heeft het?” gewoonlijk niet naar

wensch kan beantwoord worden. Eerst langzamerhand komt het tot de

verschillen, welke wij bij volwassenen waarnemen.

Meestal vertoont het pasgeboren kind een eigenaardig vervormden

schedel, veroorzaakt door het zoogenaamde geboortegezwel, dat te

grooter is en het hoofd te langer doet schijnen, naarmate de baring en

vooral het uitdrijvingstijdperk langer geduurd heeft. De huid in de

streek van het voor- of achterhoofd is dan sterk gezwollen en

deegachtig op aanvoelen. Na een paar dagen verdwijnt die eigenaardige

vervorming van zelf, waarom het volkomen onnoodig is, door allerlei

knijpingen te trachten het hoofd een goeden vorm te geven. Somtijds is

er ophooping van bloed of bloederig vocht onder de huid, ter plaatse

van het geboortegezwel. Dan duurt het langer, zelfs wel vier tot zes

weken, voor het hoofd de normale gedaante heeft aangenomen. De neus is

dikwijls plat, maar ook dat herstelt zich spoedig.

De huid is bedekt met eene verschillend groote hoeveelheid vettig,

kaasachtig smeer, het zoogenaamde huidsmeer, het sterkst op den rug en

in de buigvlakten van armen en beenen. Bij meisjes vindt men zelfs een

dikke laag in de plooien der geslachtsdeelen. Het bestaat uit een

mengsel van huidvet en huidschilfers.

Het pasgeboren kind is niet in staat het hoofd rechtop te houden. Als

men het kind rechtop houdt, valt het hoofd naar voren of naar achteren,

naar links of naar rechts, zoodat men het met de hand moet steunen, als

het kind wordt opgenomen.

Te vroeg geboren kinderen zijn kleiner, lichter en magerder. De huid is

rooder, dunner, en overal van wolharen voorzien. De hoeveelheid

huidsmeer is veel geringer, op bovenlip en neus zijn talrijke fijne

puntjes, als uiting van verstopte talkklieren, waar te nemen. De

schedelbeenderen zijn buigzaam, dikwijls gemakkelijk in te drukken, de

nagels minder lang dan bij het voldragen kind en weeker. Het kind

schreeuwt niet krachtig, de stem is meer piepend.

De eerste zorg voor het kind bestaat in reiniging. Ten einde het

gemakkelijker te bevrijden van het huidsmeer, wordt het over het

geheele lichaam ingesmeerd met olie of een ander vet, b.v. door middel

van een in olie gedrenkte prop ontvette watten, en daarna goed

schuimend ingezeept met een neutrale, beter nog overvette zeep, door

middel van ontvette watten of een zachte spons. Vervolgens brengt men

het kind in een lauwwarm bad van 35° C. (28° R.). Men vatte het kind

met de linkerhand zoo aan, dat deze onder den linkerschouder komt en

nek en hoofd op pols en onderarm komen te liggen. Gezicht en ooren

moeten buiten het water blijven. Met de andere hand wordt dan het kind

zorgvuldig gewasschen. De temperatuur van het water moet door een

thermometer worden bepaald, vooral niet door de hand. Als badkuip kan

men allerlei groot vaatwerk gebruiken. Eenvoudig, doelmatig en goedkoop

is een groote zinken teil, waarin men een groot stuk schoon molton

legt, dat gedeeltelijk over den rand heen hangt. Na 3–5 minuten goed

afwasschen, waarbij alle zeep wordt afgespoeld, neemt men het kind uit

het bad, wikkelt het in een verwarmden grooten badhanddoek, legt het op

een matrasje op tafel en droogt het zacht, doch goed af. Het matrasje

beschut men door een daarover gelegd stuk hospitaaldoek. Het aangezicht

behoort men afzonderlijk te wasschen, liefst buiten het bad, met schoon

lauwwarm water; de oogen te reinigen met watten, gedrenkt met 3%’s

boorzuur-oplossing of met uitgekookt water, voor ieder oog een

afzonderlijk wattepropje, in de richting van den binnenhoek van het

oog, dus naar den neus toe. De mond behoeft niet gereinigd te worden.

Evenmin is het noodig de neusgaten met, tot een rolletje gedraaide,

watten te reinigen, terwijl het slechts zelden of nooit noodig is op

die wijze de ooren inwendig schoon te maken.

Nadat het kind aldus gereinigd en behoorlijk afgedroogd is, wordt het

gepoederd, waarbij vooral gelet moet worden op alle plaatsen waar twee

huidvlakten elkander aanraken, zooals de oksels, hals- en liesplooien,

omgeving van de geslachtsdeelen en van de aarsopening. De eenvoudigste

en zindelijkste wijze van poederen is die door middel van een bus,

zooals de peperbus is ingericht. Elke kwast, ook al is die nog zoo

mooi, kan gevaarlijk worden, doordat hij, steeds weder gebruikt

wordende, tot besmetting aanleiding geven kan. Als strooipoeder

gebruike men talkpoeder, gesteriliseerde witte pijpaarde (bolus alba),

of vasenolpoeder, liever dan gemalen rijst of andere plantaardige

poeders, en ongeparfumeerd.

De kleeding moet aan de volgende eischen voldoen. Zij moet het lichaam

gelijkmatig bedekken, de warmte van het lichaam zooveel mogelijk op

gelijke hoogte houden, licht en zacht zijn, de bewegingen van het kind

zoo min mogelijk belemmeren en dus nergens knellen of te nauw

aansluiten. Eene uit drie lagen bestaande kleeding, waarvan de onderste

laag uit eene niet te dunne, losjes gebreide, gehaakte of geweven,

stof, de bovenste uit wat meer gesloten stof bestaat, voldoet aan deze

eischen. Bovendien moet men haar zoo kiezen, dat zij gemakkelijk kan

gewasschen worden en het aan- en uitkleeden in den kortst mogelijken

tijd geschieden kan, zonder dat het kind er eenigen last van

ondervindt. [1]

Men begint met het aanleggen van het navelverband, dat dient om de rest

van de navelstreng, goed verzorgd, te beschutten. Vooral hierbij, nu en

gedurende den tijd vóór de rest afgevallen en de wond genezen is, moet

men de grootst mogelijke reinheid en zorgvuldigheid in acht nemen. Het

overgebleven gedeelte wordt met een stukje steriel hydrophiel gaas of

met een laagje steriele verbandwatten omwikkeld, het geheel naar links

en boven op den buik van het kind gelegd en vastgehouden door een

navelband. Ook hierbij is eenvoud het ware. Het eenvoudigste verband

verkrijgt men door een katoenen tricot-windsel, van ± 7 cM. breedte,

zonder het te sterk aan te trekken, een paar malen om het buikje te

wikkelen, het af te knippen en het einde met een veiligheidsspeld, in

overlangsche richting, vast te steken. Zulk een verband sluit overal

goed aan, verschuift niet gemakkelijk en kan gewasschen worden, of,

beter nog, omdat de kosten zeer gering zijn, weggeworpen worden, zoodra

het door een nieuw vervangen is.

Zelden komt het tot bloeding uit de rest van de navelstreng. Mocht dat

gebeuren, dan moet er nogmaals een bandje om de navelstreng, tusschen

de eerste onderbinding en de huid, gebonden worden. Zulk een bandje

moet, opdat het inderdaad rein en zuiver zij, eerst uitgekookt worden.

Voor men tot het onderbinden overgaat, moet men zorgvuldig de handen

wasschen. Tevens vertelle men den dokter, wat er geschied is.

Vervolgens wordt het kind verder aangekleed. Wanneer het kind gekleed

is, wordt het in het vooraf, door middel van een warmwaterkruik,

verwarmde bedje gelegd, tot aan de kin toegedekt en aan zich zelf

overgelaten. Het bedje moet zoo geplaatst zijn, dat het kind beschut is

tegen licht, tocht en sterke geruischen. Het hoofdeinde wordt daarvoor

meestal omgeven door een behang. In den zomer vooral is het aan te

raden het geheele bedje te omgeven met muskietengaas, waarvan de

onderste uiteinden niet los neerhangen, daar muskieten dan de

gelegenheid hebben van onderop langs de plooien naar binnen te komen.

Het gaas moet daarom rondom in het bedje ingestopt worden of over een

band, welke om het ledikant gespannen is, zoodat van binnendringen der

muskieten geen sprake meer zijn kan.

Te vroeg geboren kinderen hebben te slechter kans om te blijven leven,

naarmate zij vroeger geboren zijn en vereischen daarom meerdere zorgen.

Een van de hoofdzaken waarop gelet dient te worden, is die, dat

afkoeling van het lichaam zooveel mogelijk vermeden wordt, een tweede,

dat de voeding met zorg geregeld wordt. Ter bereiking van het eerste

wordt het kind in watten gelegd en door warmwaterkruiken omgeven, en

het bedje geplaatst in eene kamer, waarin de temperatuur zoo

gelijkmatig mogelijk, op 30° C. (28° R.) gehouden wordt. Dikwijls

worden zulke kinderen ook in een broedstoof of couveuse gebracht.

Omtrent den gunstigen invloed daarvan zijn de meeningen verdeeld. De

geneesheer zal hierin, evenals in de vraag omtrent de voeding, van raad

dienen. Voor deze kinderen is de moederborst van nog grooter belang,

dan voor den voldragen zuigeling.

Het kind, dat na de geboorte warm in het bedje ligt, valt in een vasten

rustigen slaap, waaruit het na eenige uren ontwaakt en dan de behoefte

aan voedsel door schreien kenbaar maakt. Dan kan de moeder haar kind

aan de borst leggen. Eenige reden om daarmede een of twee dagen te

wachten, bestaat er niet, en zeker zal het kind er meer aan hebben dan

aan suikerwater, venkelwater of diergelijke middeltjes.

Na de voeding weder in het bedje gelegd, slaapt het kind in, om door

dezelfde behoefte gewekt te worden. Urine-loozing en ontlasting vinden

in den slaap, of onmiddellijk na het ontwaken, plaats. Zoo gaat het de

eerste dagen door.

Gedurende den eersten dag is de ontlasting van dezelfde soort als

dadelijk na de geboorte. Met den 4en of 5en dag maakt zij plaats voor

de normale zuigelingenontlasting. Bij kinderen, die aan de moederborst

gevoed worden, is de ontlasting dik brijachtig, als een zalf, goudgeel

van kleur, welke echter bij lang staan verandert. Kinderen die om een

of andere gewichtige reden de moederborst moeten ontberen en met de

flesch gevoed worden, b.v. met koemelk, hebben eene ontlasting, in

grootere hoeveelheid, welke veel stijver en drooger is, brokkelig,

grijsachtig geel van kleur, op leem gelijkend en zwaarder.

In den aanvang komt de ontlasting vaak 3–6 maal per dag, later 1 of 2

maal in de 24 uren.

De geloosde urine is in de eerste dagen wel is waar troebel, later

helder, doch van dat verschil bemerkt men in de luiers niet veel.

Opvallend daarentegen is eene roodachtig gele verkleuring van de luier,

welke te wijten is aan eene poederachtige stof, urine-zuur, die in den

eersten tijd in vrij groote hoeveelheid met de urine wordt

uitgescheiden. Het verschijnsel is van geen beteekenis en behoeft dus

geen ongerustheid te verwekken.

Zoo ongemerkt geraakten wij in onze beschrijving reeds van den dag der

geboorte verwijderd. Wat wij nu laten volgen is dan ook eene bespreking

van allerlei, wat geleidelijk verdwijnt, opkomt of verandert, en

waarbij in dit korte overzicht moeilijk met uren of dagen rekening kan

gehouden worden.

Volgens Preyer [2], wien wij een aantal zorgvuldige onderzoekingen en

opmerkingen danken met betrekking tot verschijnselen, die zich bij het

pasgeboren kind, den zuigeling en ook gedurende de verdere ontwikkeling

van het kind voordoen, en aan wien wij het nu volgende ontleenden, kan

het kind onmiddellijk of weinige minuten, hoogstens uren, na de

geboorte licht en donker onderscheiden. Het sluit de oogen snel en

krampachtig wanneer het lichtschijnsel op het gelaat en in de oogen

valt, waarbij kan opgemerkt worden, dat de pupil-reactie in de eerste

uren na de geboorte reeds tot stand komt. Die reactie bestaat daarin,

dat, bij invallen van het lichtschijnsel, het zwarte plekje in het oog,

de zoogenaamde pupil, kleiner, bij verwijdering van het licht, dus in

de duisternis, grooter wordt. Slapende zuigelingen worden, na eenige

dagen levens, onaangenaam aangedaan door op het gelaat vallend

lichtschijnsel, zooals blijkt uit het vast toeknijpen der oogen; velen

worden zelfs onrustig of ontwaken. De lichtschuwheid is in den beginne,

na het ontwaken en na oponthoud in donker, groot, doch spoedig wordt

schemerlicht gezocht en werkt dus in geen geval onaangenaam. Na eenige

dagen doet gewoon daglicht of een lichtend voorwerp aangenaam aan, de

lichtschuwheid vermindert. Het bewegen van het hoofd in de schemering

b.v. naar het venster of naar het licht toe, dat van den zesden dag af

is waar te nemen, geschiedt dus niet omdat het kind ziet, maar omdat

het door het lichtschijnsel eene aangename gewaarwording ondervindt.

Hetzelfde doet het kind bij het naderen van de warme moederborst. Zelfs

in donker zal de zuigeling iets onaangenaams gevoelen als men zijn

hoofdje daarvan afwendt. De hoofdbeweging, naar het licht toe, is dus

niet op te vatten als eene willekeurige richting van den blik. Fixeeren

kan het pasgeboren kind niet, omdat het niet in staat is de oogspieren

willekeurig te bewegen. Als men meent waar te nemen, dat het kind den

blik b.v. naar de vlam eener kaars gericht houdt, is dat geen fixeeren

doch staren, want de richting van zijn blik verandert niet, het staren

houdt niet op, als men de kaarsvlam verwijdert. Voor den tienden dag

heeft men geen eigenlijke fixatie-bewegingen waargenomen. Daarna begint

het kind het hoofd van het eene verlichte voorwerp naar het andere te

bewegen; van den 23en dag, meestal nog later, begint het, bij rustig

gehouden hoofd, een langzaam bewogen voorwerp met de oogen te volgen.

Dan kan men van zien spreken, maar nog niet van fixeeren, al drukt ook

het gelaat reeds eenige intelligentie uit. Nog later volgt dan het

vermogen om voorwerpen met het oog te volgen. Zien, in de eigenlijke

beteekenis van het woord, kan het kind in de eerste weken dus niet.

Pasgeboren kinderen houden de oogen meer gesloten dan open. Wanneer zij

de oogen openen, geschiedt dat ongelijkmatig. Het eene oog b.v. gaat

open, terwijl het andere gesloten blijft. Dat afwisselende openen en

sluiten duurt tot ongeveer den 11en dag, daarna wordt het zeldzamer,

maar het blijft zelfs gedurende de eerste maand zoo, dat, als beide

oogen opengehouden worden, zij niet even wijd open staan. Bij snelle

nadering met de hand, met den vinger, met het hoofd of met eene

brandende kaars schrikt het kind nog niet, het knipt ook niet met de

oogleden. In de eerste weken ontbreekt die snelle ooglidslag, bij snel

naderen van eenig voorwerp naar het gezicht.

De bewegingen van het oog zelf vertoonen bij pasgeboren kinderen geen

samenwerking en zijn in de eerste dagen onregelmatig. In de eerste zes

dagen heeft de beweging der oogen naar links en rechts nog niet

volkomen gelijktijdig plaats. Zeer vaak beweegt het eene oog zich

onafhankelijk van het andere en draait het hoofd zich in eene richting

tegenovergesteld aan die, waarin de oogen zich bewegen. De oogspieren

trekken zich namelijk, evenals alle andere spieren van het lichaam, ook

die van het gelaat, bij den jongen zuigeling nog doelloos samen. Daarom

worden onregelmatige en onderling ongelijke oogbewegingen waargenomen,

zonder dat van zien of zelfs van lichtgewaarwording, bij neergeslagen

bovenste oogleden, sprake zijn kan, bewegingen welke allerlei

bewegingen in het gelaat, grimassen, voorhoofdfronsen en bewegingen der

lippen begeleiden, terwijl het kind rustig ligt en niet schreit.

Slapende zuigelingen bewegen, zonder te ontwaken, dikwijls de

gelaatsspieren, vooral de lippen en de oogleden. Vaak slaapt het kind

met half geopende oogen in en ziet men dan eveneens doellooze

bewegingen van het oog.

Opmerkelijk is het, hoe de oogen zich dikwijls in eene houding plaatsen

als bij iemand die sterk scheel kijkt, of zooals men dat waarneemt bij

het richten van den blik naar de punt van den neus. Dat is in het begin

van de derde week niet zoo sterk en zoo menigvuldig het geval meer als

in de eerste week, doch het kan zelfs na de tiende week nog lang worden

opgemerkt, als het kind wakker ligt. In den slaap blijven onregelmatige

bewegingen van oogen en oogleden, evenals het half openen der oogen,

nog langer voortbestaan. Naarmate de macht om voorwerpen te fixeeren

toeneemt, neemt dit verschijnsel af. Iets dergelijks neemt men later

waar als het kind loopen leert. Ook dan verminderen allengs de

onregelmatige doellooze bewegingen der beenen.

Men kan ook opmerken hoe soms het eene oog zich langzaam naar rechts,

het andere zich tegelijkertijd naar links, of het rechteroog naar boven

rechts, het andere zich naar boven links beweegt, alsmede dat de oogen

niet op gelijke hoogte staan, b.v. het rechteroog naar links en iets

naar beneden, het linkeroog naar links en iets naar boven; zoo ook

geheel eenzijdige bewegingen, b.v. zoo dat het eene oog den waarnemer

schijnt te fixeeren en het andere zich zijwaarts beweegt. Dit laatste

is waar te nemen als men bij het slapende kind de oogleden oplicht,

maar ook, gedurende de eerste dagen, als het kind wakker is.

Dadelijk na de geboorte kan het kind waarschijnlijk niets ruiken, maar

na eenige uren, vaak reeds in het eerste uur, kunnen normale kinderen

aangename en onaangename geuren onderscheiden. De gewaarwordingen geven

hun een gevoel van welbehagen of afkeer, dat met den dag in sterkte

toeneemt. Zoo willen kinderen, die enkele weken oud zijn, b.v. de borst

eener min niet nemen als hare huid onaangenaam riekt en schreeuwen zij

reeds wanneer zij bij de borst gebracht worden. De met melk of brij

gevulde lepel ruiken zij in donker reeds vroeg en de tegenzin van vele

zuigelingen in de eerste week om koemelk te nemen, als zij vrouwenmelk

gehad hebben, moet meer op den reuk dan op den smaak betrekking hebben,

omdat zij soms, zonder te proeven, de melk reeds weigeren.

Toch treedt ook een zeker onderscheidingsvermogen voor de

smaakgewaarwording dadelijk na de geboorte in werking. Sterk van

elkander afwijkende smaakprikkels, zooals zout, zoet, zuur en bitter,

worden onderscheiden.

Het hooren is bij het pasgeboren kind zoo onvolkomen, dat men elken

pasgeborene doof noemen moet. Dadelijk na de geboorte is het middenoor

nog gevuld met eene eigenaardige gelei-achtige stof of met vocht,

waarschijnlijk vruchtwater, dat na eenige uren van ademen en slikken

langzaam wegvloeit. Dan is het middenoor met lucht gevuld en kan het

gehoororgaan werken. Daar komt bij, dat de uitwendige gehoorgang zeer

nauw is en de wanden nog tegen elkander liggen.

Voor het einde van de eerste week reageert het voldragen normale kind

op sterke geluidprikkels, bemerkbaar aan het trekken met de oogleden,

voorhoofdfronsen, ineenkrimpen, trekken van armen en bovenlichaam,

terwijl slapende kinderen wakker worden en schreeuwen. Hardhoorigheid

blijft evenwel nog eenigen tijd bestaan.

In den beginne hoort de normaal geboren mensch dus niets, dan slechts

iets onduidelijk, vervolgens veel onduidelijk en eerst langzamerhand in

de veelheid van het onduidelijk gehoorde iets afzonderlijks duidelijk,

ten slotte veel duidelijk, waarbij sterke hooge tonen eerder

onderscheiden worden dan lagere.

Iedere moeder gebruikt vele duizenden woorden, welke zij haar kind

toespreekt, toefluistert, toezingt, zonder dat het er ook maar een

enkel van hoort, en vele duizenden woorden zegt zij hem, eer hij er één

verstaat. Maar, als zij het niet deed, zou het kind veel later en

moeilijker spreken leeren.

Het is bekend, dat pasgeboren kinderen voor pijnverwekkende prikkels

minder gevoelig zijn dan volwassenen. Voor een speldeprik b.v. zijn zij

zoo goed als ongevoelig. Daarom mag men nog niet beweren, dat zij

ongevoelig zijn, want rustige kinderen maken bewegingen en beginnen te

schreeuwen, als men ze in de huid knijpt of b.v. op de dij slaat. De

uitingen van pijn, en de duur daarvan, zijn evenwel niet zoo sterk en

houden niet zoo lang aan als bij oudere kinderen. Die prikkel wordt dus

wel degelijk pijnlijk ondervonden. Het verschil is hierdoor te

verklaren, dat door het knijpen of door den slag vele, door het

speldeprikje weinig zenuwuiteinden in de huid getroffen worden. De

gevoeligheid neemt, reeds gedurende de eerste week, met den dag toe.

Verschil in gevoeligheid bij aanraking van verschillende lichaamsdeelen

is evenzeer voorhanden als bij den volwassene. Bij het aanraken van de

punt van de tong maakt het kind zuigbewegingen, welke in

braakbewegingen overgaan, wanneer het achterste gedeelte van de tong en

de keel worden aangeraakt. De lippen zijn dadelijk na de geboorte zeer

gevoelig. Strijkt men met den vinger langs de lippen, dan maakt het

kind, van den zesden dag af, zuigbewegingen, ten minste wanneer het

wakker en hongerig is. Wordt het slijmvlies van den neus geprikkeld,

dan fronsen de kinderen het voorhoofd, niezen en bewegen de oogleden;

bij sterken prikkel bewegen zij het hoofd en brengen de hand aan het

gelaat. Wordt de punt van den neus aangeraakt, dan knijpen zij de oogen

toe. Dat gebeurt eveneens als men tegen het oog blaast of het met den

vinger aanraakt, terwijl daarentegen in de eerste dagen het kind in het

bad de oogen openhoudt, ook als het lauwwarme water het hoornvlies

bevochtigt. Legt men een vinger in de hand, dan wordt die omvat; wordt

de voetzool aangeraakt, dan spreiden de teenen zich uit; bij kloppen

tegen de voetzool buigt de voet zich tegen het onderbeen en wordt het

been in knie- en heupgewricht gebogen; bij sterken prikkel gebeurt dat

ook met het andere been.

Dadelijk na de geboorte wordt het kind onaangenaam aangedaan doordat

het, in al zijn natte naaktheid, aan de lucht, waarvan de temperatuur

lager is dan die in de baarmoeder, wordt blootgesteld. In het warme bad

gebracht, krijgt het weder het eerste aangename gevoel en is dan ook

dadelijk rustig, nadat het van te voren flink schreeuwde. De

gevoeligheid voor koude en warmte is dus reeds groot. Dat blijkt ook

uit de wijze, waarop het kind, als het schijndood geboren is, door het

dompelen in koud water, zoodra de ademhaling begonnen is, van kreunen

tot schreeuwen overgaat. Dat schreeuwen moet waarschijnlijk als eene

uiting van pijn worden opgevat. Het is ook bekend, hoe zeer jonge

zuigelingen onrustig worden en schreeuwen, wanneer ze hier of daar met

koud water in aanraking komen. Vooral het droge hoofd is gevoelig

daarvoor, zooals blijkt bij den doop, waardoor menig kind onrustig

wordt. Die gevoeligheid voor plaatselijke warmteonttrekking blijft

langen tijd, gedurende de eerste levensjaren, bestaan. De groote

gevoeligheid voor onderscheid tusschen koude en warmte, ook bij

volkomen gezonde kinderen, blijkt uit hunne wijze van doen, bij

pogingen om het dagelijksche bad kouder te maken. Daling van de warmte

van het badwater, met een deel van een graad, beneden die welke het

kind aangenaam is, kan het tot luid schreeuwen brengen.

Ook de gevoeligheid van het slijmvlies van den mond, van de tong en van

de lippen, is bij vele zuigelingen, in de eerste dagen, zeer groot.

Wanneer b.v. de zuigflesch slechts weinige graden warmer dan

bloedwarmte is, weigert het kind de flesch onder heftig schreien.

Hetzelfde gebeurt, als de warmte iets minder is dan die van de melk uit

de moederborst. De kinderen leeren echter gemakkelijk water en melk op

kamer-temperatuur gebruiken, wanneer zij niets anders krijgen om hunnen

honger te stillen.

De wijze waarop het kind zich gedraagt, wordt bepaald door gevoelens

van genoegen of welbehagen en verdriet. Behagen is meestal verbonden

aan verzadiging, verdriet aan honger. Het gevoel van welbehagen wordt,

in de eerste maand, van den eersten dag af, veroorzaakt door het

stillen van den honger met het telkens terugkeerende genot van het

zuigen en van den zoeten smaak der moedermelk, door het warme bad, door

matig helder licht en door het ontkleeden. De bevrijding van doeken en

windsels heeft levendige bewegingen ten gevolge, vooral afwisselend

strekken en buigen der beenen. Van den eersten dag af uit zich het

genoegen reeds door het open houden der oogen, waarop spoedig

verhelderde glans der oogen volgt.

Ook de stem is anders, naarmate het kind zich aangenaam gevoelt of

niet.

In het eerste halfjaar zijn de gevoelens van onbehagen menigvuldiger

dan later. Zelfs bij de zorgvuldigste verpleging, luchtverversching,

regeling van temperatuur der lucht en van het bad, contrôle op moeder-

of andere melk en surrogaten daarvoor, en in de vriendelijkste

omgeving, is het geen enkel kind beschoren geheel gezond te blijven,

zonder één dag van verdriet door honger- en dorstgevoel, ongemakkelijke

ligging, houding of plaatsing, door koude, gevoel van nattigheid, sterk

riekende lucht of vaste inwikkeling.

Onaangename gevoelens worden door schreien en, reeds in den eersten

tijd, door mimiek uitgedrukt, vooral door den vorm van den mond.

Reeds op den tienden dag, als het verzadigde kind is ingeslapen, neemt

men om den mond eene lachende, vergenoegde uitdrukking waar.

Eigenaardig is het schreien. Doordringend en aanhoudend bij pijn,

kermen of jammeren bij ongemakkelijke ligging, onafgebroken en zeer

luid in een koud bed, door veelvuldige tusschenpoozen afgebroken bij

honger, plotseling tot onverwachte sterkte aangroeiende en dadelijk

weder afnemende als het kind iets begeert en het niet krijgt.

Een tweede teeken van onaangenaam gevoel is het toeknijpen der oogen;

een derde het afwenden van het hoofd, zonder schreien, reeds in de

eerste maand. Vooral van gewicht is het neêrtrekken van de mondhoeken,

dat zelfs in den slaap voorkomt en bij onwelzijn voortdurend aanwezig

is. Daaraan alleen reeds kan men zien of de stemming van het kind eene

vroolijke of eene droevige is. Dit teeken is evenwel niet zoo vroeg

waar te nemen als de andere.

Spoedig na de geboorte doet zich reeds honger en dorst gevoelen. Duurt

het honger- en dorstgevoel lang, dan schreit het kind en wordt

onrustig. In de eerste dagen verdwijnt de onrust telkens tijdelijk,

wanneer het kind iets in den mond gestoken wordt waarop het zuigen kan,

doch reeds na de eerste week laten vele zuigelingen zich op die wijze

niet foppen. Gedurende de eerste dagen zuigt het hongerige kind op zijn

eigen vingers, doch begint spoedig weder te schreien. Dat schreien is

anders dan bij pijn. Het wordt niet zoo lang onafgebroken voortgezet.

Zeer kleine hongerige kinderen schreien met lange en korte

tusschenpoozen. De stem heeft een helderen klank en is niet zoo hoog,

als bij het schreeuwen van pijn. De oogen worden meestal toegeknepen,

de tong wordt in den mond teruggetrokken en is breed. Een zeker teeken

van honger en sterke begeerte naar voedsel is het opensperren der oogen

bij het naderen van de borst.

Bij jonge kinderen treedt vooral in den eersten tijd vermoeienis op

door schreien en zuigen. Laat men ze hongerig schreeuwen, dan slapen

zij spoedig in, ook zonder voedsel te hebben gekregen. Ook het zuigen

aan een weinig melkbevattende borst is vermoeiend. Vaak wordt het dan

door langere tusschenpoozen afgebroken en herhaaldelijk slaapt het kind

in, ook al is het hongerig. Wanneer het verzadigd is, zuigt het niet

meer en wanneer het moe is, doet het dit onregelmatig en zonder kracht.

Het brengen van eigen handen in den mond heeft bij de zuigelingen nog

niets met grijpen te maken. Bij het doelloos bewegen van de handen,

komen die ook wel in het gelaat en in den mond. Dat is te verklaren uit

de houding, welke de armen bij het ongeboren kind hadden, eene houding

die zij nog lang bewaren. Zij brengen dus de handen aan het gelaat,

zooals zij dit vóór de geboorte gedaan hebben. Ook houden zij de beenen

als gedurende het verblijf in de baarmoeder, namelijk de knieën

opgetrokken, de voeten eenigszins naar binnen gekeerd, de voetzolen

naar elkander gericht. Daar ook de beenen, en voornamelijk de

onderbeenen, eene kromming naar binnen vertoonen, kan het den schijn

verwekken, alsof het kind misvormd is. De beschreven houding verdwijnt

langzamerhand, doch de kromming der onderbeenen blijft langer bestaan.

Elk kind heeft dus in den beginne kromme beenen. Het maken van

zuigbewegingen, wanneer de handen de lippen aanraken, is aangeboren en

niet tot bedoelde bewegingen te rekenen. Hoe doelloos dat bewegen

geschiedt, blijkt wel uit de krabwonden, die zij zich in het gelaat en

zelfs in de oogen toebrengen, waarvoor het dikwijls noodig is de nagels

te knippen, de handen in te pakken, de armen vast te binden of met

stijve kokers te omgeven, om de kinderen te beletten zich zelf

verwonding toe te brengen.

Opvallend is in den eersten tijd het geeuwen met wijd opengesperden

mond. Dit wordt door sommigen opgevat als eene versterkte en diepe

inademing, welke de ademhalingswerktuigen langzamerhand tot regelmatige

werkzaamheid heeft te brengen.

Veelvuldig wordt ook kokhalsen waargenomen. Kinderen van een tot vijf

dagen oud steken dan, bij opengesperden mond, de tong naar voren. De

gewone oorzaak schijnt te zijn, dat er slijm aanwezig is of wel, dat

zij zichzelf met den vinger het gehemelte of den tongwortel aanraken.

Dit laatste geeft ook wel aanleiding tot braken, ofschoon braken

meestal het gevolg is van eene overvulde maag.

Het hikken, dat, vooral na het drinken soms wel gedurende tien minuten

en langer, in de eerste drie maanden nog al eens voorkomt, heeft niets

te beteekenen. Het verdwijnt somtijds gemakkelijk door een of een paar

theelepels lauwwarm suikerwater op de tong te brengen.

Nu en dan wordt bij overigens volmaakt gezonde meisjes op den vijfden

of zesden dag, ook wel iets later, eene meestal geringe

bloedafscheiding uit de geslachtsdeelen waargenomen. Aan de

schaamlippen kleeft dan bloederig slijm of men vindt er kleine

bloedstolsels. Worden de schaamlippen uit elkander gehouden, dan kan

men zien, dat het bloed uit de scheede is te voorschijn gekomen. Bij

ietwat sterker bloeding komt die afscheiding ook in de luiers. Dit

duurt gewoonlijk slechts een paar dagen, soms een week. Voor den

gezondheidstoestand van het kind heeft dit niets te beteekenen.

Ook vindt men vaak, meestal onmiddellijk of in de eerste dagen na de

geboorte, bij meisjes een zuchtige zwelling van de schaamlippen, bij

jongens van balzak en lid, welke allengs vanzelf verdwijnt en niet de

minste beteekenis heeft.

Bij 80% der pasgeborenen treedt geelzucht op, welke kenbaar is aan eene

gele verkleuring van de huid, vooral bij kinderen van eerstbarenden, na

geboorte met de billen vooruit en na lange, moeilijke baringen. Het

vaakst optredende op den tweeden dag, minder dikwijls op den derden,

begint die verkleuring in het gelaat en op de borst. In sterk sprekende

gevallen wordt ook het oogwit geel gekleurd. Bij kunstverlichting is de

verkleuring niet waar te nemen. De duur wisselt van 4 tot 14 dagen.

Soms zijn de kinderen wat mat en slaperig, drinken slecht en nemen, al

is het welbevinden ongestoord, gedurende dien tijd minder toe. Men

drage zorg voor behoorlijk warm houden, vooral bij te vroeg geboren

kinderen, zonder te broeien. Men moet echter, indien de geelzucht van

dag tot dag erger wordt, zoodat de kleur van de huid zelfs groengeel

wordt, den dokter waarschuwen.

De borstklieren scheiden bij pasgeborenen een melkachtig vocht af,

heksenmelk genoemd. Bij beide geslachten zwellen daardoor van den 2en

of 4en dag af, de borsten op, welke zwelling op den 8en tot 12en dag

haar hoogtepunt bereikt, om van de tweede week af langzamerhand te

verdwijnen. Het kan evenwel nog langer duren, daar de vorming van melk

tot in de vierde week, in zeldzame gevallen tot in de vierde maand,

aanhoudt. Het is volkomen onnoodig, zelfs schadelijk, te trachten

daaraan door drukken, knijpen of wrijven een einde te maken. Men heeft

ze eenvoudig met een laagje steriele watten te bedekken en met rust te

laten. Het is mogelijk, dat in de borst ontsteking optreedt. Zij wordt

dan steeds grooter, pijnlijk bij druk; de huid wordt rood en zuchtig

gezwollen. Bij de eerste verschijnselen van ontsteking bedekke men dan

de borst met een compres, b.v. van hydrophiel gaas of een dun laagje

ontvette watten, in lauwwarm water, voor de helft verdund Goulardwater

of 50%’s alcohol, gedoopt en uitgeknepen, waarover een stukje

guttapercha-papier of Billroth-batist en daarover eene laag droge

watten, alles vastgehouden door een verband. Men verzuime niet den

dokter van deze verschijnselen in kennis te stellen, daar het tot

ettering komen kan. Het kind heeft daarbij soms hooge koorts, is

onrustig, verliest den eetlust. Vaak komt het tot braken en diarrhee.

In de meeste gevallen begint op den 6en of 7en dag de opperhuid af te

schilferen, soms in kleinere of grootere lapjes, hetgeen eenige dagen

aanhoudt. De oorzaak is te zoeken in het uitdrogen van de tot de

geboorte steeds vochtige huid en in de prikkeling en wrijving der

kleederen. Ook treedt eene dergelijke afschilvering van het slijmvlies

der lippen op.

Het gedeelte van de navelstreng dat aan het kind verbonden bleef,

blijft nog eenige uren blauwachtig wit van kleur, wordt slapper en

platter, verdroogt allengs en wordt tot eene platte harde streng, welke

ten slotte, bij een of andere gelegenheid, gewoonlijk bij het baden,

loslaat, door het verscheuren van de laatste dunne verbinding met den

navel. Dat loslaten geschiedt omstreeks den 5en tot 8en dag, somtijds

nog later. Er blijft een kleine wond aan den navel over, welke tegen

besmetting of infectie moet gevrijwaard worden, omdat daaruit voor het

kind de schromelijkste gevolgen kunnen voortspruiten. Daarom is

zorgvuldige, uiterst reine behandeling, zoowel van de rest van de

navelstreng als van de overblijvende wonde van groot belang. Het baden

van het kind behoeft niet te worden nagelaten. Men drage zorg voor

reinheid van eigen handen en van alles wat, als verband, op den navel

gebracht wordt. Het verband, dat om de rest van de navelstreng

gewikkeld is, laat bij het baden van zelf los. De rest moet daarna

zorgvuldig afgedroogd en een nieuw, zuiver verband aangelegd worden.

Nadat de rest afgevallen is geneest de overblijvende navelwond onder

een verband, uit steriele watten of steriel gaas bestaande, vrij

spoedig. Dit verband moet, als het b.v. door urine nat geworden is,

vernieuwd worden. Ter beschutting van de wond kan men haar eerst met

wat vaseline bedekken of er een antiseptisch poeder, als dermatol-,

xeroform-, airol- of salicyl-strooipoeder (1 dl. salicylzuur, 5 dl.

talkpoeder) op strooien.

Mocht het eens gebeuren, dat er eene bloeding uit de navelwond komt,

hetzij dat men ongelukkigerwijze aan de nog niet geheel losgeraakte

rest van de navelstreng heeft getrokken of wel door eenige andere

oorzaak, dan kan men de bloeding tot staan brengen door eene laag

zuivere verbandwatten of eene schoone zakdoek, opgevouwen, op de

bloedende wond te leggen en stevig met de hand daarop te drukken, of

door, over de bedekkende watten of zakdoek heen, stevig een verband,

b.v. een tricot-windsel, als drukverband, om den buik te wikkelen. Laat

inmiddels den geneesheer roepen.

Eerst puilt de navel, vooral als de huid de navelstreng voor een

gedeelte bekleedde, nog wat uit (huidnavel), maar spoedig daalt hij

onder het oppervlak van de huid en vormt een kuiltje, met ietwat

vochtigen bodem, dat door eene smalle bovenste en breede onderste

huidplooi bedekt wordt. Weldra is de wond genezen en alles droog.

Somtijds blijft er wat bloederige, zelfs op etter gelijkende,

afscheiding bestaan, zoodat het verband aan de wond blijft kleven of

althans bevlekt wordt. Dan is er, als men de huidplooien uit elkander

trekt, een steeds vochtig, vleezig propje in de diepte waar te nemen.

Dat propje is ongevoelig en bloedt somtijds bij onzachte aanraking.

De geneesheer, daarop opmerkzaam gemaakt, zal er spoedig een einde aan

weten te maken, zoodat de litteekenvorming weldra volkomen wordt. Van

meer belang is het, wanneer de rand van de wond, daar waar zij aan de

huid van den buik grenst, sterke roodheid vertoont, ettering aanwezig

is, de navel wankleurig wordt, rood, gezwollen en gevoelig is en eene

sterke afscheiding geeft. Dan vooral is het noodig oogenblikkelijk den

geneesheer te ontbieden, omdat dit alles op ontsteking wijst, waardoor

het leven van het kind in groot gevaar kan komen.

Na de genezing wordt het navelverband veelal nog eenigen tijd, minstens

4 à 5 weken, aangelegd. Waar dikwijls de band, met de bedoeling om een

navelbreuk te voorkomen, sterk wordt aangetrokken, achten wij het

noodig daartegen te waarschuwen, omdat juist sterke druk op den

onderbuik de oorzaak kan worden van het ontstaan van navelbreuk. Zulk

een breuk ontstaat gewoonlijk niet dadelijk, meestal tusschen de tweede

en vierde maand. Hij doet zich voor als eene weeke verhevenheid of

dikte, welke, als het kind bij het schreeuwen of bij moeilijke

ontlasting perst, grooter en meer gespannen, bij het ophouden met

persen kleiner wordt of geheel verdwijnt. Dit laatste geschiedt ook als

men er met den vinger op drukt, waarbij men, als de breuk tamelijk

groot is, een eigenaardig gevoel waarneemt.

Een navelbreuk ontstaat doordat een gedeelte van de ingewanden van den

buik, meestal een gedeelte van den darm, door eene, met huid bedekte,

opening van den buikwand heendringt en de huid uitstulpt.

In vele families schijnt neiging of aanleg tot het ontstaan van

breuken, ook navelbreuken, voor te komen. Men schenke in den beginne

vooral aandacht aan den zoogenaamden huidnavel. Een doelmatig

hechtpleisterverband, het eerst door den geneesheer aan te leggen, dat

gedurende een veertiental dagen kan blijven liggen, zal er vele

genezen. Zulk een verband, waarvoor men leucoplast, blancoplast of

sanoplast ter breedte van 2 of 3½ cM. gebruikt, wordt als volgt

aangelegd. Men vouwt de huid van den buikwand in de streek van den

navel, zoodat er eene overlangs loopende plooi ontstaat. De randen van

die plooi worden tot elkander gebracht, zoodat de navel niet meer te

zien is. Dan legt men dwars over die plooi, op de plaats waar de navel

is schuil gegaan, om den buik heen, een strook pleister, ongeveer 12

c.M. lang, en drukke die eenigen tijd aan, om haar door de warmte goed

te doen vastkleven. Bij gebruik maken van eene breede strook pleister

is één strook voldoende; bij smallere legt men twee of drie strooken

dakpansgewijze over elkander. De uiteinden van elke strook komen op den

rug van het kind te liggen. Zulk een verband kan, als het kind

dagelijks gebaad wordt, wel een week blijven liggen. Daarna wordt het

vernieuwd. Mocht, na het afnemen van het pleisterverband, blijken dat

de huid te rood geworden of stuk gegaan is, dan wachte men met het

aanleggen van een nieuw verband, tot zij genezen is. De genezing wordt

bespoedigd door bepoederen en inwrijven van de huid, b.v. met

alsol-strooipoeder.

Ook liesbreuken komen nog al eens voor. Deze, hetzij eenzijdig of

dubbelzijdig, neemt men het best of alleen waar, als het kind bij

schreeuwen of bij moeilijken stoelgang perst, en wel als eene dikte in

de streek van de lies. Bij eenzijdige breuk is verschil in dikte met de

andere zijde gemakkelijk te zien. De geneesheer zal daarvoor een band

aanleggen, waaronder de genezing plaats vindt. Bij het dragen van alle

mogelijke banden moet men de uiterste zindelijkheid en reinheid

betrachten, omdat de huid van het kind zeer gevoelig is en gemakkelijk

stuk gaat. Indien de band goed aansluit en langen tijd gedragen wordt,

geneest de breuk in de meerderheid der gevallen. Vaak wordt bij jongens

eene zwelling van het zakje waargenomen, welke te wijten is aan vocht,

dat zich daarin heeft opgehoopt. Men noemt het een waterbreuk. Van

beteekenis is dit niet. Zulk een breuk geneest na eenige weken of

maanden van zelf.

Een ander verschijnsel, dat bij jongens nog al eens voorkomt, is

vernauwing of samenkleven van de voorhuid, dat is het gedeelte van de

huid van het geslachtsdeel, door welks opening de urine te voorschijn

komt. Wanneer dit aanleiding geeft tot pijnlijke of bemoeilijkte

urine-loozing, is gewoonlijk eene kleine behandeling door den

geneesheer voldoende om dat bezwaar op te heffen.

Van niet te onderschatten beteekenis is verder de zorg voor de oogen

van het kind. Reeds dadelijk na de geboorte moeten, zooals reeds gezegd

werd, de oogen met zuiver gekookt water of 3%’s boorzuuroplossing

gereinigd worden van het vuil, waarmede zij gedurende de baring in

aanraking gekomen zijn. Doch daarmede is niet alles gedaan. Dikwijls

komt het voor, dat bij de baring eene smetstof in de oogen geraakt,

vooral bij moeders welke aan witten vloed lijden, en voornamelijk

wanneer die berust op druipergif (gonorrhoe), welke binnen eenige dagen

eene zoodanige ontsteking van de oogen ten gevolge heeft, dat het kind

gevaar loopt onherroepelijk blind te worden.

Vele geneesheeren hebben daarom de gewoonte, en wij kunnen dien

maatregel slechts toejuichen, bij iederen pasgeborene de oogen in te

druppelen met eene zwakke oplossing van helschen steen, welke, zooals

eene uitgebreide ervaring geleerd heeft, zoo goed als zeker den

verderfelijken invloed van het gif te niet doet. Mocht dat niet gebeurd

zijn en dergelijk gif in de oogen zijn binnengedrongen, dan treedt

meestal op den derden dag, soms op den vierden of vijfden dag, de

ontsteking op. De oogleden zwellen, worden rood, kleven aan elkander

vast en eene dunwaterige gele vloeistof, spoedig vervangen door eene

hevige ettering, treedt te voorschijn. Is reeds dat een groot gevaar,

nog grooter wordt het, wanneer men meent die ontsteking een „kou” of

„tocht” op het oog te mogen noemen, omdat dan allicht verzuimd wordt op

tijd de hulp van den geneesheer of van een oogarts in te roepen. Binnen

enkele dagen kan het zoover gekomen zijn, dat het kind tengevolge van

de ontsteking blind is, en, zoo dat niet het geval mocht zijn, het

dikwijls toch het grootste gedeelte van het gezichtsvermogen heeft

ingeboet. Oogontsteking kan ook op andere wijze ontstaan, b.v. door het

binnendringen van kraamzuivering of andere stoffen, hetwelk niet zulke

vèrstrekkende gevolgen heeft. Welke ten slotte de oorzaak zijn moge,

men gaat den zekersten weg, door zonder verwijl den geneesheer van de

minste afwijking in kennis te stellen.

In het algemeen verdient het, naar mijne meening, aanbeveling het kind

van de geboorte af dagelijks te baden. Vele geneesheeren willen dat

eerst toestaan na genezing der navelwonde, uit vrees dat van daar uit

eene besmetting, door het badwater, zou plaats vinden. Ofschoon ik in

eene langdurige praktijk nooit iets dergelijks heb waargenomen, bestaat

er geen reden om daarover te twisten. In het eerste halfjaar houde men

de temperatuur van het badwater op 35° C. (28° R.), daarna kan men de

temperatuur iets lager nemen, doch nimmer late men zich verleiden, met

de bedoeling het kind te harden, het water—en dan niet voor het einde

van het tweede levensjaar—kouder dan 32,5°–30° C. (26°–24° R.) te

nemen.

Na urine-loozing of stoelgang moet het kind steeds behoorlijk met

lauwwarm water, of water waar de koude af is, liefst met watten,

gereinigd en daarna bepoederd worden. Wanneer de billen om de

aarsopening en de huidplooien neiging tot smetten of stukgaan

vertoonen, scharrele men niet te veel met water. Men wassche dan

eenvoudig af en bepoedere. Waar de roodheid in wondzijn is overgegaan,

kan het zelfs aanbeveling verdienen, die plaatsen met olijfolie

(slaolie), met watten, te reinigen, daarna met watten af te drogen en

vervolgens te bepoederen. Als een uitstekend poeder daarvoor heb ik

alsol-strooipoeder leeren waardeeren. Ook wordt wel insmeeren met

zinkzalf, zalf of pasta van Lassar, vaseline of lanoline aangeraden.

Bij het gebruik van vaseline, vooral de gele, denke men eraan, dat

daarbij de ontlasting in de luier eene groene verkleuring kan aannemen.

Roodheid en opengaan van de huid, trots alle reinheid, met of zonder

het optreden van blaasjes, aan billen en dijen is vaak te wijten aan

dunne, diarrhee-achtige ontlasting of aan voortdurende inwerking van

urine. Dan heeft men na te gaan of er eene voedingsstoornis bestaat en

zorg te dragen, dat het kind niet lang in natte luiers liggen blijft.

Op het hoofd vormt zich somtijds, meestal op de plaats der groote

fontanel en hare omgeving, een aanslag van huidsmeer en schubbetjes,

gewoonlijk „berg” genoemd. De opvatting dat men dit niet verwijderen

mag is onjuist. Ter behandeling smeert men het ’s avonds met eenig vet

of olie in, omgeeft men het hoofd met een doek en wascht men de plek ’s

morgens met warm zeepwater af. Zoonoodig wordt dit herhaald. Mocht deze

behandeling niet baten, dan wijst dat op eene aandoening van de huid,

welke hare oorzaak in het gestel van het kind kan hebben. Men moet

alsdan den geneesheer raadplegen.

EENIGE OPMERKINGEN MET BETREKKING TOT HET ZOOGEN EN DE VOEDING VAN EEN

ZUIGELING.

Iedere echte moeder moet haar kind zoogen. Het beste en goedkoopste

voedsel voor het kind is de moedermelk. Iedere moeder, die haar kind

liefheeft, zal dus dat kind de beste voeding geven, tenzij daaraan niet

kan voldaan worden door gebrek aan dat voedsel of wegens andere

oorzaken, b.v. gelegen in eigen gezondheid of in den toestand der

borsten.

Goede borsten zijn eenigszins hangend, langwerpig, niet te groot en

niet te klein, met goed gevormde tepels, welke ongeveer 2 cM. boven de

oppervlakte van de borst uitsteken.

Het zog, dat gedurende de eerste drie tot vijf dagen ontledigd wordt,

is waterig en met veel biest (colostrum) vermengd. Daarna komt eerst

het ware zog. Het zuigen van het kind aan den tepel is een prikkel,

waardoor de melkafscheiding bevorderd wordt. Tusschen den tweeden en

vierden dag vullen de klierkwabjes der borsten zich, waardoor deze

grooter en zwaarder, gespannen en pijnlijk worden. Die zwelling kan

zich tot in de oksels, waar zich zelfs klierkwabjes kunnen bevinden,

uitstrekken. De tepel wordt daarbij eenigszins ingetrokken. Het kind

kan den tepel moeilijker vatten en de melk niet zoo gemakkelijk

uitzuigen, hoewel een krachtig kind het er toch goed afbrengt en, door

flinke ontlediging, het spanningsgevoel althans eenige oogenblikken

doet verminderen. Die spanning neemt tot den vierden dag toe, om dan

binnen één tot drie dagen af te nemen, terwijl tevens de borsten

slapper worden. Bij niet zoogende vrouwen is dit alles gewoonlijk

sterker en duurt het slapper worden iets langer. Indien de spanning en

pijnlijkheid zeer sterk zijn, zoodat b.v. elke beweging, vooral van de

armen, pijn veroorzaakt, dan is, behalve het opbinden der borsten, wat

in ieder geval reeds verlichting geeft, het vochtig warm inpakken een

heerlijk middel, vooral als tegelijkertijd het nemen van voedsel en het

drinken wat beperkt en ruime ontlasting, b.v. door bitterwater,

bevorderd wordt. Mechanische ontlediging der borsten, door uitpersen,

uitzuigen met de zogpomp, of massage is zeer pijnlijk en brengt zeer

weinig verlichting.

In de eerste dagen veroorzaakt het zuigen van het kind vaak pijn aan de

tepels, ook al zijn die niet „open” of ontstoken. Bij het zuigen van

het kind ontstaan wel eens blaasjes op, kleine bloeduitstortingen of

scheurtjes in den tepel. Dan is het zoogen bijzonder pijnlijk. Velerlei

middelen worden aanbevolen om die gewonde plekjes te genezen. Zoo b.v.

het penseelen van den tepel met benzoëtinctuur, met eene 6%–10%’s

oplossing van helschen steen in gedestilleerd water. Ook wordt de tepel

wel bedekt met een lapje gedrenkt met perubalsem, met eene oplossing

van tannine (looizuur) in glycerine (5%–10%), waarbij men te bedenken

heeft, dat zij vlekken in het ondergoed maken, zoodat het aanbeveling

verdient er een stukje Billroth-batist of guttaperchapapier overheen te

leggen; met eene 6%–8%’s oplossing van boorzuur in glycerine; met een

mengsel van gelijke deelen brandewijn en glycerine. Als tepelzalf wordt

o.a. ook aanbevolen een mengsel van gelijke deelen glycerine,

benzoëtinctuur en olijfolie, b.v. 15 grammen van ieder.

Het zal dan noodig zijn den tepel, voor het kind aan de borst gelegd

wordt, met lauwwarm water af te wasschen, terwijl hetzelfde ook

gebeuren moet nadat het kind gezogen heeft. Deze middelen helpen

gewoonlijk niet snel, omdat de tepels telkens weder aan denzelfden

schadelijken invloed, d.i. het zuigen van het kind, worden

blootgesteld. Wanneer, vooral bij uitgebreide wondjes, het zoogen zeer

pijnlijk is, kan men trachten de pijn te verminderen, door het kind

door een tepelhoedje te laten zuigen. Somtijds is de pijn echter zoo

hevig, dat reeds de gedachte aan het naderende uur van zoogen de

kraamvrouw geheel in de war brengt, uit angst voor de door te stane

pijnen. Dan kan het noodig en nuttig zijn het kind zoolang de borst te

onthouden en op andere wijze te voeden, totdat de wonden genezen zijn.

Men behoeft niet bevreesd te zijn, dat het kind daarna den tepel niet

meer zal willen vatten. Met eenig geduld en eenige moeite gelukt dat

wel weder. Evenmin behoeft men beangst te zijn, dat de borst na zulk

een tijdperk van rust geen zog meer zal leveren. Het zuigen van het

kind brengt, vooral als de borst voldoende zog opleverde, al spoedig

hare werkzaamheid weder aan den gang, zoodat voldoende hoeveelheid

voedsel geleverd wordt. [3]

Uit wonde tepels zuigt het kind bloed af, dat uitgebraakt of, in de

luiers, zwart gekleurd, teruggevonden wordt.

De wonde tepel is wel de hoofdoorzaak voor het ontstaan der zoo

gevreesde zweer in de borst. Gemakkelijk toch kunnen onreine stoffen,

zooals de kraamzuivering, welke onwillekeurig aan de handen der moeder

of der verpleegster geraakt zijn, in die wondjes gebracht worden en tot

infectie en ontsteking aanleiding geven. Dit wetende, begrijpt men dat

de grootste reinheid moet worden in acht genomen, omdat daardoor het

gevaar zoo goed als uitgesloten is.

De meening, dat iedere zoogende vrouw omstreeks den derden dag

zogkoorts zou krijgen of zou moeten krijgen, is gelukkig onjuist. Wel

is waar gevoelt zij zich niet prettig gedurende de dagen dat de

gespannen borsten pijnlijk zijn en iedere beweging haar hindert, doch

dat is geen gevolg van of oorzaak voor temperatuurs-verhooging. Veeleer

kan men zeggen, dat bij de kraamvrouw, die omstreeks dien tijd koorts

heeft, de oorzaak ergens anders te zoeken is, voornamelijk in eene

lichte infectie van wondjes in of aan de geslachtsdeelen of door

verhinderde of verminderde uitscheiding der kraamzuivering.

Zoodra de spanning en pijnlijkheid van de borsten voorbij zijn, zal het

kind gemakkelijker zuigen en de borst flink leeg drinken. Dat geheel

ledigen van de borst is van belang voor regelmatige vorming van melk in

voldoende hoeveelheid. Dan komt regelmatige vulling der borsten tot

stand en vaak kan de moeder, tegen den tijd dat het kind zich voor de

voeding zal aanmelden, een eigenaardig gevoel waarnemen, alsof de borst

zich met vocht vult, wat ook werkelijk het geval is, zelfs zoo, dat de

melk uit den tepel begint te loopen. Men noemt dat het toeschieten van

het zog.

Voor het kind aangelegd wordt, reinige men den tepel. Dat moet ook

gebeuren als het kind gevoed is. Men kan dit doen met verbandwatten en

zuiver gekookt water. Daarna de borsten met een zachten doek te

bedekken of in een lijfje op te bergen en daarbij, ook de minste,

drukking zooveel mogelijk te vermijden. Als het kind verzadigd is,

veegt men het de lippen af en legt men het in een warm bedje, om rustig

te slapen. De mond behoeft volgens sommige geneesheeren na het zuigen

niet gereinigd te worden, volgens andere juist wel, omdat het in den

mond achterblijvende zog aanleiding zou kunnen geven tot het ontstaan

van spruw. Spruw is eene in het mondslijmvlies groeiende schimmelplant,

welke zich als witte vlekken voordoet, die betrekkelijk moeilijk te

verwijderen zijn. Die witte plekjes mogen niet verwisseld worden met

melkstolsels, die, op het slijmvlies van de mondholte liggende, juist

gemakkelijk te verwijderen zijn. Volgens de aanhangers der

mondreiniging zou men daardoor de onreinheid, welke tot ontwikkeling

van spruw leiden kan, ontgaan. Volgens de tegenstanders zou juist de

mondreiniging, door mogelijke beleediging van het slijmvlies, het

ontstaan van spruw vergemakkelijken. Ik schaar mij aan de zijde van

hen, die het reinigen van den mond niet alleen overbodig, maar zelfs

schadelijk achten.

De melk van jonge vrouwen is over ’t algemeen vetrijker en de

afscheiding rijkelijker. De borsten van vrouwen tusschen 20 en 30

jaren, die reeds twee- of driemaal gebaard hebben, leveren meestal meer

dan die van jongere of oudere, die vaker baarden. Dat zijn

omstandigheden gebonden aan de lichamelijke gesteldheid der vrouw.

Daarnaast zijn vele andere toevallige aanwezig, zoodat in ’t algemeen

nooit van te voren kan gezegd worden, welke moeder haar kind zal kunnen

voeden, hoe lang en hoe goed zij dat zal kunnen doen. Eerst ongeveer 14

dagen na de bevalling zal men kunnen beoordeelen, of de moeder

werkelijk haar kind zal kunnen zoogen.

De voeding der kraamvrouw, eten en drinken beiden, kan van den aanvang

af over ’t algemeen de gewone zijn, zoodat men haar, die zich

verstandig voedt, niet dit en dat en nog meer behoeft te verbieden,

zooals nog al te dikwijls geschiedt. Allerminst behoeft zij op een pap-

en melkdieet gezet te worden, welke kost, ook al omdat zij het

darmkanaal te weinig prikkelt, voor een groot deel schuldig is aan de

verstopping, waaraan menige zoogende vrouw lijdt. Zij mag in den

vruchtentijd gerust genieten van aardbeziën en dergelijke, van salade,

augurken, komkommers, enz., waarbij zij echter moet opletten, welke

voedings- of genotmiddelen op haar kind misschien eenigen ongunstigen

invloed uitoefenen. Zoo herinneren wij ons, om een enkel voorbeeld te

noemen, eene moeder, die alle vruchten gebruiken kon, zonder dat haar

kind daarvan ook maar eenige onaangenaamheid ondervond, doch de gewone

gele pruim veroorzaakte bij haar kind regelmatig dunne ontlasting.

Daarvan onthield zij zich dan ook, doch wanneer het kind eens

moeilijkheid met de ontlasting had, aan verstopping leed, gebruikte zij

deze vrucht met uitstekend gevolg voor de goede ontlasting van haar

kleine. Zoo is het ook hier weder duidelijk, dat men geen algemeene

regels geven kan en mag, ook niet voor zoogende vrouwen. Wel mag men

aannemen, dat het gebruik van alcohol nadeelig is, al moet dadelijk

worden toegegeven, dat een enkel glas wijn of bier geen schade doet.

Dat theegebruik het zog zou opdrogen, koffie de zogafscheiding zou

aanzetten, behoort, als zoovele andere dingen, tot het rijk der

fabelen. De beste drank voor de zoogende moeder is melk. Zij houde

evenwel in het oog, dat ook van de zoogenoemde versterkende middelen,

waartoe gewoonlijk in de eerste plaats melk en eieren gerekend worden,

te veel gebruikt worden kan.

Bij te rijkelijke voeding met dierlijke stoffen kan, wanneer die tot

sterke vetafzetting leiden, de zogafscheiding verminderen en zelfs

geheel ophouden. In het algemeen kan gezegd worden, dat de gemengde

voeding de beste is, omdat eiwitrijk voedsel het eiwit- en vetgehalte

van de melk vermeerdert, het suiker- en zoutgehalte vermindert, terwijl

plantenkost in omgekeerden zin werkt, en dat bij de gewone gemengde

voeding, als het noodig blijkt, eene hoeveelheid van 1–1½ liter melk en

1 à 2 eieren per dag voldoende is.

Wanneer de zoogende vrouw dan zorg draagt voor beweging, ook in de

frissche buitenlucht, en voor goede ontlasting, eenmaal in de 24 uren,

zal zij in de meeste gevallen voldoende voedsel voor haar kind hebben.

Mocht de ontlasting niet behoorlijk zijn, dan trachte zij daaraan

tegemoet te komen door het gebruik van karnemelk, grof brood, versche

en gekookte vruchten, waarbij ook hazelnoten en andere noten, of door

het zetten van een lavement. In ’t algemeen zorge zij voor eene gewone,

gezonde en geregelde levenswijze.

Wij gaan nu wat nader in op de voeding.

Wanneer de pasgeborene, na den eersten slaap, door schreien van zijn

bestaan blijk geeft, is de tijd gekomen om hem den eersten maaltijd aan

de moederborst te geven. Dit zal bij haar, die voor het eerst moeder

geworden is, niet altijd gemakkelijk gaan. Sommige kinderen vatten

dadelijk den tepel, andere moeten als ’t ware eenigermate daartoe

opgevoed worden. Indien het niet dadelijk gelukt, moet de moeder niet

wanhopen.

Zij beginne met die borst te geven, welke den besten tepel heeft. Hoe

zal zij dat doen? Zoolang zij nog te bed ligt, gaat zij halverwege op

eene zijde, b.v. de rechterzijde, met een kussen als steun in den rug,

liggen, en plaatst het kind zoo naast zich, dat het door den rechter

arm gesteund wordt. Dan vat zij de borst zoo, dat de tepel tusschen de

toppen van den gestrekten wijs- en middelvinger van de linkerhand komt

te liggen. Met die vingers drukt zij zacht, doch stevig, de omgeving

van den tepel en van den tepelhof, zoodat deze meer te voorschijn

treedt, en brengt dan den tepel in den mond van het kind. Het kan, bij

slappe borst, ook zoo geschieden, dat zij de borst zoodanig tusschen

den duim aan de eene zijde en de overige vingers aan de andere zijde

van den tepel vat, dat deze, met den tepelhof, goed naar voren komt. Op

die wijze kan het kind gemakkelijk door den neus ademhalen.

Het kost wel eens eenige moeite om het kind den tepel goed in den mond

te brengen. Vaak draait het kind, zelfs als het honger heeft, telkens

het hoofd heen en weer, zoodat er eenige handigheid toe behoort, het

kind aan het zuigen te brengen, doch met geduld en zachten drang gelukt

het ten slotte. Dikwerf is ook hierbij alle begin moeilijk, zoodat èn

moeder èn kind spoedig vermoeid raken. Dan eindige men met de poging,

om na eenigen tijd opnieuw te beginnen. Allengs krijgt de moeder de

noodige handigheid wel. Daarentegen pakken vele kinderen de borst

dadelijk en zuigen flink, alsof zij nooit anders gedaan hadden.

Zoodra de moeder in bed mag opzitten, is het beter dat zij, met een

steun in den rug, het kind dwars voor zich op den schoot neemt, het

hoofd gesteund door den arm aan de zijde van de borst welke den

zuigeling zal gegeven worden, en hem nu, in voorovergebogen houding,

den tepel in den mond brengt. Een kussentje onder de elleboog van den

steunenden arm maakt het moeder en kind gemakkelijker. Kan de moeder

het bed reeds verlaten, dan neme zij dezelfde houding aan op een stoel,

liefst een lage, met armleuning, waarop de elleboog rusten kan, en

steune zij het been aan denzelfden kant van de te geven borst, op een

voetenbankje, waardoor de houding minder vermoeiend is.

Men late nu het kind naar hartelust zuigen. De tijd, gedurende welken

een kind zuigt, is verschillend. Krachtig zuigende kinderen drinken uit

eene goede zoggevende borst betrekkelijk snel de noodige hoeveelheid,

zoodat zij vaak in vijf tot tien minuten tijds reeds genoeg hebben.

Andere kinderen doen er langer over. In het algemeen is echter een

tijdsduur van twintig tot dertig minuten voldoende. Ook dan zal men

kunnen waarnemen, dat het kind gedurende de eerste vijf tot tien

minuten flink zuigt en telkens na iedere zuigbeweging slikt, daarna

echter minder snel zuigt en eerst na eenige zuigbewegingen slikt en ten

slotte òf verzadigd den tepel loslaat òf rustig aan de borst blijft

liggen. Het in slaap vallen aan de borst bewijst niet dat er voldoende

zog is. Dat gebeurt b.v. bij zwakke kinderen, uit vermoeienis.

Dikwijls begint het kind, als de moeder het van de borst wil nemen,

weder te zuigen, of althans eenige zuigbewegingen te maken, alsof het

te kennen wil geven, dat het nog niet genoeg gedronken heeft. Dit is

meestal slechts eene poging om bij moedertje, bij wie het zoo aangenaam

warm liggen is, te blijven. De moeder mag daaraan niet toegeven, omdat

zij gevaar loopt, dat het kind den tepel als fopspeen gaat gebruiken.

Een kind dat omstreeks twintig minuten aan de borst gezogen heeft, zal

gewoonlijk genoeg voedsel tot zich genomen hebben en behoort dan

voorzichtig in zijn bedje gelegd te worden.

Den tepel reinige men, na het zuigen, op dezelfde wijze als voor het

aanleggen.

Eene vraag, welke in verschillende tijden en door verschillende

geneesheeren verschillend beantwoord werd en wordt, is deze: hoe vaak

men het kind de borst zal geven, d.w.z. hoeveel maaltijden het kind in

het etmaal krijgen moet.

Naar mijne meening ligt het voor de hand, om niet onmiddellijk met een

vasten regel te beginnen, doch het kind dan voedsel te geven, als het

door geschrei kenbaar maakt, dat het honger heeft. In de eerste dagen

na de geboorte kan dat betrekkelijk veelvuldig voorkomen, omdat de

borst nog weinig zog afscheidt, en toch behoeft het niet veelvuldig te

zijn, omdat het kind nog weinig voedsel noodig heeft. Het komt er nu

vooral op aan, dat de moeder haren jonggeborene bestudeert, opdat zij

allengs wete of het geschrei eene uiting is van honger, dan wel van

onbehagen of iets anders. In den beginne zal het kind misschien

dikwijls voedsel verlangen en moet het dan ook, mijns inziens, aan de

borst gelegd worden. Naarmate de borst meer zog levert, worden de

hoeveelheden, die het goed zuigende kind tot zich neemt, grooter en zal

het langer duren, voor het zich weder aanmeldt. De goede gang is wel

deze, dat het voldoend gevoede kind na den maaltijd inslaapt en niet

ontwaakt, voor de behoefte aan voedsel zich opnieuw doet gevoelen. Hoe

grooter de hoeveelheid voedsel, die het tot zich nam, geweest is, hoe

langer de slaap duren zal. Uit dien slaap ontwaakt, zal het kind met

flinken honger gretig de borst nemen, de borst goed leeg drinken en

opnieuw een gerusten slaap genieten.

Op die wijze zal ieder kind, in den aanvang allicht wat onregelmatig,

vrij spoedig eene betrekkelijke regelmaat in zijne behoefte aan voedsel

openbaren, welke het best voldoet aan de eischen door en voor zijne

ontwikkeling gesteld. Sommige kinderen bereiken reeds zeer spoedig eene

groote regelmatigheid.

De ervaring leert, dat de meeste kinderen tusschen de maaltijden eene

tijdsruimte nemen, welke schommelt tusschen drie en vier uren, soms

zelfs grooter, en dat het aantal maaltijden, in de vier en twintig uren

genomen, schommelt tusschen acht, in den aanvang, en vier, vijf of zes,

later. Er zijn er echter, die van den beginne af niet vaker dan vier-

of vijfmaal zich aanmelden. Daarin vertoont ieder kind een zekere

eigenaardigheid of individualiteit, en het is, naar mijne overtuiging,

van het grootste belang voor zijne gezondheid, hiermede rekening te

houden. [4]

Eerst indien na eenigen tijd, die nu eens kort, dan vrij lang is, de

betrekkelijke regelmaat door de moeder is waargenomen, kan zij er, zoo

noodig, toe overgaan om, rekening houdende met de regelmaat door het

kind aangegeven, deze in overeenstemming te brengen met de orde en

regelmaat, welke in hare huishouding noodig is.

In aansluiting hiermede moet de vraag besproken worden, of een

zuigeling in den nacht al dan niet gevoed moet worden. Ook daaromtrent

bestaat verschil van opvatting. De mijne is deze, dat een kind, dat in

den nacht honger heeft, wèl gevoed moet worden. Hoe aangenaam het voor

de moeder en de huisgenooten ook zijn moge, dat de zuigeling den

geheelen nacht slaapt, zoo leert toch de ervaring, dat het slechts eene

hooge uitzondering is, dat dit van den beginne af het geval is. In het

meerendeel der gevallen wordt ook de gezonde zuigeling ’s nachts

wakker, omdat hij behoefte heeft aan voedsel, en het niet voldoen aan

dezen natuurlijken drang leidt geregeld tot verstoring van de rust der

moeder, die misschien den raad gekregen heeft het kind maar te laten

schreeuwen, omdat het vroeg leeren moet den geheelen nacht te slapen.

Waarom moeten jonge ouders den pasgeborene maar erbarmelijk laten

schreeuwen, zelfs als zij daarvan ontdaan raken? Het is mij vaak genoeg

voorgekomen, dat—op gezag der verpleegster, steunende op hetgeen haar

onderwezen scheen te zijn geworden—de jonge ouders dit voorschrift in

toepassing hadden gebracht, met het gevolg, dat ’s morgens het kind,

afgemat door het schreeuwen, sliep; dat de jonge moeder, inderdaad

geheel ontdaan, geen oogenblik geslapen had, want welke moeder, die

reeds maanden lang geleefd heeft in blijde verwachting van „het groote

oogenblik, waarop het kleine menschje voor het eerst in den arm en aan

de borst zijner moeder gelegd wordt”, zou niet ontdaan raken, als zij

dat kleine menschje geen voedsel mag geven, ofschoon moeder natuur

werkelijk wel weet wat zij doet, als zij het kind door geschrei om

voedsel laat vragen?; dat de vader besloot—„als dat zóó moet doorgaan”

zegt hij—den nacht zoover mogelijk van de kraamkamer verwijderd door te

brengen, omdat hij overdag zijnen arbeid moet verrichten; dat de

verpleegster ook al geen rust had gehad, omdat zij in den nacht telkens

de verzekering moest geven, dat het kind maar dadelijk moest leeren,

dat het ouderlijk gezag gehandhaafd moet worden.

Moeder en kind · 第 16 / 28 题