HET KRAAMBED.

Na de baring wordt de kraamvrouw in den regel overvallen door huiveren

en beven. Dat is geen teeken van koude of kou-vatten, doch veeleer op

te vatten als een terugslag op den dikwijls zwaren arbeid, welken zij

verricht heeft en waaraan eensklaps een einde kwam. Spoedig, in de

eerste uren van rust, maakt dat plaats voor zweeten, dat, gedurende den

slaap het sterkst, eenige dagen aanhoudt, doch sterk wisselt, naar

gelang van kleeding en bedekking, van de buiten-temperatuur, toevoer

van vloeistoffen, gemoedsbewegingen, als anderszins. Wanneer zij zelve

nu gereinigd en de buik door een buikverband, waarvan verschillende

modellen in gebruik zijn, ingesloten is, mag de kraamvrouw zich

eindelijk overgeven aan de rust, welke zij, naar lichaam en geest,

zoozeer behoeft. Het verlangen naar rust is dan overheerschend, en al

leidt die behoefte naar rust niet altijd tot slaap, het kalm liggen in

eene rustige kraamkamer, waar een oogenblik te voren nog alles in volle

beweging was, is haar reeds een weldaad. Nu en dan wordt zij nog wel

gekweld door pijnlijke samentrekkingen van de baarmoeder, naweeën

genoemd, doch meestal is die pijn gelukkig niet zoo hevig, dat zij

daardoor ten slotte den slaap niet zou kunnen vatten. Vooral zij die

meermalen baarden hebben er last van, alsook zij, bij wie de baring een

snel verloop had. Dan vooral kunnen de naweeën eenige dagen aanhouden,

meestal twee of drie dagen, zelden langer dan tot den vijfden dag, en

gedurende het zuigen van het kind in sterkte toenemen. Vaak zijn die

naweeën de uiting van pogingen, welke de baarmoeder aanwendt, om zich

van bloedstolsels te ontlasten. Andere vrouwen bespeuren er alleen iets

van zoo lang het kind aan de borst ligt. Vroeger legde de baker, met

het oog op die pijnen, een met brandewijn natgemaakten doek op den

onderbuik, aldus onbewust een middel gebruikende, dat in onzen tijd, in

den vorm van alcohol-verbanden, wel eens wordt aangewend bij

prikkelingstoestanden van het buikvlies. Somtijds is de pijn in den

onderbuik te wijten aan sterke overvulling van de blaas door urine. Het

middel daartegen ligt voor de hand.

Onder den invloed dezer naweeën wordt de baarmoeder allengs kleiner.

Bij zoogende vrouwen geschiedt de terugkeer tot de grootte, zooals die

bij de niet zwangere vrouw is, in den regel sneller. Die verkleining

geschiedt minstens tot de zesde week, het snelst en het duidelijkst

merkbaar, bij onderzoek, binnen de eerste veertien dagen. Daarbij neemt

de lengte vlugger af dan de breedte. De grootste verkleining heeft

plaats gedurende de eerste drie dagen.

Afgezien van individueele verschillen, met betrekking tot de snelheid

der verkleining, hebben het verloop van de baring, haar aantal (het

orgaan blijft in verhouding tot het aantal der voorafgegane baringen in

al zijne afmetingen iets vergroot) en, naar men meent opgemerkt te

hebben, ook de ouderdom der kraamvrouw invloed daarop. Langer duurt de

verkleining na buitengewone uitzetting van de baarmoeder, b.v. na

overmatige hoeveelheid vruchtwater en na tweelingzwangerschap. De

scheede blijft steeds wijder dan voor dien tijd. Na drie of vier weken

heeft zij een groot deel van de vroegere veerkracht terug gekregen,

doch de voorste scheedewand blijft, vooral na herhaalde baringen,

dikwijls eenigszins gedaald.

Gedurende de eerste dagen van het kraambed, het sterkst den dag na de

bevalling, gevoelt de kraamvrouw ook spierpijnen, vooral in armen en

beenen, als gevolg van den voor haar over ’t algemeen ongewonen

spierarbeid bij de baring.

De eetlust is gewoonlijk verminderd, de dorst meestal vermeerderd. Zoo

ondervindt zij dus nog eenigen tijd, de een meer de ander minder, de

nawerking van de inspanning gedurende eene gebeurtenis, welke met recht

„verlossing” mag genoemd worden. Doch ook hierbij doen zich belangrijke

verschillen voor. De eene vrouw gevoelt zich door eene gemakkelijke

bevalling afgemat en zwaar beproefd, de andere ziet er, zelfs na veel

sterkeren baringsarbeid, uitstekend uit en gevoelt zich reeds na eenige

uren alsof er niets gebeurd was. Dat hangt af van velerlei

omstandigheden en persoonlijke eigenaardigheden, evenals de

gemoedstoestand na de baring. Zoo zal de eene vrouw, na afloop, kalm en

rustig genieten van het geluk haar deelachtig geworden, de andere, vol

van dat geluk, daaraan door druk gepraat en bemoeienis met alles om

haar heen uiting geven. Voor beiden is het nuttig en noodig in de

kraamkamer zoo spoedig mogelijk alles tot rust te brengen.

De kraamvrouw moet gedurende eenige dagen rust in bed genieten. Zij

behoeft daarbij niet voortdurend op den rug te liggen. Die rust is ook

van belang voor genezing van wonden, welke, van nature, bij de baring

ontstaan. Wij wezen er reeds op, dat de kraamvrouw als eene gewonde te

beschouwen is. Die wonden bevinden zich voornamelijk in de inwendige

geslachtsdeelen. De binnenvlakte van de baarmoeder vormt één

wondvlakte. Eivliezen en moederkoek toch waren min of meer vast met den

baarmoederwand verbonden. Nadat zij door de nageboorteweeën losgemaakt

en uitgedreven waren, bleef eene wondvlakte over. Wel is waar is die

vlakte, nadat alles verwijderd is, door de samentrekking van de

baarmoederspieren veel kleiner geworden, doch voorloopig is zij nog

groot genoeg. Buitendien zijn in den baarmoedermond scheuren ontstaan,

tengevolge van den doortocht van het kind, vertoonen scheede,

scheedeingang en vaak ook de bilnaad, kleinere en grootere

verwondingen, tengevolge der rekking.

Vooral de wondvlakte in de baarmoeder scheidt vocht af, dat naar buiten

vloeit en den naam van kraamzuivering draagt. De hoeveelheid is

verschillend. Na sterk bloedverlies, gedurende en na de baring, is de

afscheiding gewoonlijk sterker; sterk zweeten, diarrhee en het intreden

der zogafscheiding doen haar tijdelijk verminderen. De duur is twee tot

zes, zeldzamer acht weken, meestal echter houdt zij na de vierde week

op. In de eerste dagen, gewoonlijk tot den vierden dag, dikwijls

langer, verschijnt er bloed. Daarna wordt de afscheiding wateriger,

ongeveer als vleeschnat, totdat van den zesden of tienden dag af een

roomachtig of melkachtig etterig, dikwijls meer slijmig glazig, vocht

te voorschijn komt. Vaak echter duurt de bloedige afscheiding zelfs

drie weken of langer. Wanneer de bloedige afscheiding vroeger is

opgehouden, komt het, bij het eerste opstaan, gewoonlijk weer tot

bloedige bijmenging. De afscheiding kenmerkt zich, te beginnen na

eenige dagen, door een eigenaardig zoetig flauwen geur.

Om dat vocht op te vangen wordt voor de uitwendige geslachtsdeelen een

verband gelegd. Meestal bestaat dat verband uit een laag verbandwatten,

al of niet omgeven door hydrophiel gaas, zooals de maandverbanden zijn

ingericht, vastgehouden door een stop- of banddoek.

Het wondvocht vloeit over de wonden, doch deert die niet. Gedurende de

eerste dagen toch bestaat het uit bloed; later, wanneer het veranderd

is en schadelijke stoffen als ook bacteriën bevat, zijn de wonden van

nature zoodanig tegen de inwerking daarvan beschut, dat daaruit geen

gevaar ontstaat. Daarom is ook kunstmatige reiniging der inwendige

geslachtsdeelen niet alleen onnoodig, doch zelfs niet aan te bevelen,

omdat het inbrengen van de daartoe noodige instrumenten, b.v. de canule

van den irrigator, waarmede eene uitspoeling zou moeten verricht

worden, allicht de wonden, welke bezig zijn te genezen, zou openen,

zoodat er nieuwe wonden ontstaan, die van de natuurlijke beschuttende

bedekking ontdaan, kunnen geïnfecteerd worden. De geneesheer gaat dan

ook niet anders dan in hooge noodzakelijkheid tot zoo iets over.

De uitwendige geslachtsdeelen behooren evenwel van tijd tot tijd

gereinigd te worden en zal de verpleegster daarvoor hebben zorg te

dragen, steeds omzichtig en met eene ontsmettingsvloeistof of met

volkomen zuiver water, omzichtig, om wonden, welke daar aanwezig zijn,

voor hernieuwd opengaan te vrijwaren.

Kleine en groote inscheuringen en ontvellingen komen daar voor, en

iedere wond kan door intredend vuil verontreinigd worden. De

smetstoffen, welke ergens binnendringen, kunnen niet alleen daar ter

plaatse ontsteking verwekken, maar ook in andere deelen van het

lichaam, van de ingangsplaats verwijderd. Het best geschiedt de

reiniging door afspoelen van bovenaf, terwijl de kraamvrouw op het

ondersteek ligt, hetzij door schenken uit een kan, door eene canule met

eene centrale opening of door het uitknijpen van een flinke natte dot

verbandwatten. Eene zelfde reiniging behoort te geschieden na

urineloozing en ontlasting. Tevens wordt dan het vuile verband door een

schoon vervangen en alles wat vuil en onrein is, zoowel verband als

beddegoed en dergelijke, uit de kamer verwijderd.

De aard van de kraamzuivering, een wondvocht dat velerlei

schadelijkheden bevat, maakt het noodig zorg te dragen, dat het steeds

verre gehouden wordt van andere wonden, omdat daarin gemakkelijk

ontsteking optreden kan. Daarom moet ieder, die met zulk vocht in

aanraking geweest is, de handen niet alleen zorgvuldig wasschen maar

ook ontsmetten, vooral dus de verpleegster die de navelwonde van het

kind heeft te behandelen en zijne oogen verzorgt, want ook daarin

geraakt, kan het vocht onheil brengen.

Het is dan ook aan te raden het kind te verzorgen, te baden en te

kleeden, vóór de moeder geholpen wordt. Daarom ook moet elke moeder,

die haar kind de borst zal geven, zorg dragen dat hare handen rein

zijn, omdat er anders gevaar bestaat, dat wondvocht, waarmede zij

onwillekeurig en zonder het te bespeuren in aanraking gekomen is, in

wondjes van den tepel—zooals die wel eens voorkomen—geraakt, waarvan

ontsteking der borst het gevolg kan zijn.

Ook in het kraambed is reinheid dus een hoofdvereischte. Waar de

uiterste reinheid betracht wordt, is het gevaar voor ziekelijke

afwijkingen in het kraambed zoo goed als niet aanwezig.

Het buikverband of het sluitlaken, dat, na de baring, een handbreed

boven den navel en van onder zoover dat het voor een deel over de dijen

reikt, wordt aangelegd, dient wel in hoofdzaak om den slappen buikwand

steun te geven. De vraag of het in staat is om den buikwand de vroegere

vastheid en veerkracht terug te geven of niet, is eene, die op zeer

verschillende wijze beantwoord wordt. Sommigen verwachten daarvan in

dit opzicht te veel, anderen te weinig, maar zeker is het onjuist als

eene vrouw, die na de bevalling een slappen buikwand mocht behouden,

daaraan de gedachte verbindt, dat dit euvel zou te wijten zijn aan de

verpleegster, als zou deze, gedurende het kraambed, het verband niet

zorgvuldig genoeg hebben aangelegd. De toestand van den buikwand is aan

vele wisselingen onderhevig. Bij vrouwen die herhaaldelijk baarden kan

hij stevig en bij vrouwen, die nooit baarden, slap en uitgerekt zijn.

Zelfs buikbreuk kan voorkomen, zonder dat ooit eene baring voorafging.

Gewoonlijk zijn de verrichtingen van urine-blaas en darmen in de eerste

dagen verminderd, en komt de noodzakelijkheid tot ontlediging niet tot

bewustzijn. Beide organen kunnen daardoor gemakkelijk overvuld raken.

Wat de urine-loozing betreft is het aan te raden, als er binnen 12 uren

na de bevalling geen aandrang bestaat, te trachten de blaas te

ontledigen. Overvulling komt vooral dikwijls voor na de eerste baring

en na moeilijke bevallingen. De urine-loozing geschiedt dan gewoonlijk

op het ondersteek, welke, vooraf verwarmd, door de verpleegster onder

de kraamvrouw geschoven wordt. Niet altijd komt de urine dadelijk te

voorschijn. Dikwijls is hieraan te gemoet te komen, door de kraamvrouw

alleen te laten, wat warm water in het ondersteek te gieten of haar een

warmen doek op den onderbuik, op de blaasstreek, te leggen.

Niet alleen geeft de overvulde blaas een pijnlijk spannend gevoel in

den buik, doch zij kan ook oorzaak zijn van meerder bloedverlies, omdat

de samentrekkingen van de baarmoeder, die de wondvlakte verkleinen en

de bloedvaten sluiten moeten, door eene overvulde blaas niet voldoende

sterk zijn. Het is dan ook wenschelijk, dat de kraamvrouw, al heeft zij

geen aandrang, op geregelde tijden b.v. om de 6 uren urineert. Bestaat

er binnen dien tijd aandrang, dan zal zij natuurlijk aan die behoefte

voldoen.

Doorgaans bestaat er geen aanleiding op dezelfde wijze te handelen met

betrekking tot de ontlediging der darmen. Behalve dat vóór de baring

reeds voor goede ontlasting gezorgd werd, geeft de voeding,

gedeeltelijk omdat de eetlust geringer is, gedeeltelijk omdat licht

verteerbaar voedsel gebruikt wordt, in de eerste dagen van het kraambed

geen overvulling van den darm. Men wacht dan gewoonlijk tot den morgen

van den derden dag, voor men daarvan werk maakt. Eenvoudige middelen

worden dan in de eerste plaats ingegeven, zooals wonderolie,

rhamnusbastafkooksel, bitterwater en dergelijke, of wel een lavement

gezet, hetzij van water, zeepwater, water met glycerine of glycerine

alleen, door middel van een glycerinespuitje. Bij groote haemorrhoïden

(aambeien), neiging tot uitzakking van den endeldarm of uitgebreide

verwonding in de scheede of aan den bilnaad worden lavementen liever

nagelaten.

Bij de voeding, welke in de eerste dagen het best bestaat uit licht

verteerbare kost, doch daarom nog geen schraal dieet, vermijde men meer

dan ooit onregelmatigheid en overdaad. Vooral de laatste waarschuwing

is noodig, omdat somtijds de eetlust zeer sterk is, maar ook, omdat

vele vrouwen van meening zijn, dat het gebruik van veel voedsel de

zogafscheiding verhoogt. Juist het tegendeel kan daarvan het gevolg

zijn.

Als drank is aan te bevelen frisch koud water, melk, chocolade. Ook

thee, koffie, licht bier en wijn, mits in geringe hoeveelheid, behoeven

niet vermeden te worden.

Voor een deel is de trage werking der darmen te wijten aan de rustige

ligging der kraamvrouw in bed. Algemeen wordt, ten minste in ons land,

de duur van die bedrust vastgesteld op negen dagen. Waarom juist negen

dagen is onbekend. Omtrent den tijdsduur en de houding der kraamvrouw

in het bed onthouden wij ons van het geven van voorschriften, omdat het

ons voorkomt, dat die, in ieder geval afzonderlijk, door den geneesheer

moeten worden gegeven. Hij alleen kan de omstandigheden beoordeelen,

welke van invloed zijn en kunnen zijn. Voor een groot deel is de

gezondheidstoestand der kraamvrouw, welke o.a. uitdrukking vindt in de

verhouding der lichaams-temperatuur, van groot belang, maar er komen

zoovele andere factoren in aanmerking, dat een algemeene regel niet te

geven is.

In de kraamkamer behoort orde en rust te heerschen. De verpleegster

heeft zorg te dragen, dat vuile verbanden en alles wat onzuiver is zoo

spoedig mogelijk uit de kamer verwijderd wordt, dat niets blijft

slingeren, kortom dat het noodzakelijke op tijd geschiedt en de

kraamkamer zoo behaaglijk mogelijk voor de kraamvrouw is.

Omtrent het toelaten van bezoek zal de geneesheer zijne voorschriften

hebben te geven. Naar onze meening kan een kalm bezoek eene aangename

afleiding geven. Vaak echter wordt daartegen gezondigd en wanneer de

kraamvrouw den moed mist, dengeen die haar bezoekt, te kennen te geven

dat zij vermoeid wordt, zal zij daarvan allicht nadeelige gevolgen

ondervinden. Ware belangstelling uit zich niet in urenlang druk

gepraat. Een enkel woord, een handdruk, een even-binnen-wippen om een

bloempje of iets anders te geven, is meer waard dan allerlei

beuzelpraat. De kraamvrouw is zeer gevoelig voor indrukken, elke

gemoedsbeweging kan nadeelig zijn. Daarmede zal hare omgeving dus

vooral rekening hebben te houden en alles hebben te vermijden, wat

aanleiding kan geven tot boos-worden, schrik, verdriet, zelfs ook

aangename verrassingen, welke sterken indruk maken.

Moeder en kind · 第 15 / 28 题