Bevalling of baring noemt men de gebeurtenis, waarbij de baarmoeder
haren inhoud, en wel in ’t bijzonder aan het einde der zwangerschap,
uitdrijft. Dat geschiedt door samentrekkingen van haren wand, welke,
zooals wij weten, in hoofdzaak uit een weefsel van spieren is
opgebouwd. Die samentrekkingen, met pijnen gepaard, waarom zij den naam
van weeën dragen, volgen niet onmiddellijk op elkander, doch zijn door
korte of langere tijdsruimten gescheiden, in welke de spieren als ’t
ware uitrusten. Elke samentrekking begint met geringe pijn. Beide
bereiken, in sterkte toenemende, een hoogtepunt, om daarna geleidelijk
minder te worden en op te houden. De samentrekkingen kan men, door de
op den buik gelegde hand, tastend waarnemen. Elke spier die zich
samentrekt wordt vaster en duidelijker te voelen. Zoo wordt ook de zich
samentrekkende baarmoeder vast en hard op aanvoelen, terwijl elke
betasting van haren inhoud, zooals dat in de zwangerschap en in de
rusttijden tusschen de samentrekkingen kan geschieden, onmogelijk is.
Regelmatige afwisseling van samentrekkingen en rusttijden is een
gunstig verschijnsel. De gemiddelde duur eener wee is ½–1 minuut, in
het begin der baring gewoonlijk iets korter; de duur der rusttijden
schommelt tusschen 5, 10 en 15 minuten. Tegen het einde der baring
duren de weeën gewoonlijk langer en volgen elkander in ’t algemeen niet
zoo snel op. Kleine en groote verschillen kunnen evenwel met betrekking
tot beide worden waargenomen.
Reeds gedurende de tweede helft der zwangerschap trekt de baarmoeder
zich nu en dan samen. Die samentrekkingen worden echter niet of slechts
nu en dan, vooral door gevoelige zwangeren, gevoeld. In de laatste
maand treden zij vaker op. Men noemt ze valsche pijnen, ook voorweeën,
omdat zij het begin van de baring nog niet aangeven. Zij worden meestal
in den buik waargenomen, als lichte en meer trekkende pijnen, welke ’s
nachts niet zelden verdwijnen; zij treden onregelmatig op en gelijken
op de pijnen, welke men als kramp voelt bij winden of diarrhee. Niet
zelden is de gevoeligheid te wijten aan slechte ontlasting, waarom het
dan ook, vooral in dien tijd, noodig is voor voldoenden stoelgang zorg
te dragen. Bij twijfel omtrent den aard dier pijnen is het voorzichtig
den geneesheer te waarschuwen.
De ware of echte baringsweeën zijn in regelmatige tusschenpoozen
terugkeerende samentrekkingen, waarbij de pijnen niet alleen of
hoofdzakelijk in den buik, doch ook in de lendenstreek en zelfs in de
dijen uitstralende, gevoeld worden. Dit laatste is evenwel geen
algemeen geldende regel, zoodat wij het best doen met te zeggen, dat
die weeën als echte, het begin der baring aankondigende, zijn op te
vatten, waarbij de pijnen, zij het ook alleen in den buik, met
regelmatige tusschenpoozen opkomen, allengs heviger worden en sneller
op elkander volgen.
Die samentrekkingen nu hebben allereerst tot gevolg, dat de opening der
baarmoeder langzamerhand wijder en wijder wordt. Een teeken dat, zooals
men het noemt, de baarmoeder zich opent, is in vele gevallen het
volgende. Door den druk der weeën gevoelt de vrouw aandrang tot
urine-loozing. Wanneer zij aan die behoefte voldaan heeft en de
geloosde urine beziet, bemerkt zij daarin een klein of grooter rood
streepje. Dat is bloed, hetwelk bij het openen der baarmoeder te
voorschijn en tot in de schaamspleet kwam, waaruit het door de urine
werd weggespoeld. Wanneer de vrouw niet urineert, doch met een doek of
watten de schaamspleet uitveegt, neemt zij wat bloederig gekleurd
slijmachtig vocht waar. Men zegt dan: „De vrouw teekent” of ook wel:
„Er is ontsluiting”. Den tijd gedurende welke de opening in grootte
toeneemt, noemt men het ontsluitingstijdperk.
Daar de zich samentrekkende baarmoeder haren inhoud vaster omsluit,
wordt die inhoud steeds meer naar en in de opening gedreven. Gewoonlijk
komt het daarbij tot braken. In den beginne geschiedt de verwijding of
ontsluiting met medewerking van den druk, waaronder het vruchtwater
staat, dat in den eivlieszak is opgesloten. Het onderste gedeelte van
dien eivlieszak legt zich bij iedere samentrekking tegen den rand van
de opening aan en wordt, naarmate die opening in grootte toeneemt,
daardoor heen gedrukt, zóó lang tot er een oogenblik komt, dat dit
gedeelte van dien zak den druk van het vruchtwater niet kan weerstaan
en op het hoogtepunt der wee scheurt. Dikwijls voelt de vrouw dat
bersten. Dadelijk daarop bespeurt zij, dat er eene hoeveelheid vocht,
het vruchtwater, al of niet met bloed gemengd, door de geslachtsdeelen
naar buiten vloeit. Men zegt dan, dat „het water gebroken is.”
Gedurende dien tijd namen de weeën in kracht en pijnlijkheid toe. Na
het breken der vliezen treedt gewoonlijk een tijdperk van wat langere
rust, soms ¼—½ uur, in en geeft het wegloopen van het vruchtwater der
vrouw een gevoel van verlichting en ontspanning. Dan begint de
weeënwerkzaamheid opnieuw, de pijnen komen wederom opzetten, doch niet
zoo onaangenaam snijdend en knijpend als te voren. Soms echter worden
de weeën onmiddellijk in aansluiting aan het breken van het water
sterker, langer aanhoudende en sneller terugkeerende. Door die weeën
wordt nu het hoofd van het kind in de baarmoederopening geperst.
Wanneer de vrouw de pijnen nog niet in lenden en dijen gevoeld mocht
hebben, is dat nu zeker wel het geval en van dat oogenblik verdwijnen
die niet meer. Dan kan men aannemen, dat het hoofd in de scheede is
gekomen. Iedere opvolgende wee brengt dat deel van het kind iets verder
in de scheede, naar de uitwendige opening toe. Daarbij krijgt de vrouw
een gevoel alsof alle spieren van buik en lenden zich samentrekken, zij
voelt heftige drukking in de scheede, met behoefte om zich, door
inspanning van de buikspieren, door persen, daarvan te bevrijden.
Somtijds wordt zij daarbij geplaagd door pijnlijke krampen in kuiten en
dijen. Bij iedere nieuwe wee trilt zij, houdt den adem in, zoekt steun
voor handen en voeten, perst onwillekeurig met alle macht naar beneden,
waarbij de weeënpijn dragelijker wordt, het gelaat wordt rood en
opgezet, zij begint te zweeten, wil schreeuwen als om daardoor te
ontkomen aan den machtigen drang, doch wordt onwillekeurig tot
verwerking der weeën gedrongen, d.i. den adem in te houden, den
buikwand saâm te trekken en naar beneden te persen, waarbij
langzamerhand de wil komt om hetzelfde te doen, daar zij begint te
bespeuren, dat daardoor het kind wordt voortbewogen. Als de wee voorbij
is, haalt zij diep adem en verlangt te drinken, daar de mond droog is.
Daar komt de pijn opnieuw opzetten, drukking en drang nemen toe, het is
alsof er ontlasting komen moet en er in de schaamspleet iets te voelen
komt, dat naar buiten wil. Dan verschijnt inderdaad een gedeelte van
het hoofd in die opening. Telkens schijnt het terug te willen. De
veerkracht der weefsels dringt het werkelijk gedurende de weeën-pauze
terug, maar de opvolgende wee doet ras het verlorene herwinnen en
brengt het hoofd verder voorwaarts, de weefsels worden tot scheurens
toe gespannen, de aarsopening wordt opengerekt, hevig drukkende pijnen
dwingen haar steeds tot persen, het geheele lichaam schudt, het gevoel
van pijn en angst bereikt zijn hoogsten graad, ’t is of alles wil
breken, alles uit elkaar zal spatten, alles één opening wordt waardoor
de druk zich ontlast, alles wat haar benauwt haar ontschiet en.... het
hoofd is geboren. Daarmede is letterlijk en overdrachtelijk de
hoofdzaak geschied. Zij haalt ruimer adem, het ergste is achter den
rug. Na een kortstondige rust nog één wee. Nog éénmaal voelt zij den
onweerstaanbaren drang, zij perst en daar is ’t of alles, in een
onnoemlijk gevoel van verlichting, haar ontvloeit. Haar kind is geboren
en begroet het levenslicht met een kreet, welke de moeder in zalige
verrukking brengt. Het uitdrijvingstijdperk, zooals men dit tweede
gedeelte der baring, na het breken der vliezen, noemt, is voorbij.
De navelstreng wordt door den geneesheer op twee plaatsen, op eenigen
afstand van elkander, met een bandje afgebonden, dan daartusschen
doorgeknipt, hij heft het kind omhoog en vertoont het aan de moeder.
Alle pijn is verdwenen, alle smart vergeten. Vermoeid, doch gelukkig en
dankbaar, ligt zij daar, genietende de rust welke zoo onverwacht haar
deel werd. Nu, warm toegedekt, ligt zij rustig op den rug. Wel voelt
zij een min of meer brandende pijn aan de uitwendige geslachtsdeelen,
die te wijten is aan de rekking van den scheedeingang, welke heeft
plaats gevonden, en aan onvermijdelijke scheurtjes, doch dat deert haar
niet. Het zwaarste is geleden.
De buik is saâmgevallen, de buikwand slap en geplooid. Daardoorheen is
de samengetrokken verkleinde baarmoeder als een min of meer harden
ronden bal, ter grootte van een hoofd, te voelen. Door die
samentrekking komt de bloeding, welke gedurende den doortocht van het
kind kan zijn opgetreden, tot staan.
Bijna altijd overvalt der pas verloste vrouw nu een huiveren en beven,
als terugslag op den arbeid dien zij verricht heeft. Daarom moet zij
rustig liggende, goed en warm toegedekt, zich overgeven aan de
ingetreden kalmte.
Na 10—15 minuten van korte doch weldadige rust voelt zij weder pijnen
in den onderbuik, dikwijls gepaard gaande met geringe bloedvloeiing.
Dat zijn de nageboorteweeën, samentrekkingen van de baarmoeder,
waardoor de nageboorte, moederkoek en eivliezen, van den baarmoederwand
wordt losgemaakt. Zoo pijnlijk als de voorgaande zijn deze weeën niet,
ook volgen zij elkander niet zoo snel op. Eindelijk wordt de
nageboorte, vergezeld van vloeibaar en gestold bloed, onder een gevoel
van dringen, uitgestooten. Meestal echter weet de geneesheer dien tijd
te bekorten. Hij heeft reeds eenige malen, door den buikwand heen, de
baarmoeder betast om zich te vergewissen van den regelmatigen en
ongestoorden gang van dit gedeelte der baring en neemt, na verloop van
een half uur of langer, een gunstig oogenblik waar om, door een
krachtigen druk op de saâmgetrokken baarmoeder, de uitdrijving der
nageboorte te doen plaats hebben.
Nu is inderdaad de „verlossing” afgeloopen en maakt de geneesheer zich
gereed de moeder van bloed, vruchtwater en allerlei, waarmede zij
bevuild werd, te reinigen. Daarna wordt ook het bed gereinigd of de
kraamvrouw in een ander, schoon bed overgebracht. Tevens bekijkt de
geneesheer de schaamspleet, om te zien of misschien, bij het rekken
gedurende den doortocht van het kind, eene scheuring van het weefsel is
ontstaan. Is dat het geval, en vaak is dat niet te verhoeden, dan hecht
hij de ontstane wonde, opdat de opening weder als voorheen gesloten
worde. Is alles afgeloopen, dan legt men de kraamvrouw een verband voor
de uitwendige geslachtsdeelen, om het nog uitvloeiende bloed op te
vangen, omwikkelt haar den buik, tot steun, met een sluitlaken en geeft
haar over aan de zoo noodige rust.
Aldus, in korte trekken, de gebeurtenis welke men bevalling noemt.
Hierbij zijn eenige opmerkingen nuttig en noodig.
Reeds gedurende de zwangerschap zal de geneesheer zich door onderzoek
overtuigd hebben van de ligging van het kind en van den inwendigen bouw
der vrouw, met de bedoeling zich van te voren eene voorstelling te
maken van de wijze waarop de bevalling zal geschieden. Dat onderzoek
heeft zoowel plaats door uitwendig onderzoek, d.w.z. door betasting van
den inhoud van den buik en van den inhoud der baarmoeder, door den
buikwand heen, als door inwendig onderzoek, d.i. door het invoeren van
den vinger in de geslachtsdeelen. Dergelijk onderzoek wordt later
herhaald, zoowel om uit te maken of de baring begonnen is, als om, in
den aanvang der baring, zich nauwkeurig op de hoogte te stellen van
alles, wat hij weten moet, om moeder en kind zijne goede zorgen te
kunnen wijden.
Niet altijd volgen de gebeurtenissen gedurende de baring in dezelfde
volgorde elkander op of hebben zij op dezelfde wijze, in dezelfde mate,
in dezelfde regelmaat plaats. Meermalen wordt de zwangere vrouw verrast
door afvloeien van vruchtwater vóór zij nog eenige pijn gevoeld heeft,
nog vóór zij eenig teeken waarnam, waaruit zij kan opmaken, dat de
baring beginnen zal. Zij zal dan goed doen te bed te gaan of te blijven
liggen, en den geneesheer te laten komen, die dan een onderzoek instelt
en haar raad zal geven, hoe zij zich te gedragen heeft.
Gedurende het ontsluitingstijdperk kan ook het breken van de vochtblaas
vroeger of later geschieden. Meestal is men van meening, dat de baring,
na vroeg breken van de vochtblaas, moeilijker en langduriger zijn zal,
en hoort men spreken van „drogen arbeid”. Dit schrikbeeld behoeft
evenwel geen enkele zwangere of barende te kwellen. Nooit toch vloeit
al het vruchtwater weg en de ervaring heeft geleerd, dat—in het
algemeen genomen—de duur der baring daardoor niet verlengd, vaak zelfs
verkort wordt. Het laat breken der vliezen kan omgekeerd den duur der
baring verlengen, waarom dan ook de geneesheer dikwijls zelf de blaas
opent, om den duur te bekorten. Of na het afvloeien van het vruchtwater
de vrouw het bed moet houden, dan wel nog in de kamer mag rondgaan,
late men aan zijne beslissing over.
Het is volstrekt niet ongewoon te vernemen, dat de vrouw is
„ingescheurd” ten gevolge van minder goede zorg van den geneesheer.
Hieromtrent dient opgemerkt, dat het hem, zelfs bij de uiterste
inspanning, niet alleen niet altijd, maar zelfs in zeer vele gevallen
in het geheel niet gelukken zal het scheuren der weefsels te voorkomen.
Allerlei invloeden spelen hierbij eene rol. Zoo zal een groot hoofd van
het kind niet zonder scheuren door een nauwe schaamspleet kunnen
geboren worden en zal de geneesheer zelfs genoodzaakt kunnen zijn, om
erger te voorkomen, de opening door eene insnijding te vergrooten; zoo
zal eene vrouw, die op ouderen leeftijd voor ’t eerst baart, grootere
kans op inscheuring hebben, omdat bij haar de weefsels niet zoo
gemakkelijk en niet zoo volledig meer rekken als bij jonge
eerstbarenden; zoo zal een hoofd, dat niet de gunstigste houding bij
het doortreden door de opening heeft, allicht de rekbaarheid op te
groote proef stellen, waaraan deze niet vermag te voldoen en zoo zal de
vrouw, die gedurende de geboorte van het hoofd zich plotseling aan de
steunende hand van den verloskundige onttrekt en met alle kracht en
snelheid het hoofd door de opening perst, eene inscheuring krijgen,
welke bij meerdere kalmte ware te voorkomen geweest, om van andere
mogelijkheden niet te reppen. Ook de geneesheer stelt er prijs op zulke
onaangename verrassingen te ontgaan en doet dus alle mogelijke moeite
die te voorkomen.
In het algemeen zij de vrouw indachtig, dat de bevalling, hoewel met
pijn gepaard, eene noodzakelijkheid is, waaraan zij niet ontgaan kan.
Zij late zich dus niet door vrees beheerschen, doch neme zich voor, ook
dien arbeid met wilskracht en moed te verrichten. De belooning toch is
groot, het einde brengt wat zij zoo lang verwacht heeft. Onstuimig
woelen, gebrek aan geduld en kalmte, aan bedaardheid en
zelfbeheersching werken nadeelig; kalmte en berusting zullen haar
velerlei onaangenaamheden besparen. De weeën zijn dan regelmatiger, de
duur van de baring daardoor korter en de voldoening te grooter. Laat de
gedachte, dat de geneesheer noodig is bij deze heuglijke gebeurtenis,
haar niet doen vreezen voor allerlei gevaren. De natuurkrachten leiden
in bijna alle gevallen tot een goed einde. Alles is over ’t algemeen
van nature voor die gebeurtenis zoo goed ingericht, dat—naar de
ervaring leert—95 van de 100 gevallen, geheel zonder hulp, gelukkig
afloopen.
De tegenwoordigheid van den verloskundige zij haar integendeel tot
troost. Hij is daar om elke afwijking, welke zich zou kunnen voordoen,
te herstellen. Waar hij kalm is, behoeft zij niet te vreezen, zij
vertrouwe op hem. Zijne kalmte mag haar niet voorkomen als zou hij
gebrek aan menschelijk gevoel hebben. Hij overziet den toestand en weet
waaraan hij zich te houden heeft, wat goed voor haar is. Zijne kalmte
spruit voort uit het besef, dat alles goed zal gaan en zijn handelen is
dat van den man, die weet wat er geschiedt. Daarom is hij niet
hardvochtig, als hij niet voldoet aan alle wenschen van de barende of
van hare omgeving. Integendeel, menige baring zou slecht afloopen,
indien hij zich niet wist te beheerschen en weerstand te bieden aan
begrijpelijke, doch ondoordachte verlangens en beden. Wie hem vertrouwt
zal zelve de noodige kalmte behouden en te beter het einde bereiken.
De duur der baring is zeer verschillend. In het algemeen wordt
aangenomen, dat eene eerste baring 20–22 uren, volgende baringen
omstreeks 15 uren duren. Toch eindigt de eerste baring in de helft der
gevallen tusschen het 10e–18e uur, terwijl volgende baringen binnen 9
uren afloopen. Volgens gemaakte berekeningen zou het voorbereidings- of
ontsluitingstijdperk bij de eerste baring 12–20 uren, bij volgende 6–12
uren, het uitdrijvingstijdperk bij de eerste baring 1½–7½ uren, bij
volgenden ¼–1½ uur duren, en zou de nageboorte 2–2½ uur na de geboorte
van het kind worden uitgedreven, indien, zooals boven gezegd, de
geneesheer daaraan niet eerder een einde maakte. Velerlei
omstandigheden kunnen op den duur van invloed zijn, zonder dat men
daarom van afwijkingen behoeft te spreken.
Wanneer de vliezige zak, waarin het kind besloten is, sterk is, zal hij
minder gemakkelijk scheuren, en daardoor den voortgang der baring
belemmeren. De geneesheer kan dan den duur verkorten door den zak te
openen.
Niet steeds volgt op het breken der vliezen een lange rustpooze. Vooral
bij volgende bevallingen komt het niet zelden voor, dat dadelijk na het
breken der vliezen en het afloopen van vruchtwater, ja, tegelijkertijd,
dus met dezelfde wee, het kind geboren wordt.
De duur der baring kan verder langer zijn door onrustigheid en angst
der barende, alsook door het voortdurend te bed liggen gedurende het
voorbereidings- of ontsluitingstijdperk. Dat weten vrouwen, die reeds
meermalen baarden, dan ook wel. Zij blijven zoolang mogelijk op de
been, gedurende eene wee steun zoekende waar zij dien toevallig vinden,
om na afloop daarvan weder rond te gaan.
De spieren van de baarmoeder zijn niet altijd even krachtig. Zij
verrichten dan slechts korten tijd den noodigen arbeid, om daarna een
langeren tijd van rust te nemen voor zij dien weder opvatten.
Anderszins komt het voor, dat er eene wanverhouding bestaat tusschen
grootte van het kind en ruimte van den weg, waardoor het moet worden
voortbewogen, of dat geringe rekbaarheid dier deelen de uiterste
inspanning van den kant der baarmoeder vergt, zoodat haar kracht eerder
uitgeput raakt, waarop dan eveneens een langer tijdperk van rust volgt.
Somtijds is die krachtsinspanning van de baarmoeder, vooral bij
wanverhouding, zoo groot, dat de weeën bijzonder snel op elkander
volgen, als ’t ware onafgebroken bezig zijn, zonder dat het gevolg
noemenswaard is. Dan vooral, eveneens in andere gevallen waarin
stoornissen in het verloop der baring zich mochten voordoen, vertrouwe
de barende op den geneesheer, op zijn kennen en kunnen en op de
wonderbare krachten der natuur. De geneesheer weet, door ervaring
geleerd, den rechten weg te kiezen en, als het noodig blijkt, zal hij,
op het juiste oogenblik, zijn kunst aanwenden om te helpen. Moed,
geduld en vertrouwen zijn de eigenschappen, welke de barende van noode
heeft.
Dat eene goede zwangerschap ook eene gelukkige baring laat verwachten,
en omgekeerd, is een geloof, dat, algemeen verbreid, op geen goede
gronden rust. Men geloove ook niet aan den invloed van allerlei
middelen, welke gezegd worden de baring gemakkelijk te maken. Dat geldt
eveneens voor de bewering, dat het veelvuldig nemen van warme baden,
tegen het einde der zwangerschap, een bijzonder gunstigen invloed zou
uitoefenen.
Opmerkelijk is het, dat in 55 % der gevallen de geboorte tusschen 8 uur
’s avonds en 8 uur ’s morgens plaats heeft, meestal tusschen 12 en 3
uur ’s nachts, het zeldzaamst tusschen 9 en 12 uur ’s avonds. Het begin
valt meestal tusschen 9 en 12 ’s avonds, het zeldzaamst tusschen 12 en
3 uur ’s middags.
Oudtijds was men van meening, en ook nu is zij niet geheel verdwenen,
dat de weeën het gevolg waren van de pogingen welke het kind aanwendt
om uit de baarmoeder te komen. Daarbij zou, zoo meende men, het kind de
voeten tegen den baarmoederbodem steunen en zich met de armen een weg
banen. De weeënpauze zou dan de uiting zijn van het uitrusten van het
kind. Van daar dat men nog wel eens hoort, wanneer een kind dood
geboren wordt, dat de baring zoo lang geduurd heeft, omdat het kind
zichzelf den weg niet banen kon en de moeder het dus moest uitpersen.
Dat is geheel onjuist. De langdurige baring kan de oorzaak geweest
zijn, dat het kind stierf. Het kind doet niets, de samentrekkingen van
de baarmoeder, waarbij zich later het persen der barende, het gebruik
van de buikpers, zooals men dat noemt, voegt, is de oorzaak dat het
kind wordt voortbewogen. Dat is nu begrijpelijk voor haar, die kennis
nam van hetgeen gezegd werd omtrent den bouw der baarmoeder en de
werkzaamheid van haren spierwand.
Wanneer na het breken van de vliezen een groot gedeelte daarvan zich
over het hoofd van het kind legt, wordt dat deel hooger op van het
andere deel afgescheurd en zal het, na de geboorte, het hoofd bedekken.
Men zegt dan, dat het kind met den helm geboren wordt.
Somtijds komt het voor, dat in de laatste weken van de zwangerschap, al
of niet gepaard met of voorafgegaan door pijnen, bloeding uit de
geslachtsdeelen optreedt, welke bloeding zeer belangrijk zijn kan. Het
is dan noodig den geneesheer zonder verwijl daarvan in kennis te
stellen, opdat hij daarvan niet onkundig blijve. Middelerwijl houde de
vrouw de grootste rust in bed.
Het gebeurt niet zelden dat de navelstreng een of meermalen, als een
lus, om den hals van het kind gevonden wordt. Men noemt dat
omstrengeling. De geneesheer houdt ook daarop zijne aandacht gevestigd,
om noodlottige gevolgen voor het kind zoo mogelijk te voorkomen.
Bijzondere vrees wordt veelal gekoesterd voor het zoogenaamde
vastgegroeid zijn van de moederkoek of nageboorte. Eigenlijk moet men
zeggen, dat er eene afwijking bestaat in dien zin, dat de vasthechting
aan den baarmoederwand zoo stevig is, dat de samentrekkingen van de
baarmoeder niet in staat zijn haar op te heffen. Al is deze afwijking
allerminst van belang ontbloot, onjuist is het te meenen, dat zij zoo
vaak voorkomt als wel eens beweerd wordt. Zij komt integendeel
betrekkelijk zeldzaam voor. De meening dat de moederkoek, of het kind,
zooals ook wel eens beweerd wordt, aan het hart is vastgegroeid, is
bijna te dwaas om er hier over te spreken. De beschrijving van de
onderlinge ligging van baarmoeder, darmen, maag en hart, zooals wij die
in den aanvang in ’t kort gegeven hebben, zal iedere vrouw, die dat
gelezen heeft, wel doen inzien, dat eene dergelijke vergroeiing tot de
onmogelijkheden behoort.
De meeste barenden hebben gaarne, dat men haar met de vlakke hand in de
lenden of iets lager steun geeft. Dat zal het gemakkelijkste gebeuren
wanneer zij op de zijde ligt, eene ligging welke hier te lande de meest
gebruikelijke is.
Gedurende de baring is de eetlust verminderd. Men trachte dus niet de
barende tegen haren wil iets op te dringen. Veelal wordt het genotene
uitgebraakt, wat haar zeker eenige onaangename oogenblikken bezorgt.
Drinken is haar daarentegen zeer welkom en daaraan mag met gerustheid
worden tegemoet gekomen. De angst, dat frisch koud water zoogenaamde
krampweeën zou opwekken, is onjuist. Men vermijde evenwel alcoholica.
Hierbij moet er op gewezen worden, dat de barende vaak geen aandrang
tot urine-loozing voelt of, omgekeerd, herhaaldelijk dien drang
ondervindt, terwijl slechts geringe hoeveelheden urine te voorschijn
komen. In beide gevallen kan het gebeuren, dat de urine-blaas overvuld
raakt. Daarop dient in het bijzonder gelet te worden, omdat de
overvulde blaas de werkzaamheid der weeën vermindert, zelfs geheel kan
doen ophouden, waarbij dan aanhoudend pijnen in den onderbuik en
afwijkende ligging van het kinderhoofd, ten opzichte van het
baringskanaal, kunnen ontstaan. Het is dus van belang, met het oog op
den regelmatigen gang der weeën, er op te letten, dat de urine-loozing
gedurende de baring geregeld plaats vindt.
De gevoeligheid voor de weeënpijnen en de uiting, welke daaraan door de
barenden gegeven wordt, is zeer verschillend. Flinke vrouwen, zelfs
eerstbarenden, laten somtijds geen enkelen kreet hooren, anderen geven
op de allerkrachtigste wijze uiting aan hare gevoelens van pijn en
onbehagen. Al is het te begrijpen, dat hevige pijn onwillekeurig
aanleiding geeft tot eene kernachtige uiting van smartgevoel, zoo is
het ook in deze van belang, dat de barende zich zooveel mogelijk
beheerscht.
Ondanks alle voorzorgen komt het voor, dat het kind schijndood of ook
wel dood geboren wordt. Somtijds sterft het reeds gedurende de
zwangerschap. De oorzaken voor dit laatste zijn meestal gelegen in
ziekten van vader of moeder, of ook in ziekten van het ei of ziekten en
misvormingen der vrucht, ofschoon misvormde vruchten dikwijls levend
geboren worden, doch gelukkig niet lang in leven blijven. De oorzaken,
dat een normaal kind gedurende de baring sterft, kunnen vele en
verschillende zijn. Bij de eerste baring loopt het kind, bij goede
ligging, meer gevaar dan bij latere baringen. Vooral is dit het geval
bij vrouwen, die na het 30ste jaar voor het eerst baren. In het
algemeen komt het percent-cijfer ten nadeele van de jongens, door de,
in verhouding, grooteren omvang van den schedel. In hooge mate van
belang is de ligging van het kind bij de geboorte en de kunsthulp welke
alsdan moet worden aangewend. In dit verband gedacht, loopt het kind
dat dwars in de baarmoeder gelegen is het meeste gevaar, daarop volgt
de ligging met de stuit of de beenen vooruit, vervolgens die met het
aangezicht vooruit en ten slotte die met het achterhoofd vooruit, op
andere wijze dan in normale houding. Niet zelden komt het leven van het
kind in gevaar door omstrengeling van den hals, veel zeldzamer door
buitengewone kortheid van de navelstreng.
Van schijndood geboren kinderen moeten helaas ook nog een aantal het
leven laten. Schijndood komt het meest voor na eene moeilijke
bevalling. De kleur van het kind kan dan zijn donker blauw of wit. De
ledematen zijn slap, de ademhaling ontbreekt.
Het schijnt ons hier de geschiktste plaats te trachten aan te geven,
hoe men te handelen heeft, wanneer het kind geboren wordt, zonder dat
geneeskundige hulp aanwezig is. Wanneer dan het kind geboren is, legt
men de moeder, als zij op zijde lag, op den rug en het kind tusschen de
beenen, zoo, dat het de ruimte heeft en neus en mond onbedekt zijn.
Mocht het gelaat door een gedeelte der eivliezen bedekt zijn, het kind
dus „met den helm geboren zijn”, zóó, dat het vlies de openingen van
mond en neus afsluit, dan vatte men het vlies, het best met een drogen
doek, omdat het zeer glibberig is en zich niet gemakkelijk laat
vasthouden, en verwijdere het. Het kind kan dan ademhalen en
schreeuwen. Zoo kan het blijven liggen tot de geneesheer komt. Tevens
lette men op de baarmoeder; deze moet zich, na de geboorte van het
kind, flink samen trekken. Men kan zich daarvan overtuigen, door de
hand op den onderbuik der vrouw te leggen. Trekt de baarmoeder zich
goed te zamen, dan voelt men daar een min of meer harden bol. Trekt zij
zich onvoldoende samen, dan bestaat er meestal bloeding en voelt men
niets of slechts zeer onbepaald een weekachtig gezwel. Door flink
wrijven van dat gezwel zal het zich samentrekken en de bloeding tot
staan komen. Voortdurend wrijven voorkomt het slapper worden, er moet
dus voortdurend gewreven worden.
Indien het kind schijndood mocht zijn, dus de bovengenoemde verkleuring
vertoont, niet schreeuwt en niet ademhaalt, dan wordt allereerst de
navelstreng doorgeknipt. Dit geschiedt zoo, dat op twee plaatsen, op
eenigen afstand van elkander, een stukje veterband flink om de streng
wordt gesnoerd en geknoopt. Daarna knipt men de streng, met een schoone
schaar, tusschen de beide plaatsen door. Het kind kan dan worden
opgenomen.
Bij lichtblauwe verkleuring van huid en zichtbare slijmvliezen, zijn
gewoonlijk de spieren van armen en beenen niet geheel slap, doch maakt
het kind geene bewegingen, en is de hartslag te zien en te voelen.
Brengt men het kind, na het met een om den wijsvinger gelegd zacht
doekje de mondholte van slijm gereinigd te hebben, in een warm bad (±
36° C, ± 29° R,) daarin het hoofd met de hand ondersteunende, opdat het
niet onder water zakke, dan zal het veelal na eenigen tijd beginnen
adem te halen en te schreeuwen. Wanneer de kleur blauwviolet is, alle
spieren slap zijn, zoodat ook het hoofd heen en weer bengelt, de
hartslag niet te zien is en slechts flauwtjes te voelen, daarbij
langzaam en onregelmatig, dan zal het langer duren voor het kind
bijkomt. Nadat het dan eenigen tijd in het warme bad gelegen heeft, kan
men de huid prikkelen, b.v. door het een paar flinke klappen op de
billen te geven, nadat die eerst afgedroogd zijn en, bij jongens, de
balzak naar voren, tusschen de dijen, is weggeborgen. Daarna wordt het
weder in het warme bad gebracht. Het kan noodig zijn dit eenige malen
te herhalen, voordat men de ademhaling, eerst oppervlakkig,
langzamerhand dieper wordende, ziet tot stand komen, de blauwe
verkleuring in rozerood ziet overgaan, de oogen ziet opengaan en
eindelijk het kind hoort schreeuwen. Mocht het niet reageeren op de
klappen op de billen, dan neme men het uit het warme bad en dompele
het, voor een oogenblik, tot den hals toe in een emmer koud water en
brenge het vervolgens dadelijk weder in het warme bad. Zoo afwisselend
handelende, zal het kind ten slotte zijn onbehagen over dergelijke
behandeling door geschreeuw en allerlei bewegingen van armen en vooral
van de beenen kenbaar maken. Dan wordt het afgedroogd en in het warme
bed gelegd.
Veel moeilijker zal het zijn een schijndood kind, dat wit en slap is,
in het leven terug te roepen. Allereerst beginne men dan, als boven
vermeld, met het reinigen van den mond en het brengen in een warm bad,
om, als de huid behoorlijk warm geworden is, het kind voor een
oogenblik in koud water te dompelen, en dadelijk daarop weder in het
warme bad. Doch meestal is dat niet voldoende en zal het noodig zijn de
kunstmatige ademhaling toe te passen. Daarvoor is kennis van de wijze
waarop dat dient te geschieden en bijzondere handigheid noodig, zoodat
gewoonlijk alleen de geneesheer in de mogelijkheid is te trachten
alsnog de bijna uitgedoofde levensvonk aan te blazen.
Om dergelijke tegenspoeden zooveel mogelijk te ontgaan, geven wij den
raad, steeds den geneesheer te ontbieden, zoodra de vrouw meent, dat de
baring begint. Hij kan zich dan bijtijds van den toestand op de hoogte
stellen en zijne maatregelen nemen, opdat hij op het juiste oogenblik
tegenwoordig zij. Dan kan veel onaangenaams voorkomen worden,
onaangenaams zoowel voor moeder en kind als voor den geneesheer.