VOORBEREIDING VOOR DE BEVALLING.

Een zaak van het hoogste belang is reinheid. Daarop kan niet genoeg

nadruk gelegd worden. Reinheid is een van de grondslagen waarop de

verloskunde van den tegenwoordigen tijd rust, waaraan zij de groote

triomfen dankt, welke zij behaald heeft op een van de

verschrikkelijkste ziekten, die duizenden moeders ten grave sleepte, de

kraamvrouwenkoorts.

Het is nog niet zoo heel lang geleden, dat tallooze vrouwen, zoowel

gedurende de baring als daarna, vrij regelmatig koorts kregen, dikwijls

in die mate, dat het kraambed tevens het sterfbed werd van haar, die,

jong en levenslustig, in blijde hoop het tijdstip hadden zien naderen,

waarop zij moeder zouden worden. Talrijk waren de mogelijkheden welke

bedacht en overwogen werden, allerlei maatregelen werden, doch steeds

zonder gevolg, toegepast, totdat omstreeks het midden der voorgaande

eeuw een geneesheer te Pest, Ignaz Phil. Semmelweis, de eerste schrede

deed op den weg, die nu door alle geneesheeren tot heil der barenden

bewandeld wordt. Toen hij, gedurende den tijd dat hij assistent was in

eene kraaminrichting te Weenen, zoovele vrouwen aan kraamvrouwenkoorts

zag sterven en, na eenigen tijd afwezig te zijn geweest, vernam dat een

zijner leermeesters, bij het doen van eene lijkopening, gewond en

besmet was geworden met lijkengif, waaraan deze onder dezelfde

verschijnselen overleed als die welke Semmelweis bij de kraamvrouwen

had waargenomen, rees bij hem de gedachte, dat de oorzaak der

kraamvrouwenkoorts in hoofdzaak moest gezocht worden in infectie of

besmetting der barende, door stoffen, welke van buiten af in de wonden,

die noodzakelijkerwijze gedurende de baring ontstaan, binnendringen.

Hij overwoog, dat zij, die de barende hulp verleenen, daarbij eene

groote rol konden spelen. Zij toch, geneesheeren als andere

hulpverleenenden, vooral in ziekenhuizen en kraaminrichtingen, kwamen

in aanraking met vuile wonden, etterende lichaamsdeelen en lijken, en

konden gemakkelijk de schadelijke stoffen aan handen en kleederen met

zich voeren. Wanneer, zoo dacht hij, de oorzaak, zij het ook slechts

ten deele, daarin te zoeken is, zal verbetering moeten zijn waar te

nemen, wanneer die personen, door het aanwenden van ontsmettende

middelen, de mogelijkheid tot het overbrengen dier stoffen op de

barenden tot de kleinste afmeting terugbrengen. En deze gedachte, door

hem toegepast, bleek juist te zijn; er werd verbetering waargenomen.

Men meene evenwel niet, dat zijne belangrijke ontdekking

oogenblikkelijk ingang vond. Ook nu leert de geschiedenis weder dat het

nieuwe, het vreemde, moeite heeft zich een plaats te veroveren. Slechts

enkele zijner ambtgenooten begrepen, dat er waarheid school in zijne

waarnemingen, welke hij in 1849 voor ’t eerst publiek maakte. Zelfs 15

jaren later was de toestand nog weinig verbeterd. In Augustus 1865

stierf de man, dien nu allen als weldoener der barenden eeren, in het

krankzinnigengesticht te Weenen, aan bloedvergiftiging, zonder dat hij

heeft mogen beleven, dat de wetenschappelijke mannen van zijn tijd,

uitgezonderd een enkele, zijne belangrijke ontdekking aanvaardden.

Langzamerhand echter kwam men tot het besef dat Semmelweis de waarheid

op het spoor was, en de laatste tientallen van jaren hebben, dank zij

den ijverigen arbeid van vele wetenschappelijke mannen, het bewijs

gebracht, dat zijne ontdekking duizenden moeders het leven heeft gered.

Door hunnen arbeid werd het steeds duidelijker, dat niet alleen de zoo

gevreesde kraamvrouwenkoorts, maar nog vele andere ziekten veroorzaakt

worden door infectie, dat de kraamvrouwenkoorts te beschouwen is als

een wondkoorts, de kraamvrouw als eene gewonde. En nu aanvaardt ieder

geneesheer datgene, waarvoor de ontdekker jarenlang, onder groote

miskenning, heeft gestreden. Zoo ergens dan is het hier van pas een

woord van dankbare hulde te brengen aan de nagedachtenis van den man,

wiens naam met eerbied dient genoemd te worden door alle moeders.

Kleine levende wezens, zoo klein dat zij slechts met behulp van het

mikroskoop zijn waar te nemen, bleken de vijanden te zijn, die, overal

aanwezig, steeds den mensch belagen. Bacteriën noemt men ze met een

algemeenen naam, en hun schadelijken invloed oefenen zij uit, zoodra

zij, in het lichaam binnengedrongen, daar een geschikten bodem vinden

voor ontwikkeling en vermenigvuldiging. Zij scheiden daarbij stoffen

af, die, in de weefsels van het lichaam overgaande, niet alleen

plaatselijk allerlei veranderingen kunnen teweegbrengen, maar ook het

geheele lichaam zoo ziek maken, dat het leven er mede gemoeid is.

Toen men eenmaal zoo ver gekomen was, zocht men, zooals voor de hand

ligt, naar middelen ter bestrijding. Het zou ons te ver voeren, hier

ook maar in ’t kort mede te deelen, hoe ver men daarmede tegenwoordig

reeds gevorderd is. Het zij genoeg te vermelden, dat eensdeels

duidelijk bleek, dat zorg voor een gezond lichaam een belangrijk

hulpmiddel in den strijd tegen de werking dezer kleine organismen is,

dat anderdeels reinheid en ontsmetting in staat zijn den vijand met

goed gevolg te bestrijden.

Onmiddellijk, om te beginnen dus, zorg voor een gezond lichaam. Overal

zijn bacteriën aanwezig, ook in ons lichaam. Gelukkig echter bezit het

lichaam middelen om zich te verdedigen, zoodat de vijand onophoudelijk

onschadelijk gemaakt wordt of zoodanig verzwakt, dat hij geen vat op

ons heeft. En het ligt in de rede, dat het gezonde lichaam de beste

weerkracht kan ontwikkelen.

Zoodra echter van buitenaf die organismen in het lichaam binnendringen,

wordt de strijd moeilijker en hangt het van velerlei omstandigheden af,

wie den strijd wint. Elke verwonding vormt een zwakke plek, van elke

verwonding kan de van buiten gekomen vijand den strijd beginnen. Daarom

is het noodig ons zooveel mogelijk te beschutten tegen het indringen

van bacteriën in ons lichaam.

Hoe beschutten wij ons dan het best daartegen? Door reinheid! Door

reinheid op woning, kleeding, voedsel en lichaam. En waar reinheid in

de gewone dagelijksche beteekenis ons niet voldoende lijkt, verscherpen

wij haar door ontsmetting, door het gebruik maken van ontsmettende of

desinfecteerende middelen, welke worden aangewend om de bacteriën te

dooden of, zoo dat niet mogelijk zijn mocht, ze zoodanig te verzwakken,

dat hun schadelijke invloed zoo gering mogelijk wordt.

Passen wij deze beschouwing toe op de baring, dan blijkt hoe de

kraamkamer zoo rein mogelijk moet zijn, hoe alles wat stof herbergt en

stof kan afgeven, zooveel mogelijk moet geweerd worden. Wij begrijpen

dan den eisch van den verloskundige, dat alles wat de barende aan en om

zich hebben zal, dat alles wat gedurende de baring gebruikt zal worden,

rein zij. Allereerst de barende zelf. Vóór de baring reinige zij zich,

in een bad als ’t kan, en anders door wassching van het geheele lichaam

met warm water, waarin men een stukje soda ter grootte van een noot kan

oplossen, en zeep. Vooral de geslachtsdeelen moeten op die wijze

gereinigd, lange haren daar ter plaatse kort geknipt worden, omdat deze

allerlei vocht, vuil en bloed vasthouden. Zij trekke daarna schoone

kleederen aan. Het best worden die, om verontreiniging gedurende de

baring tegen te gaan, van onderen op tot het middel omgevouwen en

vastgespeld, en het onderlijf bedekt met een schoonen witten onderrok,

welke gemakkelijk, als hij bevuild is, door een andere kan vervangen

worden. Ook is het aan te bevelen kort voor de baring, maar ook als die

begonnen is, den darm door een glycerine-lavement te ontledigen, om

zooveel mogelijk verontreiniging te voorkomen. Na de ontlasting moet de

vrouw weder met warm water en zeep gereinigd worden. Voor de reiniging

gebruike men nooit een spons, doch verbandwatten. De spons toch is niet

behoorlijk meer te reinigen en blijft allerlei vuil vasthouden, terwijl

vuile watten worden weggeworpen. Het hoofdhaar worde gekamd en

gevlochten.

Het bed worde bedekt met schoon linnen. Geen beslapen lakens dus,

zooals nog dikwijls worden gebruikt. Beslapen lakens zijn vuile lakens.

Het hospitaaldoek moet, voor het gebruikt wordt, met warm water en zeep

goed afgewasschen en met een schoonen doek afgedroogd worden.

De watten, welke door den verloskundige en de verpleegster gebruikt

zullen worden, verdeele men in twee helften. De eene helft kan weder in

de verpakking worden weggeborgen, de andere helft wordt, in strooken

verdeeld, bewaard in een schoongemaakte glazen wijdmondsstopflesch of

in een schoonen handdoek en voor het gebruik gereed gehouden.

Gewoonlijk bezorgt de verpleegster al deze dingen.

De handenborstels, uitgekookt en bewaard in een glazen

wijdmondsstopflesch, gevuld met een ontsmettingsvloeistof, of in een

schoonen handdoek, worden gereed gehouden.

De waschkommen moeten schoon zijn, zooals alles wat aan kommen of

kommetjes zal gebruikt worden, dus ook het ondersteek.

Steeds moet eene voldoende hoeveelheid heet en koud water aanwezig

zijn.

Zoodra de verloskundige geroepen is, zorge men voor heet water. Ook hij

toch, evenals de verpleegster die hem ter zijde zal staan en menige

handreiking te doen heeft, zal zich behoorlijk reinigen voor hij tot

een onderzoek of eenige andere handeling overgaat. Immers geldt vooral

voor die beiden het voorschrift van nauwkeurige reiniging en

ontsmetting. Op en in de huid, vooral van de hand, zijn vele bacteriën

aanwezig en die moeten, door langen tijd borstelen der handen met heet

water en zeep en daarna met eene ontsmettingsvloeistof, verwijderd of

onschadelijk gemaakt worden.

Zóó is het den verloskundige mogelijk geworden de gevaren te

bestrijden, welke de barende bedreigen; zóó heeft de verloskunde,

afgezien van hare ontwikkeling in andere richting, de triomfen kunnen

vieren, waartoe Semmelweis haar eens den weg wees.

Nu kan men begrijpen, waarom de verloskundige steeds moet aandringen op

reinheid, altijd en overal, maar vooral vóór, gedurende en ook na de

baring.

Moeder en kind · 第 13 / 28 题